Nu de fabrieken langzamerhand geen afzet meer vonden voor hun ziellooze
producten, gingen de mannen zich op andere bezigheden toeleggen, dan
het uitvinden en fabriceeren van allerlei machinerie, of wat
langzamerhand verachtelijk „automatica” werd genoemd. De mannen
begonnen zelf de meubels voor hun huisgezinnen te vervaardigen en het
zelf vervaardigde meubel kreeg dezelfde eigenschappen en had dezelfde
uitwerking op den maker en op de leden van het gezin als het zelf
vervaardigde kleedingstuk. Men koos er de meest duurzame houtsoorten
voor, bij voorkeur goed belegen en uitgewerkt notenhout. De lijnen
waren eenvoudig, maar rhythmisch. De verbindingen duurzaam en
vernuftig. Ieder ontwierp het meubel voor zijn eigen huis of gezin en
bracht er zoo den eigen geest en psyche in. Het zelfvervaardigde meubel
gaf den maker voldoening en verwekte bij degenen, die er gerief van
hadden, liefde voor den maker en eerbied voor het voorwerp, product van
vaders of broedersziel, zelf. De vrouwen, die wisten wat goed handwerk
was door hare eigen handwerken, konden de door de mannen gemaakte
meubels met geheel haar hart waardeeren. De mannen, die een goed
meubelstuk gemaakt hadden en wisten hoeveel zorgzaamheid, geduld,
overleg en vaardigheid dat eischte, leerden aldus ook de handwerken der
vrouwen waardeeren.
Men ging nu in de volgende geslachten er toe over ook het eigen huis te
gaan bouwen. Hierbij hielpen de mannen elkaar, maar gezorgd werd, dat
elk huis naar de ziel en de behoefte van den eigenaar en bewoner
opgetrokken werd. Daar de Harmonischen groote gezinnen vormden, werd
elk huis ruim gebouwd, berekend op de afzonderlijke opvoeding der
sexen, omgeven door een flink stuk land. De kennis van de materialen
leidde er toe, dat men die materialen lief ging krijgen en zoo begon
men de bosschen te verzorgen en aan te kweeken, waaruit men het hout
voor meubels en woningen betrok. Men kweekte de boomen en planten aan,
die de gewenschte verfstoffen en oliën opleverden. Men zag in een
goedopgegroeiden eik niet meer een soort „natuurschoon”, dat straks
gekocht, omgehakt en geautomatiseerd zou worden in de fabriek en
vandaar door den handelaar versleept, maar een goed opgegroeide
eikeboom was het product van de liefdevolle zorg van eenige geslachten
eener familie. Men kweekte de meest voor de bearbeiding geschikte
exemplaren en wanneer een boom ten laatste geschikt was geworden voor
het gebruik, werd hij met eenige plechtigheid door handenarbeid
omgehakt. Dat was een mannelijke, gezonde sport, maar een sport met een
bewust nuttig doel. En het was weder een andere edele sport-arbeid, den
boom later tot planken te zagen. Dan werden de planken door de mannen
naar de werkplaats bij hun huis gedragen. Want men had afstand gedaan
van alle verkeer per rad en van alle machinale voortbeweging. De
wellust van het rijden, op een dier of in een wagen, had men leeren
verachten. Ook had men leeren verachten het verbreken van het rhythme
door het kunstmatig versnellen van den tijd. Het wiel was de oorsprong
van alle verweekelijking en dus meed men zooveel mogelijk het wiel en
zijn gebruik.
De liefde voor boom en plant, de afkeer van het misbruik en het gebruik
van het dier, het streven naar kuischheid van ziel, geest, gemoed en
lichaam, zijnde kuischheid een vorm van waardigheid en waardigheid een
vorm van eerbaarheid, liefde en verhevenheid, had de Harmonischen
langzaam aan gebracht tot vegetarisme. Toen men na 1914 vele wouden van
notenboomen had uitgeroeid om van het notenhout geweerkolven te maken,
was men begonnen te beseffen, dat men als krankzinnige barbaren juist
van de noteboom het tegendeel van het gebruik gemaakt had, dat er van
te maken was. Zoo waren de Harmonischen weder noteboomen gaan kweeken
en de opvolgende geslachten gebruikten nu de notenboom als hout voor
meubels, de notenbasten om er een schoone, duurzame bruine verfstof van
te bereiden, de noten zelf om er een heerlijke, voedzame olie uit te
persen, terwijl de geperste koeken een welkom voedsel waren voor de
schapen, wier wol daardoor glanzend, dik en smijdig werd.
