„Ziethier, mijn vriend, een andere phase van de ontwikkeling der
menschheid.”
„Noemt gij dat ontwikkeling, Eumenia? Ik zou het eerder achteruitgang
willen heeten.”
„Hij die De Ontwikkeling is, kiest Zijn wegen naar Zijn Inzicht en wat
achteruitgang lijkt, kan Hem middel tot het doel zijn.”
„Een vreemd middel, Eumenia.”
„Voor uw bekrompen professoraal verstand, Horatio.”
„Inderdaad, gij hebt gelijk. Ik ben niet veel in het heelal, slechts
een Leidsch professor—hoewel van de medische faculteit.”
„Gij aanschouwt nu groote, geheel verwilderde landstreken en dat juist
in de meest gezegende klimaten.”
„Hoeveel ratten, zie ik.”
„Ja, het was de rat, die zich uitbreidde ten koste van den mensch. De
rat en de wolf. Want daar deze beide diersoorten in troepen leven en
het communeele instinct bezitten, bij deze soorten het individu zich
altijd offert ter wille van de soort, wat gij een lageren vorm van
Christendom moogt noemen, teelden zij in steeds aangroeiende
hoeveelheden voort en de menschheid, uitstervend, nam zelfs de moeite
niet meer om ze door de sluipgaskogels uit te roeien. Slechts als ze te
dicht bij hun nederzettingen kwamen, werden eenige sluipgaskogels
uitgestrooid en deze deden dan prompt hun werk. Al wat binnen een
bepaalden kring leefde, dier of plant, zaad of kiem, werd doodgeloogd,
tot wezenlooze stof verpulverd.”
„Dat zijn dus die groote, kale vlakten. En wat beteekenen die ruïnes
van groote gebouwen, die ineengestorte fabrieksschoorsteenen, die
massa’s roodachtige ijzeren werktuigen?”
„Na een toenemen van allerlei soorten fabrieksproducten en kunstmatig
voedsel en vermaak, kwamen er geslachten, die ook daaraan geen waarde
meer hechtten. Toen iedereen een gramophoon, een electrische piano of
electrisch orgel, een electrische zijde spin-machine, die van een
celluloid-oplossing, coupons zijde spon in alle maten, dikten en
kleuren en al de velerlei machines voor nut en vermaak, door de
intelligentie uitgevonden, bezat, toonden de menschen zich ten laatste
oververzadigd. De vale, vernietigende verveling, zij, de zuster van
luiheid en de moeder van wulpschheid, lag als een mist over de
menschheid en ten slotte was men ook van wulpschheid oververzadigd.
Toen werd de menschheid door een algemeene, groote passiviteit gedrukt.
Men hechtte geen waarde meer aan de producten der machinale nijverheid,
paste zich aan aan de mildere klimaten, liet de gematigde en koudere
luchtstreken, waar men zwaar had te arbeiden om het leven te behouden
en te veraangenamen, geheel over aan de wolven en de ratten, kleedde
zich slechts met een primitief schootsvel of met een lendendoek en men
zag geen oude menschen meer. Wie veertig jaar oud werd, had een
ongewoon hoogen leeftijd bereikt. Meestal werd men niet ouder dan
dertig jaar en was dan verheugd, heen te mogen gaan en van zijn
verveling verlost te worden.
