XX.

„Men had het leven zooveel mogelijk naar den zonnestand ingericht. Men

brandde in huis lampen met plantaardige olie gevuld. Men ontstak ze aan

een klein lampje, dat altijd brandde en waarvan men dan met een houtje

het vuur naar andere lichten overbracht.

„Maar de voordeelen van electrische haarden, electrische fornuizen,

electrisch verwarmd water en electrisch licht waren zoo groot, dat men

electrische toestellen in de huizen installeerde en door de molens in

accumulatoren, electrische kracht ervoor verzamelde.

„Toch verwierpen de volgende geslachten ook dit gebruik van

electriciteit, daar men ervoer, dat voor de inrichting en reparatie der

electrische installaties vaklieden noodig waren en dit zoowel

schadelijk was voor de ziel der menschen, welke in één vak gingen

uitmunten als een slecht voorbeeld gaf. Daarom bouwde men nu eenvoudige

haarden en fornuizen, die gestookt konden worden met overblijfselen van

plantaardigen aard als geperst gras, veen, lijnkoeken, houtafval,

notendoppen, vruchtenpitten. De grootste zorg werd aan het opkomend

geslacht besteed. Men leerde de kinderen niet om uitsluitend het

voorgeslacht en de ouders lief te hebben en te eeren, maar om ook het

nageslacht lief te hebben. De geheele opvoeding was gericht op de

belangen van het nageslacht. De huizen, de landerijen, de boomgaarden,

de bosschen, de molens, de waterwerken werden verzorgd, met het oog op

het gebruik dat kinderen en kleinkinderen er van zouden kunnen maken.

Terwijl in de 20ste eeuw elk volgend geslacht al weder meer gedrukt

werd door de schulden en het er op los leven van het vorige geslacht en

elk geslacht er op uit was geweest, zooveel mogelijk zelf te genieten,

vonden nu de jongere geslachten alles zorgzaam voorbereid voor hun

bestaan. En dit schiep liefde en eerbied voor het voorgeslacht, zoowel

als drang ook de volgende geslachten een bewoonbare wereld voor te

bereiden, zooals men ze zelve gevonden had. Het surplus van den

degelijken, lieflijken arbeid van de voorgeslachten had ten gevolge,

dat ieder kind welvarend mocht genoemd worden van ’t uur zijner

geboorte. Deze algemeene en duurzame welvaart van opeenvolgende

geslachten, niet gevolgd door verweekelijkende luiheid en teren op ’t

geërfde, maar door voortgezetten handarbeid van ieder zonder

onderscheid, had het voordeel, dat men de kinderen veel minder behoefde

te leeren om ze voor het leven en den strijd om het bestaan voor te

bereiden. Spelende leerden de kinderen den handarbeid en den

landarbeid. Was reeds door alle tijden heen de jongen blij als hij

mocht timmeren, het land verzorgen, boomen kweeken en het meisje, als

het spijzen mocht bereiden, wasschen, boenen, schuren, handwerken

maken, thans werden er geslachten van kinderen geboren, die nadat ze de

handgrepen van de ouders geleerd hadden, verwonderlijke vaardigheid

toonden. De kinderen leerden lezen, schrijven en rekenen—maar men

zorgde dat zij, die geen bijzondere lust in leeren betoonden, daartoe

niet aangezet werden. Men wist te goed uit het verleden hoe schadelijk

dat was voor het kunstmatig tot herseninspanning gedreven kind en

vooral voor zijn nageslacht. Daar de eenvoudigste handarbeid of arbeid

op ’t land even hoog in aanzien stond als hersenarbeid, kenden de meer

geleerden niet de barbaarsche laatdunkendheid, de ongeleerden niet de

even barbaarsche onderworpenheid voor den geleerde. Trouwens, er werd

niet veel gelezen en er werd niet veel geschreven. De gelijkvormigheid

van denken en leven gaf geen aanleiding tot veel schrijven. Er

gebeurden geen groote gebeurtenissen. Men was niet benieuwd naar

allerlei ongelukken en rampen—welke trouwens nu niemand gehaast werd of

anderen haastte, tot een minimum beperkt waren. Men sprak niet heel

veel en men gevoelde ook geen behoefte om veel te hooren spreken of

opgeschreven gesprek te lezen. De koorzang en de solozang gaven

gelegenheid de algemeene levenswijsheid en waarheid te uiten. De

openluchtspelen waren voor de dichters de plaats om den vooruitgang der

wijsheid toe te lichten of de oude wijsheid op frissche wijze te

verkondigen.

„Zoo groeiden de kinderen op, liefdevol geleid, nooit overwerkt en

elkaar als broeders en zusters liefhebbend. Zij leerden in de groote

gezinnen orde, regelmaat, eerbied voor den arbeid van anderen en liefde

tot den eigen arbeid. Hun opvoeding was ethisch. Zij werden

gewaarschuwd tegen overmoed, verwatenheid en ledigheid. Daar er geen

dieren waren, welke misbruikt konden worden, kwamen zij er niet toe

menschen te misbruiken of zichzelf te doen misbruiken. Zoo kwam het in

niemand op overmatig te draven of te doen draven, omdat men elkanders

snelheid bij ’t spel niet vergeleek bij het rennen of draven van een

paard. Paarden kende men niet in het Harmonische Rijk. Zij waren zoo

goed als uitgestorven. Honden waren als vleescheters niet geduld.

Ratten en muizen waren verdelgd en dus had men ook geen katten noodig.

