„En hoe staan zij ten opzichte van het Nieuwe Testament?”
„Mijn dierbare vriend, zij hebben zich ten aanzien van het Nieuwe
Testament geen vaste houding kunnen geven. Want zij deinsden terug,
toen zij de methoden op het Oude Testament toegepast, ook met
betrekking tot het Nieuwe Testament wilden gaan gebruiken. Zij
ontwaarden, dat de Maria cultus, dat de eerbied voor het kindeke en dat
de onbevlekte ontvangenis, niet uit het barbaarsche brein van een
Oosterling konden zijn gesproten, die alles naar de brute idée des mans
voorstelde, doch uit een andere sfeer moesten zijn gekomen. Zij
beseften, dat de vervulling van de wet, die het Nieuwe Testament
beloofde, juist het sterkst zich uitte in de bevrijding en verheffing
van de vrouw, zelfs van de gevallene, die met overgroote liefde en
innige vergevensgezindheid werd tegemoet gekomen. Het Concilie der
Vrouwelijke Theologen dat in 1975 bijeen kwam om de definitieve houding
ten aanzien van het Nieuwe Testament te bepalen, slaagde er niet in tot
eenheid te komen. Er was een richting onder de vrouwelijke theologen,
welke het Christendom verweet, dat het de vrouw verweekelijkte. Zij
wenschten, dat het geheele Nieuwe Testament terzijde zou geschoven
worden. Er ontstonden vele stroomingen. De Martha-ïsten, die daar het
huiswerk van Martha niet in aanzien was geweest, meenden dat het Nieuwe
Testament het slaven en slooven van de huisvrouw veroordeeld had. De
Maria-ïsten, die in de toeluisterende en deswege geprezen Maria het
symbool zagen van de erkenning van de geschiktheid der vrouw voor
geestelijk onderricht. Een andere strooming wees op Johannes 15:15,
luidende: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht
weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al
wat ik van mijnen vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt”. Hier
meenden zij, was het begin gemaakt van de afschaffing van het
knechtschap, de slavernij in ’t algemeen en dus ook van de slavernij
der vrouw. Weer een andere richting, meende, dat de Christus, zooals
hij in het Nieuwe Testament geteekend is, niet kon zijn de Christus,
zooals hij geweest is. Het waren de vegetarisch levende vrouwen, die
Johannes 21:11 aanhaalden en het voor onmogelijk verklaarden, dat de
Christus, Simon Petrus honderd drie en vijftig visschen aan hun element
had doen onttrekken, dooden en tot een middagmaal bereiden en dat
Johannes 21:13 den Christus voorstellende als zich openbarende en den
discipelen visch te eten gevende aan een maaltijd, voor elkeen, die in
de visch een bezield wezen erkende, een hoon inhield van den Christus,
die immers van den dood opwekte, niet tot den dood veroordeelde, die
het leven bracht, niet het leven nam. De psycho-analytici onder de
vrouwelijke professoren, verklaarden dat de voorliefde voor
vischgerechten, ja, het bijna ziekelijk verlekkerd zijn op visch, zoo
kenmerkend bij de Joden, hier den schrijver van het evangelie van
Johannes, parten had gespeeld. Vischetende volken zijn sensueele
volkeren, de visch is in beweging, verschijning en wezen een corpus
sensuale bij uitnemendheid. Zoo dan lukte het aan het Concilie niet,
het geslacht te bepalen van het Nieuwe Testament, zoodat het niet,
gelijk het zoo barbaarsche mannelijke Oude Testament, naar de psyche
van de vrouw kon worden her-schreven.
„Tot een nieuw Concilie bepaalde, dat het Nieuwe Testament, het Nieuwe
Geslacht van den mensch had voorbereid en het nu, aan dit verrezen
Nieuwe Geslacht stond, een levensleer uit te denken, welke als een
volmaking van het Nieuwe Testament beschouwd kon worden. Doch Concilie
na Concilie werd te zamen geroepen, maar men slaagde er niet in.