„Want zie, deze menschen welke gij daar voor u ziet leven, waren geen
primitieve wilden, maar zij waren door de intelligentie, door de
hersenontwikkeling, welke geen gelijken tred had gehouden met de
zielsontwikkeling, als loten die te snel en te ijl omhoog geschoten
zijn, slap en voos geworden. De vrouwen, die haar brein hadden
ontwikkeld, ten koste van haar ziel, haar gemoed, haar hart en haar
vrouwelijke lichaamsfuncties, waren een soort intelligentie-monsters
geworden, die alles dadelijk met haar verstand begrepen, omvatten,
doorzagen, indeelden en het vervolgens als nietswaardig ter zijde
wierpen. Zij hadden haar intuïtie en haar instincten zoo goed als
verloren, tot rudimentaire en onbruikbare hoedanigheden vervormd en de
mannen, ontaard, verslapt, verzwakt en verluierd, vonden ten laatste
zelfs geen afleiding meer in het spel—zoolang hun middel om den tijd te
dooden, daar zij niets wenschenswaardigs meer konden uitdenken om als
inzet voor het spel te dienen. Er was van alles overvloed voor
ieder—maar niemand stelde belang in bezit. Waartoe? Men was weg van de
aarde, voor men er zich thuis voelde. Niemand had liefde voor zijn
nageslacht. Als er een vrouw moest bevallen, was het moeielijk om
andere vrouwen te vinden om haar te helpen en bij te staan. De monsters
van intelligentie, die alles al schenen te weten voor zij het geleerd
hadden en twaalf jaren oud al de moeielijkste wiskunstige problemen
oplosten zooals zij eens, vele eeuwen vroeger, spelender wijze op de
piano musiceerend, diezelfde problemen hadden opgelost in den vorm van
klanken, óók zonder dat het haar moeite kostte—de vrouw was toen
muzikaal aangelegd zooals men nu hier, Horatio, mathematisch is
aangelegd, de monsters van intelligentie, welke de vrouwen waren
geworden, hadden een afschrik van het baren. Zij noemden het een
vernedering van het menschelijk geslacht, vonden het vies en zagen in
de placenta het symbool van de geboorte. Het was den mensch onwaardig,
gelijk de hond ter wereld te komen en als de wereld bewoond moest zijn,
waarvoor geen enkele geldige reden door het intellect was te vinden,
dan moest zij maar door ratten en wolven bewoond worden. De aard van
die dieren paste in het stelsel van „moeder” aarde. Men verachtte de
aarde als een verdoemde planeet, de armzalige plebejer onder de
hemellichamen. Men bewonderde de steriele maan, de trotsche, welke zich
van de lage aarde had afgescheiden en haar voor goed den rug had
toegedraaid, ironisch dien rug als een gelaat toonend. Dat was nog eens
een hooge en waardige houding in het heelal, geen leven te gedoogen als
men geen hooger leven onderhouden kan. Men voelde medelijden met de
zon, die nog in haar oer-toestand was, in de toekomst zou afkoelen en
dan aan leven het aanschijn geven, dat juist als op aarde, een
ontzaggelijk lijden zonder einddoel zou zijn. En de vrouwelijke
intelligentiewezens hadden een groot treurspel in verzen, dat de
kinderen reeds op school leerden en het fundament voor hun
levenshouding vormde. Het heette „De optocht der werelden”. Juist had
er een opvoering van plaats. Er werd in geschilderd, hoe de
verschillende werelden aan het eind van het bestaan van het heelal en
van de Godheid van dat heelal, optrekken naar een hoogere orde en een
hoogere Godheid. Van alle planeten werd de geschiedenis bezongen. Ten
laatste kwam eerst de blanke, bevrozen maan. Zij zeide, hoe zij,
walgend van het stelsel der aarde planeet, waar geen leven mogelijk was
geweest zonder het offeren van ander leven, zich op een dag in
oppersten afkeer en smart, ontrukt had aan de aarde en opgestegen was
zoo hoog, dat zij ver buiten het bereik van de aarde en haar sfeer was
geraakt, zoodat zij ook ver buiten de dampkring bleef en de warme,
stinkende uitwasemingen. Niets van de aarde zou haar voortaan kunnen
beroeren en wat zou trachten tot haar op te stijgen, zou in de ijle
ruimte doelloos blijven zweven. Zoo dan had zij voortaan kuisch geleefd
en zij kon nu ingaan tot hoogeren bestaansvorm zonder een verleden, als
dat van de aarde.
