XIV.

„En hoe staan zij ten opzichte van het Nieuwe Testament?”

„Mijn dierbare vriend, zij hebben zich ten aanzien van het Nieuwe

Testament geen vaste houding kunnen geven. Want zij deinsden terug,

toen zij de methoden op het Oude Testament toegepast, ook met

betrekking tot het Nieuwe Testament wilden gaan gebruiken. Zij

ontwaarden, dat de Maria cultus, dat de eerbied voor het kindeke en dat

de onbevlekte ontvangenis, niet uit het barbaarsche brein van een

Oosterling konden zijn gesproten, die alles naar de brute idée des mans

voorstelde, doch uit een andere sfeer moesten zijn gekomen. Zij

beseften, dat de vervulling van de wet, die het Nieuwe Testament

beloofde, juist het sterkst zich uitte in de bevrijding en verheffing

van de vrouw, zelfs van de gevallene, die met overgroote liefde en

innige vergevensgezindheid werd tegemoet gekomen. Het Concilie der

Vrouwelijke Theologen dat in 1975 bijeen kwam om de definitieve houding

ten aanzien van het Nieuwe Testament te bepalen, slaagde er niet in tot

eenheid te komen. Er was een richting onder de vrouwelijke theologen,

welke het Christendom verweet, dat het de vrouw verweekelijkte. Zij

wenschten, dat het geheele Nieuwe Testament terzijde zou geschoven

worden. Er ontstonden vele stroomingen. De Martha-ïsten, die daar het

huiswerk van Martha niet in aanzien was geweest, meenden dat het Nieuwe

Testament het slaven en slooven van de huisvrouw veroordeeld had. De

Maria-ïsten, die in de toeluisterende en deswege geprezen Maria het

symbool zagen van de erkenning van de geschiktheid der vrouw voor

geestelijk onderricht. Een andere strooming wees op Johannes 15:15,

luidende: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht

weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al

wat ik van mijnen vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt”. Hier

meenden zij, was het begin gemaakt van de afschaffing van het

knechtschap, de slavernij in ’t algemeen en dus ook van de slavernij

der vrouw. Weer een andere richting, meende, dat de Christus, zooals

hij in het Nieuwe Testament geteekend is, niet kon zijn de Christus,

zooals hij geweest is. Het waren de vegetarisch levende vrouwen, die

Johannes 21:11 aanhaalden en het voor onmogelijk verklaarden, dat de

Christus, Simon Petrus honderd drie en vijftig visschen aan hun element

had doen onttrekken, dooden en tot een middagmaal bereiden en dat

Johannes 21:13 den Christus voorstellende als zich openbarende en den

discipelen visch te eten gevende aan een maaltijd, voor elkeen, die in

de visch een bezield wezen erkende, een hoon inhield van den Christus,

die immers van den dood opwekte, niet tot den dood veroordeelde, die

het leven bracht, niet het leven nam. De psycho-analytici onder de

vrouwelijke professoren, verklaarden dat de voorliefde voor

vischgerechten, ja, het bijna ziekelijk verlekkerd zijn op visch, zoo

kenmerkend bij de Joden, hier den schrijver van het evangelie van

Johannes, parten had gespeeld. Vischetende volken zijn sensueele

volkeren, de visch is in beweging, verschijning en wezen een corpus

sensuale bij uitnemendheid. Zoo dan lukte het aan het Concilie niet,

het geslacht te bepalen van het Nieuwe Testament, zoodat het niet,

gelijk het zoo barbaarsche mannelijke Oude Testament, naar de psyche

van de vrouw kon worden her-schreven.

„Tot een nieuw Concilie bepaalde, dat het Nieuwe Testament, het Nieuwe

Geslacht van den mensch had voorbereid en het nu, aan dit verrezen

Nieuwe Geslacht stond, een levensleer uit te denken, welke als een

volmaking van het Nieuwe Testament beschouwd kon worden. Doch Concilie

na Concilie werd te zamen geroepen, maar men slaagde er niet in.

