„De Harmonischen breidden zich langzaam maar gestadig uit. Voor 1950
hadden volken, die behoefte aan expansie kregen, òf gewelddadig bezit
genomen van de landen der omringende volken en die aan zich onderdanig
gemaakt, wat slavernij bij de onderworpenen en luiheid en ontaarding
bij de overwinnaars veroorzaakte, òf de overwonnen volken hadden zich
in de massa der overwinnende volken opgelost, wat bastaardij,
ongelijksoortigheid en disharmonie ten gevolge had. Weer andere volken
waren gewapend op schepen naar verre landen getrokken en hadden daar
minder goed gewapende volken, die echter deswege geenszins moreel lager
stonden, tot slavernij en onderworpenheid gebracht. Ook dat had
luiheid, pronkzucht en verlaging van het moreel bij de koloniseerende
volken veroorzaakt en de gekoloniseerde volken in hun natuurlijke,
eigen ontwikkeling gestoord, zoodat men er kreeg rebellen, slaven of
na-apers van den overwinnaar.
„De Harmonischen breidden zich in dienende liefde uit. Daar waar, door
het vertrek van de oorspronkelijke bevolking naar warmere zônen, groote
landstreken braak lagen en vervallen steden verlaten en door ratten
bewoond—want overal waar de mensch verdween, teelde het rattengeslacht
zich snel voort, alle andere dieren door hun massa’s en massaal
optreden verjagend en vernietigend,—begonnen de Harmonischen hun eigen
cultuur te verspreiden. De landen werden van de ratten gezuiverd door
sluipgas. Want de Harmonischen kenden al de vorderingen der techniek
van de 20ste eeuw, maar zij kenden ook het gevaarlijke van de
aanwending ervan voor degenen, die dienaars en slaven van de
„automatica” werden, instede van haar meester te blijven. Dan werden de
huizen en de molens gebouwd, de boomgaarden geplant en de jonggehuwde
paren vestigden er zich. Alle arbeid geschiedde met de hand en door de
menschen zelf. Men had eerst nog gebruik gemaakt van kruiwagens, maar
ook die had men ter zijde gesteld, omdat ook hier het wiel zijn
verlagenden invloed uitoefende. Want de kruiwagen leidde er toe, dat de
mensch voor zich alléén ging arbeiden. Daarom had alle vervoer van
vrachten, die niet in de hand of op den schouder konden worden
gedragen, plaats doordat twee of vier personen de vracht gezamenlijk in
manden of op draagbaren droegen en nooit werden vrouwen tot zwaarderen
lichaamsarbeid toegelaten. Dit gezamenlijk dragen der lasten, zoowel
bij den aanleg van wegen, als bij het geschikt maken van landerijen,
het aanbrengen van bouwmateriaal, hield het gemeenschapsgevoel van den
arbeidenden mensch levendig. Het was een gestadige en doelbewuste
oefening in het samenwerken, de basis van het samen-leven of de
samenleving. Er waren geen opzichters, want men had ervaren dat alle
toezicht en bevel bij den arbeid, in den toezichthoudende en
bevelvoerende gevoelens van wellust opwekten. Evenmin werden dieren
gebruikt, paarden noch ezels, ossen noch honden. Want men had ervaren,
dat wie het dier in zijn dienst gebruikt, slechte instincten krijgt en
dat de menschelijke ziel bezoedeld wordt door het nauwe, gestadige
contact met de dierlijke ziel. Er werden nooit rechte kanalen gegraven
noch rechte wegen aangelegd. Want men wist dat zij, gesproten uit het
haasten, de ziel gejaagd maakten en aldus den mensch ontaardden.
Zooveel mogelijk werden de natuurlijke rivieren gevolgd, de wegen in
rhythmische krommingen aangelegd. Ook daar, waar dijken noodig waren,
werden die dijken zoo aangelegd, dat zij in harmonie waren met de
neiging van het water. Want men voelde, dat het water, van zee of
stroom niet zonder psychische oorzaken, hier land wenschte te
verzwelgen en daar land wenschte aan te zetten. Men eerbiedigde „De
Wil” ook waar Hij zich in het watergeweld uitte. Na eenige geslachten
bleek, dat deze eerbied beloond werd, omdat vloeden en overstroomingen
uitbleven, nu het water naar „De Wil” zich kon uitbreiden. De zee wierp
ongekend hooge duinen op om zichzelf te betoomen.
