VI.

Tegen den avond ontwaakte prof. Leyden uit zijn geluksroes. Hij

ontwaakte op dezelfde wijze als hij vroeger des morgens ontwaakt was,

als hij zich den avond te voren voorgenomen had, wat vroeger dan

gewoonlijk wakker te worden ten einde zich, vóór zijn studiën

aanvingen, een weinig aan de muziek te wijden. Want prof. Leyden

bespeelde de dwarsfluit en hij had het op dit, helaas ten onrechte in

deze tijden verguisde instrument, dat in de achttiende eeuw, bij den

deftigen stand de viool verving, ver gebracht. Zelfs had hij een tijd

lang als student, de tweede en de eerste fluitpartijen gespeeld in het

studenten-muziekgezelschap „Semper Crescendo” en hij had dit slechts

gestaakt, toen dit gezelschap en helaas niet ten onrechte, den

treurigen bijnaam van „Slemp er Crescendo” had verworven.

Dus ook hier, dacht de professor, een wisseling van droom en

werkelijkheid, al zijn die droom en werkelijkheid nu voor te stellen

als een droom en werkelijkheid in de tweede macht. Of is het niet beter

te zeggen (droom en werkelijkheid)x, daar toch het vorige bestaan weder

een droom en werkelijkheid in een hoogere macht was ten aanzien van een

voorvorig bestaan? Laat ons dus tijd en ervaringen niet vooruitloopen.

Ik heb daar bij het wetenschappelijk onderzoek nooit anders dan

dwalingen uit zien voortspruiten al wezen zelfs die dwalingen, zooals

na de verkeerde toepassing van Koch’s tuberculine, een weg. Vast staat,

dat mijn onderbewustheid van thans weder een andere onderbewustheid

kent en dus mijn huidige onderbewustheid, zoo ook onderbewustheid ten

aanzien van het vorige bestaan, bewustheid mag genoemd worden ten

aanzien van mijn tegenwoordigen toestand. Ziedaar mij tegen den avond

ontwaakt op het juiste oogenblik, hoewel ik nu niet, zooals in mijn

studententijd, verlangend was om in den vroegen morgen de

vingeroefeningen van Drouet op mijn Boehmfluit in te studeeren, maar om

mij nogmaals goed rekenschap te geven van mijn nieuw verworven

eigenschap, in het donker evengoed te kunnen zien als in het licht,

alleenlijk nu alles in een goudkleurig licht ziende.

De professor keek rond in den tuin. Hij ervoer tot zijn genoegen, dat

hij thans nog veel beter dan gisternacht, alles kon opmerken, hoewel de

lichten achter de vensters hem zekerheid gaven, dat het voor zijn

collega’s en de zusters goed donker moest zijn. Ook hier dus is een

zekere ervaring noodig en wellicht zal in de toekomst ook het

goudbruine schijnsel lichter of blauwachtiger worden. Hoe zou Rembrandt

genoten hebben, als hij thans, zooals ik, dezen tuin had mogen

beschouwen. Of heeft hij wellicht altijd op deze wijze de wereld

aanschouwd en bestaat het voor den gewonen mensch, magische van het

schilderij van Rembrandt slechts door het feit, dat Rembrandt bij zijn

leven reeds als visionair niet alleen de ziel, maar ook het licht

mijner huidige levensfeer zag en dat voor hem dus de werkelijkheid was?

Hoe dwaas van den mensch om te vreezen, voor hetgeen na zijn aardsch

leven komt. Wat hij vreest, is ten slotte alleen zichzelf en de

duisternis van zijn eigen ziel verplaatsend in mijn huidige

levenssfeer, niet geheel ten onrechte door hem als het schimmenrijk

vermoed, hoewel ik mij thans even weinig schim voel als wie ook ter

wereld en ware het Falstaff zelf!, is hij levenslang in vreezen en

beven voor iets, dat hij in denzelfden oogenblik van zich werpt, als

hij besluit deugdzaam te zijn.

