„Wat mij verwondert, Eumenia, is dat ik alles hier zie gebeuren, alsof
ik er zelf bij ben en toch geen aandeel heb in al dit leven.”
„Was het u op aarde in den nachtdroom anders?”
„Neen, dat is zoo.”
„Welnu, en hebben uw dichters op aarde niet steeds vermoed, dat ook dat
aardsche leven zelf een droom was?”
„Inderdaad.”
„Maar gij voelde, dien aardschen droom reëeler, omdat gij geen anderen,
vroegeren droom bewust als norm ter vergelijking hadt. Dit hing
eenigszins samen met het klimaat. In de warmere landen waren de
menschen er zich meer van bewust, dat zij een droomleven leidden, dan
in de gematigde zônen. Vandaar dan ook dat Bhoeddha en Mahomed in die
warmere landen zooveel invloed kregen, daar hunne leeren nader tot den
droom staan dan de mildere leer van Christus, die er eene is ontstaan
aan het bekken van de Middellandsche Zee en een product is van die
zee.”
„Mijn lieve Eumenia, veroorloof mij thans eene vraag. Welke godsdienst
hebben deze menschen van 2000? Mij dunkt, indien zij zich aan den
Bijbel houden, zouden zij toch nooit tot deze geslachtsverschuiving
welke ik thans aanschouw, hebben kunnen komen.”
„Nu aarzel ik, Horatio u in te wijden in deze naaste toekomst van den
godsdienst. Want zoogoed als de mensch van al de nieuwe materiëele
macht, welke hem wordt gegeven, eerst lang misbruik maakt voor hij er
het goede gebruik van weet te maken, zoo maakt ook de mensch van alle
nieuwe geestelijke macht, welke hem door De Macht wordt geschonken,
eerst langen tijd misbruik. Gij weet zeer goed, Horatio, dat sinds de
oude tijden, elke nieuwe openbaring nopens De Openbaring, voor den
mensch aanleiding is geweest tot vervolging, fanatisme en velerlei
gruweldaad. Dat is niet alleen het geval geweest met nieuwe
godsdiensten, maar ook met nieuwe philosofische stelsels. Gij weet heel
goed, welk een overwegenden invloed Max Stirner en Friedrich Nietzsche
hebben uitgeoefend op het uitbreken van den wereldoorlog van 1914, ja
zij zijn er niet de aanleiding, wel een der hoofdoorzaken van geweest,
zoogoed als van de woelingen daarna. Maar daar ik weet, dat gij mij
niet ontrouw zult worden en mijne groote liefde voor u niet zult
beantwoorden door een vlucht terug naar de aarde, zal ik u meer
onthullen. Ik doe dat alleen omdat ik u, mijn geliefde, niets weigeren
kan noch wil, en overtuigd er van ben, dat gij het toch nooit op aarde
zult willen verbreiden voor de bewoners er rijp toe zijn.”
„Ik brand van weetgierigheid.”
„Dat begrijp ik—gij zijt immers te Leiden opgeleid. Welnu, het eerste,
wat de vrouwen na 1970, toen de tweede wereldoorlog, die tusschen de
beide sexen, volkomen in haar voordeel was beslist en de man
afhankelijk was gemaakt van de vrouw, op soortgelijke wijze als zoovele
eeuwen de vrouw, ondergeschikt en afhankelijk was gemaakt van den man,
wrochtten, was een herziening van den bijbel. De bijbel, het is u
bekend, is door mannen geschreven en voor zoover het het Oude Testament
betreft, nog wel door mannen levende in een maatschappij, waar
„l’homme”, de man en de mensch tegelijk beteekende. De veelwijverij,
onafscheidelijk van de slavernij, dat is de ontkenning van het bezit
van een individueele ziel door ieder individu, had den man het besef
gegeven, dat hij was van hoogeren aard dan de vrouw. Zoo werd dan het
Paradijsverhaal door den man geschreven naar zijn man-opvatting. De
Schepper schiep volgens dat verhaal den man het eerst en Adam was
inzichzelf en opzichzelf volmaakt. Eerst daarna werd de vrouw geschapen
en niet gelijk de man, naar de wijze van den Schepper uit Zijn Wil,
maar hij deed Adam in een slaap vallen en schiep toen een tweede
droomleven en Adam in dat tweede leven, dien tweeden droom ontwakend,
vond de vrouw. Gij, Horatio, die nu meer Droomen hebt doorleefd en weet
dat bezinning niets anders is dan van droom tot droom verheven worden,
beseft nu wel, wat de eigenlijke zin van de paradijs-mythe is.”
