XVII.

Nu de fabrieken langzamerhand geen afzet meer vonden voor hun ziellooze

producten, gingen de mannen zich op andere bezigheden toeleggen, dan

het uitvinden en fabriceeren van allerlei machinerie, of wat

langzamerhand verachtelijk „automatica” werd genoemd. De mannen

begonnen zelf de meubels voor hun huisgezinnen te vervaardigen en het

zelf vervaardigde meubel kreeg dezelfde eigenschappen en had dezelfde

uitwerking op den maker en op de leden van het gezin als het zelf

vervaardigde kleedingstuk. Men koos er de meest duurzame houtsoorten

voor, bij voorkeur goed belegen en uitgewerkt notenhout. De lijnen

waren eenvoudig, maar rhythmisch. De verbindingen duurzaam en

vernuftig. Ieder ontwierp het meubel voor zijn eigen huis of gezin en

bracht er zoo den eigen geest en psyche in. Het zelfvervaardigde meubel

gaf den maker voldoening en verwekte bij degenen, die er gerief van

hadden, liefde voor den maker en eerbied voor het voorwerp, product van

vaders of broedersziel, zelf. De vrouwen, die wisten wat goed handwerk

was door hare eigen handwerken, konden de door de mannen gemaakte

meubels met geheel haar hart waardeeren. De mannen, die een goed

meubelstuk gemaakt hadden en wisten hoeveel zorgzaamheid, geduld,

overleg en vaardigheid dat eischte, leerden aldus ook de handwerken der

vrouwen waardeeren.

Men ging nu in de volgende geslachten er toe over ook het eigen huis te

gaan bouwen. Hierbij hielpen de mannen elkaar, maar gezorgd werd, dat

elk huis naar de ziel en de behoefte van den eigenaar en bewoner

opgetrokken werd. Daar de Harmonischen groote gezinnen vormden, werd

elk huis ruim gebouwd, berekend op de afzonderlijke opvoeding der

sexen, omgeven door een flink stuk land. De kennis van de materialen

leidde er toe, dat men die materialen lief ging krijgen en zoo begon

men de bosschen te verzorgen en aan te kweeken, waaruit men het hout

voor meubels en woningen betrok. Men kweekte de boomen en planten aan,

die de gewenschte verfstoffen en oliën opleverden. Men zag in een

goedopgegroeiden eik niet meer een soort „natuurschoon”, dat straks

gekocht, omgehakt en geautomatiseerd zou worden in de fabriek en

vandaar door den handelaar versleept, maar een goed opgegroeide

eikeboom was het product van de liefdevolle zorg van eenige geslachten

eener familie. Men kweekte de meest voor de bearbeiding geschikte

exemplaren en wanneer een boom ten laatste geschikt was geworden voor

het gebruik, werd hij met eenige plechtigheid door handenarbeid

omgehakt. Dat was een mannelijke, gezonde sport, maar een sport met een

bewust nuttig doel. En het was weder een andere edele sport-arbeid, den

boom later tot planken te zagen. Dan werden de planken door de mannen

naar de werkplaats bij hun huis gedragen. Want men had afstand gedaan

van alle verkeer per rad en van alle machinale voortbeweging. De

wellust van het rijden, op een dier of in een wagen, had men leeren

verachten. Ook had men leeren verachten het verbreken van het rhythme

door het kunstmatig versnellen van den tijd. Het wiel was de oorsprong

van alle verweekelijking en dus meed men zooveel mogelijk het wiel en

zijn gebruik.

De liefde voor boom en plant, de afkeer van het misbruik en het gebruik

van het dier, het streven naar kuischheid van ziel, geest, gemoed en

lichaam, zijnde kuischheid een vorm van waardigheid en waardigheid een

vorm van eerbaarheid, liefde en verhevenheid, had de Harmonischen

langzaam aan gebracht tot vegetarisme. Toen men na 1914 vele wouden van

notenboomen had uitgeroeid om van het notenhout geweerkolven te maken,

was men begonnen te beseffen, dat men als krankzinnige barbaren juist

van de noteboom het tegendeel van het gebruik gemaakt had, dat er van

te maken was. Zoo waren de Harmonischen weder noteboomen gaan kweeken

en de opvolgende geslachten gebruikten nu de notenboom als hout voor

meubels, de notenbasten om er een schoone, duurzame bruine verfstof van

te bereiden, de noten zelf om er een heerlijke, voedzame olie uit te

persen, terwijl de geperste koeken een welkom voedsel waren voor de

schapen, wier wol daardoor glanzend, dik en smijdig werd.