Maar toch besef ik nu, waarom de mensch, wat hij den dood noemt, vreest

en de velen, die zich tot mij wendden om zooal niet dien dood voor goed

te ontgaan dan toch zoolang mogelijk, waren niet ondeugdelijken of

lafaards. Want inderdaad, hoe veel aangenaams ik tot heden ook

ondervond, de volkomen vrijheid, de verplaatsbaarheid van een lichaam

even pijnloos en toch vol indrukken en ontwaringen als het zien met het

lichamelijke oog, de heldere denkkracht, de schoonheid van alles om mij

heen, de weelde van te bezitten de macht om mee te leven het

lichaamsleven en het huidige leven, ze aan elkaar te kunnen toetsen en

het besef te bezitten van een volgende onderbewustheid, welke wachtende

is om een bewustheid van een weer hoogeren graad te worden; de

mogelijkheid om zooals heden een heelen heerlijken, langen zomerdag op

te kunnen gaan in wat de leek gelukzaligheid zou noemen en daaruit te

kunnen ontwaken om tot het volle bewustzijn er van te komen en als ’t

ware er den nasmaak van te genieten, ziedaar dat alles voldoet mij niet

ten volle. Want ik voel mij in mijzelf opgesloten. Zonder

onwetenschappelijk verlangen naar mijn waardigen vader en

begrijpelijke, hoewel ongeoorloofde hoop op het wederzien van mijn

dierbare moeder, de zorgzame ziel en het vertrouwen op de herrijzenis

in deze sfeer van mijn geliefde gade, te vroeg mij ginds ontvallen,

niet voor de wetenschap, aan wie ik sedert mijn liefde geheel gaf,

welke ik tot haar dood tusschen mijn teerbeminde Neeltje en Scientia

volgens eer, geweten en zelfs hart, had verdeeld, ja zonder

ongeoorloofd verlangen naar hernieuwde kennismaking met zoovele mijner

voor mij „overgegane” collega’s, ware lichten der medische faculteit,

voel ik toch een leemte. Ook hier, als in wat ik nu maar noemen zal,

het voorland, wordt het genot eerst volmaakt door het te deelen met,

ten minste het te kunnen uiten, aan anderen. Zie ik voel mij eenzaam en

ik voorzie, dat het veel zielskracht, tenslotte te veel zielskracht van

mij zou eischen, duurzaam gelukkig te zijn met het vele, dat mij, maar

schijnbaar helaas aan mij alleen, hier toebedeeld wordt. En ik ga nu, o

begin van elke smart, degenen ginds benijden, die zich ter ruste op hun

bedden leggen, de oogen sluiten en een slaap zonder droomen te gemoet

gaan, waarin zij naar den bewusten geest, werkelijk dood zullen mogen

zijn.

Terwijl nu de professor zoo op de bank zat en daar de nieuwe maan van

achter de wolken kwam schijnen, in den tuin het goudgele licht nog

helderder zag worden, een licht alsof zonlicht door de bladeren van een

bruinen beuk scheen, rees voor hem langzaam een gestalte op van meer

dan menschelijke grootte.

„Herkent gij mij?” vroeg de gestalte.

Professor Leyden merkte, dat de vraag gesteld werd in een taal, die hij

vroeger nooit gehoord had, maar dadelijk verstond. En het geluid van de

stem klonk niet als een menschelijke stem, maar helderder, zuiverder,

rhythmischer, klaarder, ja prof. Leyden had een sensatie als vroeger,

toen hij in zijn droomen wel eens bijzonder zuivere passages in een

solo voor dwarsfluit had hooren spelen. Zonder zich te verwonderen,

dacht hij, juist zooals de kleuren hier inniger en stralender zijn,

zullen het ook de geluiden wezen. Het tegendeel zou mij mogen

verwonderd hebben. En dat ik zijn vreemde taal dadelijk versta, mag ik

toeschrijven aan het feit, dat hier niet de aardsche taalverwarring

heerscht, maar zooals reeds op aarde elk mensch denkt in denzelfden

denkgang, alleen het gedachte anders gearticuleerd uit, hier elkeen op

dezelfde wijze articuleert. Laat ons op streng wetenschappelijke wijze

de proef nemen, door den vrager te antwoorden. Waarschijnlijk zal ik

dezelfde taal als hij spreken, hoewel ik bij gebrek aan de macht tot

toetsing, dienaangaande geen directe zekerheid mag verwachtten te

verwerven. Doch welke universitair geschoolde geest, verwacht directe

zekerheid, zoo hij er ook op hoopt? Ons deel is betrekkelijke zekerheid

en is dat niet reeds veel?

„Zeker herken ik u,” antwoordde de professor.

