IX.

Toen prof. Leyden, nadat het hem was geweest, alsof een hand zacht op

zijn schouder was gelegd, een hand welker aanraking troost en opbeuring

uitwademde, opkeek, ontwaarde hij een verschijning, welke hem van geluk

doorstroomde. Het was een soort geluk, dat in welke tijddimensie ook

voorkomend en voor te stellen door één rechte lijn, dan wel als een

verzameling van graphische curven, gelijk geregistreerd door een

automatische barometer op een dag in Maart, den eenzame in welken staat

hij zich ook moge bevinden, elke passieve seconde tot een actieve eeuw

schijnt te veranderen. De verschijning had den vorm van een jonge,

bovenaardsch schoone vrouw.

Zelfs professor Leyden vergat een oogenblik bewust en bezonnen

psycho-analytisch te werk te gaan. Doch spoedig met afkeer zich

ontrukkend aan deze leek-achtige zwakheid, constateerde hij, met een

genoegen, dat streng wetenschappelijk gerust boven het genoegen van het

beschouwen eener schoone jonge vrouw kan gesteld worden, dat hij niet

meer eenzaam was. Dat die eenzaamheid niet meer door een Egyptischen

god of door een gestalte, die er zich voor uitgaf, was verbroken, maar

door een jonge, schoone, bloeiende vrouw. Of zij zich daar óók wellicht

voor uitgaf, meende professor voorloopig niet voor de wetenschappelijke

zijde van zijn onderzoek, strikt noodig te hebben. Wat hem veel meer

interesseerde was, dat het ontwaren dezer liefelijke gestalte hem

herinnerde aan een soortgelijk gevoel, dat hij eens als eerste

jaars-student had ondervonden tijdens een uitvoering van Semper

Crescendo. Het was na die uitvoering, toen hij als geïnspireerd de

tweede fluitpartij had gespeeld, dat zijn dierbare moeder meende, dat

hij het recht had de eerste partij te spelen en bij hem, doch geheel

onafhankelijk van moeders meening, de eerste huwelijksplannen opkwamen.

En professor Leyden constateerde het feit, dat ook hier in deze sfeer,

het herinneren van voorvallen uit vroegere levens door schijnbare of

werkelijke coïncidenties, niet ongewoon scheen. Zooals het toen,

tijdens de uitvoering van Semper Crescendo, geweest was, alsof de lieve

blondine, die alleen oor had voor zijn tweede partij en oog voor hem,

die deze, niet onverdienstelijk, uitvoerde, hem niet vreemd was, maar

dat hij haar al had gekend en liefgehad van het eerste oogenblik, dat

hij bewust was geweest, ja in vele reeksen van vorige levens in andere

gedaantes, zichzelf voelend als een vlinder, een andere vlinder

dartelend volgend van bloem op bloem, want zeker heeft de mensch eens

een bestaan gevoerd, waarin zijn leven uit niets anders bestond dan

dartelen, in bloemengeur zich vermeien en honig slurpen, klapwiekende

postillon d’amour van Flora’s kleurig geslacht, zoo was het hem ook

thans, of hij deze verheven schoone gestalte, zooeven ontwaard, gekend

en liefgehad had, door alle tijden en eeuwen, in alle dimensies van

ruimte en tijd, vóór en na den zondvloed, hiervoormaals,

hierbovenmaals, hierbenedenmaals, en hiernamaals, kortom in alle

malende toestanden, tijden en wijzen.

Hoewel hij nu wel juichen kon van geluk, bleef hij toch bedenken wat

hij, juist thans, in dezen oogenblik, aan de eer van zijn faculteit

zoowel als aan de eer der liefelijke verschijning, schuldig was. Reeds

als student had hij altijd de bewondering en afgunst zijner

mede-studenten gaande gemaakt, door de gepaste wijze waarop hij jegens

jonge meisjes den der maagd toekomenden afstand, had weten te bewaren.

Hij had zelfs nooit geaarzeld, het verwijt, hem deswege door minder

voornaam aangelegden toegevoegd, dat hij wat schuchter en droog was,

waardig te dragen.

Streng wetenschappelijk te werk gaande, bevond hij dat een eenzaamheid,

verstoord door een tweezaamheid, voorgesteld dus als 1 : 2, deze

eenzaamheid ophief en als formule voorgesteld kon worden als

(1/2 + 1/2) - (1/2 + 1/2)

of om eventueele overijlde formuleering te voorkomen beter gesteld werd

als

Nieuw Utopia · 第 9 / 30 题