„Zoolang de nieuwe nederzettingen nog niet op eigen krachten konden
teren, werden hun door de andere nederzettingen voorraden gezonden. Dit
geschiedde zonder eenige overeenkomst, zooals een goede moeder een
geliefde dochter zou steunen van haar overvloed.
„De steden werden met den grond gelijk gemaakt. Er waren geen steden en
geen groote dorpen in het Harmonische Rijk. Men wist te goed, hoe alle
samenscholing gevolg was van angst en een poging om angst te weerstaan
door angst in te boezemen. Er waren geen bestuurshoofden, van welken
aard ook. De vader was mannelijk, de moeder vrouwelijk hoofd van het
gezin. De gezinnen waren elkander onderling niet vijandig en niets werd
meer tegengegaan dan met elkaar wedijveren. Alleen voor de grootere
zielskracht had men eerbied, maar grootere zielskracht manifesteert
zich nooit anders dan door anderen te bezielen. Alle andere
uitmuntendheid, die van den geest, het vernuft, het lichaam,
rangschikte zich in dienende liefde in stede van wedijverend te
overtreffen en zoo de zwakkere te verdringen, verbluffen of tot
bewondering te dwingen. Men had ervaren, dat alle wedijver het rhythme
van de ziel stoort, persoonlijk en gemeenschappelijk en een vorm van
dierlijke moordzucht is. Niet als in de maatschappij der hongerende
wolven, waar de sterksten, de zwaksten verslinden, wenschte men te
leven, maar in een maatschappij waar het zwakke met liefde en
zorgzaamheid tot hoogere kracht wordt opgekweekt, opdat het ten laatste
gelijk kon worden aan de gemiddelden. Men hield niet bij de
Harmonischen van uitstekendheid en buitengewone kracht of genie, wel
wetende, dat dit een verstoring der harmonie is, welke er toe leidt,
dat of de sterke individueel de zwakkeren gaat beheerschen en
onderdrukken of dat de zwakkeren communeel de weinige sterken
verdrukken. Daar dus de prikkel tot buitengewoonheid in ’t een of ander
opzicht ontbrak, niet iedere vader en iedere moeder den wensch
koesterde, dat juist hun kind of kinderen boven de anderen zouden
uitsteken, stierf de bovenmatige begaafdheid uit, zooals de ongewone
zwakheid en de achterlijkheid, uitstierven. Men kende geen
misdadigers-verachting, maar ook geen helden-vereering. Wie den held
kweekt en eert moet zich niet beklagen, dat zijn tegenstelling, de
misdadiger, hem op den voet volgt. Want daar het laf is, den held te
kweeken en te eeren, zal noodzakelijkerwijze het werk van den held,
altijd door het werk van den lafaard worden geëxploiteerd en
vernietigd. En een der axioma’s luidde, dat de ware held, die held is,
die heldhaftig genoeg is om onbekend te sterven. Zoo dan werden
heldendaden niet geroemd, zoodra de bedrijver van die heldendaden zich
bekend had gemaakt of bekend was geworden. Uit dezelfde oorzaken waren
alle kunstwerken ongeteekend en zorgden de makers er voor, zooveel
mogelijk onbekend te blijven.
„Het vermijden van wedijver voorkwam alle sport, doellooze verspilling
van lichaamskracht en energie maar verhief het spel, oefenschool voor
het leven, tot een hoogeren trap van ontwikkeling. De knapen leerden
vroeg wandelen, zwemmen, gezamenlijk boodschappen naar afgelegen
plaatsen overbrengen, houthakken, houtzagen, houtdragen, boomen
verzorgen. De meisjes wandelen, zwemmen en verrichten velerlei lichte,
aangename bezigheden op het land. Zoo had men genoeg lichaamsoefening
in de openlucht, zoodat deze niet door doellooze, kunstmatige sport
behoefde aangevuld te worden. Het zingen in de koren en het optreden in
de openluchtspelen, gaven buitendien gelegenheid tot harmonische
oefening van lichaam en geest.