„En wie meent gij dan, dat ik ben?” zeide nu weder de verschijning.

Met een gevoel van genoegdoening, hetwelk de leek in zijn voorbarigheid

vreugde zou genoemd hebben, constateerde de professor, dat zijn

theoretische veronderstelling dat eenheid van denken en eenheid van

articulatie, tot taaleenheid moesten leiden, juist was geweest. Want de

gedaante had hem verstaan.

„Hoe zou ik, een Leidsch professor, u niet herkennen?” vroeg de

professor en zijn toon was niet zonder verdriet, gewantrouwd te worden.

Dit was hem, den eerbiedwaardige en waarachtige, in de laatste decennia

slechts eenmaal overkomen, n.l. toen de portier van zijn kliniek

ernstig ziek was geworden en zijn welmeenend aangeboden medische hulp

had geweigerd, zeggende, dat hij tot heden zich altijd bij het gebruik

van Haarlemmerolie wel had bevonden en niet van plan was aan die

geneeswijze ontrouw te worden. De man had inderdaad een tiental

fleschjes van dit zeer schadelijke mengsel van terpentijn, zwavel en

raapolie in twee weken verorberd en was toen weder gezond, door

zelf-suggestie genezen van een zeer ernstig geval van gastro-enteritis

niet door maar ondanks zijn „geneesmiddel”. Men had daarna den man

moeten ontslaan, daar hij de patiënten der kliniek sedert op

opdringerige wijze aangeraden had zich zooals hij, te redden van de

snijtafel door het gebruik van Haarlemmerolie, van het echte merk,

waarvan hij den alleenverkoop voor Leiden had verworven.

„Gij beantwoordt een vraag met een wedervraag,” zei thans de

verschijning bestraffend. „Zoudt gij dat een student op het examen niet

kwalijk nemen? Hier nu, zijt gij als een student.”

„Ik herkende u dadelijk. Te vaak heb ik ons beroemd Leidsch Egyptisch

museum bezocht. Gij zijt Anubis, de god met het lichaam van een mensch

en den kop van een jakhals, zoon van Osiris, god van de duisternis, die

naar de Egyptenaren meenden, den mensch na zijn dood tot de poort van

de onderwereld geleidde, waar gericht werd over de daden van zijn

leven.”

„Inderdaad, die ben ik.”

„Neen, met uw welnemen, die waart gij in de verbeelding der oude

Egyptenaars.”

„Wat zegt gij?”

De stem klonk nu vervaarlijk en met sisklanken, gelijk een dwarsfluit,

gespeeld met een slecht embouchure.

„Wat ik gezegd heb, is gezegd en ik voeg er bij, dat ik een professor

ben der Leidsche universiteit.”

„Wat bedoelt gij daarmede?” brulde de verschijning.

„Indien gij meent, dat versterking der stem voor ons, streng

wetenschappelijk gevormden, gelijk voor den leek, versterking van het

argument beteekent, dan vergist gij u toch.”

„Ik ben Anubis en ik blijf Anubis!” zeide de verschijning. Maar in het

nu weer verzachte timbre van de stem hoorde het muzikaal-geoefende oor

van prof. Leyden onmiskenbaar een weifeling. „Ik ben Anubis en ik blijf

Anubis!” herhaalde de verschijning, niet wetende dat voor den

universitair opgevoeden mensch, de herhaling van een betuiging

psychologisch als een verzwakking daarvan wordt uitgelegd. „De goden

der oudheid, welke gij in uwe waanwijsheid meent, dat uitgestorven

zijn, leven nog voort.”

„Geluk er mee,” antwoordde de geleerde onverstoorbaar. „Maar als dat

zoo is, wat ik niet wil betwijfelen, daar gij als oud-richter over het

goede en het kwade u zeker de verfoeilijke eigenschap van het

niet-wetenschappelijk getuigen, of kortweg, het overdrijven, ongegrond

beweren, opsnijden en liegen niet zult hebben aangewend, dan nog, vraag

ik u, wat ik met uw al of niet-bestaan te doen heb? Uwe werkzaamheden

alhier vallen even ver buiten den kring van mijn werkzaamheden alhier

als de zondagskout van een portier buiten een dispuut tusschen twee

professoren.”