Slechts slaagde men er in, langzaamaan den Christus naar Zijn waren

Kern te doen voortkomen uit de vele windselen, waardoor hij door zijn

naïeve en zoo ver beneden hem staande biographen, was beschreven.”

„En hoe, lieve Eumenia, stonden de mannen tegenover deze Concilia?”

„Er geschiedde bij de mannen, die tot onderworpenheid waren gebracht,

hetzelfde als bij de vrouwen gebeurd was. Juist als bij haar,

veroorzaakte bij het meerendeel, de onderworpenheid en afhankelijkheid,

een verlaging van ziel, geest en karakter. Doch een kleine minderheid

verpuurde juist door de onderworpenheid en afhankelijkheid en zij

sublimeerden hun slavernij tot een verheven dienende liefde. Het waren

deze mannen, die in tegenstelling met de meerderheid, welke een

bevrijding van hun slavernij van de vrouw verwachtten door de een of

andere gelukkige omstandigheid, waardoor zij in een nieuwen oorlog

tusschen de beide sexen de overwinning zouden behalen, zeker

vertrouwden, dat eens de groote vrede weder tusschen de beide

geslachten zou hersteld worden door een herrijzenis van de Christus

Idée, gezuiverd van de barbaarschheden van tijd en milieu Zijner

verrijzenis in Phalas-Phalus-Pallus-Palestina, dat naar zijn naam

Baäl-Es-Tyn, het land Baäls, nog te veel besmet was geweest van den

geest van den Baäl om een zuiveren teelgrond voor de Christus Idée te

kunnen worden. En zij trachtten door rein leven naar de ziel, den geest

en het lichaam, dien zuiveren bodem voor te bereiden, waarop de

Harmonie der twee geslachten opnieuw zou kunnen ontbloeien. Zekere

instinctieve gevoelens, welke de vrouwen, ook de meest vermanlijkten,

nog in zich droegen, dreven haar er toe, die kleine secte der

Harmonischen, te eerbiedigen, vooral omdat zij geenerlei ruchtbare of

sterke, actieve propaganda voerden. De Harmonischen herkenden elkaar

aan den blik, den sprekenden maar geluidloozen blik en aan hun daden

van liefde en zorgzaamheid voor de zwakken, de zieken en vooral de

kinderen. Nooit spraken zij elkaar over hun wezen. Want zooals gij voor

u ziet, de vrouwen hadden de economische quaestie spoedig opgelost. Wat

onder de regeering van het mannelijke geslacht armoede aan stoffelijk

bezit was genoemd, kende men niet meer na 1970 onder de heerschappij

der vrouw. Het verkeer door de lucht had het zoo gemakkelijk gemaakt in

een korte spanne tijds de producten van de vruchtbare deelen der aarde

te brengen naar de minder- en onvruchtbare deelen der aarde en de

algemeene, internationale wereldplicht van arbeid voor iederen mensch,

had het vervaardigen en opslaan van producten zoo bevorderd, dat er op

aarde geen stoffelijke armoede meer bekend was.”

„En ontstond er toen, mijn lieve Eumenia, niet een algemeene

tevredenheid en universeel geluk?”

„De mensch zal en kan bij brood alleen niet leven, Horatio. Zoo min als

het geluk der menschheid ontstond, toen elkeen reeds lang voor den

eersten wereldoorlog, in de ontwikkelde centra der aarde, zooveel

frisch, zuiver water te zijner beschikking had als hij wenschte, maar

integendeel verbodsbepalingen moesten worden gemaakt om den mensch van

het drinken van alcoholische en narcotische dranken af te houden, zoo

bracht ook de zekerheid voor elkeen, dat hij van zijn geboorte tot zijn

dood, overvloedig voedsel, kleeding en huisvesting zou bezitten, geen

geluk. Want het geluk van den mensch komt voort uit den geest, niet uit

de stof. En alleen door den strijd tegen de stof, kan de geest weerbaar

en zich bewust blijven. Arbeid, de tol van het geluk, was tot een

minimum beperkt en daardoor steeg de genotzucht tot een maximum.

