Toen prof. Leyden, nadat het hem was geweest, alsof een hand zacht op
zijn schouder was gelegd, een hand welker aanraking troost en opbeuring
uitwademde, opkeek, ontwaarde hij een verschijning, welke hem van geluk
doorstroomde. Het was een soort geluk, dat in welke tijddimensie ook
voorkomend en voor te stellen door één rechte lijn, dan wel als een
verzameling van graphische curven, gelijk geregistreerd door een
automatische barometer op een dag in Maart, den eenzame in welken staat
hij zich ook moge bevinden, elke passieve seconde tot een actieve eeuw
schijnt te veranderen. De verschijning had den vorm van een jonge,
bovenaardsch schoone vrouw.
Zelfs professor Leyden vergat een oogenblik bewust en bezonnen
psycho-analytisch te werk te gaan. Doch spoedig met afkeer zich
ontrukkend aan deze leek-achtige zwakheid, constateerde hij, met een
genoegen, dat streng wetenschappelijk gerust boven het genoegen van het
beschouwen eener schoone jonge vrouw kan gesteld worden, dat hij niet
meer eenzaam was. Dat die eenzaamheid niet meer door een Egyptischen
god of door een gestalte, die er zich voor uitgaf, was verbroken, maar
door een jonge, schoone, bloeiende vrouw. Of zij zich daar óók wellicht
voor uitgaf, meende professor voorloopig niet voor de wetenschappelijke
zijde van zijn onderzoek, strikt noodig te hebben. Wat hem veel meer
interesseerde was, dat het ontwaren dezer liefelijke gestalte hem
herinnerde aan een soortgelijk gevoel, dat hij eens als eerste
jaars-student had ondervonden tijdens een uitvoering van Semper
Crescendo. Het was na die uitvoering, toen hij als geïnspireerd de
tweede fluitpartij had gespeeld, dat zijn dierbare moeder meende, dat
hij het recht had de eerste partij te spelen en bij hem, doch geheel
onafhankelijk van moeders meening, de eerste huwelijksplannen opkwamen.
En professor Leyden constateerde het feit, dat ook hier in deze sfeer,
het herinneren van voorvallen uit vroegere levens door schijnbare of
werkelijke coïncidenties, niet ongewoon scheen. Zooals het toen,
tijdens de uitvoering van Semper Crescendo, geweest was, alsof de lieve
blondine, die alleen oor had voor zijn tweede partij en oog voor hem,
die deze, niet onverdienstelijk, uitvoerde, hem niet vreemd was, maar
dat hij haar al had gekend en liefgehad van het eerste oogenblik, dat
hij bewust was geweest, ja in vele reeksen van vorige levens in andere
gedaantes, zichzelf voelend als een vlinder, een andere vlinder
dartelend volgend van bloem op bloem, want zeker heeft de mensch eens
een bestaan gevoerd, waarin zijn leven uit niets anders bestond dan
dartelen, in bloemengeur zich vermeien en honig slurpen, klapwiekende
postillon d’amour van Flora’s kleurig geslacht, zoo was het hem ook
thans, of hij deze verheven schoone gestalte, zooeven ontwaard, gekend
en liefgehad had, door alle tijden en eeuwen, in alle dimensies van
ruimte en tijd, vóór en na den zondvloed, hiervoormaals,
hierbovenmaals, hierbenedenmaals, en hiernamaals, kortom in alle
malende toestanden, tijden en wijzen.
Hoewel hij nu wel juichen kon van geluk, bleef hij toch bedenken wat
hij, juist thans, in dezen oogenblik, aan de eer van zijn faculteit
zoowel als aan de eer der liefelijke verschijning, schuldig was. Reeds
als student had hij altijd de bewondering en afgunst zijner
mede-studenten gaande gemaakt, door de gepaste wijze waarop hij jegens
jonge meisjes den der maagd toekomenden afstand, had weten te bewaren.
Hij had zelfs nooit geaarzeld, het verwijt, hem deswege door minder
voornaam aangelegden toegevoegd, dat hij wat schuchter en droog was,
waardig te dragen.
Streng wetenschappelijk te werk gaande, bevond hij dat een eenzaamheid,
verstoord door een tweezaamheid, voorgesteld dus als 1 : 2, deze
eenzaamheid ophief en als formule voorgesteld kon worden als
(1/2 + 1/2) - (1/2 + 1/2)
of om eventueele overijlde formuleering te voorkomen beter gesteld werd
als