„Hoe zou ik niet, ik een professor van de Leidsche Universiteit. Niets
is eenvoudiger dan het mijn collega’s aldus voor te stellen in een
simpele formule.
„Leven = a. Bezinning = b. Droom het kwadraat dier beiden. Dus:
„(a + b)^2 = a + 2ab + b^2 maar omdat getallen geen zin hebben, daar
waar De Zin is, zullen mijn collega’s het met mij eens zijn, wanneer ik
eerbiedig zeg: (a + b)^∞.”
„Altijd weer die collega’s, Horatio. Ik wist wel, dat er een sterk
esprit de corps te Leiden heerschte, maar dat dit bij u sterker schijnt
te zijn dan zelfs de liefde, verwondert mij en zelfs bedroeft mij. Het
doet mij aarzelen, te vervolgen....”
„Indien gij mij waarlijk liefhebt, Eumenia, lief met de liefde op
zichzelf, dan behoort er plaats te zijn voor vreeze noch
jaloerschheid.”
„Uw argument geeft mij den moed om verder te gaan. Welnu, daar een man,
en een bekrompen man, de eerste primitieve lezing omtrent de
ontwikkeling der aarde uit den droom van den chaos tot den droom van
het Paradijs, neerschreef, begon hij met de vrouw een andere
oer-geboorte dan den man toe te schrijven, hoewel toch, als sleutel
voor latere geslachten, in Gen. 1:27 duidelijk staat: „En God schiep
den mensch naar zijn beeld, naar het beeld Gods schiep hij hem: man en
vrouw schiep hij ze”.
„Vervolgens, liet die veronderstelde primitieve eerste opschrijver van
de mythe, de slang tot de vrouw gaan en niet tot den man. En de vrouw
at het eerst van den boom, „die begeerlijk was om verstandig te maken”.
En weder de vrouw, „gaf ook haren man met haar”. En niet als deugd werd
deze goedgeefsheid der vrouw voorgesteld, maar als poging om hem
eveneens ongehoorzaam te maken dus als verradelijke en valsche
verleiding, als poging tot verderf. En als God de ongehoorzaamheid
heeft ontdekt, zegt Hij tot de vrouw: „Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe
smart, namelijk uwer dracht; met smarte zult gij kinderen baren; en tot
uwen man zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben.”
„En op grond van diezelfde bekrompen primitieve opvatting, welke aan de
vrouw al het slechte toeschrijft, haar den oorsprong van de aardsche
verdoemenis noemt, wordt de arbeid voorgesteld als een vloek. Alleen in
het brein van een zinnelijken luiaard, het oertype van den oosterschen
man en van den oer-man, den wilde, in het algemeen, kon die
voorstelling opkomen en een gewijde beteekenis verkrijgen. Door den
geheelen bijbel waart die geest van de luiheid en nooit wordt God meer
aanbeden, dan wanneer Hij den luiaard tegemoet komt door manna te laten
regenen, (voedsel ontvangen zonder arbeid), water uit de rots te doen
ontspringen, (drank ontvangen zonder een put gegraven te hebben of het
zorgzaam te hebben medegevoerd) en ook als Christus brood, wijn en
visschen „toovert”, d.i. zonder arbeid of moeite te voorschijn brengt,
wordt het meest in hem geloofd.
