Want de wetenschappelijk en universitair gevormde zal ten aanzien van
de verhouding eens eenzamen tot een schoone, lieftallige verschijning
tot geenerlei, den leek kenmerkende, overijlde voorstellingen zich
laten verleiden.
„Kent gij mij?” vroeg nu ook de liefelijke, jonge vrouw.
Ditmaal echter kon professor niet dadelijk antwoorden, zooals hij
Anubis gedaan had. Want geen der Leidsche musea gaf hem hier een
wetenschappelijken voorsprong, niet het Egyptisch museum met de
gezamenlijke goden en mummies; niet het museum voor natuurlijke
historie, ondanks al de opgezette of op sterk water bewaarde exemplaren
uit alle hemelstreken; niet het ethnographisch museum met de
gezamenlijke boeddhas, kwan-yins en neger-idolen. Was wellicht in de
Lakenhal een portret op haar gelijkend? Of in het prentenkabinet? Te
vergeefs snelde de professor in den geest al de musea van Leiden door
om de gelijke van deze lieftallige verschijning te vinden. Helaas, hier
kon zelfs de wetenschap, zij de anders altijd hulpvaardig uitkomst
brengende, hem niet helpen.... alles boden de Leidsche musea den
geduldigen vorscher aan, van amoebe tot het meesterlijk gepraepareerde
skelet eens Angel-Saksers—alleenlijk nog altijd had de universiteit
gedraald, een museum van liefelijke, schoone, jonge vrouwen voor
anthropologische, anthropometrische en vooral de hem thans zoo te stade
komende anthropomorphistische studiën, te stichten.
„Gij kent mij niet?” vroeg zij nogmaals. En in het geluid van haar
stem, in den hemelschen blik van haar aetherisch blauw oog, lag zooveel
smachtend vragen, dat het professor opeens te binnen schoot, wie zij
was.
„Ik ken u, ik herken u,” zeide hij vastberaden hoewel ontdaan. „Gij
waart het, die mij inspireerde, eens op dien avond van Semper
Crescendo, toen ik de tweede fluit speelde....”
„Die ben ik. Maar toch liet gij mij bij het bal als muurbloempje
zitten!”
„Ik meende, dat gij te hoog voor mij waart en te rein. Want ik was in
’t eerste jaar....”
„Gij bleeft voortaan niet altoos eerste jaars student. Gij begaaft u
met uw muziekgenooten naar de kroeg. Daar toasttet gij op „Slemp er
Crescendo” en gij had de driestheid, toen men u opmerkzaam maakte op
mijne stille bewondering voor uwe persoon, deswege te lachen, een glas
te doen vullen en den eerwaardigen spreuk der vaderen toepassend op de
liefde, het „saevis tranquillus in undis” tijdens het rumoer van de
kroegjool te vertalen door „Rustig te midden van de Bar.”
„Helaas, ik was zelf een baar!”
„En ik arme, was hopeloos op u verliefd. Gij verliet Leiden, zwierft in
den vreemde, vestigdet u te Leidschendam, werd velocipedist en fietste
als ’t ware het huwelijk in.”
„Ik heb er nooit spijt over behoeven te gevoelen.”
„Maar ik, het arme, verliefde maar niet aangekeken meisje, wachtte,
wachtte, verkwijnde en stierf kort nadat gij te Leiden u vestigdet....
Dat is het lot veler Leidsche jonge meisjes!”
„En ik, ik heb u altijd onthouden, altijd aan u gedacht als ik later
fluit speelde, ook eerste partij en en zelfs obligaten en solo’s. Gij
hebt als een ideale liefde geleefd achter de reëele liefde van mijn
huwelijksleven.... Dat is het lot veler Leidsche jonge mannen....”
„Dus hebt gij mij altijd bemind?”
„Zooals ik u thans nog bemin.”
„En ik u.”
„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk, heilig.”
„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk en heilig.... ook
ik.”
Toen gebeurde iets, dat professor Leyden, hoezeer het hem in dezen
oogenblik ook moeilijk viel, later aldus op streng wetenschappelijke
wijze in een duidelijke formule aan zijn op dit gebied zoo bevattelijke
mede-geleerden heeft kunnen duidelijk maken: