„Vrees niet geliefde Horatio. Gij zult opnieuw moeten, wat gij op aarde
noemt sterven, maar wat niets anders is dan het overgaan in een andere
dimensie. Gij zult mij straks weder naast u vinden, want ik heb
besloten u niet, u nooit weer te verlaten en ik verwacht van u
hetzelfde.”
„Inderdaad Eumenia, ik hoop mijzelf ook nooit te verlaten.”
„Ik meende, dat gij ook mij nooit zoudt verlaten, Horatio!”
En in den toon lag voor ’t eerst iets, dat men op aarde wellicht
gekrenkte eigenliefde zou genoemd hebben.
„Precies mijn idée, geliefde.”
„Zend nu voor een oogenblik uwe bezinning weg. Dan vindt gij
gelegenheid om opnieuw van de dimensie, waarin gij u thans bevindt, tot
een hoogere over te gaan, wat ook hier met tijdelijke bewusteloosheid
gepaard gaat, net als het „sterven” op aarde. Want gij kunt geen vat
opnieuw geheel vullen, indien het niet te voren volkomen geledigd is.”
„Heb ik dan tot heden in een andere dimensie geleefd dan vóór de
narcose?”
„Ik begrijp Horatio, dat gij mij die vraag stelt. Inderdaad, het kon u
niet bewust worden, omdat gij product eener dimensie, niet boven die
dimensie uit kunt komen om haar te toetsen.”
„Gij herinnert mij Eumenia aan Archimedes, die zoo hij een vast punt
buiten de aarde had, beloofde de aarde uit haar voegen te kunnen
tillen.”
„Of wij ooit een vast punt zullen kennen, behalve Het Vaste Punt kan ik
u niet zeggen, Horatio.”
„En voor wie dat Vaste Punt wankelt?”
„Wie in zich de wankeling heeft, hoe kan hij hopen buiten zich een vast
punt te vinden? Doch nu, geliefde, slaap.... Gij zult mij ontwakend
nevens u vinden.”
Het was professor Leyden of hij opnieuw genarcotiseerd werd. De hand,
welke Eumenia boven zijn etherisch hoofd hield, loste het op als damp,
als damp van damp en het laatste wat professor Leyden zich bezonnen
herinnerde, was een formule welke in het ruim scheen te zweven en de
gedachte, als ik terugkom, zal ik het aan de collega’s zóó moeten
duidelijk maken:
(Fluïde)^3 = Ether × Fluïde × Odd)
----------------------------------------
(Dimensie)^4 = D^ie × D^ie × D^ie × D^ie
Daarna toefde professor Leyden in het volkomen niet, indien het toeven
mag heeten, waar alles negatie is en indien het volkomen mag heeten,
waar ook de onvolkomenheid, volkomen is en indien het niet mag heeten,
waar geen iet als tegenstelling is.
Toen professor Leyden weder tot bezinning kwam was zijn eerste gedachte
dan ook aan het wezen der negatie gewijd. Tegenover het iet is het niet
te stellen, dacht hij, maar tegenover de gedachte waar-tegenover geen
andere is te stellen, het (niet)x, het absolute niet in abstractie,
geloof ik, met welmeenen van mijn collega’s, die het als zij het beter
weten, gerust mogen zeggen, te moeten beweren, te mogen herhalen, wat
eens een deurwaarder in het eerste jaar op mijn kast gekomen als
hoogste wijsheid der jurisprudentie uitsprak: Waar niet is, heeft de
keizer zijn recht verloren. Ik wist tot heden niet, dat zelfs een
jurist, philosofisch kan zijn en voor een enkele keer aan het sofisme,
de liefde kan toevoegen. Maar hoe dan ook, ik ben ledig geweest en ik
voel mij op dit oogenblik als in een aggregatie-toestand. Mocht ik nu
maar weder mijn angelus tutelaris naast mij weten, mijn agnomen uit
haar zoeten mond vernemen. Van haar zoeten mond gesproken, wat mij
thans het meest bekommert, is het vinden van de formule, waardoor ik
mijn collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe de sensatie van een kus
is in deze dimensie. Helaas, zal zij niet wederkeeren? Zal zij mij
verachten, zooals ik eens, lang geleden, het haar deed, daar ik nu,
naar heur beeldspraak, toch slechts nieuwe wijn, maar in een ouden zak
ben?
