XVIII.

„Blijven zij bij dit voedsel gezond?” vroeg prof. Leyden.

„Zij blijven niet alleen gezond, maar zij zijn zoo goed als onvatbaar

voor ziekten, blijven tot op hoogen leeftijd zich jeugdig en

veerkrachtig voelen, hebben geen last van tandziekten en uitvallende of

zwarte tanden. Als zij door ’t een of ander ongeval een wond krijgen,

heelt de wond bijzonder snel. Doch ongevallen zijn zeer zeldzaam,

hoewel iedereen met werktuigen omgaat. Want daar men alles doet in

rhythmische evenmaat en harmonie, niemand gehaast of overhaast is,

gebeuren er zoogoed als geen ongevallen. Men heeft leeren inzien, dat

haast hebben, anderen haasten of zelf gehaast zijn, een vergrijp is

tegen de zedelijkheid en een der vormen van moordzucht. Want de

gehaaste of haastige verkort zijn leven, omdat hij meer willende

beleven, dan het rhythme van zijn tijd veroorlooft, dien tijd en

daarmee zijn psychisch evenwicht verstoort.”

Nadat allen verzadigd waren begonnen al de aanzittenden, behalve een

paar meisjes, die de tafel afruimden, in koor liederen te zingen.

Hoewel toch zooveel menschen te samen gegeten hadden, bleef de kamer

van de geur van de bloesems van buiten en de geur van de vruchten

vervuld. Niet zooals bij de kannibalistische maaltijden van voor 1950

hing er een zware stank van gebraden, gekookte en gezoden dieren,

mayonnaisen, sauzen en vetten noch van verhitte menschenlichamen, die

de stanken uitwasemden van de verzwolgen, in hun ingewanden nu tot

ontbinding overgaande dierenlichamen. Men zong hymnen, met soli en

koren, ook vroolijke zangen en soms zongen de kinderen kinderdeuntjes

en liedjes met hun en haar hooge stemmen. Een enkele maal zong de vader

een korte aria met zijn zware basstem en allen zwegen eerbiedig

toeluisterend.

„Is dat hun muziek? Of hebben zij ook andere muziek?”

„Zij hebben ook andere muziek—maar die onderscheidt zich alleen van

welke gij nu hoort, Horatio, doordat dan grootere koren gevormd worden

van de schoonste stemmen. De „Harmonischen” hebben langzamerhand de

instrumentale muziek en alle muziek zonder tekst van schoone,

gedachtenrijke woorden, afgeschaft. De muziek van voor 1950, welke men

ten laatste zelfs automatisch voortbracht op orgels, orchestrions en

gramophonen heeft men reeds vóór het einde van de 20ste eeuw, toen de

Harmonischen langzamerhand uit de menschheid zich verhieven, leeren

veroordeelen. De muziek, de gave den mensch gegeven om de gedachte,

rhythmisch te doen klinken, was toen geworden een gruwel van grove,

massale sensualiteit. Daar de onreinheid van het geslacht en de

kannibaalsche levenswijze de stemmen bedierf en de enkelen die nog

schoone stemmen hadden, deze misbruikten voor wulpsche, veile

prikkeling, hadden de menschen als surrogaat voor de stem en het

kuische a capella koor, allerlei instrumenten bedacht van hout, koper,

dierenhuiden en dierendarmen. Elk instrument poogde op zijn manier de

menschelijke stem nabij te komen of te overtreffen en voor wie een

zuiver menschelijk gehoor had, klonk elk instrument als een jammerlijke

imitatie. Nog erger was het, wanneer al die gefabriceerde,

kunstgeluid-werktuigen te samen werden bestreken, beblazen en beslagen

onder leiding van één mensch, die naar de hiërogliephen van een ander

mensch, waarvan hij al de teekens in een partituur voor zich had, de

anderen dwong naar zijn opvatting te strijken, blazen en slaan. De man,

die de hiërogliephen het eerst had geschreven was gewoonlijk iemand,

die te onontwikkeld om hetgeen hij te zeggen had, in woorden en

gedachten te uiten, zijn sensualiteit, dikwijls van zeer lagen aard,

maar ook zijn wreedheid, moordzucht, oorlogsverlangen, vaag in die

hiërogliephen had geuit. Het gruwelijkste waren de fanfare-corpsen,

welke bestonden uit muzikanten, die op koperen en houten instrumenten

krijgsmuziek bliezen en tot in zelfs de meest zachtaardige menschen, ja

tot in de paarden, oorlogszuchtige gevoelens, gevoelens van moord en

schennis, wakker riepen.

„De Harmonischen hadden, geleidelijk aan, alle instrumentale muziek

weder afgeschaft en vergenoegden zich met koren, het allerliefst met a

capella koren van niet grooten omvang....

„Na den maaltijd, als men allen in opgeruimde stemming was, werden in

de gezinnen gaarne de meer vroolijke liederen en samenzangen gezongen.