„Welnu, de vrouwen begonnen den bijbel te herschrijven. Zij meenden,
dat het God ontwijden was, te veronderstellen, dat de „moeder aller
levenden”, de erfzonde over het menschdom had gebracht. Zij waren er
van overtuigd, dat het Paradijs-verzinsel, waarin aan de vrouw zulk een
minderwaardige rol is opgedragen, door de eeuwen heen op de plaats der
vrouw in de samenleving, een rampzaligen invloed had uitgeoefend. Niet
de vrouw was van den aanvang slecht geweest, maar door den vloek, welke
door het verzinsel van den Paradijs-mythe schrijver over de vrouw was
gebracht, waren zoovelen harer door de eeuwen heen in de verachting
neergedrukt, ten laatste ontaard. Gevolg werd met oorzaak verwisseld.
En al de vele vrouwen, die juist het tegendeel waren geweest van de
caricatuur der vrouw, in het Oostersche fabelboek geschetst, bewezen de
dwaling ten aanzien der van den in barbaarsche tijden levenden auteur
van Genesis.
„Zoodan kreeg in de eerste lezing van den Bijbel door de vrouw naar
vrouwelijke intuïtie opgesteld, de Paradijs-mythe een andere tendenz.
Men las daar, dat God, De Droom, nadat Hijzelf uit den chaos het
uitspansel had gebaard, waarin ook de aarde, zich zelf beeldend in een
spiegelbeeld van Zijn Droom, De Barende schiep, dat is De Moeder. Toen
zeide De Moeder tot die Haar had geschapen: „Scheppende, hoe zal ik
naar Uw Beeld Barende zijn, indien niet De Drang daartoe in mij wordt
gebracht.” En de Scheppende deed over Eva een nieuwen Droom komen en in
Dien Droom ontwakende vond zij tegenover zich haar eersteling, waarvan
De Scheppende haar had doen bevallen, Adam, den man, die in haar
geslacht voortaan den Drang tot baren zou brengen. En De Scheppende
zeide: Gij nu, die in één droom tot twee zijt geworden, vereenigt u in
verinniging weder tot een nieuwen droom en telkens als gij aldus doet,
zult gij uit uwe tweevoudigheid, één wezen in een hoogere macht
scheppen. En zoo groeiend in wezen tot wezen, van macht tot macht, zult
gij van stof tot geest worden, van geest tot geest in kwadraat, van
geest in kwadraat tot geest in kwadraat van kwadraat. Zoo gaat gij
voort. Ik wijs u den weg, maar niet het eind. Dit eind zou hij
beseffen, die van gindschen boom in het midden van den hof eet. Maar
niet van dien boom zult gij eten. Toen kwam de knecht Gods, die
afbreekt wat te zwak is om opgebouwd te blijven en in den vorm van een
slang naderde hij Adam, ten einde te zien of hij hem afbreken moest. En
hij bood Adam een vrucht van den boom midden in den hof aan. Adam nam
de vrucht aan en at er van. En hij ging tot Eva en bood haar een bete.
Eva weigerde met ontzetting zeggende: „Zoude ik, de moeder aller
levenden, zondigen en zouden zoo door en in mij alle levenden van heden
tot aan de einderen, gezondigd hebben?”
„Toen hief Adam zijn vuist op en gaf Eva een slag op den mond, dat zij
bloedde en hij greep haar bij de keel en beval: „Eet of ik zal u
dooden. Ik ben uw heer en zult gij mij dan niet gehoorzamen?”
„En hij dwong door zijn brute kracht haar te eten, met haar bloedenden
mond.
„Daarna ging Eva ter zijde zitten en weende. De eerste tranen werden
geschreid, de eerste wapenen der vrouw, de moeder aller levenden.
„Toen verscheen de Scheppende en zeide: „Waarom weent gij Eva?”
„En Eva antwoordde:
„„De man, dien gij mij gegeven hebt, is mij tot een macht geweest boven
U. En het eerste leven, dat hij in mij gewekt heeft, zal zijn gelijk
zijn beeld, Kaïn, de moordenaar zijns broeders.””