„Gij vernedert mij en miskent mij. Ik ben hier door hooger macht

aangesteld om den mensch, voor hij tot hoogere wijding geroepen wordt,

door biecht te reinigen. Dus biecht uw zondig aardsch bestaan en ik kan

u den weg naar hooger effenen.”

„Niet om de voordeelen er aan verbonden, zal ik aan uw verlangen

voldoen, doch slechts om u een genoegen te bewijzen. Want om voordeel

biechten lijkt mij biechtend, een nieuwe zonde begaan. Ik heb als

wetenschappelijk man, bewust van een hooge roeping, alleen dan wat in

mijn aardsch leven bereikt, als ik te voren geen ander voordeel beoogde

dan het geluk, wat voor anderen te kunnen zijn. Welke zonden ik u zal

hebben te biechten, weet ik niet goed, daar wetenschappelijk gesproken,

elke zonde niets anders is dan de resultante van een organisch gebrek,

hetzij geestelijk hetzij lichamelijk en dikwijls van de wederzijdsche

inwerking dier beide. Zoo vond ik vaak, dat wulpschheid bij vrouwen en

de vele gevolgen daarvan, in onmiddellijk verband stonden met een

aangeboren hartsgebrek.”

„De menschheid is een erfzondig geslacht.”

„Hoe weinig wetenschappelijk oordeelt gij en ik vraag mij af, welke

werkelijk wetenschappelijke macht u op deze verantwoordelijke plaats

heeft kunnen stellen.”

„Wat zegt gij?” donderde Anubis.

„Geluid is voor ons rhythmische trilling, sterk of zwakker trillen

verandert daaraan voor ons niets. Dus niet meer deze te sterk bewogen

vibraties. Ik meen eenvoudig, dat wanneer de zonde opzichzelf

wetenschappelijk verklaard worden kan en daardoor naar haar wezen

geheel anders beschouwd moet worden, ook de erfzonde, dat is dus een

reeks van zonden door een reeks van geslachten begaan, het geval op

zichzelf niet verandert. Als een vrouw wulpsch is omdat haar hart

abnormaal arbeidt, dan is zij niet meer of minder schuldig, omdat ook

het hart van haar grootmoeder en dat van haar betovergrootmoeder,

abnormaal werkten. Of als ik u, een Rechter, eens een ander voorbeeld

mag geven, er zijn geen meer misdadige menschen dan rechters.”

„U meent, dan die de rechters veroordeelen?”

„Neen, dan rechters. Op gevaar af, dat gij mij als medicus

vooringenomenheid ten aanzien van de juridische faculteit verwijt,

blijf ik dat volhouden. En het eischt slechts een weinig

psycho-analytisch doordringingsvermogen om dat duidelijk te maken. Want

wat is een rechter en zijn aanhang van politie- en gevangenismenschen?

Dat is iemand, die den aandrang in zich voelt, levende wezens gevangen

te zetten. Die aandrang heeft elkeen nog min of meer in zich. De lager

ontwikkelden, de atavisten, het meest. Nergens meer dan in

achterbuurten vindt gij dieren opgesloten in aquaria, kooitjes, hokken

en nergens meer dan bij de onontwikkelden is er behoefte om te lezen

van opgesloten menschen en de martelingen, welke men hun aandoet. Film

en sensatie-roman, ook schouwburgdraak, zijn niet compleet zonder scène

in de rechtzaal of het wegbrengen van een mensch naar de gevangenis.

