„Gij zijt nu als een glimwormpje of als die vreemde visschen uit de
allerdonkerste zeediepte, welke boven hun oogen gloeilampjes hebben,
welke zij kunnen ontsteken om hun prooi te zoeken en dooven om zelf
onzichtbaar te zijn. Ik leid u thans langs de galerijen van wat de
menschheid op aarde toekomst heet. Hier zijt gij nu in wat zij straks
het jaar 2000 zullen gaan noemen.”
Het was prof. Leyden, nadat zijn lieve geleidster deze woorden
gesproken had, alsof hij weder op aarde teruggekeerd was, doch niet
binnen zijn knusse, deftige universiteitsstad, waar alles gezellig en
aangenaam en rustig, kortom welgeordend en beschaafd is (behalve dan de
aberraties van de abecedarii van het eerste jaar), maar ergens in een
ander werelddeel, in een uit den oceaan weder opgedoken Atlantis.
„Zijn hier de geslachten opgeheven, Eumenia?” was de eerste vraag, die
prof. Leyden aan zijn schoone geleidster stelde.
„Neen, hier heeft slechts een geslachtsverschuiving plaats gevonden.”
„Gij drukt zoo op het hier. Is het dan elders wel zoo?”
„Inderdaad zijn er sferen, maar of zij ooit de aarde voor hare
oplossing zullen bereiken weet ik niet, waarin de verdeelde functie’s
van man en vrouw weder, zooals in den oer-tijd, zijn vereenigd in
één-wezens. De een-wezens zijn zoo hoogstaande, zij die niet meer het
onderscheid tusschen de beide geslachten kennen, voor wie het „tweeling
is de mensch geboren” niet meer geldt, dat de aarde en haar sensueele
sfeer voor hen wel onbewoonbaar zullen blijken.”
„En, hoe plant de éénling zich voort?”
„Het éénling, bevrijd van al de lage hartstochten en daden, welke
voortspruiten uit den strijd tusschen twee geslachten, een lichamelijk
sterk maar zedelijk zwak en een lichamelijk zwak maar zedelijk sterk
geslacht, bevrijd ook van de smart van het baren, vermeerdert zich in
zijn sfeer zooals op aarde de gedachte zich vermeerdert. De idée baart
de idée, gelijk aan een boom takken en aan een tak twijgen ontstaan.
Het éénling vertwijgt zich en het geheele geslacht der eenlingen vormt
een zich in zijn sfeer naar alle zijden uitstrekkende vertakking. Maar
deze takken zijn alleen naar den geest met elkaar verbonden, kunnen
zich overigens vrij bewegen en overal in hun sfeer zich vestigen en
opnieuw zich vertakken.”
„Welk een schoone gedachtenwereld, Eumenia.”
„Maar er zijn ook sferen waar het drieling leeft.”
„Die kennen wij op aarde en niet als te zeldzame uitzondering.”
„Gij begrijpt mij verkeerd, Horatio. Ik meen niet, dat één vrouw haar
echtgenoot er altijd gelukkig maakt met de zorg voor drie luiermanden
tegelijk. Maar in de sfeer van het drieling, kent men drie
geslachten—juist zooals in de bijenkorf. Een mannelijk geslacht, dat
slechts de daar weinig geachte functie verricht van de bevruchting. Een
vrouwelijk geslacht, dat baart. Een a-sexueel geslacht, dat allen
arbeid verricht, geestelijke en materiëele.”
„En staat hun beschaving op een hoog peil?”
„Neen.... dat is onmogelijk bij een instelling waar zij die geestelijk
arbeiden voor geslachtelijken, onbewust blijven van alle geslachtelijke
functies. Men zou de maatschappij en de geestelijke ontwikkeling van
het drieling kunnen vergelijken met de bijenkorf. Op zichzelf kunstig
en vernuftig—maar zij komen nooit verder, zijn een eeuwige herhaling
van zichzelf.”
„Dus zijn zij wel ongelukkig?”
„Nog niet—daar zij niet bewust er van zijn, dat zij zich altijd door
herhalen. Hun smart zal beginnen, wanneer zij door Die De Vernieuwing
is, besef zullen krijgen van andere verhoudingen dan den sexangulum en
zich tot den septangulum zullen verheffen. Dan vervalt hun geheel
maatschappelijk en geestelijk stelsel, alle verhoudingen zullen uit
haar evenwicht worden gedrongen, maar het is alleen door smart en
verwarring, dat men van den sexangulum tot den octogoon zich kan
ontwikkelen.”
„En zijn er sferen met nog meer dan drie gescheidenheden van het ééne?”
