VIII.

Het gevoel van drukking was nu opeens veranderd in het gevoel van

ontspanning.

Prof. Leyden aarzelde niet, te constateeren, dat hij iets ondervond,

dat de zaligheid eener extase nabij kwam. En thans werd dezen

uitnemenden geest, dit sieraad der beste faculteit der beste

universiteit, een nog grootere beproeving opgelegd. Was prof. Leyden

toen hij meende in een vicieusen cirkel voor eeuwig te worden

rondgeslingerd, reeds er toe geneigd geweest, in uiterste benauwenis

afstand te doen van zijn bezinning en zoo te komen in het werkelijke

doodenrijk, thans was het gevoel van steeds grootere ontspanning voor

hem van zulk een schier bedwelmende zaligheid, dat hij er toe neigde,

zich er duurzaam aan over te geven. Een niet te uiten geluksgevoel

doorstroomde hem, toen hij zich steeds meer voelde uitbreiden, alsof

hij ten laatste het geheele wereldruim zou vervullen.

Zietdaar, dacht prof. Leyden, dus de werkelijkheid van wat de

theologische faculteit meer speculatief dan empirisch leeraarde.... de

zaligheid. Zietdaar dan de vervulling van hetgeen alle menschen, van

den bedelaar die een hond regeert, tot Alexander de Groote, Napoleon en

den Groot-Admiraal der beide oceanen in spe, hebben nagestreefd....

heerschappij. Maar wat is het wezen dier heerschappij? Machtswellust.

Of de bedelaar zijn trouwen hond schopt of de Groot-Admiraal in spe, de

Sorbonne met luchtbommen belaagt, het is altijd weder die zelfde, het

ware weten verduisterende, sensualiteit. Zou ik dan, een professor van

de Leidsche universiteit, als de meest ongevormde leek, voortgaan mijn

faculteit te onteeren, door op onwetenschappelijke wijze mij over te

geven aan de wulpsche, hoewel anti-universitaire zaligheid dezer

universeele extase? Dat zou zijn spelen in de kaart dier uitbroedsels

eener terecht door ons medici met animositeit beschouwde juridische

faculteit, welke mij voor mijn tijdelijk verscheiden, met de wreede

paragraaf eener als naar gewoonte door vormelijke motieven ingegeven

wet, wilde dwingen op zeventigjarigen leeftijd rust te nemen, terwijl

ik juist begon te begrijpen wat de stervende Ho-Ku-Sai, nadat hij

tachtig jaar onverzwakt geteekend had, (gelijk als zijn vaderen en

voorvaderen), meende toen hij zeide: „Hoe jammer. Ik begon juist iets

van mijn ambacht te gaan leeren.” Als een Ho-Ku-Sai der medische

wetenschap, ving ik precies aan, iets van de operatieve behandeling en

de narcose te begrijpen, toen de atavisten van de juridische faculteit

mij wilden belemmeren, laat ik bescheiden zeggen, het tweede honderd

duizend behandelde patiënten, vol te maken. Wat hebben die daaraan nog

ontbrekende patiënten er aan, als ik op een pensioen vegeteer?

Aldus overleggend, vond prof. Leyden de macht zich te ontrukken aan wat

hij niet geaarzeld zou hebben, de vergissing der theologische faculteit

te noemen, indien hij zich niet aan den gulden regel van Leiden had

wenschen te houden, niet op elkaars gebied te grasduinen.

Zoo dan had hij de kracht, in het belang der wetenschap, zijn expansie

bewust en bezonnen tegen te streven, boven de gelukzaligheid der

sensueele machtsuitbreiding, dat is machtswellust, stellend de kuische

deugd der ingetogenheid, deugd bij uitstek gekweekt in zijn

echt-Nederlandsch geslacht, door de vrouwen zoowel als de mannen, die

na de zeventiende eeuw voor alle volgende eeuwen genoeg hadden van

praalhanzerij, opsnijderij, bluf, humbug, renommiren en iets anders te

willen zijn dan de mannen in eenvoud waarachtig, de vrouwen in liefde

bloeiende.