Welnu, gij vindt deze zelfde handelwijze eenigszins minder

gecompliceerd bij de kat, die met de geknauwde muis speelt, voor zij

haar verorbert. Het gevangen zetten en het pijnigen van gevangen

menschen is niets anders dan het toegeven aan de atavistische neiging

in den mensch, zijn prooi veilig in zijn hol opgesloten te houden,

onbereikbaar voor andere mensch-dieren, hem te kneuzen om de overmacht

te doen gevoelen en hem daarna te dooden. Voor ons wetenschappelijk

gevormden, bestaat er geen zonde, omdat er geen misdaad bestaat. Maar

wat wel bestaat zijn aangeboren of verworven lichamelijke en psychische

gebreken, waardoor anti-sociale handelingen worden veroorzaakt. Zoo

worden die menschen rechters, welke onderbewust nog in zich de psyche

van den oer-diermensch hebben en daarom hun prooi, dat is de

„misdadiger”, achter tralies in een hol sluiten, waartoe geen ander

toegang heeft dan zijzelf. In abstractie is dus een rechter altoos

„schuldiger” dan de „misdadiger”, dien hij veroordeelt. En die

„misdadiger” is voor ons, wetenschappelijk gevormde menschen weder

niets anders, dan een andere atavistisch aangelegde persoonlijkheid,

een mensch met psychische of lichamelijke defecten. Iemand, die lijdt

aan een slechte spijsvertering komt naar mijn kliniek en ik onderzoek

wat er de oorzaak van is en tracht hem te genezen—wat soms zelfs

gelukt. Iemand, die meer of minder aan moral insanity lijdt, komt tot

anti-sociale handelingen, wordt betrapt en gevangen gezet of in de

gevangenis of soms in een krankzinnigengesticht. Vroeger waren

geneesheeren en rechters het in zooverre met elkaar eens, dat zij wat

zij niet genezen konden, doodden. Tegenwoordig houden wij medici alles

zoo lang mogelijk in het leven—omdat wij het leven heilig en geheiligd

achten. Die van de juridische faculteit hebben ten deze nog

atavistische overtuigingen. Zoo kreeg ik patiënten, die in de

gevangenis door het slechte eten, maagzweren en maagkanker hadden

opgedaan, (het knauwen van de muis door de poes) en nadat ik ze weer

genezen had, werden ze van mijn ziekenzaal opnieuw naar de gevangenis

gevoerd. In die dagen heb ik zeker gevoeld, dat er wrijving bestaat

tusschen de beide faculteiten, de medische of reddende en de juridische

of straffende. Kortom een rechtzaak is ten slotte niets anders dan een

strijd tusschen twee atavistische instincten. Een gevangenis is een

burcht van het kannibalisme....”

„Zult gij thans met uw biecht beginnen, verwatene?” donderde Anubis.

„Welaan dan, mijn biecht—de biecht van een professor in de geneeskunde

aan de beroemde universiteit van Leiden.

„Ik ben geboren uit een familie, waarin van vaderszijde de volgende

beroepen werden uitgeoefend: vader, dokter; grootvader, dierenarts;

overgrootvader, predikant; betovergrootvader, onderwijzer. Moeder,

verpleegster; grootmoeder, onderwijzeres; overgrootmoeder, beroemd om

haar kunstnaaldwerken; betovergrootmoeder, huisnaaister. Ja, ja, het

kost heel wat voor-oefening van voorgeslachten, aleer de natuur in

staat is een werkelijken Leidschen professor in de geneeskunde te

produceeren. Dacht gij, dat een bijzonder mensch minder kweekkunst en

kweekzorg noodig zou hebben dan een raspaard of een zeldzame tulp, mijn

waarde Anubis?

„Wij waren gedurende vijf geslachten arbeidzaam, leerzaam, oppassend en

deugdzaam.

„Toen ik vijf jaar oud was, ging ik naar de Fröbel-school en ontving er

mijn eerste opleiding. Van mijn zesde tot mijn twaalfde jaar was mijn

tijd aldus verdeeld: Opstaan om zeven uur. Studeeren tot acht uur.

Ontbijten en spelen tot negen uur. Leeren van negen uur tot twaalf uur.

Eten en spelen tot half twee. Leeren van half twee tot vier uur. Spelen

en eten van vier tot half zeven. Leeren van half zeven tot acht uur.

Dan naar bed. Van mijn twaalfde jaar, toen ik op het gymnasium kwam,

was de verdeeling als volgt: Opstaan om half zeven. Studeeren tot acht

uur. Voorts studeeren van negen tot twaalf. Van half twee tot vier. Van

zeven tot negen, in de hoogere klassen tot tien uur. Achttien jaar oud,

ingeschreven als student op de Leidsche universiteit. Mijn eerste jaar,

o Anubis, wreker der menschelijke zwakheden, heeft veel vergiffenis

noodig. Wee, wee, op uw weegschaal zal mijn arme ziel doorslaan—zooals

ik in dat eerste jaar doorsloeg. Maar de naalde van uw bascule zal haar

evenwicht hervinden in het tweede jaar. En toen ik, vijf-en-twintig

jaar oud, promoveerde tot doctor in de geneeskunde op proefschrift:

