V.

Gesterkt en gereinigd door het gebed, het eerste dat prof. Leyden

sedert hij student was geworden, had verricht, ging de hoogleeraar op

een stoel zitten. Hij merkte niet, dat hij op denzelfden stoel als de

zuster, die bij zijn lichaam waakte, zat en de zuster, hoewel zij zich

eenigszins loom gevoelde en telkens weer aan den professor dacht, gaf

zichzelve ook geen nauwkeurige rekenschap van ’t geen op haar schoot

geschiedde. Zij vond het niet zoo heel vreemd, zich ’s nachts loom te

gevoelen en dat zij vervuld was van den patiënt, dien zij had te

verzorgen, vond zij evenmin bijzonder opmerkelijk. Toen de zuster de

courant ging lezen, las prof. Leyden de courant mede. Hij was nooit een

belangstellend courantenlezer geweest, daar hij meer wat hij altijd

genoemd had „de eeuwige waarheden” der wetenschap had gewaardeerd, dan

de vergankelijke berichten van de courant, waarvan de weervoorspelling

doorgaans nog het meest betrouwbaar is. Maar nooit zooals thans had hij

het onbeteekenende van wereldsche en erger provinciale

courantenberichten gevoeld. Toch, toen hij ten laatste met de zuster,

en naar het hem scheen door de oogen der zuster heen, met een faculteit

in zichzelf, welke hem voorkwam te zijn de vaardigheid om te zien

zonder het lichamelijk optisch instrument, oog genaamd, het bericht las

dat de jurist hem zocht te belagen, kwam iets in hem, dat hij zelf zou

willen noemen, medelijdend glimlachen. Hij had altijd die medelijdende

glimlach voor de juridische faculteit en haar doeleinden over gehad.

Van de zijde van een faculteit, welke van de oudste tijden tot heden,

zoovele uitstekenden had belaagd of veroordeeld, kon de faculteit,

waartoe prof. Leyden zich het tot een eer rekende, te behooren, de

medische faculteit, welke er zich van de oudste tijden tot heden op had

toegelegd, het lichamelijk leed der menschheid te verzachten, te

voorkomen en te verhelpen, niet anders verwachten.

Juist stond de zuster nog al haastig en plotseling op, daar haar

nachtwaak bij den zieke geëindigd was en de dagzuster binnentrad.

Hierdoor merkte prof. Leyden, dat hij als ’t ware op de schoot der

nachtzuster had gezeten, want door haar plotseling opstaan was het hem,

alsof hij eenigszins in verwarring raakte. Het was precies zoo iets,

alsof iemand in een stilstaande rookkolom had geblazen.

De professor had nu spijt, dat hij zich niet een weinig meer

wetenschappelijk op de hoogte had gesteld van de theoriën van het

spiritisme. Hij had, hoewel als streng wetenschappelijk gevormd man, ze

niet vooringenomen verwerpend, toch er afwachtend om niet te zeggen

sceptisch tegenover gestaan, zooals dat bij de meeste medici het geval

is, die te sterk onder den invloed van hun mathematische opleiding

leven.

Het werd morgen en de professor ervoer tot zijn verbazing, dat hij in

den toestand, waarin hij zich thans bevond, het licht van den morgen

niet ervoer, zooals voor zijn uittreden uit zijn lichaam, maar als een

verandering van kleur. Hij had den geheelen nacht alles even duidelijk

onderscheiden, ook buiten het venster in den tuin, die toch in

nachtdonker was gehuld, alsof het geen nacht was geweest. Maar terwijl

hij in den nacht alles had ervaren, alsof het goudgeel was omschimd,

alsof hij alles zag door een bril met lichtgele glazen, leek het hem nu

toe dat hij alles door een lichtblauwe bril zag. Gewoon streng

wetenschappelijk te denken en begaafd met die echt wetenschappelijke

deugd zich over het wonder niet te verwonderen, daar dit verwonderen de

oorzaak is van alle bijgeloof en de menschheid in haar waan houdt

bevangen, besloot de professor uit deze ervaring, dat wat hij tot heden

voor licht had gehouden, niet licht op zichzelf was, maar het beperkt

vermogen van de zintuigen om de kleuren van wat „licht” genoemd werd,

te onderscheiden. Duisternis was dus slechts het gebrek van het

menschelijk vleeschelijk oog om de kleuren te zien of te ervaren,

waaruit die zoogenaamde duisternis bestaat. De oogen van sommige

nachtdieren, als de uilen en de katten, bezaten deze eigenschap tot op

zekere hoogte wel en konden daarom, wat genoemd werd „in donker zien”.