Er werd ten laatste geen ander vee meer gehouden dan schapen. Maar deze

schapen werden niet geslacht—slechts tegen het warme voorjaar

geschoren. Het waren de kinderen, die de schapen verzorgden en hoeden.

Er werden geen honden bij gebruikt, daar het de Harmonie verstoorde, de

lieve zachte dieren altijd opgejaagd en in angst te zien door een dier,

dat voor hen den wolf, hun aartsvijand, symboliseerde. Verdwaalde

schapen kwamen toch altijd weer terecht. Niemand in de maatschappij der

Harmonischen stal. Want men was er van bewust geworden, dat de dief

iemand is, die arbeid in den een of anderen vorm neemt, zonder er

arbeid in den een of anderen vorm voor terug te geven. En daar men

persoonlijken arbeid had leeren erkennen als de bron van alle geluk en

als de eenige mogelijkheid om waarlijk sociaal te leven, had men den

dief en elken vorm van oneerlijkheid, uitgeroeid. En daar dus alle

contrôle, boekhouding, politie en justitie overbodig waren geworden,

ontstond er zulk een overvloed van arbeidslust, arbeidskracht en

arbeidsproducten, dat het bezit niet tot gierigheid leidde.

Langzamerhand was het gebruik van vleesch, visch, zuivel en eieren in

onbruik geraakt. Dit hield verband met het persoonlijke en met een

doel, dat is het vervaardigen van een product, arbeiden van elkeen. Het

eerst hadden de mannen afkeer gekregen van het slachten van koeien,

varkens en schapen. Daar men er voor zorgde, dat niet de mannen zich in

bepaalde beroepen specialiseerden, omdat men uit de overgeleverde

beschrijvingen van de stichters der Harmonische Maatschappij wist, dat

het uitoefenen van een beroep tot eenzijdigheid en van eenzijdigheid

tot zielsverarming leidt, moest ieder voor zijn eigen gezin slachten.

Maar vele mannen voelden het als een gruwel ’s middags een koe gedood

te hebben en ’s avonds hun vrouw te begroeten. De vrouwen, die in de

keuken de levende visch moesten dooden en zagen, hoe zelfs na de meeste

voorzorgen, toch de lichamen van den kop gescheiden, bleven na-krimpen

van pijn, zagen er ook van af, visch toe te bereiden. Het werd daarna

den vrouwen onmogelijk elken dag de koeien te melken. Het lijden van de

koe ’s winters opgesloten in de stal, het kunstmatig aan het melkgeven

houden van een zacht, lief, goedig, geduldig dier, welks lichaam op

deze wijze tegennatuurlijk werd gebruikt, trof de vrouwen tot in het

diepst harer ziel en zooals een vorig geslacht geen vleesch meer had

kunnen eten omdat het weerzin wekte, konden volgende geslachten geen

melk van een mishandeld dier meer drinken.

En hetzelfde gevoel, dat weerzin verwekte tegen de zuivelproducten,

maakte het eten van plantaardig voedsel tot een groot genot. Men at en

voelde, dat men in reinheid het reine at. De liefde schiep en zoo werd

het eten op zichzelf weder langzaam aan de gewijde, sobere plechtigheid

op bepaalde uren van den dag, hetgeen het eten van den mensch zoo

verschillend maakt van het altijd schrokkende, altijd door zijn maag

getyraniseerde, dier.

„Wilt gij ze zien eten, Horatio?”

„Gaarne, Eumenia.”

De professor volgde Eumenia naar een der vriendelijke landhuizen, half

villa, half boerderij. Een teedere, liefelijke geur van de bloesems in

de groote boomgaard rondom het huis, ontwaarde prof. Leyden binnen in

de voorhal en de ruime kamers.