„Over eenige functies van milt en bijnieren” en mijn waardige vader

eerst mij, daarna mijn lieve moeder schreiend om de hals viel, toen hij

op het op Oud-Hollandsch papier gedrukte schutblad van het pracht

exemplaar van mijn proefschrift las: „Aan mijn ouders”, verheugde de

ietwat lummelachtige, blonde melkmuil, dewelke daar voor hem stond,

zich in de volgende wetenschap. Kennis van twee klassieke en drie

moderne talen; de mathematica tot aan de hoogere wiskunde; de

physica...., kortom in de kennis van ongeveer twintig wetenschappelijke

vakken, wetenschappelijk bestudeerd. Hij was daarbij, laat dit in de

andere weegschaal van mijn eerste jaar, o Anubis, die de zondige

menschheid richt, wegen, een partij aan het schaakbord, die zijn

probleem er niet zonder verdienste afbracht; een fluitist die, zoo zijn

spel ook technisch lang niet volmaakt was, toch zijn tweede partij in

„Semper Crescendo” bij alle openbare uitvoeringen tot buitengewone

voldoening van zijn moeder, zijn tantes, nichten en andere vrouwelijke

familieleden, er afbracht. Zelfs meende mijn moeder, te recht of te

onrecht dat zal ik niet beslissen, hebbende bij haar nooit erg veel te

beslissen gehad, dat ik gerust aan den eersten lessenaar geplaatst had

kunnen woorden. Ik was een passabel partner op het lawntennisveld. Mijn

vader, oordeelende dat manueele vaardigheid den toekomstigen geneesheer

niet vroeg genoeg kan onderwezen worden, had mij jong liefhebberij voor

het vervaardigen van voorwerpen met de kerfsnede ingeboezemd en in de

weinige uren, dat ik mij er als student (na het eerste jaar) aan kon

wijden, had ik het uitgebreid tot het beeldhouwen in hout. Twee

leeuwenkopjes van eikenhout, aangebracht ter vervanging van de

beschadigde aan mijn moeders renaissance-buffet, vestigden bij haar de

overtuiging, dat ik eigenlijk artist had moeten worden. Niet gaarne aan

hare overtuigingen tornend, hierbij heb ik, ook niet op theologisch

gebied, zelden bij haar eenig resultaat kunnen bereiken, laat ik dat

voor hare rekening, maar ik heb altijd veel van de kunst blijven

houden, bezit een schoone verzameling etsen, kleine bronzen en houten

beeldjes en later in de operatiezaal, heb ik dankbaar het inzicht van

mijn vader herdacht. Want de vastheid van hand en de gewoonte om met

scherpe werktuigen om te gaan, kwam mij bij de operaties te stade, ja

ik had ten deze wellicht door mijn oefening, iets op sommige zeer

geleerde maar niet even handige, collega’s voor. Na mijn promotie heb

ik te Berlijn en te Parijs eenige jaren mijn studiën voortgezet. In het

„Tijdschrift voor Operatieve Heelkunde” zult gij, o Anubis, ten deze

vele mijner zonden vinden. Want in de verslagen en brieven uit Berlijn,

welk ik daarin publiceerde komen—genade, o wreker aller doodzonden,

machtige Anubis—vele germanismen voor, dewelke mijn vader mij, met rood

potlood onderstreept en op den rand in zuiver moedertaalsch verbeterd,

toezond. Ik heb te Berlijn en te Parijs bij Gretchen’s en Mimi Pinsons

wellicht andere, uw weegschaal gevaarlijk doen doorslaande, zonden

begaan. Maar als gij mij, den schrijvenden Nederlandschen medicus, mijn

germanismen kunt vergeven.... dan vergeeft gij mij ook alles.

