X/2 - X/2

Want de wetenschappelijk en universitair gevormde zal ten aanzien van

de verhouding eens eenzamen tot een schoone, lieftallige verschijning

tot geenerlei, den leek kenmerkende, overijlde voorstellingen zich

laten verleiden.

„Kent gij mij?” vroeg nu ook de liefelijke, jonge vrouw.

Ditmaal echter kon professor niet dadelijk antwoorden, zooals hij

Anubis gedaan had. Want geen der Leidsche musea gaf hem hier een

wetenschappelijken voorsprong, niet het Egyptisch museum met de

gezamenlijke goden en mummies; niet het museum voor natuurlijke

historie, ondanks al de opgezette of op sterk water bewaarde exemplaren

uit alle hemelstreken; niet het ethnographisch museum met de

gezamenlijke boeddhas, kwan-yins en neger-idolen. Was wellicht in de

Lakenhal een portret op haar gelijkend? Of in het prentenkabinet? Te

vergeefs snelde de professor in den geest al de musea van Leiden door

om de gelijke van deze lieftallige verschijning te vinden. Helaas, hier

kon zelfs de wetenschap, zij de anders altijd hulpvaardig uitkomst

brengende, hem niet helpen.... alles boden de Leidsche musea den

geduldigen vorscher aan, van amoebe tot het meesterlijk gepraepareerde

skelet eens Angel-Saksers—alleenlijk nog altijd had de universiteit

gedraald, een museum van liefelijke, schoone, jonge vrouwen voor

anthropologische, anthropometrische en vooral de hem thans zoo te stade

komende anthropomorphistische studiën, te stichten.

„Gij kent mij niet?” vroeg zij nogmaals. En in het geluid van haar

stem, in den hemelschen blik van haar aetherisch blauw oog, lag zooveel

smachtend vragen, dat het professor opeens te binnen schoot, wie zij

was.

„Ik ken u, ik herken u,” zeide hij vastberaden hoewel ontdaan. „Gij

waart het, die mij inspireerde, eens op dien avond van Semper

Crescendo, toen ik de tweede fluit speelde....”

„Die ben ik. Maar toch liet gij mij bij het bal als muurbloempje

zitten!”

„Ik meende, dat gij te hoog voor mij waart en te rein. Want ik was in

’t eerste jaar....”

„Gij bleeft voortaan niet altoos eerste jaars student. Gij begaaft u

met uw muziekgenooten naar de kroeg. Daar toasttet gij op „Slemp er

Crescendo” en gij had de driestheid, toen men u opmerkzaam maakte op

mijne stille bewondering voor uwe persoon, deswege te lachen, een glas

te doen vullen en den eerwaardigen spreuk der vaderen toepassend op de

liefde, het „saevis tranquillus in undis” tijdens het rumoer van de

kroegjool te vertalen door „Rustig te midden van de Bar.”

„Helaas, ik was zelf een baar!”

„En ik arme, was hopeloos op u verliefd. Gij verliet Leiden, zwierft in

den vreemde, vestigdet u te Leidschendam, werd velocipedist en fietste

als ’t ware het huwelijk in.”

„Ik heb er nooit spijt over behoeven te gevoelen.”

„Maar ik, het arme, verliefde maar niet aangekeken meisje, wachtte,

wachtte, verkwijnde en stierf kort nadat gij te Leiden u vestigdet....

Dat is het lot veler Leidsche jonge meisjes!”

„En ik, ik heb u altijd onthouden, altijd aan u gedacht als ik later

fluit speelde, ook eerste partij en en zelfs obligaten en solo’s. Gij

hebt als een ideale liefde geleefd achter de reëele liefde van mijn

huwelijksleven.... Dat is het lot veler Leidsche jonge mannen....”

„Dus hebt gij mij altijd bemind?”

„Zooals ik u thans nog bemin.”

„En ik u.”

„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk, heilig.”

„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk en heilig.... ook

ik.”

Toen gebeurde iets, dat professor Leyden, hoezeer het hem in dezen

oogenblik ook moeilijk viel, later aldus op streng wetenschappelijke

wijze in een duidelijke formule aan zijn op dit gebied zoo bevattelijke

mede-geleerden heeft kunnen duidelijk maken:

Nieuw Utopia · 第 10 / 30 题