XII.

„Gij zijt nu als een glimwormpje of als die vreemde visschen uit de

allerdonkerste zeediepte, welke boven hun oogen gloeilampjes hebben,

welke zij kunnen ontsteken om hun prooi te zoeken en dooven om zelf

onzichtbaar te zijn. Ik leid u thans langs de galerijen van wat de

menschheid op aarde toekomst heet. Hier zijt gij nu in wat zij straks

het jaar 2000 zullen gaan noemen.”

Het was prof. Leyden, nadat zijn lieve geleidster deze woorden

gesproken had, alsof hij weder op aarde teruggekeerd was, doch niet

binnen zijn knusse, deftige universiteitsstad, waar alles gezellig en

aangenaam en rustig, kortom welgeordend en beschaafd is (behalve dan de

aberraties van de abecedarii van het eerste jaar), maar ergens in een

ander werelddeel, in een uit den oceaan weder opgedoken Atlantis.

„Zijn hier de geslachten opgeheven, Eumenia?” was de eerste vraag, die

prof. Leyden aan zijn schoone geleidster stelde.

„Neen, hier heeft slechts een geslachtsverschuiving plaats gevonden.”

„Gij drukt zoo op het hier. Is het dan elders wel zoo?”

„Inderdaad zijn er sferen, maar of zij ooit de aarde voor hare

oplossing zullen bereiken weet ik niet, waarin de verdeelde functie’s

van man en vrouw weder, zooals in den oer-tijd, zijn vereenigd in

één-wezens. De een-wezens zijn zoo hoogstaande, zij die niet meer het

onderscheid tusschen de beide geslachten kennen, voor wie het „tweeling

is de mensch geboren” niet meer geldt, dat de aarde en haar sensueele

sfeer voor hen wel onbewoonbaar zullen blijken.”

„En, hoe plant de éénling zich voort?”

„Het éénling, bevrijd van al de lage hartstochten en daden, welke

voortspruiten uit den strijd tusschen twee geslachten, een lichamelijk

sterk maar zedelijk zwak en een lichamelijk zwak maar zedelijk sterk

geslacht, bevrijd ook van de smart van het baren, vermeerdert zich in

zijn sfeer zooals op aarde de gedachte zich vermeerdert. De idée baart

de idée, gelijk aan een boom takken en aan een tak twijgen ontstaan.

Het éénling vertwijgt zich en het geheele geslacht der eenlingen vormt

een zich in zijn sfeer naar alle zijden uitstrekkende vertakking. Maar

deze takken zijn alleen naar den geest met elkaar verbonden, kunnen

zich overigens vrij bewegen en overal in hun sfeer zich vestigen en

opnieuw zich vertakken.”

„Welk een schoone gedachtenwereld, Eumenia.”

„Maar er zijn ook sferen waar het drieling leeft.”

„Die kennen wij op aarde en niet als te zeldzame uitzondering.”

„Gij begrijpt mij verkeerd, Horatio. Ik meen niet, dat één vrouw haar

echtgenoot er altijd gelukkig maakt met de zorg voor drie luiermanden

tegelijk. Maar in de sfeer van het drieling, kent men drie

geslachten—juist zooals in de bijenkorf. Een mannelijk geslacht, dat

slechts de daar weinig geachte functie verricht van de bevruchting. Een

vrouwelijk geslacht, dat baart. Een a-sexueel geslacht, dat allen

arbeid verricht, geestelijke en materiëele.”

„En staat hun beschaving op een hoog peil?”

„Neen.... dat is onmogelijk bij een instelling waar zij die geestelijk

arbeiden voor geslachtelijken, onbewust blijven van alle geslachtelijke

functies. Men zou de maatschappij en de geestelijke ontwikkeling van

het drieling kunnen vergelijken met de bijenkorf. Op zichzelf kunstig

en vernuftig—maar zij komen nooit verder, zijn een eeuwige herhaling

van zichzelf.”

„Dus zijn zij wel ongelukkig?”

„Nog niet—daar zij niet bewust er van zijn, dat zij zich altijd door

herhalen. Hun smart zal beginnen, wanneer zij door Die De Vernieuwing

is, besef zullen krijgen van andere verhoudingen dan den sexangulum en

zich tot den septangulum zullen verheffen. Dan vervalt hun geheel

maatschappelijk en geestelijk stelsel, alle verhoudingen zullen uit

haar evenwicht worden gedrongen, maar het is alleen door smart en

verwarring, dat men van den sexangulum tot den octogoon zich kan

ontwikkelen.”

„En zijn er sferen met nog meer dan drie gescheidenheden van het ééne?”

