VII.

Wat den professor thans overkwam, zou waarlijk iemand die nog minder

theophoob was aangelegd, kunnen doen ontzetten. Want, o opperste

marteling een Leidschen professor aangedaan, professor Leyden was het

alsof hij zijn bewuste bezinning verloor. Hij voelde zich vallen in een

onmetelijke ruimte, zonder de macht te bezitten, nuchter

wetenschappelijk boven en tegenover het geval te staan. Alleen had

professor de tegenwoordigheid van geest zichzelf te zeggen, als ik

thans niet zorg analytisch te observeeren, zal ik straks terugkeerend,

niet anders dan de meest ongevormde leek tegenover de wetenschappelijke

wereld staan, welke van mij een verslag eischt omtrent het wezen en de

verschijnselen der narcose. En dit te bedenken veroorzaakte bij

professor zulk een ontzetting, dat hij daardoor over den schrik van het

in de peillooze diepte wegvallen, heenkwam. „Dit vallen” begon hij nu

te ontleden, „is opzichzelf beschouwd niet gelijk wel aangenomen werd,

een zich verliezen in de ruimte, dus een passief verschijnsel, maar het

kan ook zijn het doen verliezen van de ruimte in zichzelf, een actief

verschijnsel. Daar het mij aanvankelijk verschrikt heeft, kan het niet

tijdeloos zijn, ten minste niet volkomen tijdeloos, daar het dan immers

geen lust of onlust, deze sensaties door tijd veroorzaakt, zou kunnen

verwekken. Ten hoogste kan het anders dimensionaal zijn, een toestand

van meer of minder dimensies. Dit vallen, dat mij aanvankelijk

eindeloos scheen, maar waaraan ik nu weet, dat een einde zal moeten

komen, wijl het reeds begon te eindigen, toen ik er bewust van werd er

door te verschrikken, is waarschijnlijk een overgang naar een toestand

van meer dimensies. Doch dit wensch ik geenszins als een feit vast te

stellen, zoolang het niet proefondervindelijk bewezen is. Mij spijt het

op dit oogenblik dat ik, zonder stoffelijk lichaam beroofd van het

middel om hier normen te stellen, geenerlei observaties kan maken ten

aanzien van de snelheid van mijn vallen noch eenige berekening kan doen

omtrent de wijze waarop mijn snelheid toeneemt en het parallelogram der

krachten kan vaststellen. Door een eenvoudige formule ware dan, evenals

b.v. bij een vallende ster, uit te drukken, hoe snel mijn val is en hoe

lang hij reeds geduurd heeft en van welken aard de

wrijvingscoëfficiënten zijn.”

Maar opeens verschrok de professor zoo, dat hij het verder vasthouden

zijner bezinning schier als hopeloos beschouwde en alleen het besef,

dat hij tot de Leidsche universiteit behoorde, hield hem nog vast aan

aardsche dingen.

Professor Leyden ontwaarde, dat hij niet zooals hij meende in de ruimte

viel, maar dat hij viel in een cirkel, aan de polen eenigszins

afgeplat. Hij wist niet of de cirkel waarin hij zich vallende bewoog,

rechtstandig of vlak was geplaatst, daar hem voorloopig de normen om

dit na te gaan ontbraken.

„Indien ik,” zeide professor Leyden tot zichzelf, „in dezen vicieusen

cirkel blijvend wordt rondgeslingerd, dan adieu wereld van weten. Zou

het dan toch waar zijn, dat bol en ellips slechts caricaturen zijn,

ironie van hoogere machten en zou ons bolvormig oog, voor ons het

middel tot ontwaring, waarop wij menschen altijd zoo trotsch zijn

geweest, ons zijn gegeven, zooals men een aap een microscoop zou

schenken. Nu besef ik, waarom het cubisme in de schilderkunst zulk een

groote vooruitgang is geweest en het de brug naar het meer dimensionaal

ervaren in de toekomst is. Want al wat bolvormig wordt gezien, is van

sensueele gedaante en zoomin als werkelijke kunst, is werkelijk weten

bereikbaar, zoolang onze sensualiteit alle verhoudingen vervalscht.

„Helaas, ik begin te zwijmelen. Ik begin te ervaren, dat ik niet heel

lang meer in dezen cirkel zal rondgewenteld kunnen worden en mijn

bezinning behouden. Arm Leiden. Zult gij zoo dan uw zoon, die zich uwer

niet geheel onwaardig hoopte te toonen, door u iets werkelijk

wetenschappelijks, iets omtrent het werkelijke weten te brengen, moeten

verliezen, zinloos rondgeslingerd als hij thans wordt, gelijk een

ontwortelde boom in een draaikolk....

„Evenwel, dum spiro, spero. Maar haal ik adem? Mij is het alsof ik van

het ademhalen alleen de rhythmische bewegingen heb behouden. Om het

even, niet het volume maar de lijn, de curve, is voor mij van belang.

En ziet aan, ik bemerk dat er in de beweging van mijn schijnbaren

circulum viciosum een zeker rhythme is op te merken. Passen wij ons aan

aan het rhythme, dat is het geheim van het levensbewegen. Wat ervaar ik

thans? Mijn cirkel beweegt zich niet verticaal of horizontaal, zooals

ik meende, maar beschrijft draaiend om een as, tevens een bolvorm. Dus

is het een cirkel draaiend om zijn middelpunt en tegelijkertijd om zijn

as. In welke verhouding staat beider snelheid tot elkaar? Ik zal toch

later niet als de leek, zonder formules, voor mijn collega’s moeten

verschijnen! Dit zou voor mij, als professor te véél zijn.... dan

liever bezwijm ik voorgoed.... En helaas, altijd nog die bolvorm. Ware

het slechts een ellips. Want de ellips is het begin van elke

verrijzenis uit de zinnelijkheid van de in zichzelf besloten cirkel en

bolvorm. De ellips, zich verlengend, zal ten slotte vormen twee bijna

rechte lijnen. De kracht dezer bijna rechte lijnen, welke de neiging

hebben haar krommingen steeds te verminderen, zal ten slotte de

geboogde koppelingen der beide eindpunten verbreken en ziedaar de

herschepping. Geef mij slechts lijnen en ik zal alle vormen kunnen

uitdrukken en beheerschen.”

Doch in stede, dat de cirkelzwaai van professor Leyden naar een zich

elliptisch verwijden neigde, merkte de professor, dat hij zich tot een

kern verdichtte. Dit verdichten gaf hem eerst een gevoel van

bedrukking, daarna van benauwdheid, toen van verstikking en vervolgens

van een uiterste concentratie, waarna hij opeens in zich een spankracht

gevoelde, die hem leek overeen te komen zoowel met die van het geladen

electron als van de geladen Leidsche flesch....

Er moest plotseling iets gebeurd zijn buiten den vicieusen cirkel,

welke deze tot ontspanning bracht. Want het gevoel van den valzwaai,

welke zich tot een kern concentreerde, veranderde opeens in iets als

een ontlading.

Een positieve pool was tot een negatieve pool gebracht.

De Leidsche flesch, die prof. Leyden vormde, was ontladen.

Nieuw Utopia · 第 7 / 30 题