„Mijn beste vriend, er zijn evenveel gescheidenheden als dimensies.”
„Waarom dat?”
„Die Het Getal en De Dimensie is, weet dat. Ik ben ook nog maar in
wording. Maar wat ik u kan toonen, geliefde Horatio, zal ik u toonen.
Zie, wat gij nu hier, in de sfeer welke gij thans beschouwt, voor
één-geslachtelijke wezens hieldt, zijn inderdaad vrouwen.”
„Zij hebben veel meer van mannen.”
„Toch zijn zij vrouwen, die echter den man aan zich onderworpen hebben
gemaakt. Maar velen harer baren—hoewel zelden meer dan twee kinderen in
haar geheele leven. En de zorg voor die kinderen, komt voor een groot
deel op de mannen neer.”
„Hoe dat?”
„Wel, reeds lang voor wat overdrachtelijk genoemd werd den eersten
grooten wereldoorlog van 1914, had de toenemende machinale industrie
een begin van de geslachtsverschuiving veroorzaakt. De man behoefde
niet meer den zwaren, lichamelijken arbeid te doen—de machine zorgde
daarvoor. Zijn arbeid in de fabrieken bestond uit het verrichten van
éénvormige kunstgrepen. Maar een overgroot aantal mannen oefende het
lichaam in ’t geheel niet meer. Zij hadden slechts het zachte, fijne,
gelijkmatige werk van boekhouders, administrateurs, correspondenten te
doen. Velen verweerden zich tegen de vervrouwelijking daardoor na
eenige geslachten verkregen, door sport. Maar sport is een doellooze
lichaamsoefening en geeft daardoor wel het lichaam maar niet de ziel,
die dat lichaam vormt, vernieuwde mannelijke kracht. Want de ziel, zij
de Waarheid, immers schepping van Die De Waarheid is, laat zich niet
bedriegen. Zoo bewerkte dan de sport, de valsche, want doellooze
arbeid, de arbeid, die in de beweging zelve doel zoekt en niet in het
te scheppen product, wel een schijnbare ontwikkeling van het lichaam,
maar men kreeg toen slechts mannen, met zwaargespierde lichamen welke
desondanks als wezens verwijfden. Daarentegen werden de vrouwen,
toegelaten tot de fabrieken en kantoren, onttrokken aan het huishouden
en het gezin, niet meer haar zielen oefenend in al de vele daden van
echt-vrouwelijken aard, van stille, liefelijke opoffering en verzorging
van de kleinen, de zwakken en de zieken, mannelijk. Het allereerst
begon zich dat in de kleeding te openbaren. De vrouw ging zich kleeden
in kleederen, welke op die van mannen geleken en dan ook tailor-made
werden genoemd. Een reactie werd beproefd, door aan de vrouwen een
kleeding te bezorgen, welke ontleend was aan de courtisane, zij die van
het doel een middel heeft gemaakt. En zoo kreeg men twee soorten onder
de vrouwen, de vermanden en de vercourtisaneerden. Onderwijl stierf het
echte vrouwen-type uit of verbasterde. De vrouw wierp zich nu op de
studie en daardoor bewerkte zij, dat uit de scheppende wetenschap, de
zich reproduceerende wetenschap ontstond.”
„Inderdaad, lieve Eumenia, ik zag met schrik het aantal vrouwelijke
studenten jaar op jaar toenemen. En daar haar vrouwelijke ijver haar in
velerlei vakken, welke slechts voorbereidend zijn en dus alleen op het
geheugen steunen, een voorsprong gaf, gingen de mannelijke studenten,
uit eerzucht, zich ook daaraan met grooten ijver geven, zoodat zij
vermoeid waren, als het op de vakken aankwam, waar de mannelijke
intellectualiteit en ingeniositeit voor de scheppende wetenschap werd
gevergd!
„De oorlog, die in 1914 uitbrak, herstelde een weinig het evenwicht,
doordat hij velen mannen, hun manlijkheid teruggaf en velen vrouwen aan
de sponden der verwonden en zieken weder haar vrouwelijkheid. Maar
daarentegen hadden tehuis vele vrouwen de beroepen der mannen, ook de
meer mannelijke, moeten uitoefenen en de snelle verplaatsing van het
geld naar de minder ontwikkelde lagen der bevolking, had het
courtisanisme snel doen toenemen. Het tekort aan mannen, na den oorlog,
bestendigde of verergerde die toestanden en toen, na de velerlei
bolsjewistische woelingen, de vrouwen ook als soldaat optraden, leerden
dat een welgeoefende vrouw met een geweer en een revolver gewapend,
mits zij slechts moed toont, het tegen iederen man kan opnemen,
ontstond in alle landen een vrouwenheerschappij, evenals vroeger de
heerschappij van den man, steunend op wapengeweld.