En wetenschappelijk doorredeneerend trok prof. Leyden de

gevolgtrekking, dat dus ook wat licht genoemd werd, slechts een

kleurnuance is. Reeds is het den mensch onmogelijk in het licht van de

zon te zien zonder zich te verblinden, maar zeker zou het hem nu

mogelijk zijn sterkere lichtindrukken te gaan ontvangen dan die van de

zon. En het hart van den wetenschappelijk gevormden man popelde van

geluk, nu hij mocht vermoeden iets naders van het Licht des Lichts te

mogen leeren kennen. Desondanks ontveinsde de professor zich niet, dat

nu er grensverwijding naar boven en beneden ten aanzien van het licht

mogelijk bleek, die grensverwijding door velerlei staten zou kunnen

gaan, waaraan geen eind was, ten minste niet was te denken, zelfs niet

door een man van zijn geschoolde denkkracht.

Onderwijl was het nu geheel morgen geworden, de morgen van een

helderen, stralenden zomerdag en de professor voor een oogenblik

afscheid nemende van het bed, waarop zijn lichaam bewusteloos lag

uitgestrekt en van de dagzuster, een lieve blondine anders, met wie hij

menigmaal, op vaderlijke wijze, geschertst had, begaf zich in den tuin.

Dat hij daartoe niet het venster behoefde te openen, maar door de

ruiten heenging, verwonderde hem maar eventjes. Dadelijk bedacht hij,

dat hij immers duizende malen door diezelfde ruit naar buiten had

gezien, en er zich niet over verwonderd had, dat zijn blik er doorheen

drong, zonder zelfs eenig besef van moeilijkheid. Zoo waren thans ook

zijn bewegingen geleid door wetten der physica, die nog niet volkomen

wetenschappelijk onderzocht waren, wat natuurlijk aan die wetten en

hare waarachtigheid weinig afdeed. De milt en de bijnieren van den

mensch hadden immers ook duizende eeuwen haar taak gedaan, zonder dat

de wetenschap iets zekers omtrent haar functies wist. „Wat wij weten is

niet hetzelfde als de wetenschap,” dacht prof. Leyden. Hij ging nu in

den tuin op een bank zitten en rondom zich ziende, kwam het tot zijn

bewustzijn, dat hij thans alles in veel intensere kleuren zag dan

vroeger, toen hij met zijn lichamelijke oogen keek. Ik moet dat goed in

’t geheugen prenten, dacht hij, want hoe meer het besef van hoe ik het

vroeger zag, zal verdwijnen, des te meer zal ik mij wennen aan de

tegenwoordige omstandigheden en dat zou er toe leiden, dat ik later,

als de gewone leek, geen werkelijk wetenschappelijk verslag van mijn

bevinden in den narcose-toestand zou kunnen uitbrengen. Wat ik thans

ervaar is naar het wezen niet zooveel anders dan wat ik als jongeling

opmerkte, toen ik met mijn geachten vader, een uitstapje naar het

Duitsche Noordzee-eiland Sylt maakte. Daar scheen het of alle bloemen

in het duin en in de tuinen hellere kleuren hadden, dan thuis. Mijn

brave vader, hulde aan zijn dierbare nagedachtenis, leerde mij toen,

dat niet de bloemen zelve heller van kleur waren, maar dat de hellere

dampkring op het ver in zee gelegen eiland, de oorzaak er van was, dat

wij ze heller zagen.

Nu de professor aan zijn waardigen vader dacht, die als beoefenaar in

de plant- en dierkunde zich bijzonder verdienstelijk gemaakt had, door

het opstellen van een naamlijst der in Nederland voorkomende in ’t wild

bloeiende vlinderbloemigen, waarvoor hij op zeventigjarigen leeftijd

met de ridderorde van de Eikekroon was begiftigd, kwam het in hem op,

dat hij nu wellicht in staat zou zijn, hem weder te naderen. Maar prof.