Er werd ten laatste geen ander vee meer gehouden dan schapen. Maar deze
schapen werden niet geslacht—slechts tegen het warme voorjaar
geschoren. Het waren de kinderen, die de schapen verzorgden en hoeden.
Er werden geen honden bij gebruikt, daar het de Harmonie verstoorde, de
lieve zachte dieren altijd opgejaagd en in angst te zien door een dier,
dat voor hen den wolf, hun aartsvijand, symboliseerde. Verdwaalde
schapen kwamen toch altijd weer terecht. Niemand in de maatschappij der
Harmonischen stal. Want men was er van bewust geworden, dat de dief
iemand is, die arbeid in den een of anderen vorm neemt, zonder er
arbeid in den een of anderen vorm voor terug te geven. En daar men
persoonlijken arbeid had leeren erkennen als de bron van alle geluk en
als de eenige mogelijkheid om waarlijk sociaal te leven, had men den
dief en elken vorm van oneerlijkheid, uitgeroeid. En daar dus alle
contrôle, boekhouding, politie en justitie overbodig waren geworden,
ontstond er zulk een overvloed van arbeidslust, arbeidskracht en
arbeidsproducten, dat het bezit niet tot gierigheid leidde.
Langzamerhand was het gebruik van vleesch, visch, zuivel en eieren in
onbruik geraakt. Dit hield verband met het persoonlijke en met een
doel, dat is het vervaardigen van een product, arbeiden van elkeen. Het
eerst hadden de mannen afkeer gekregen van het slachten van koeien,
varkens en schapen. Daar men er voor zorgde, dat niet de mannen zich in
bepaalde beroepen specialiseerden, omdat men uit de overgeleverde
beschrijvingen van de stichters der Harmonische Maatschappij wist, dat
het uitoefenen van een beroep tot eenzijdigheid en van eenzijdigheid
tot zielsverarming leidt, moest ieder voor zijn eigen gezin slachten.
Maar vele mannen voelden het als een gruwel ’s middags een koe gedood
te hebben en ’s avonds hun vrouw te begroeten. De vrouwen, die in de
keuken de levende visch moesten dooden en zagen, hoe zelfs na de meeste
voorzorgen, toch de lichamen van den kop gescheiden, bleven na-krimpen
van pijn, zagen er ook van af, visch toe te bereiden. Het werd daarna
den vrouwen onmogelijk elken dag de koeien te melken. Het lijden van de
koe ’s winters opgesloten in de stal, het kunstmatig aan het melkgeven
houden van een zacht, lief, goedig, geduldig dier, welks lichaam op
deze wijze tegennatuurlijk werd gebruikt, trof de vrouwen tot in het
diepst harer ziel en zooals een vorig geslacht geen vleesch meer had
kunnen eten omdat het weerzin wekte, konden volgende geslachten geen
melk van een mishandeld dier meer drinken.
En hetzelfde gevoel, dat weerzin verwekte tegen de zuivelproducten,
maakte het eten van plantaardig voedsel tot een groot genot. Men at en
voelde, dat men in reinheid het reine at. De liefde schiep en zoo werd
het eten op zichzelf weder langzaam aan de gewijde, sobere plechtigheid
op bepaalde uren van den dag, hetgeen het eten van den mensch zoo
verschillend maakt van het altijd schrokkende, altijd door zijn maag
getyraniseerde, dier.
„Wilt gij ze zien eten, Horatio?”
„Gaarne, Eumenia.”