Men had ervaren, dat zingen de longen versterkt, de ademhaling oefent,

de spijsvertering bevordert, het bloed grootere hoeveelheid zuurstof

toevoert, omdat het zingen diep en ruim leert ademhalen en op lichaam

en ziel een veredelende werking uitoefent. Ook dat het

gemeenschappelijk zingen inniger broeder- en zusterschap tusschen de

menschen kweekt.”

„Is zingen de eenige kunst, die de Harmonischen beoefenen, Eumenia?”

„Neen, zij kennen bouwkunst, sierkunst, beeldhouwkunst, tooneelkunst,

danskunst, jongleerkunst. Nadat bij de eerste geslachten alle kunsten

uit den booze geacht werden, omdat zij in de maatschappij van voor 1950

zulk een bijna uitsluitend sensueel karakter hadden aangenomen, kwam

allengskens in den mensch het besef, dat het volkomen verwerpen van

alle kunstuitingen den mensch beneden het dier stelt, daar toch de

vogels in hun zang, de paarden in hun draf, ja zelfs de stieren in hun

horens een zekere bewusten of onbewusten drang naar rhythmische

schoonheid uiten. Zoo dan begon men met beleid en fijn gevoel, nadat

men ervaren had, dat de zangkunst, goed toegepast, zoo heilzaam werkte,

ook de andere kunsten weer te beoefenen. Het eerst ontwikkelde zich bij

de vrouwen de sierkunst. Men breidde of haakte of borduurde of weefde

eenvoudige patronen in de stoffen. Daarna begonnen de mannen de

gebruiksvoorwerpen en meubelen te versieren. Het rhythmische,

harmonische, kuische en ingetogen leven spiegelde zich af in de

motieven. Maar het menschelijke beeld werd gemeden. Ook toen later zij,

die aanleg voor teekenen, schilderen en beeldhouwen toonden, en ieder

had dat ongeveer, aan hun kunstdrang uiting gaven, werd geen beeltenis

van den mensch, in welken vorm ook, gemaakt. Dit was een gevolg van het

kuische gemoed en de naastenliefde. Men had ervaren, dat er niets meer

vernederends voor den mensch is, dan als model te staan voor den

schilder of beeldhouwer. De schilders en beeldhouwers, naar het naakt

schilderend of boetseerend, gevoelden, dat zij conterfeitend, hun ziel

bezoedelden.

„Maar de kunstenaars der volgende geslachten vonden door het symbolisch

en rhythmisch voorstellen der lichaamsvormen, het middel om het

afbeeldsel te verheffen in de sfeer hunner ziel en zoo ontstonden dan

de rhythmische en symbolische uitingen, welke de kunst van haar

concrete vernederende sfeer tot de kuische abstractie verhief. Niet

anders ging het met de tooneelkunst. Men begon met de avondtheaters af

te schaffen. Er werd alleen in de open lucht gespeeld. Daardoor werd

het zich met gekleurde talk insmeren en verven der tooneelspelers en

tooneelspeelsters overbodig, zoodat zij niet meer tot het

menschonteerende aanranden van hun en haar gelaatstrekken en ze door

middel van dat vet veranderen tot een masker, behoefden over te gaan.

De openlucht-uitvoeringen leidden er toe, dat men de stem moest doen

dragen en zoo sprak men in gedragen taal, rhythmisch. De dichters

konden daardoor hun werken symbolisch en abstract maken en het gebaar

van de tooneelspelers paste zich daarbij aan. Aldus hervormde zich de

tooneelkunst, die voor en na 1950 in zoovelerlei vormen verderf had

gebracht aan allen, die er mede te doen hadden, publiek en

uitvoerenden, tot een verheffende, kuische symbolisch-rhythmische

openlucht kunst, waaraan het a capella koor harmonisch aansloot, zoodat

tooneel- en zangspel één werden. Groote bezwaren had de danskunst

gebracht. Juist vóór 1950 was de danskunst zich schijnbaar gaan

hervormen, doch het tegendeel van ’t geen er van verwacht was, had zij

toen aan de maatschappij gebracht. Men was zelfs zoover gegaan om

kinderen in die danskunst van voor 1950 op te leiden en het gevolg was

geweest, dat heele geslachten van ontaarde danswellustigen waren

opgegroeid, zoodat weldra de geheele beschaafde wereld verontreinigd

werd door mannen, vrouwen en kinderen, die op verfijnd wulpsche wijze,

dansend, zichzelf en de toeschouwenden verlaagden en prikkelden.

„Het duurde verscheidene geslachten voor eindelijk ook de danskunst

weder tot bloei kon komen. Men had thans strenge, statige danspassen in

rhythmischen evenmaat, doch welk rhythme altijd streng beheerscht

bleef, leeren uitvoeren. En men liet de kinderen, met bloesem- en

rozenfestoenen, eenvoudige rei-dansen en kring-figuren uitvoeren. Deze

dansen toegepast in de zang- en dansspelen, bleken ten laatste ook tot

zuivere zielsuitingen verheven te kunnen worden.”

Nieuw Utopia · 第 23 / 30 题