Wat den professor thans overkwam, zou waarlijk iemand die nog minder
theophoob was aangelegd, kunnen doen ontzetten. Want, o opperste
marteling een Leidschen professor aangedaan, professor Leyden was het
alsof hij zijn bewuste bezinning verloor. Hij voelde zich vallen in een
onmetelijke ruimte, zonder de macht te bezitten, nuchter
wetenschappelijk boven en tegenover het geval te staan. Alleen had
professor de tegenwoordigheid van geest zichzelf te zeggen, als ik
thans niet zorg analytisch te observeeren, zal ik straks terugkeerend,
niet anders dan de meest ongevormde leek tegenover de wetenschappelijke
wereld staan, welke van mij een verslag eischt omtrent het wezen en de
verschijnselen der narcose. En dit te bedenken veroorzaakte bij
professor zulk een ontzetting, dat hij daardoor over den schrik van het
in de peillooze diepte wegvallen, heenkwam. „Dit vallen” begon hij nu
te ontleden, „is opzichzelf beschouwd niet gelijk wel aangenomen werd,
een zich verliezen in de ruimte, dus een passief verschijnsel, maar het
kan ook zijn het doen verliezen van de ruimte in zichzelf, een actief
verschijnsel. Daar het mij aanvankelijk verschrikt heeft, kan het niet
tijdeloos zijn, ten minste niet volkomen tijdeloos, daar het dan immers
geen lust of onlust, deze sensaties door tijd veroorzaakt, zou kunnen
verwekken. Ten hoogste kan het anders dimensionaal zijn, een toestand
van meer of minder dimensies. Dit vallen, dat mij aanvankelijk
eindeloos scheen, maar waaraan ik nu weet, dat een einde zal moeten
komen, wijl het reeds begon te eindigen, toen ik er bewust van werd er
door te verschrikken, is waarschijnlijk een overgang naar een toestand
van meer dimensies. Doch dit wensch ik geenszins als een feit vast te
stellen, zoolang het niet proefondervindelijk bewezen is. Mij spijt het
op dit oogenblik dat ik, zonder stoffelijk lichaam beroofd van het
middel om hier normen te stellen, geenerlei observaties kan maken ten
aanzien van de snelheid van mijn vallen noch eenige berekening kan doen
omtrent de wijze waarop mijn snelheid toeneemt en het parallelogram der
krachten kan vaststellen. Door een eenvoudige formule ware dan, evenals
b.v. bij een vallende ster, uit te drukken, hoe snel mijn val is en hoe
lang hij reeds geduurd heeft en van welken aard de
wrijvingscoëfficiënten zijn.”
Maar opeens verschrok de professor zoo, dat hij het verder vasthouden
zijner bezinning schier als hopeloos beschouwde en alleen het besef,
dat hij tot de Leidsche universiteit behoorde, hield hem nog vast aan
aardsche dingen.
Professor Leyden ontwaarde, dat hij niet zooals hij meende in de ruimte
viel, maar dat hij viel in een cirkel, aan de polen eenigszins
afgeplat. Hij wist niet of de cirkel waarin hij zich vallende bewoog,
rechtstandig of vlak was geplaatst, daar hem voorloopig de normen om
dit na te gaan ontbraken.
„Indien ik,” zeide professor Leyden tot zichzelf, „in dezen vicieusen
cirkel blijvend wordt rondgeslingerd, dan adieu wereld van weten. Zou
het dan toch waar zijn, dat bol en ellips slechts caricaturen zijn,
ironie van hoogere machten en zou ons bolvormig oog, voor ons het
middel tot ontwaring, waarop wij menschen altijd zoo trotsch zijn
geweest, ons zijn gegeven, zooals men een aap een microscoop zou
schenken. Nu besef ik, waarom het cubisme in de schilderkunst zulk een
groote vooruitgang is geweest en het de brug naar het meer dimensionaal
ervaren in de toekomst is. Want al wat bolvormig wordt gezien, is van
sensueele gedaante en zoomin als werkelijke kunst, is werkelijk weten
bereikbaar, zoolang onze sensualiteit alle verhoudingen vervalscht.
„Helaas, ik begin te zwijmelen. Ik begin te ervaren, dat ik niet heel
lang meer in dezen cirkel zal rondgewenteld kunnen worden en mijn
bezinning behouden. Arm Leiden. Zult gij zoo dan uw zoon, die zich uwer
niet geheel onwaardig hoopte te toonen, door u iets werkelijk
wetenschappelijks, iets omtrent het werkelijke weten te brengen, moeten
verliezen, zinloos rondgeslingerd als hij thans wordt, gelijk een
ontwortelde boom in een draaikolk....
„Evenwel, dum spiro, spero. Maar haal ik adem? Mij is het alsof ik van
het ademhalen alleen de rhythmische bewegingen heb behouden. Om het
even, niet het volume maar de lijn, de curve, is voor mij van belang.
En ziet aan, ik bemerk dat er in de beweging van mijn schijnbaren
circulum viciosum een zeker rhythme is op te merken. Passen wij ons aan
aan het rhythme, dat is het geheim van het levensbewegen. Wat ervaar ik
thans? Mijn cirkel beweegt zich niet verticaal of horizontaal, zooals
ik meende, maar beschrijft draaiend om een as, tevens een bolvorm. Dus
is het een cirkel draaiend om zijn middelpunt en tegelijkertijd om zijn
as. In welke verhouding staat beider snelheid tot elkaar? Ik zal toch
later niet als de leek, zonder formules, voor mijn collega’s moeten
verschijnen! Dit zou voor mij, als professor te véél zijn.... dan
liever bezwijm ik voorgoed.... En helaas, altijd nog die bolvorm. Ware
het slechts een ellips. Want de ellips is het begin van elke
verrijzenis uit de zinnelijkheid van de in zichzelf besloten cirkel en
bolvorm. De ellips, zich verlengend, zal ten slotte vormen twee bijna
rechte lijnen. De kracht dezer bijna rechte lijnen, welke de neiging
hebben haar krommingen steeds te verminderen, zal ten slotte de
geboogde koppelingen der beide eindpunten verbreken en ziedaar de
herschepping. Geef mij slechts lijnen en ik zal alle vormen kunnen
uitdrukken en beheerschen.”
Doch in stede, dat de cirkelzwaai van professor Leyden naar een zich
elliptisch verwijden neigde, merkte de professor, dat hij zich tot een
kern verdichtte. Dit verdichten gaf hem eerst een gevoel van
bedrukking, daarna van benauwdheid, toen van verstikking en vervolgens
van een uiterste concentratie, waarna hij opeens in zich een spankracht
gevoelde, die hem leek overeen te komen zoowel met die van het geladen
electron als van de geladen Leidsche flesch....
Er moest plotseling iets gebeurd zijn buiten den vicieusen cirkel,
welke deze tot ontspanning bracht. Want het gevoel van den valzwaai,
welke zich tot een kern concentreerde, veranderde opeens in iets als
een ontlading.
Een positieve pool was tot een negatieve pool gebracht.
De Leidsche flesch, die prof. Leyden vormde, was ontladen.