De professor volgde Eumenia naar een der vriendelijke landhuizen, half
villa, half boerderij. Een teedere, liefelijke geur van de bloesems in
de groote boomgaard rondom het huis, ontwaarde prof. Leyden binnen in
de voorhal en de ruime kamers.
In een der kamers zaten de vader, de moeder, de grootvader, de
grootmoeder en de zes dochters en acht zonen rondom een groote,
notehouten tafel. Ieder hunner had een houten beker voor zich en twee
borden van ahornhout. In ’t midden stonden fraaie schalen van besneden
en gepolijst notenhout en in kleuren gevlochten manden en mandjes met
vruchten. Appels, peren, noten, pruimedanten. Er stonden houten schalen
met vruchtenjams. Er stonden zachtroze en lichtbruine en barnsteen gele
puddingen. Uit een bruinaarden kan goot een der meisjes, een slanke
blondine, in de houten bekers granaatrood vruchtensap. Een jonger
meisje legde bij elk der aanzittenden een goudbruin brood neer.
Toen allen bediend waren en aanzaten stond de grootvader op en
zeide,—zijn beker heffend:
„Den eersten dronk wijd ik aan Hem, Die de dorstenden naar wijsheid, te
drinken geeft.”
Allen hieven hun bekers en nadat de grootvader een teug had gedronken,
dronken zij een teug.
Vervolgens stond de grootmoeder op en een stuk brood van haar brood
brekend, zeide zij: „De eerste bete wijd ik aan Hem, die hongerenden
naar wijsheid, te eten geeft.”
Zij at een stukje brood en allen volgden haar voorbeeld.
Daarna begon de maaltijd. Men at langzaam, uiterst langzaam en rustig,
kauwde lang en in volmaakte harmonie en schoonheid. „Ziet gij,” zeide
Eumenia, „vroeger was het eten of een barbaarsch zich volproppen met
meest dierlijke spijzen of een overhaast zich vullen. Hoe gruwelijk
zulk een restaurant van voor 1950, waar de gasten bediend werden door
van een fooi afhankelijke mannen, die den ganschen dag in den etensgeur
en dranksfeer ronddrentelden. Ter zijde zaten wat andere mannen, die
een strijkje vormden, hun weeke sensualiteit sentimenteel uit te
fiedelen op gespannen schapendarmen, bestreken door paardenhaar met
hars stroef gemaakt. De spijzen waren voor de grootste helft van onder
de gruwelijkste smarten gedoode dieren. Vleezen van rund, schaap of ’t
liefst van kalf en lam. Kreeften en garnalen levend in kokend water
geworpen of levend zachtjes er in gekookt. Visschen levend gekorven,
opdat door het smartelijke zich tegen de graat opkrommen van ’t
gemartelde beest, de spieren los zouden schilveren. Vaak ook mengden de
koks, op bevel van hun patroons, allerlei schadelijke stoffen en
surrogaten onder het voedsel, waarvan zij wisten, dat de eter vroeger
of later zou te lijden hebben. Oesters, vlokken zee-eiwit, waren een
bijzondere lekkernij, hoewel men wist, dat zij tot abnormaal
geslachtelijk verkeer prikkelend, het verderf op het komend geslacht
overbrachten en zoo zij al geen typhus verwekten, ze er voor
ontvankelijk maakten.
„Welk een barbaarsch gedoe met vorken en messen. Het was een gestadig
prikken, snijden en kerven, zuigen, kluiven, slobberen, blazen,
schrokken. Alles was gezout, gepeperd, gezuurd, overdadig gevet en
gesousd om den gehaasten, schrokkenden mensch maar genoeg zat te
krijgen. En vergelijk nu eens, naast die kannibalen vertooning, de
maaltijd hier voor u, Horatio.”
Inderdaad, men schilde de vruchten met mesjes van paarlemoer of hout.
Men at de sneden brood besmeerd met vruchtenjams. Men at met houten
vorken en lepels de saladen van kroten, kers, dunsel en ander slablad
en fijngeraspte kool.
Weldadig aandoend waren de waardige rust, de blijmoedige ernst en de
kalme gebaren, waarmede men at en dronk. Alle spijzen waren lauw of
koud.