Slechts slaagde men er in, langzaamaan den Christus naar Zijn waren
Kern te doen voortkomen uit de vele windselen, waardoor hij door zijn
naïeve en zoo ver beneden hem staande biographen, was beschreven.”
„En hoe, lieve Eumenia, stonden de mannen tegenover deze Concilia?”
„Er geschiedde bij de mannen, die tot onderworpenheid waren gebracht,
hetzelfde als bij de vrouwen gebeurd was. Juist als bij haar,
veroorzaakte bij het meerendeel, de onderworpenheid en afhankelijkheid,
een verlaging van ziel, geest en karakter. Doch een kleine minderheid
verpuurde juist door de onderworpenheid en afhankelijkheid en zij
sublimeerden hun slavernij tot een verheven dienende liefde. Het waren
deze mannen, die in tegenstelling met de meerderheid, welke een
bevrijding van hun slavernij van de vrouw verwachtten door de een of
andere gelukkige omstandigheid, waardoor zij in een nieuwen oorlog
tusschen de beide sexen de overwinning zouden behalen, zeker
vertrouwden, dat eens de groote vrede weder tusschen de beide
geslachten zou hersteld worden door een herrijzenis van de Christus
Idée, gezuiverd van de barbaarschheden van tijd en milieu Zijner
verrijzenis in Phalas-Phalus-Pallus-Palestina, dat naar zijn naam
Baäl-Es-Tyn, het land Baäls, nog te veel besmet was geweest van den
geest van den Baäl om een zuiveren teelgrond voor de Christus Idée te
kunnen worden. En zij trachtten door rein leven naar de ziel, den geest
en het lichaam, dien zuiveren bodem voor te bereiden, waarop de
Harmonie der twee geslachten opnieuw zou kunnen ontbloeien. Zekere
instinctieve gevoelens, welke de vrouwen, ook de meest vermanlijkten,
nog in zich droegen, dreven haar er toe, die kleine secte der
Harmonischen, te eerbiedigen, vooral omdat zij geenerlei ruchtbare of
sterke, actieve propaganda voerden. De Harmonischen herkenden elkaar
aan den blik, den sprekenden maar geluidloozen blik en aan hun daden
van liefde en zorgzaamheid voor de zwakken, de zieken en vooral de
kinderen. Nooit spraken zij elkaar over hun wezen. Want zooals gij voor
u ziet, de vrouwen hadden de economische quaestie spoedig opgelost. Wat
onder de regeering van het mannelijke geslacht armoede aan stoffelijk
bezit was genoemd, kende men niet meer na 1970 onder de heerschappij
der vrouw. Het verkeer door de lucht had het zoo gemakkelijk gemaakt in
een korte spanne tijds de producten van de vruchtbare deelen der aarde
te brengen naar de minder- en onvruchtbare deelen der aarde en de
algemeene, internationale wereldplicht van arbeid voor iederen mensch,
had het vervaardigen en opslaan van producten zoo bevorderd, dat er op
aarde geen stoffelijke armoede meer bekend was.”
„En ontstond er toen, mijn lieve Eumenia, niet een algemeene
tevredenheid en universeel geluk?”
„De mensch zal en kan bij brood alleen niet leven, Horatio. Zoo min als
het geluk der menschheid ontstond, toen elkeen reeds lang voor den
eersten wereldoorlog, in de ontwikkelde centra der aarde, zooveel
frisch, zuiver water te zijner beschikking had als hij wenschte, maar
integendeel verbodsbepalingen moesten worden gemaakt om den mensch van
het drinken van alcoholische en narcotische dranken af te houden, zoo
bracht ook de zekerheid voor elkeen, dat hij van zijn geboorte tot zijn
dood, overvloedig voedsel, kleeding en huisvesting zou bezitten, geen
geluk. Want het geluk van den mensch komt voort uit den geest, niet uit
de stof. En alleen door den strijd tegen de stof, kan de geest weerbaar
en zich bewust blijven. Arbeid, de tol van het geluk, was tot een
minimum beperkt en daardoor steeg de genotzucht tot een maximum.