Aldus dan zegevierde de Nederlandsche beschaving en symbolisch voor de

soberheid van den Leidschen geest, den eenvoud van de Leidsche

universiteit, die geen belooning is geweest voor schransen maar voor

zich ontzeggen, zei professor Leyden, toen hij zijn wulpsche

uitbreiding tot staan had weten te brengen:

Haring en brood,

Leyden uit nood.

En een nieuwe sensatie, maar welke hij bewuster en dus met genot van

hoogeren aard besefte, ervoer de professor, toen hij zijn alomvattende

expansie terug bracht tot een doordringen in de kernen. Het gevoel van

angst, ontstaan door de concentratie en het gevoel van zaligheid,

ontstaan door de expansie begon nu harmonisch zich op te lossen in een

gevoel van bewust begrijpen en omvatten. Het was hem in deze

oogenblikken, alsof hij bezig was aan de oplossing van een moeielijk

probleem, waarvan hij de einduitkomst reeds in een ver verschiet

voelde, maar welke hij niet wenschte te bereiken langs den

verfoeielijken weg der fantaisie, die redplank van alle half-geleerden

en auto-didacten (zij meer onuitstaanbaar voor den echt

wetenschappelijk academisch gevormde dan zelfs de leek) maar langs den

weg der subtiele, harmonisch tot het einddoel leidende, logisch zich

ontwikkelende berekening.

En hoe gelukkig, kuisch-gelukkig, ingetogen-gelukkig, bezonnen

gelukkig, was prof. Leyden, toen hij de expansie steeds meer intoomend,

betoomend door de strenge linieën van het analytisch empirisch

onderzoek, ontwaarde, dat hij langzaam aan weer kwam tot het besef van

tijd en daarmede tot het besef van normen.

Maar het lukte prof. Leyden niet, tot het zuivere besef van den tijd te

komen. Hij veelde de levensmomenten ongelijk en ongelijk verdeeld. Het

scheen hem nu toe, dat het besef van smart korter duurde, dan het besef

van geluk en dan weder, dat het besef van smart onevenredig lang duurde

ten aanzien van het besef van geluk.

Hij voelde, dat hij in een sfeer verkeerde, waar de tijdsdimensiën

chaotisch dooreen warrelden. En naarmate hij zichzelf concentreerde,

ervoer hij met schrik, dat hij te meer moeite kreeg om het evenwicht

van zijn bezinning te bewaren. Indien het mij maar lukt, de curven van

dezen toestand, voldoende te memoriseeren om later mijn collega’s een

graphische voorstelling te verschaffen, welke plastisch de overgangen

van de verschillende tijdsdimensies en haar invloeden op de gevoelens

van lust en onlust demonstreert. Het zal ons later helpen de lijdende

menschheid te troosten, daar het haar dan bewust kan gemaakt worden,

dat de pijn opzichzelf slechts inzooverre bestaat als zij gelegenheid

heeft zich in tijdsduur om te zetten en zoo zich te bestendigen. Want

wat is narcose ten slotte anders dan het besef van tijd, tijdelijk

verdrijven?

Tijdelijk?

Professor Leyden dacht diep bedroefd over dat woord tijdelijk na. Was

zijn narcose inderdaad slechts een tijdelijke verdooving van

tijdsbesef....?

Of zou hem dit tijdelijke, eeuwig worden?

En in een tijdsdimensie, waarin de actieve subjectieve seconde van het

aardsche leven overging in de passieve objectieve seconde van de vierde

dimensie, verzonk professor Leyden in een toestand welke tot een

tijdlooze, oneindige smart werd.

Want hij concentreerde tot hooger leven—wat niet anders dan door smart

mogelijk is.

Nieuw Utopia · 第 8 / 30 题