„Mijn beste vriend, er zijn evenveel gescheidenheden als dimensies.”

„Waarom dat?”

„Die Het Getal en De Dimensie is, weet dat. Ik ben ook nog maar in

wording. Maar wat ik u kan toonen, geliefde Horatio, zal ik u toonen.

Zie, wat gij nu hier, in de sfeer welke gij thans beschouwt, voor

één-geslachtelijke wezens hieldt, zijn inderdaad vrouwen.”

„Zij hebben veel meer van mannen.”

„Toch zijn zij vrouwen, die echter den man aan zich onderworpen hebben

gemaakt. Maar velen harer baren—hoewel zelden meer dan twee kinderen in

haar geheele leven. En de zorg voor die kinderen, komt voor een groot

deel op de mannen neer.”

„Hoe dat?”

„Wel, reeds lang voor wat overdrachtelijk genoemd werd den eersten

grooten wereldoorlog van 1914, had de toenemende machinale industrie

een begin van de geslachtsverschuiving veroorzaakt. De man behoefde

niet meer den zwaren, lichamelijken arbeid te doen—de machine zorgde

daarvoor. Zijn arbeid in de fabrieken bestond uit het verrichten van

éénvormige kunstgrepen. Maar een overgroot aantal mannen oefende het

lichaam in ’t geheel niet meer. Zij hadden slechts het zachte, fijne,

gelijkmatige werk van boekhouders, administrateurs, correspondenten te

doen. Velen verweerden zich tegen de vervrouwelijking daardoor na

eenige geslachten verkregen, door sport. Maar sport is een doellooze

lichaamsoefening en geeft daardoor wel het lichaam maar niet de ziel,

die dat lichaam vormt, vernieuwde mannelijke kracht. Want de ziel, zij

de Waarheid, immers schepping van Die De Waarheid is, laat zich niet

bedriegen. Zoo bewerkte dan de sport, de valsche, want doellooze

arbeid, de arbeid, die in de beweging zelve doel zoekt en niet in het

te scheppen product, wel een schijnbare ontwikkeling van het lichaam,

maar men kreeg toen slechts mannen, met zwaargespierde lichamen welke

desondanks als wezens verwijfden. Daarentegen werden de vrouwen,

toegelaten tot de fabrieken en kantoren, onttrokken aan het huishouden

en het gezin, niet meer haar zielen oefenend in al de vele daden van

echt-vrouwelijken aard, van stille, liefelijke opoffering en verzorging

van de kleinen, de zwakken en de zieken, mannelijk. Het allereerst

begon zich dat in de kleeding te openbaren. De vrouw ging zich kleeden

in kleederen, welke op die van mannen geleken en dan ook tailor-made

werden genoemd. Een reactie werd beproefd, door aan de vrouwen een

kleeding te bezorgen, welke ontleend was aan de courtisane, zij die van

het doel een middel heeft gemaakt. En zoo kreeg men twee soorten onder

de vrouwen, de vermanden en de vercourtisaneerden. Onderwijl stierf het

echte vrouwen-type uit of verbasterde. De vrouw wierp zich nu op de

studie en daardoor bewerkte zij, dat uit de scheppende wetenschap, de

zich reproduceerende wetenschap ontstond.”

„Inderdaad, lieve Eumenia, ik zag met schrik het aantal vrouwelijke

studenten jaar op jaar toenemen. En daar haar vrouwelijke ijver haar in

velerlei vakken, welke slechts voorbereidend zijn en dus alleen op het

geheugen steunen, een voorsprong gaf, gingen de mannelijke studenten,

uit eerzucht, zich ook daaraan met grooten ijver geven, zoodat zij

vermoeid waren, als het op de vakken aankwam, waar de mannelijke

intellectualiteit en ingeniositeit voor de scheppende wetenschap werd

gevergd!

„De oorlog, die in 1914 uitbrak, herstelde een weinig het evenwicht,

doordat hij velen mannen, hun manlijkheid teruggaf en velen vrouwen aan

de sponden der verwonden en zieken weder haar vrouwelijkheid. Maar

daarentegen hadden tehuis vele vrouwen de beroepen der mannen, ook de

meer mannelijke, moeten uitoefenen en de snelle verplaatsing van het

geld naar de minder ontwikkelde lagen der bevolking, had het

courtisanisme snel doen toenemen. Het tekort aan mannen, na den oorlog,

bestendigde of verergerde die toestanden en toen, na de velerlei

bolsjewistische woelingen, de vrouwen ook als soldaat optraden, leerden

dat een welgeoefende vrouw met een geweer en een revolver gewapend,

mits zij slechts moed toont, het tegen iederen man kan opnemen,

ontstond in alle landen een vrouwenheerschappij, evenals vroeger de

heerschappij van den man, steunend op wapengeweld.