„Daar de man nu aan de vrouw was onderworpen, zooals eens de vrouw aan
den man was onderworpen, bleef de schepping van den nieuwen mensch, wat
zij tot heden doorgaans was geweest, een immoreele actie. Had vroeger,
de man, de vrouw gedwongen, hem tot lust-object te dienen, daar de
vrouw, tot rijpheid gekomen, moest zorgen „uitgehuwelijkt” te geraken
op straffe van of te verdorren of tot oneerbaar geacht verkeer te
komen, thans was het schijnbaar omgekeerd, maar naar het wezen
hetzelfde. De vrouwen kozen zich de mannen en daar zij niet
overheerscht wenschten te worden, kozen zij doorgaans de zwakste en de
meest minderwaardige individuen. De weinige kinderen, uit dit verkeer
gesproten, droegen zoo goed den stempel hunner verwekking als vroeger,
toen de mannen de vrouwen kozen, hetzij als lust-object, hetzij ter
wille van bezit, te verwachten erfenis, invloed harer familie, kortom
ter wille van al de vele onzuivere motieven, waartoe zoovele huwelijken
werden gesloten.
„Zoo dan begon het menschdom uit te sterven. De wereld kwam voor een
calamiteit te staan, zooals zij te voren nooit gekend had. En het ging
snel, zeer snel. Want daar het verkeer door de lucht de geheele wereld
als het ware tot één groote gemeente had gemaakt, alle strijd van
volken en nationaliteiten zich had opgelost in den algemeenen,
universeelen strijd tusschen de twee sexen, was over de geheele wereld
het aantal kindergeboorten snel afnemend, de sterfte onder de kinderen
buitengewoon groot en de kinderen die bleven leven, van de jeugd af
gescheiden in twee elkaar vijandige sexen, gebaard door de vrouwen maar
opgevoed door de mannen, zonder den versterkenden invloed van den
weerbaar makenden strijd tegen en om de stof, groeiden op tot een
vreemd geslacht van zwakzielige weekelingen, onderworpen lustelingen en
luiaards. Zooals vroeger het als een soort ramp werd beschouwd, als in
een gezin veel meisjes werden geboren, werden nu de jongens met weerzin
begroet. En zooals vroeger de moeder, het meisje van haar jeugd af had
te beschermen gehad tegen den jongen, en den vader, zoo moesten thans
de mannen, aan wie de opvoeding van het kinderdom was toegewezen, de
jongens beschermen tegen de vrouwen.
„De ontvolking begon het eerst in de koudere en meer gematigde
luchtstreken groote afmetingen aan te nemen. De vrouwen toonden een
algemeene neiging tot steriliteit. De mannen een algemeene neiging tot
impotentie. En men verheugde zich deswege, want de opgroeiende
geslachten, telkens weekelijker en met minder zielskracht en
vitaliteit, trokken naar de streken, waar de mildere natuur nog minder
arbeid van den mensch vroeg om zich staande te houden. Maar juist die
mildere natuur verzwakte de volgende geslachten al weder meer en daar
er overvloed was van alles, versmolt de vitaliteit van het
menschengeslacht.
„Het aantal jongens, dat geboren werd, stond in geenerlei verhouding
meer tot dat der meisjes. En de jongens werden steeds zwakker, kleiner,
achterlijker, minder veerkrachtig. De meisjes werden schraler, dorrer,
liefdeloozer.
„Kom nu mijn vriend, en volg mij. Ik zal u de maatschappij toonen,
zooals zij omstreeks het jaar 2100 op aarde zal zijn.”
En professor Leyden volgde, als een door een halo omgeven Kern, het
licht, dat voor hem uit ging.