Een ding aarzel ik niet te constateeren. Daar ik ook hier, bij de
gedachte aan een kus opleef en bij de gedachte het vrouwelijke schoon
te moeten missen, verdriet gevoel is dus, als ik mij nuchter tegenover
de feiten stel, streng wetenschappelijk gesproken, ook in deze dimensie
lust en onlust. Maar het gevoel dier beide sensaties schijnt mij toe,
hier in elkaar te verglijden en ik leef op de grens dier
grensverflauwing. Evenwel, het is hier niet de extase der aarde, die
extase begin aller nieuwe creatie, doch er is hier een boven-extase of
positieve verrukking en daartusschen lijkt mijn huidige toestand van
wetenschappelijke bezonnenheid een aequinoctium.
Het was in dezen toestand, dat Eumenia den professor vond, in labiel
psychisch evenwicht. Zij legde haar hand weder op zijn hoofd, zooals
zij in een vroegere dimensie had gedaan, toen de professor in den tuin
van het ziekenhuis zijner kliniek bedroefd was neergezeten en zeide
zacht:
„Horatio?”
„Roept mij iemand?” vroeg prof. Leyden.
„Ja.... ik?”
„Wat is dat.... ik?”
„Kunt gij mij niet hooren?”
„Ja.... hooren doe ik.... maar het gehoorde, klinkt niet tot mij door.
Het is alsof geluiden uit de verte klinken, welke te vergeefs trachten
een verstaanbaren vorm aan te nemen.”
„Voelt gij mijn hand boven uw hoofd uitstralen?”
„Ik voel uitstraling boven mijn hoofd, maar het is of de uitstraling
niet in mij doorstraalt. Ik voel het als iets chaotisch,” dacht
professor Leyden.
„Ik ben Eumenia, uw angelus tutelaris,” zeide Eumenia.
Het was professor Leyden alsof hij iets hoorde tuten en achter dat
tuten, gelijk een waas van geluid, hoorde hij stemverwarringen.
„Waarschijnlijk,” dacht prof. Leyden, „geschiedt hier op ’t oogenblik
iets soortgelijks als mij vroeger wel eens gebeurde bij het
telefoneeren. Dan wist ik niet of ik het toestel de schuld moest geven
of aan de smadelijke gewoonte, juist jonge meisjes, de klapachtigste
menschensoort ter wereld, tot verlengstukken der spreektrompet te
maken, zijzelve spreektrompetten zonder rem. Waarschijnlijk spreekt
iemand tot mij en wil mij iets mededeelen. Maar daar er verschil in de
dimensies is, waarin wij leven, kunnen wij helaas elkaar verstaan noch
begrijpen, slechts vaag vermoeden, dat wij elkaar wat mede te deelen
hebben. Was het op de aarde niet vaak evenzoo, als ik de vorderingen
der wetenschap aan die van het eerste jaar trachtte duidelijk te maken?
En waren de stemmen van al de groote mannen, die hun tijd, dat wil
zeggen, hun dimensie, vooruit waren, voor hun z.g. „tijd”genooten niet
als die der roependen in den woestijn?”
Opeens hoorde nu professor Leyden duidelijk en helder „Horatio!”
zeggen. En een gevoel van welbehagen doorstroomde hem, als ontwaakte
hij na een gezonden, vasten slaap op een stralenden Mei-morgen, gewekt
door vogelgefluit.
„Eumenia!” antwoordde prof. Leyden verheugd.
„Mijn geliefde, hoe zeer heb ik geworsteld om tot u te geraken.
Verbeeld u, het lukte mij niet tot gelijke dimensie met u te komen,
omdat gij in labiel in stede van stabiel psychisch evenwicht
verkeerend, telkens tusschen dimensie en dimensie heen en weer
schommelde. Alleen gelijkgestemden kunnen elkaar verstaan.”
„Hoe klaar, hoe kristalhelder klinkt uw stem, Eumenia.”
„Straks zult gij ook alles zoo kristalhelder zien. Daar gij hier in een
hoogere dimensie leeft, zijn uw zintuigen sterkere recipiënten
geworden....”
„Ik zie.... ik zie.... ik zie u.... o stralende, liefelijke,
emanatie....” kreet de professor in verrukking.
„Ik ben dezelfde die ik was, geliefde. Alleenlijk gij hebt de kracht
verkregen meer van mij te omvatten. Op de aarde is het niet anders. Wat
gij ontwaart, zijt gij zelf. En aldus zult gij nooit tot meer erkenning
kunnen komen, dan er aan erkenning in u werd gebracht. En nu, kom mede.
Thans zal ik u leiden naar den toestand, die op aarde later omstreeks
het jaar 2000 zal zijn.”
En prof. Leyden, zelf zich als een lichtgevende substantie voelend, die
alles bezonnen, stralend en helder ontwaarde, schoot voort als een zich
vormend kristal achter Eumenia, die als een andere emanatie hem leidde.