„Wat gij nu hier ziet, Horatio, is de toestand in 2000. De vrouwen
kleeden zich ongeveer zoo als mannen—zij, die zich als vrouwen kleeden
met rokken, toonen daardoor dat zij zich aan Eros geven, zonder het
moederschap te willen aanvaarden. Gij ziet, dat de vrouwen bijna allen
de mannen in lengte overtreffen.”
„Maar wat zijn dan de mannen?”
„Dat zijn die troepen, welke gij ginds onder leiding van een vrouw, dat
groote luchtschip uit die loods ziet brengen. Het is dat luchtverkeer,
hetwelk den laatsten stoot gaf tot de vermannelijking van de vrouw en
de vervrouwelijking van de man. Want het is het luchtverkeer, dat het
verkeer enorm vereenvoudigde en vergemakkelijkte, de geheele wereld
ondergeschikt maakte aan den wil van het sterkste wapengeweld, alle
bezwaren aan het reizen ook naar de meest ver verwijderde streken
ophief, zoodat iedere vrouw, die zich daarin geoefend had, het zoo zij
het noodig achtte, op kon nemen tegen een geheelen Berberstam in de
Sahara, welke zij met het sluipgas kon uitmoorden.”
„Wat is dat, sluipgas?”
„Sluipgas is een uit dampkringslucht en zwavelzuur bereid gas, dat
gecomprimeerd wordt in een kogel van nikkelstaal niet grooter dan een
vuist. Die kogel wordt ergens neergelegd en door een ventiel in de
kogel, dat automatisch door het gas wordt geopend op een te voren vast
te stellen tijd, ontsnapt het gas, breidt zich in de dampkringslucht
rondom uit en doodt alle organische leven, van mensch tot plantencel.
Gij begrijpt wel, Horatio, dat een vrouw in een vliegmachine in ’t
bezit van een dozijn van die sluipgaskogels, een heele landstreek kan
terroriseeren.”
„Gebruikten zij dat kostbare gas niet tot ontsmetting?”
„Zeker—alle cholera en pesthaarden zijn er ten laatste door vernietigd.
Maar in 2000 zal men nog zoover niet zijn. Gij weet wel, hoeveel eeuwen
het geduurd heeft, voor dat de man leerde dat zijn vuist, zijn
primitief wapen, hem gegeven was ter bescherming van het zwakke, ter
vernietiging van den slechte en den wreede. Hoe vele eeuwen heeft hij
zijn vuist niet misbruikt en de zwakken, vooral de vrouwen, aan wat het
„vuistrecht” werd genoemd, onderworpen gemaakt? Niet anders is het
gegaan met alle andere macht, den mensch gegeven. Alle macht leidde
oorspronkelijk tot willekeur, machtsmisbruik en machtswellust. Toen nu
de vrouwen, nadat zij op de universiteiten dezelfde kennis hadden
verworven als de mannen, zich in ’t bezit zagen gesteld van dezelfde
machtsmiddelen, ontstond een reactie op de onderworpenheid der vrouwen
gedurende zoovele eeuwen. De stille, sluimerende haat tusschen de twee
sexen werd acuut. En de tweede groote wereldoorlog, die van 1960, vond
plaats tusschen de twee sexen, de mannen en de vrouwen, van de
beschaafde of liever de ontwikkelde wereld. Wel zag men in beide
kampen, in dat van de mannen en dat van de vrouwen, overloopsters en
overloopers, maar dat waren of de zeldzame, buitengewoon hoogstaande
mannen en vrouwen, die niets wilden weten van een geslachtsoorlog en
het menschelijke boven het geslachtelijke wenschten te stellen of het
waren de talrijke wezens, die zwak van ziel, zonder
sexe-persoonlijkheid of sterke sexe-persoonlijkheid, zich aansloten bij
de partij, welke hun of haar het meeste voordeel beloofde. Dan waren er
nog de courtisanen, welke juist zich het beste thuisvoelden, daar waar
zij als sterke minderheid konden vertoeven onder een sterke meerderheid
van het tegenovergestelde geslacht.
„Deze tweede wereldoorlog werd over alle linies, in alle landen, door
de vrouw gewonnen. Want de vrouwen hadden de meerderheid van het
aantal, zij hadden een grootere eenheid en zij waren geduldiger,
vasthoudender, soberder en listiger dan de mannen. En ziedaar nu,
Horatio voor uw oogen, de maatschappij, zooals zij zich na 1960 heeft
ontwikkeld.”