„Wat gij nu hier ziet, Horatio, is de toestand in 2000. De vrouwen

kleeden zich ongeveer zoo als mannen—zij, die zich als vrouwen kleeden

met rokken, toonen daardoor dat zij zich aan Eros geven, zonder het

moederschap te willen aanvaarden. Gij ziet, dat de vrouwen bijna allen

de mannen in lengte overtreffen.”

„Maar wat zijn dan de mannen?”

„Dat zijn die troepen, welke gij ginds onder leiding van een vrouw, dat

groote luchtschip uit die loods ziet brengen. Het is dat luchtverkeer,

hetwelk den laatsten stoot gaf tot de vermannelijking van de vrouw en

de vervrouwelijking van de man. Want het is het luchtverkeer, dat het

verkeer enorm vereenvoudigde en vergemakkelijkte, de geheele wereld

ondergeschikt maakte aan den wil van het sterkste wapengeweld, alle

bezwaren aan het reizen ook naar de meest ver verwijderde streken

ophief, zoodat iedere vrouw, die zich daarin geoefend had, het zoo zij

het noodig achtte, op kon nemen tegen een geheelen Berberstam in de

Sahara, welke zij met het sluipgas kon uitmoorden.”

„Wat is dat, sluipgas?”

„Sluipgas is een uit dampkringslucht en zwavelzuur bereid gas, dat

gecomprimeerd wordt in een kogel van nikkelstaal niet grooter dan een

vuist. Die kogel wordt ergens neergelegd en door een ventiel in de

kogel, dat automatisch door het gas wordt geopend op een te voren vast

te stellen tijd, ontsnapt het gas, breidt zich in de dampkringslucht

rondom uit en doodt alle organische leven, van mensch tot plantencel.

Gij begrijpt wel, Horatio, dat een vrouw in een vliegmachine in ’t

bezit van een dozijn van die sluipgaskogels, een heele landstreek kan

terroriseeren.”

„Gebruikten zij dat kostbare gas niet tot ontsmetting?”

„Zeker—alle cholera en pesthaarden zijn er ten laatste door vernietigd.

Maar in 2000 zal men nog zoover niet zijn. Gij weet wel, hoeveel eeuwen

het geduurd heeft, voor dat de man leerde dat zijn vuist, zijn

primitief wapen, hem gegeven was ter bescherming van het zwakke, ter

vernietiging van den slechte en den wreede. Hoe vele eeuwen heeft hij

zijn vuist niet misbruikt en de zwakken, vooral de vrouwen, aan wat het

„vuistrecht” werd genoemd, onderworpen gemaakt? Niet anders is het

gegaan met alle andere macht, den mensch gegeven. Alle macht leidde

oorspronkelijk tot willekeur, machtsmisbruik en machtswellust. Toen nu

de vrouwen, nadat zij op de universiteiten dezelfde kennis hadden

verworven als de mannen, zich in ’t bezit zagen gesteld van dezelfde

machtsmiddelen, ontstond een reactie op de onderworpenheid der vrouwen

gedurende zoovele eeuwen. De stille, sluimerende haat tusschen de twee

sexen werd acuut. En de tweede groote wereldoorlog, die van 1960, vond

plaats tusschen de twee sexen, de mannen en de vrouwen, van de

beschaafde of liever de ontwikkelde wereld. Wel zag men in beide

kampen, in dat van de mannen en dat van de vrouwen, overloopsters en

overloopers, maar dat waren of de zeldzame, buitengewoon hoogstaande

mannen en vrouwen, die niets wilden weten van een geslachtsoorlog en

het menschelijke boven het geslachtelijke wenschten te stellen of het

waren de talrijke wezens, die zwak van ziel, zonder

sexe-persoonlijkheid of sterke sexe-persoonlijkheid, zich aansloten bij

de partij, welke hun of haar het meeste voordeel beloofde. Dan waren er

nog de courtisanen, welke juist zich het beste thuisvoelden, daar waar

zij als sterke minderheid konden vertoeven onder een sterke meerderheid

van het tegenovergestelde geslacht.

„Deze tweede wereldoorlog werd over alle linies, in alle landen, door

de vrouw gewonnen. Want de vrouwen hadden de meerderheid van het

aantal, zij hadden een grootere eenheid en zij waren geduldiger,

vasthoudender, soberder en listiger dan de mannen. En ziedaar nu,

Horatio voor uw oogen, de maatschappij, zooals zij zich na 1960 heeft

ontwikkeld.”

Nieuw Utopia · 第 17 / 30 题