„Inderdaad Horatio, de Harmonischen hebben heel veel moeite gehad om
tot een godsdienstleer te komen. En hoe meer geslachten elkaar in het
Harmonische Rijk opvolgden, des te moeilijker werd het voor hen. Want
daar zij naar de daad godvruchtig leefden, was het voor hen zeer
bezwaarlijk een theorie voor dat godvruchtig leven op te stellen. Het
was voor hen, alsof men een moeder, nadat zij haar kind liefdevol heeft
grootgebracht, vraagt een boek te schrijven, waarin zij de wetten en
geboden door haar gevolgd om die liefde te betuigen en uit te oefenen,
opteekent.
„Men keerde tot het Oude Testament terug en beproefde allereerst
daarin, een levensleiding te vinden. Maar reeds Genesis moest verworpen
worden. God gaf den mensch heerschappij over alle dieren. God gaf den
mensch het kruid en de boomvrucht tot voedsel. En aan de dieren het
groene kruid. Ook aan het wild gedierte uit Gen. 1:24. Dat ging samen
met het Harmonische.
„Maar dat het eten van een vrucht aanleiding had gegeven tot den
zondenval en de erfzonde, vond al bij hen eenig verzet. Indien het nu
nog de slang zelf was geweest, welke door Eva was gedood, gebraden en
opgegeten. En dat aan de vrouw gezegd werd, dat zij de slang voortaan
den kop zou vermorzelen en aan de slang, dat zij haar voortaan de
verzenen zou vermorzelen, wekte afgrijzen en ongeloof. En al evenmin
geloofde men aan Gods gezegde, dat de vrouw met smart kinderen zou
baren. Men had thans sedert geslachten ervaren, dat het baren van een
kind voor de gezonde, harmonisch ontwikkelde, geoefende en gevoede
vrouw, een zaligheid was, waarnaar zij altijd weer verlangden en
waaraan zij altijd weer met een gevoel van geluk terugdacht.
„Evenmin konden de Harmonischen erkennen, dat sedert Adam, de mensch
alle dagen zijns levens met smart van de aarde zou eten. Bij de
Harmonischen was het uur van het middagmaal elken dag een plechtige,
gewijde feestelijkheid en het zien groeien van het gewas gaf geluk. Hoe
waren de huizen en de wegen in de lente vervuld van de geuren der
blanke en rozeroode boomgaarden. Hoe schoon, als de jonge vrucht zich
gezet had. Welk een genot te zien naar het rijpen. En wat was er
schooner, dan zoo’n zware appel- of pereboom met gestutte takken, in
den herfst prijkende met zijn blozende vruchten. En het gebod tot den
arbeid, het in het zweet des aanschijns brood eten, kon geen
vervloeking zijn. Ja, misschien in de opvatting van een luien
Oosterling, die geen grooter genot dan loomheid en nietsdoen kende en
zich door anderen te laten bedienen. Maar de Harmonischen eerden den
arbeid als de bron van alle deugd, liefde en schoonheid, zonder welke
immers het denken aan en bidden tot God zelve niet mogelijk is, daar
ook daartoe arbeid noodig is.
„En het zweet des aanschijns mocht wellicht den oosterling in ’t warme
oosten een vloek zijn, in het Harmonische Rijk wist men, dat zweeten
een gezonde en verfrisschende functie van de huid is, dat de huid
altijd vocht afscheidt, meer of minder en zonder deze afscheiding, de
dood in moet treden en dat men, ook in den zomer, waardig en
bedachtzaam op het veld arbeidend, niet tot overmatig zweeten komt. De
oosterling, die de Paradijsmythe voor ’t eerst op schreef, had zeker
slaven onder den stok van den opzichter op het veld zien arbeiden en
uitbuiten en dat als een straf beschouwd, was wellicht zelf een
weggeloopen of vrijgelaten slaaf geweest. Wie slechts eenmaal een gezin
in het Harmonische Rijk aan den arbeid had gezien, zou nooit meer
gelooven, dat arbeid een straf Gods is. En wat men wist van degenen,
die door het „automatisme” lieten arbeiden en zelve aan de „straf” zich
hadden onttrokken, leidde niet tot erkenning van het zegenrijke van het
niet arbeiden.
„Zou God een arm schaap door een mensch gedood een liefelijk offer
vinden?
„En toen men aan Genesis 9:3 kwam en las „Al wat zich roert, dat levend
is, zij u tot spijze”, ging er een rilling van ontzetting door die van
het Harmonische Rijk. En hoe was dit overgeven van de dieren als
voedsel aan de menschen te rijmen met Gen. 9:10, waarin God met alle
dieren een verbond sluit en met Gen. 9:12 en 13, waarin ook aan de
dieren, de regenboog wordt gegeven als teeken des verbonds. Had ooit
een dier ter wereld besef getoond voor dat wezen van den regenboog?
Alleen een herder, die veel met dieren omgaande, van die dieren veel
heeft overgenomen en zich verdierlijkt heeft, kan gelooven in een
Godheid, die eerst de dieren onschuldig vervloekt; daarna ze den mensch
tot voedsel aanwijst; ze daarna weder voor hem heiligt, door hem te
zeggen, dat dezelfde regenboog mensch en dier tot hetzelfde gewijde
verbond zal zijn. Maar hoe kon een inwoner van het Harmonische Rijk het
verhaal van zulk een nomade omtrent Die De Waarheid is, aannemen?...
Doch daar Christus gezegd heeft, dat Hij niet was gekomen om de wet te
verbreken maar te volmaken, richtte men zich tot het Nieuwe Testament,
ten einde hieruit een meer volmaakte leer te verkijgen.”