Acht-en-twintig jaar oud, in patria teruggekeerd, ben ik tot assistent

van den beroemden chirurg, prof. dr. Friesinga benoemd. Vervolgens heb

ik één jaar algemeene praktijk te Leidschendam uitgeoefend, waar ik

door den toenemenden invloed en vloed van den ouden erfvijand der

Nederlandsche medische faculteit, de Haarlemmerolie, een rustkuur kon

doormaken en mijn ver uit elkaar wonende patiënten op de fiets

bezoekend, mijn lichaam, dat ik te lang te weinig oefening in de

buitenlucht had kunnen geven, gestaald. Wellicht ietwat te ijdel op

mijn verkregen nieuwe vaardigheid van velocipedist, had ik den overmoed

mij bij eene club van dergelijke snelvoetigen op het rad van beiderlei

kunne aan te sluiten, met het door iedereen behalve door mij verwachte

gevolg, dat ik verliefd en verloofd raakte, huwde en mij te Leiden

vestigend, bij een gelukkig huwelijksleven een gelukkige praktijk

voegde. Begrepen en bemind door mijne vrouw, kon ik mij aan de

voortzetting mijner lievelingsstudiën wijden. Zij stelde de wetenschap

boven zich zelve. Anubis, gij effenaar van den weg naar zaliger oorden,

vergeef mij, dat ik hetzelfde deed, de wetenschap te vaak boven mijn

brave Neeltje stellend. Het heeft lang geduurd, eer ik, toen ik na vele

jaren er tot de erkenning van kwam, het mijzelf heb kunnen vergeven.

Zij was een brave moeder voor onze drie kinderen, één zoon, als arts in

het noorden des lands gevestigd, en twee dochters, alle twee in den

medischen stand gehuwd. Door mijne gepubliceerde studiën bekend

geworden, kon ik mij eerst vestigen als specialist voor interne

gevallen, werd tegen mijn veertigste jaar tot professor benoemd en heb

dertig jaren lang mijn best gedaan, de medische faculteit der Leidsche

universiteit niet tot oneer te strekken, wat ik hoop dat mij gelukt is.

Indien ik werkelijk in dit mijn leven, zonden heb begaan, dan stel ik

daartegenover, dat ik levenslang getracht heb ze te bestrijden door het

meest werkzame middel er tegen, arbeid en arbeid in dienst van de

lijdende menschheid. Ik heb van mijn vijf en twintigste tot mijn

zeventigste, dat is gedurende vijf en veertig jaren of ruim 16436

dagen, ten minste gemiddeld elken dag en nacht, want vaak ben ik ’s

nachts voor dringende gevallen geroepen, tien patiënten behandeld. Dat

is dus samen 164360.

„Als dus, o machtige Anubis, deze stoet van door mij behandelde

menschen, vaak gered van afschuwelijke pijnen, kwijnend lijden,

vroegtijdigen dood met al de vreeselijke gevolgen voor de nabestaanden,

die hun zorg nog behoefden, op de weegschaal te mijnen voordeele wordt

gelegd en gij daarbij, zoo de schaal nog niet moge doorslaan, wilt

voegen het onderwijs dat ik den studenten gaf om hen den weg te doen

volgen, dien ik insloeg op het voorbeeld mijner voorvaderen, dan

twijfel ik niet of het zal u, machtige, gelukken, wat mijn waardigen

vader helaas nooit gelukt is, mij mijn grootste zonden te vergeven—de

germanismen in mijn medische verhandelingen.”

„Wat was uw godsdienst?”

„Lijden voorkomen, verhelpen, verzachten.”

„Dus christelijk?”

„Ik heb mij als leek nooit op theologisch gebied gewaagd. In Leiden

grasduinen wij niet gaarne op elkaars terrein.”

„En uw onderbewuste aandriften?”

„Zij waren, geheel buiten mijn verdienste, door den cultus van mijn

voorgeslacht, vrijwel volkomen onderdrukt of, wat de Duitscher noemt

„verkümmert”.

„Kunt gij zelfs hier het zondigen niet laten?” donderde Anubis. „Zeg

verschrompeld, ingekrompen, weggeteerd, verkwijnd, uitgeroeid, verdord,

verdroogd en verpulverd. Zeg, de demonen der oerinstincten waren

afgedeinsd voor zooveel menschelijk en grootmenschelijk streven en

arbeiden om hoogere eer. Dus u waart een mensch, maar veel menschelijks

was u vreemd?”

„Niets menschelijks was mij vreemd, dus ook niet wat de Duitscher

Kult.... wat ik als Nederlander, de beschaving wensch te noemen van een

goed Nederlandsch geslacht.”

„Dan zijn u uwe germanismen vergeven.

„Gaat in tot het hooger leven en zondig nooit weer.”

„Dank u, o Egyptische godheid. Dat zou om in uw Egyptischen stijl te

blijven, de Duitscher noemen „pyramidal”.

Nieuw Utopia · 第 6 / 30 题