Leyden liet het bij een bescheiden wenschen, wel wetende dat nu hij in

den toestand was geraakt, waarin hij thans verkeerde, alle hoop op

streng-wetenschappelijke ervaring vervliegen moest, indien hij zich aan

speculatieve neigingen te buiten zou gaan. Indien hij werkelijk nu

nader zou komen, tot wat men gemeenlijk het rijk des doods had genoemd,

dan zou dat wel geschieden op het oogenblik, dat dit noodig werd

geacht. Voor hem, als wetenschappelijk vorscher, was het nu zaak, niet

in de fouten van den leek te vervallen en vooral niet in diens

hoofdfout, gebrek aan geduld, maar bezonnen en nuchter tegenover de

feiten te blijven staan. Slechts nuchtere bezonnenheid kan

ontnuchtering voorkomen en vermijden. Zoo zat hij op de bank in den

tuin en genoot van den schoonen zomerdag. Hij zag de reconvalescenten

den tuin binnenkomen en zachtjes wandelen, zich verheugen, dat zij

weder hun gezondheid en krachten voelden terugkomen, boomen en bloemen

beschouwend, als waren zij voor hen opnieuw geschapen. Een gevoel van

wetenschappelijke genoegdoening om niet te zeggen geluk doorstroomde

hem, toen hij al deze, door hem met zooveel succès geopereerden, hier

bijeen zag. Ginds liep een meisje van twaalf jaar, dat jaren lang aan

maagpijnen had geleden en ten slotte tot op het been vermagerd, op zijn

kliniek was gebracht. Thans was het kind vroolijk, goed doorvoed en zou

binnenkort als geheel hersteld naar huis gaan en het leven der ouders,

wier eenig kind zij was, verhelderen. Zijn diagnose was bij de operatie

juist gebleken. Want het was geen maagzweer geweest, en geen te sterke

zure werking der maagsappen en geen kanker en geen „hysterie”, die

redplank der half-geleerden en geen neurose en geen vernauwde slokdarm

noch de tien andere gevallen, door kwakzalvers en wonderdokters en

natuurgeneeskundigen „geconstateerd”. Het kind had een vreemd voorwerp

in de maag, had professor verklaard en bij de operatie had men in de

maag een tinnen kootje gevonden. De moeder herkende het voorwerp

dadelijk, want zij had er als kind ook mede gespeeld en het haar kind

gegeven, dat er mede gebikkeld had, het in den mond had gebracht en

ingeslikt. Uit vrees voor straf had het kind het niet durven zeggen en

toen het na een half jaar pijnen kreeg, had het al lang vergeten, dat

het een tinnen kootje had ingeslikt. En met Hein van der Velde, de man,

die jaren lang op melk alleen had geleefd, en daar zijn maag niets

anders kon verdragen, ten laatste zelfs geen melk ook, scheen het thans

ook uitnemend te gaan, want hij hielp de zusters bij het naar buiten

dragen der ligstoelen. Ook hier had de professor, wat de studenten

noemden, een wonder verricht. De man, meubelmaker van beroep, had de

gewoonte gekregen, van de met spiritus aangemaakte politoer te drinken.

Enkele stoffen, in de politoer gemengd, waren in de maag niet verteerd,

doch tot een vaste klomp geworden. Alle geneeskundigen vóór prof.

Leyden hadden den man, nadat zij vernomen hadden, dat hij een

politoerdrinker was, streng alle gebruik van alcohol ontzegd. Nu zou

prof. Leyden hem ten slotte moeten opereeren. Maar vóór prof. Leyden

tot de operatie was overgegaan, had hij den man onder strenge

observatie genomen en hem geleidelijk aan elken dag heete alcohol doen

drinken, eerst kleine hoeveelheden daarna grootere en vervolgens weder

de hoeveelheden verminderd. En aldus was de politoer-aanzetting in de

maag langzaam opgelost en zonder operatie was van der Velde genezen.

Hij at nu, alsof hij den verloren tijd van het melk-dieet wilde

inhalen. Prof. Leyden had de fijngevoeligheid gehad, den man te zeggen,

dat hij het volkomen eens was met de doktoren, die hem vroeger

behandeld hadden. Alleen door geheelonthouder te blijven, zou hij zijn

gezondheid kunnen bewaren—een raad niet zonder humor aan iemand, die

door den alcohol genezen, ja van een zekeren dood door verhongering,

gered was!

En zoo genoot prof. Leyden van den heerlijken zomerdag in den tuin van

het ziekenhuis, rondom omgeven door de vele genezende patiënten, die

hij van een wissen dood had kunnen en mogen redden.

Het was een volkomen geluk, dat de leek niet geaarzeld zou hebben,

zaligheid te noemen, een zaligheid zelfs niet verduisterd door het

besef van een artikel, gepubliceerd in het Weekblad voor het Recht,

waarin op zuiver juridische gronden werd betoogd, dat „overschrijding

van het verbod nopens den leeftijdsgrens ten aanzien van en met

betrekking tot het uitoefenen eener functie, eener bediening of eens

ambts, hetwelk aan een leeftijdsgrens gebonden, jure niet kan

overschreden worden, ook niet door middelen, welke de wetgever niet

heeft kunnen voorzien, als de daarstelling eener wetsovertreding naar

den vorm, behoort vervolgd en gestraft te worden.”

Nieuw Utopia · 第 5 / 30 题