In een der kamers zaten de vader, de moeder, de grootvader, de

grootmoeder en de zes dochters en acht zonen rondom een groote,

notehouten tafel. Ieder hunner had een houten beker voor zich en twee

borden van ahornhout. In ’t midden stonden fraaie schalen van besneden

en gepolijst notenhout en in kleuren gevlochten manden en mandjes met

vruchten. Appels, peren, noten, pruimedanten. Er stonden houten schalen

met vruchtenjams. Er stonden zachtroze en lichtbruine en barnsteen gele

puddingen. Uit een bruinaarden kan goot een der meisjes, een slanke

blondine, in de houten bekers granaatrood vruchtensap. Een jonger

meisje legde bij elk der aanzittenden een goudbruin brood neer.

Toen allen bediend waren en aanzaten stond de grootvader op en

zeide,—zijn beker heffend:

„Den eersten dronk wijd ik aan Hem, Die de dorstenden naar wijsheid, te

drinken geeft.”

Allen hieven hun bekers en nadat de grootvader een teug had gedronken,

dronken zij een teug.

Vervolgens stond de grootmoeder op en een stuk brood van haar brood

brekend, zeide zij: „De eerste bete wijd ik aan Hem, die hongerenden

naar wijsheid, te eten geeft.”

Zij at een stukje brood en allen volgden haar voorbeeld.

Daarna begon de maaltijd. Men at langzaam, uiterst langzaam en rustig,

kauwde lang en in volmaakte harmonie en schoonheid. „Ziet gij,” zeide

Eumenia, „vroeger was het eten of een barbaarsch zich volproppen met

meest dierlijke spijzen of een overhaast zich vullen. Hoe gruwelijk

zulk een restaurant van voor 1950, waar de gasten bediend werden door

van een fooi afhankelijke mannen, die den ganschen dag in den etensgeur

en dranksfeer ronddrentelden. Ter zijde zaten wat andere mannen, die

een strijkje vormden, hun weeke sensualiteit sentimenteel uit te

fiedelen op gespannen schapendarmen, bestreken door paardenhaar met

hars stroef gemaakt. De spijzen waren voor de grootste helft van onder

de gruwelijkste smarten gedoode dieren. Vleezen van rund, schaap of ’t

liefst van kalf en lam. Kreeften en garnalen levend in kokend water

geworpen of levend zachtjes er in gekookt. Visschen levend gekorven,

opdat door het smartelijke zich tegen de graat opkrommen van ’t

gemartelde beest, de spieren los zouden schilveren. Vaak ook mengden de

koks, op bevel van hun patroons, allerlei schadelijke stoffen en

surrogaten onder het voedsel, waarvan zij wisten, dat de eter vroeger

of later zou te lijden hebben. Oesters, vlokken zee-eiwit, waren een

bijzondere lekkernij, hoewel men wist, dat zij tot abnormaal

geslachtelijk verkeer prikkelend, het verderf op het komend geslacht

overbrachten en zoo zij al geen typhus verwekten, ze er voor

ontvankelijk maakten.

„Welk een barbaarsch gedoe met vorken en messen. Het was een gestadig

prikken, snijden en kerven, zuigen, kluiven, slobberen, blazen,

schrokken. Alles was gezout, gepeperd, gezuurd, overdadig gevet en

gesousd om den gehaasten, schrokkenden mensch maar genoeg zat te

krijgen. En vergelijk nu eens, naast die kannibalen vertooning, de

maaltijd hier voor u, Horatio.”

Inderdaad, men schilde de vruchten met mesjes van paarlemoer of hout.

Men at de sneden brood besmeerd met vruchtenjams. Men at met houten

vorken en lepels de saladen van kroten, kers, dunsel en ander slablad

en fijngeraspte kool.

Weldadig aandoend waren de waardige rust, de blijmoedige ernst en de

kalme gebaren, waarmede men at en dronk. Alle spijzen waren lauw of

koud.

Nieuw Utopia · 第 22 / 30 题