„De aarde had de twee wonden, haar geslagen door het uittreden der
maan, met water aangevuld en twee wereld-oceanen ontstonden op de
plaatsen, waar eens de maan had gerust. Naar heur oude wreede
aarde-wet, waren die twee oceanen weder vervuld van leven en geen
gruwelijker smart was denkbaar dan die van de op en van elkaar levende
wezens in de oceanen, elkaar levend opetend en altijd de sterke en
gruwelijke, de zwakke en zachtere, vredelievende belagend en levend
verslindend.
„Onder alle planeten, die tot hoogere levenssfeer wenschten in te gaan,
was er geen met een zoo afgrijselijk verleden als de aarde. Zij kwam en
in een lange stoet volgde haar heur levensverschijnselen, eerst de
oerstof, dan de langzame ontwikkeling uit den chaos.... de
voorhistorische monsters, de historische dieren en dan eindelijk de
mensch....
„En midden in dien stoet was een groote afscheiding. Vooraan het tweede
of christelijke deel, schreed Jezus van Nazareth, met de doornenkroon
om het hoofd, gebukt onder het kruis, met doorstoken handen, doorstoken
voeten, gegeeselden rug en de lanssteek in de hartstreek....
„Dat was de God-Koning der aarde.... en achter hem kwam de menschheid,
die Hij had willen redden en de boodschap der liefde had gebracht....
liefde op de verdoemde, onbewoonbare planeet Terra, waar de
onontkoombare wet was, dat leven zich onderhouden moest door het
verdelgen van ander leven....
„Rondom den God-Koning schreden visschers met hun net, zijn discipelen
en aan de poort tot de hoogere levenssfeer stond Piscia, de Godin der
visschenwereld en zij weende.... weende over al haar levend gekorven,
gestroopte, gekookte kinderen der zeeën, stroomen en rivieren....
„Van al de planeten, van al de werelden in de ruimte was er geene zoo
ellendig als Terra en haar menschenwereld, aan wie de liefde
geopenbaard was als hoogste wet des heelals, maar die deswege des te
dieper haar val en verdoemenis besefte, daar de menschen op de wreede
aarde, de gruwelijke planeet, alleen konden leven door te dooden en te
misbruiken, ’t zij den evenmensch, ’t zij het dier, hetzij de plant,
hetzij wat lang waanwijs de onbezielde natuur was genoemd, maar even
bezield was als al het andere, alleenlijk op andere wijze.”
„Arme Rex regum!” kreet prof. Leyden.
„Hoort gij niet, wat Piscia roept?” vroeg Eumenia smartelijk.
Prof. Leyden luisterde.
„Mijn arme kinderen der zeeën en stroomen. Die een visscher der
visschen was, kòn geen Visscher der menschen zijn!”
En dieper boog de Rex Regum der wereld onder Zijn kruis.
„Zeg mij Eumenia,” vroeg prof. Leyden zich herstellend, „is Hij niet
zelve gelijk zoo’n visch, die levend gestroopt en gekorven werd. Is de
visch niet zijn symbool?”
„Luister Horatio, naar den verderen inhoud van het dichtwerk.”
Prof. Leyden luisterde. Thans kwamen de dieren der aarde met hunne
klachten. Daar waren de generaties der stieren, tot ossen verminkt.
Daar waren de generaties der koeien, van haar kalf beroofd en misbruikt
door den mensch als melk- en vleeschfabrieken. Daar was het
paardengeslacht, door de eeuwen heen gespoord, gezweept, gestriemd en
doodgejaagd. Daar was het hondengeslacht, aan kettingen gelegd dag en
nacht, omdat het trouw en waaksch was, omdat het deugdzaam was, onder
wagens gespannen en misbruikt om te trekken boven zijn macht. Daar
waren de vogels, opgesloten in kooien of uitgemoord om dier pluimage te
leveren. Daar was de ever, opgekweekt om doodgejaagd te worden. Daar
waren de herten en reeën, buit van wreede jagers. Maar daar waren ook
de aardwormen, die de aarde etend en ze weer uitscheidend, aldus den
grond vruchtbaar makend, beloond werden door de ploeg, die in ’t
voorjaar zijn scherp kouter door de aarde rijtend, hen levend in
stukken sneed. En de stukken zouden onder krimpende smart weer tot
nieuwe wormen aangroeien, die weder in stukken zouden worden
gesneden.... dat was het loon van de verdoemde, gierige planeet voor de
nederige aardworm, die zijn hapje aarde aldus moest betalen....