„Eén spel werd echter bijzonder gaarne bedreven—de vaardigheid van het
balwerpen in velerlei vormen. Men had ervaren, dat jongleeren met mate
beoefend, op lichaam en geest een goeden invloed uitoefende. De jeugd
leerde er vaardigheid, handigheid en rhythmisch zich bewegen door. Ook
speelde men met elastische, kleine, leeren ballen. Maar altijd werden
de balspelen met de hand gespeeld. Het gebruik van den voet, oefenend
in het schoppen, werd grof en zedeloos aangevoeld, daar de bal door den
voet geschopt, te groot en te zwaar moet zijn, en daarom gevaarlijk is
voor dengeen, die den bal in ontvangst moet nemen. Men had dus het
balspel met behulp van den voet, evenals alle balspel met behulp van
harde werktuigen en werptuigen, uitgeroeid daar het een vorm van
moordzucht symboliseerde.
„Kwam het nu bij de uitbreiding voor, dat men op andere volken stuitte,
dan begon men aan die volken den eigen arbeid en de arbeidsproducten
zonder tegenprestatie aan te bieden. Door dienende liefde won men
langzamerhand de achting en de liefde van de beste elementen dier
volken. Zij werden er met zeer groote tact toe gebracht aandeel te
nemen in de Harmonie. Daarbij werd een onuitputtelijk geduld getoond.
Gewelddadigheden werden met daden van liefde beantwoord. Men toonde,
dat men in ’t bezit van sluipgas was en dat men de menschen evengoed
als de ratten zou kunnen uitroeien. Maar men gebruikte dit wapen niet
tegen menschen. Liever dan dat te doen, omging men de weerbarstigen en
vestigde zich veel verder, al kwam men ook aan de meest onvruchtbare
landstreken.
„Want daar men tijd genoeg had, altijd arbeidde voor het volgende
geslacht, altijd kon rekenen op den bijstand van alle Harmonischen ter
wereld, werd ook de schraalste zandgrond na verloop van jaren in een
vruchtbaar landouw veranderd. En daar ieder arbeidde, ieder het
handwerk uitoefende en er geen hoogere, ja geen andere eer was, dan te
arbeiden als arbeider onder de arbeidenden, was er bij de Harmonischen
geen armoede en zelfs overvloed. Voor 1950 kwamen op iederen mensch die
handarbeid verrichtte er tien, welke daarvan direct of indirect moesten
leven. In de maatschappij der Harmonischen kende men geen ambtenaren of
beambten, geen administrateurs, geen banken, geen handel, geen geld,
geen spoorwegen, stoombooten, kortom men kende er niets dan landhuizen,
boomgaarden, moestuinen, bouwlanden, bosschen en molens. Zonder de
molens had men het wel kunnen stellen, maar hun nut was te groot
gebleken. De kracht van den wind werd gebruikt voor het malen van
graan, erwten en boonen, het tot moes pletten van de vruchten voor de
jam’s en de wintervoorraden, het bereiden van suiker uit de
suikerbieten, het malen van de grondstoffen voor de verven, het pletten
van oliën uit zaden en noten en dan ook, voor de voorziening in de
behoeften van licht en warmte. Wel had men bij de Harmonischen veel
minder kunstmatige warmte noodig dan voor 1950. Want men was gekleed in
de beste wol en het zwaarste linnen, door kundige, liefdevolle hand
naar ieder lichaam in ’t bijzonder, passend vervaardigd. Men had de
huizen van zeer dikke muren gebouwd wat de stevigheid en duurzaamheid
bevorderde, maar ook ’s zomers ze koel en ’s winters ze warm hield. Het
verblijf en de arbeid in de buitenlucht van de vroegste jeugd maakte
gehard. Het gebruik van plantaardige oliën en van veel vruchten met
haar aetherische oliën gaf aan het lichaam een geurige uitwademing en
een zich naar de temperatuur richtenden weerstand. Zooals de citroen en
de sinaasappel sappig blijven door de geurige aetherische oliën van de
schil, maar een van zijn geel laagje beroofde citroen, dadelijk
uitdroogt; zooals een appel door zijn waslaag zich tegen de guurheid en
de koude van herfst en winter beschermt, zoo was de opperhuid der
Harmonischen doordrenkt van de aetherische oliën der planten- en
vruchtenvoeding. Kou-vatten, verkoudheden, longziekten waren na eenige
geslachten onbekend geworden. Vrouwen en mannen van in de zestig jaar
hadden nog gevulde, blozende gelaten.”