„Daar de man nu aan de vrouw was onderworpen, zooals eens de vrouw aan

den man was onderworpen, bleef de schepping van den nieuwen mensch, wat

zij tot heden doorgaans was geweest, een immoreele actie. Had vroeger,

de man, de vrouw gedwongen, hem tot lust-object te dienen, daar de

vrouw, tot rijpheid gekomen, moest zorgen „uitgehuwelijkt” te geraken

op straffe van of te verdorren of tot oneerbaar geacht verkeer te

komen, thans was het schijnbaar omgekeerd, maar naar het wezen

hetzelfde. De vrouwen kozen zich de mannen en daar zij niet

overheerscht wenschten te worden, kozen zij doorgaans de zwakste en de

meest minderwaardige individuen. De weinige kinderen, uit dit verkeer

gesproten, droegen zoo goed den stempel hunner verwekking als vroeger,

toen de mannen de vrouwen kozen, hetzij als lust-object, hetzij ter

wille van bezit, te verwachten erfenis, invloed harer familie, kortom

ter wille van al de vele onzuivere motieven, waartoe zoovele huwelijken

werden gesloten.

„Zoo dan begon het menschdom uit te sterven. De wereld kwam voor een

calamiteit te staan, zooals zij te voren nooit gekend had. En het ging

snel, zeer snel. Want daar het verkeer door de lucht de geheele wereld

als het ware tot één groote gemeente had gemaakt, alle strijd van

volken en nationaliteiten zich had opgelost in den algemeenen,

universeelen strijd tusschen de twee sexen, was over de geheele wereld

het aantal kindergeboorten snel afnemend, de sterfte onder de kinderen

buitengewoon groot en de kinderen die bleven leven, van de jeugd af

gescheiden in twee elkaar vijandige sexen, gebaard door de vrouwen maar

opgevoed door de mannen, zonder den versterkenden invloed van den

weerbaar makenden strijd tegen en om de stof, groeiden op tot een

vreemd geslacht van zwakzielige weekelingen, onderworpen lustelingen en

luiaards. Zooals vroeger het als een soort ramp werd beschouwd, als in

een gezin veel meisjes werden geboren, werden nu de jongens met weerzin

begroet. En zooals vroeger de moeder, het meisje van haar jeugd af had

te beschermen gehad tegen den jongen, en den vader, zoo moesten thans

de mannen, aan wie de opvoeding van het kinderdom was toegewezen, de

jongens beschermen tegen de vrouwen.

„De ontvolking begon het eerst in de koudere en meer gematigde

luchtstreken groote afmetingen aan te nemen. De vrouwen toonden een

algemeene neiging tot steriliteit. De mannen een algemeene neiging tot

impotentie. En men verheugde zich deswege, want de opgroeiende

geslachten, telkens weekelijker en met minder zielskracht en

vitaliteit, trokken naar de streken, waar de mildere natuur nog minder

arbeid van den mensch vroeg om zich staande te houden. Maar juist die

mildere natuur verzwakte de volgende geslachten al weder meer en daar

er overvloed was van alles, versmolt de vitaliteit van het

menschengeslacht.

„Het aantal jongens, dat geboren werd, stond in geenerlei verhouding

meer tot dat der meisjes. En de jongens werden steeds zwakker, kleiner,

achterlijker, minder veerkrachtig. De meisjes werden schraler, dorrer,

liefdeloozer.

„Kom nu mijn vriend, en volg mij. Ik zal u de maatschappij toonen,

zooals zij omstreeks het jaar 2100 op aarde zal zijn.”

En professor Leyden volgde, als een door een halo omgeven Kern, het

licht, dat voor hem uit ging.

Nieuw Utopia · 第 19 / 30 题