Toen het dichtwerk ten einde was, aan het slot waarvan de
natuurkrachten, stoom en electriciteit, vroegen waarom zij zoo in alle
vormen waren misbruikt en mishandeld, zeide prof. Leyden:
„Liefste Eumenia, is de onbezielde natuur dus ook bezield geweest?”
„Zij is bezield, zooals gij of ik.”
„Kent zij dus lust en onlust, smart en vreugd?”
„Meent gij, dat het water boven het vuur geplaatst, zonder reden
bruischt en borrelt en ten laatste in damp vervluchtigt? Meent gij, dat
het vuur zonder reden walmt en stinkt, als het door water wordt
gedoofd? Alles ter wereld zoekt weder aan zichzelve gelijk te worden en
zoo tot rust te komen, te ontkomen aan het leven op Terra, dat is een
smartelijke gewaarwording en daarom als Rex regum, den Mensch van
Smarten, moest toonen. Maar de menschen kenden die wet der aarde, de
zucht zichzelf te worden, niet. Als zij een ijzeren bal ter aarde zagen
vallen, schreven zij dat aan magische werkingen toe....”
„Magische werkingen? Dit zegt gij tot een professor der Leidsche
Universiteit, die zijn gravitatie formule gelukkig nog niet vergeten
heeft.... Φ = k (mm^1/r^2).”
„Zoo is het niet, mijn vriend. Newton vergiste zich. De ijzeren kogel
viel ter aarde, omdat hij product van smeltend ijzer, smart in vuur,
zich van die smart wilde bevrijden om tot zijn eigen, oer-elementen
terug te geraken, niet anders dan waarom de visch spartelt in het net.
Indien de kogel kon, zou hij door de aarde dringen. Zoo gij hem boven
den krater van den Etna zoudt gehouden hebben, zou hij zich in den
krater hebben gestort, dwars door de vloeiende gloeiende lava en zwavel
heen, tot hij de sferen gevonden had, waar het ijzer zich kan ontleden
in zijn vluchtige oer-elementen en zoo rust vinden.
„Nu, op aarde vallend, op de altijd harde, wreede Terra moeder, zou de
kogel in langzame, langzame pijnen, stom, zonder zelfs de verlichting
om zich door een kreet te kunnen uiten, roesten, dat is zich pijnlijk
laagje na laagje in de zuurstof verbranden om in eindelooze, opperste
smart zich weer te vereenigen met zijn oer-elementen.”
„Dus ook daar smart, Eumenia. Is dan alles smart op de wereld? Is de
onbezielde natuur lijdende zooals de bezielde?”
„Beider ziel ter wereld is smart. Meent gij Horatio, dat anders Rex
regum, de Man der smarten zou geweest zijn?”
„En waarom is dan ter wereld alles smart?”
„Veel weet ik daaromtrent niet. Want ook ik Horatio, ben nog slechts in
ontwikkeling. Maar ik vermoed, dat het een weg tot de vreugde is en dat
smart tot een dimensie behoort, welke bij het overgaan in een andere
dimensie, in vreugde verandert. Maar het is slechts een vermoeden. Kom,
volg mij. Laat ik u voorgaan naar het tijdperk van een eeuw later, waar
de menschheid zich ontworstelt aan de overmacht van de intelligentie en
van de sexualiteit.”