Rundvee was uitgestorven. Men kon het uitnemend zonder zuivel stellen.

Het kwam weinig voor, dat moeders heur kind niet konden zoogen of

tijdens of kort na de bevalling stierven. Daartoe was het physiek na

zoovele geslachten van harmonisch geoefende meisjes, te gezond

geworden. Doch als het voorkwam, waren er altijd gezonde moeders te

over, die liefdevol een extra-zuigeling konden en wilden verzorgen.

Kippen werden ook nergens gehouden, want men had geleerd hoe schadelijk

het gecomprimeerde voedsel van het ei werkte op lichaam en ziel en de

gedachte alleen dat men een vogel zou slachten, plukken en braden en

tot voedsel gebruiken, zou een Harmonisch mensch al doen rillen.

„Het leek in ’t eerst wel vreemd, zoo weinig dieren in het Harmonische

Rijk aan te treffen. Maar men had leeren inzien, dat het lagere dier

geen geschikt genoot was om met den reinen mensch samen te wonen en te

leven. Na zoovele geslachten van vegetarisch leven, kon men den reuk

van vleeschetende dieren niet goed verdragen. Men had, zelve rein en

waardig, een afschuw van de dieren, die zoo zij ook uitwendig gereinigd

werden van vuil en ongedierte, toch aan allerlei inwendige kwalen

leden, veroorzaakt door microben, insecten of het eten van ontuig.

Denzelfden afkeer voelde men ten aanzien van de psyche van het dier,

dat een lager leven leidend òf tyranniek, verscheurend en

individualistisch was òf weerloos en onderworpen.

„Maar de boomgaarden trokken de vogels aan en den heelen dag hoorde men

in het Harmonische Rijk de vogels zingen, sjilpen, kwetteren. Men was

er in geslaagd de meer edele vogelsoorten aan te kweeken en tot

sterkere soorten te ontwikkelen, waarna deze er wel voor gezorgd

hadden, dat de musschen en spreeuwen, die schrik der boomgaarden, zich

niet te talrijk vermenigvuldigden. Ook het houden van bijen was een

groote liefhebberij voor de opgeschoten jeugd. De boomgaarden en de

bloeiende velden gaven rijkelijk gelegenheid om honing te doen puren.

„De schapenteelt stond in hoog aanzien en men was er in geslaagd een

schaap te telen, dat overvloedig een zware, zijdeachtige wol opleverde.

Men liet de lammeren bij de moederschapen en zorgde er voor, dat er als

de lammeren volwassen waren, geen in-teelt plaats kon vinden, door dan

nieuwe kudden te vormen en die ver weg te ruilen.”

Met bewondering volgde prof. Leyden zijne geleidster en terwijl zij

sprak, zag hij het geschilderde idyllische leven voor zijn oogen zijn

voortgang hebben.

„Vriendin,” zeide hij ten laatste, „nu hebt gij mij veel doen

aanschouwen en verklaard. Maar mag ik u een vraag stellen?”

„Gaarne mijn vriend. En ik zal mij gelukkig voelen, als ik ze u naar uw

wensch zal kunnen beantwoorden.”

„Welnu, waaraan ontleenen al deze menschen de kracht om zoo schoon,

goed en gelukkig te zijn?”

„Aan de lessen van het verleden.”

„Ja, maar om van lessen uit het verleden een goed gebruik voor het

heden en de toekomst te trekken, moet men toch een kracht tot het goede

hebben.”

„Verklaar u nader, Horatio.”

„Welnu, al lijkt het u bekrompen, dat u dit gevraagd wordt door een

professor van de geneeskundige faculteit der Leidsche Universiteit, die

in zijn leven meende, dat het behandelen van bijna twee honderd duizend

patiënten naar beste krachten en beste weten, zonder winstbejag en met

als hoofddoel lijden te voorkomen, te verzachten of te genezen, hem

vrij stelde van uiterlijk vertoon van godsdienst, toch stel ik ditmaal

mijn vraag, opdat ik later mijn collega’s ten deze op hun vraag zal

kunnen inlichten....”

„Uw collega’s.... na alles wat ik thans voor u deed en u toonde.... o

Horatio, gij hebt mij nooit lief gehad.... als ik dàt had kunnen

vermoeden....”

En Eumenia weende. Zware druppels odd fluïdden uit hare aetherische

oogen.

„Lieve,” zeide professor Leyden getroffen en hij naderde haar zoo

onhandig als dit slechts mogelijk is door een Leidsch professor, die

ruim een halve eeuw na zijn eerste jaar, alle ervaring in het troosten

van meisjes volkomen vergeten heeft, „ik weet niet of ik ooit terug zal

kunnen keeren tot de aarde. Maar ik weet wel, dat ik het niet doen zou

zonder u....”

„Meent gij dat?” vroeg zij opblikkend en een laatste traan viel

trillend van haar wimpers. Een glimlach verhelderde haar gelaat en nu

weer emaneerde het een licht, blank als zonnestralen weerkaatsend op

berijpte takken. „Welnu, dan ben ik getroost, want ik heb u zoo lief,

dat naast u, al de weedom van het aardsche tranendal voor mij in

vreugde zou verkeeren.”

„Lieve vriendin, wat gij daar zegt geeft veel te denken, ten aanzien

van het feit der bewoonbaarheid en het bewoond zijn van Terra. Doch nu,

geef mij een antwoord op mijn vraag.”

Nieuw Utopia · 第 25 / 30 题