Het gevoel van drukking was nu opeens veranderd in het gevoel van
ontspanning.
Prof. Leyden aarzelde niet, te constateeren, dat hij iets ondervond,
dat de zaligheid eener extase nabij kwam. En thans werd dezen
uitnemenden geest, dit sieraad der beste faculteit der beste
universiteit, een nog grootere beproeving opgelegd. Was prof. Leyden
toen hij meende in een vicieusen cirkel voor eeuwig te worden
rondgeslingerd, reeds er toe geneigd geweest, in uiterste benauwenis
afstand te doen van zijn bezinning en zoo te komen in het werkelijke
doodenrijk, thans was het gevoel van steeds grootere ontspanning voor
hem van zulk een schier bedwelmende zaligheid, dat hij er toe neigde,
zich er duurzaam aan over te geven. Een niet te uiten geluksgevoel
doorstroomde hem, toen hij zich steeds meer voelde uitbreiden, alsof
hij ten laatste het geheele wereldruim zou vervullen.
Zietdaar, dacht prof. Leyden, dus de werkelijkheid van wat de
theologische faculteit meer speculatief dan empirisch leeraarde.... de
zaligheid. Zietdaar dan de vervulling van hetgeen alle menschen, van
den bedelaar die een hond regeert, tot Alexander de Groote, Napoleon en
den Groot-Admiraal der beide oceanen in spe, hebben nagestreefd....
heerschappij. Maar wat is het wezen dier heerschappij? Machtswellust.
Of de bedelaar zijn trouwen hond schopt of de Groot-Admiraal in spe, de
Sorbonne met luchtbommen belaagt, het is altijd weder die zelfde, het
ware weten verduisterende, sensualiteit. Zou ik dan, een professor van
de Leidsche universiteit, als de meest ongevormde leek, voortgaan mijn
faculteit te onteeren, door op onwetenschappelijke wijze mij over te
geven aan de wulpsche, hoewel anti-universitaire zaligheid dezer
universeele extase? Dat zou zijn spelen in de kaart dier uitbroedsels
eener terecht door ons medici met animositeit beschouwde juridische
faculteit, welke mij voor mijn tijdelijk verscheiden, met de wreede
paragraaf eener als naar gewoonte door vormelijke motieven ingegeven
wet, wilde dwingen op zeventigjarigen leeftijd rust te nemen, terwijl
ik juist begon te begrijpen wat de stervende Ho-Ku-Sai, nadat hij
tachtig jaar onverzwakt geteekend had, (gelijk als zijn vaderen en
voorvaderen), meende toen hij zeide: „Hoe jammer. Ik begon juist iets
van mijn ambacht te gaan leeren.” Als een Ho-Ku-Sai der medische
wetenschap, ving ik precies aan, iets van de operatieve behandeling en
de narcose te begrijpen, toen de atavisten van de juridische faculteit
mij wilden belemmeren, laat ik bescheiden zeggen, het tweede honderd
duizend behandelde patiënten, vol te maken. Wat hebben die daaraan nog
ontbrekende patiënten er aan, als ik op een pensioen vegeteer?
Aldus overleggend, vond prof. Leyden de macht zich te ontrukken aan wat
hij niet geaarzeld zou hebben, de vergissing der theologische faculteit
te noemen, indien hij zich niet aan den gulden regel van Leiden had
wenschen te houden, niet op elkaars gebied te grasduinen.
Zoo dan had hij de kracht, in het belang der wetenschap, zijn expansie
bewust en bezonnen tegen te streven, boven de gelukzaligheid der
sensueele machtsuitbreiding, dat is machtswellust, stellend de kuische
deugd der ingetogenheid, deugd bij uitstek gekweekt in zijn
echt-Nederlandsch geslacht, door de vrouwen zoowel als de mannen, die
na de zeventiende eeuw voor alle volgende eeuwen genoeg hadden van
praalhanzerij, opsnijderij, bluf, humbug, renommiren en iets anders te
willen zijn dan de mannen in eenvoud waarachtig, de vrouwen in liefde
bloeiende.
Aldus dan zegevierde de Nederlandsche beschaving en symbolisch voor de
soberheid van den Leidschen geest, den eenvoud van de Leidsche
universiteit, die geen belooning is geweest voor schransen maar voor
zich ontzeggen, zei professor Leyden, toen hij zijn wulpsche
uitbreiding tot staan had weten te brengen:
Haring en brood,
Leyden uit nood.
En een nieuwe sensatie, maar welke hij bewuster en dus met genot van
hoogeren aard besefte, ervoer de professor, toen hij zijn alomvattende
expansie terug bracht tot een doordringen in de kernen. Het gevoel van
angst, ontstaan door de concentratie en het gevoel van zaligheid,
ontstaan door de expansie begon nu harmonisch zich op te lossen in een
gevoel van bewust begrijpen en omvatten. Het was hem in deze
oogenblikken, alsof hij bezig was aan de oplossing van een moeielijk
probleem, waarvan hij de einduitkomst reeds in een ver verschiet
voelde, maar welke hij niet wenschte te bereiken langs den
verfoeielijken weg der fantaisie, die redplank van alle half-geleerden
en auto-didacten (zij meer onuitstaanbaar voor den echt
wetenschappelijk academisch gevormde dan zelfs de leek) maar langs den
weg der subtiele, harmonisch tot het einddoel leidende, logisch zich
ontwikkelende berekening.
En hoe gelukkig, kuisch-gelukkig, ingetogen-gelukkig, bezonnen
gelukkig, was prof. Leyden, toen hij de expansie steeds meer intoomend,
betoomend door de strenge linieën van het analytisch empirisch
onderzoek, ontwaarde, dat hij langzaam aan weer kwam tot het besef van
tijd en daarmede tot het besef van normen.
Maar het lukte prof. Leyden niet, tot het zuivere besef van den tijd te
komen. Hij veelde de levensmomenten ongelijk en ongelijk verdeeld. Het
scheen hem nu toe, dat het besef van smart korter duurde, dan het besef
van geluk en dan weder, dat het besef van smart onevenredig lang duurde
ten aanzien van het besef van geluk.
Hij voelde, dat hij in een sfeer verkeerde, waar de tijdsdimensiën
chaotisch dooreen warrelden. En naarmate hij zichzelf concentreerde,
ervoer hij met schrik, dat hij te meer moeite kreeg om het evenwicht
van zijn bezinning te bewaren. Indien het mij maar lukt, de curven van
dezen toestand, voldoende te memoriseeren om later mijn collega’s een
graphische voorstelling te verschaffen, welke plastisch de overgangen
van de verschillende tijdsdimensies en haar invloeden op de gevoelens
van lust en onlust demonstreert. Het zal ons later helpen de lijdende
menschheid te troosten, daar het haar dan bewust kan gemaakt worden,
dat de pijn opzichzelf slechts inzooverre bestaat als zij gelegenheid
heeft zich in tijdsduur om te zetten en zoo zich te bestendigen. Want
wat is narcose ten slotte anders dan het besef van tijd, tijdelijk
verdrijven?
Tijdelijk?
Professor Leyden dacht diep bedroefd over dat woord tijdelijk na. Was
zijn narcose inderdaad slechts een tijdelijke verdooving van
tijdsbesef....?
Of zou hem dit tijdelijke, eeuwig worden?
En in een tijdsdimensie, waarin de actieve subjectieve seconde van het
aardsche leven overging in de passieve objectieve seconde van de vierde
dimensie, verzonk professor Leyden in een toestand welke tot een
tijdlooze, oneindige smart werd.
Want hij concentreerde tot hooger leven—wat niet anders dan door smart
mogelijk is.