Gesterkt en gereinigd door het gebed, het eerste dat prof. Leyden
sedert hij student was geworden, had verricht, ging de hoogleeraar op
een stoel zitten. Hij merkte niet, dat hij op denzelfden stoel als de
zuster, die bij zijn lichaam waakte, zat en de zuster, hoewel zij zich
eenigszins loom gevoelde en telkens weer aan den professor dacht, gaf
zichzelve ook geen nauwkeurige rekenschap van ’t geen op haar schoot
geschiedde. Zij vond het niet zoo heel vreemd, zich ’s nachts loom te
gevoelen en dat zij vervuld was van den patiënt, dien zij had te
verzorgen, vond zij evenmin bijzonder opmerkelijk. Toen de zuster de
courant ging lezen, las prof. Leyden de courant mede. Hij was nooit een
belangstellend courantenlezer geweest, daar hij meer wat hij altijd
genoemd had „de eeuwige waarheden” der wetenschap had gewaardeerd, dan
de vergankelijke berichten van de courant, waarvan de weervoorspelling
doorgaans nog het meest betrouwbaar is. Maar nooit zooals thans had hij
het onbeteekenende van wereldsche en erger provinciale
courantenberichten gevoeld. Toch, toen hij ten laatste met de zuster,
en naar het hem scheen door de oogen der zuster heen, met een faculteit
in zichzelf, welke hem voorkwam te zijn de vaardigheid om te zien
zonder het lichamelijk optisch instrument, oog genaamd, het bericht las
dat de jurist hem zocht te belagen, kwam iets in hem, dat hij zelf zou
willen noemen, medelijdend glimlachen. Hij had altijd die medelijdende
glimlach voor de juridische faculteit en haar doeleinden over gehad.
Van de zijde van een faculteit, welke van de oudste tijden tot heden,
zoovele uitstekenden had belaagd of veroordeeld, kon de faculteit,
waartoe prof. Leyden zich het tot een eer rekende, te behooren, de
medische faculteit, welke er zich van de oudste tijden tot heden op had
toegelegd, het lichamelijk leed der menschheid te verzachten, te
voorkomen en te verhelpen, niet anders verwachten.
Juist stond de zuster nog al haastig en plotseling op, daar haar
nachtwaak bij den zieke geëindigd was en de dagzuster binnentrad.
Hierdoor merkte prof. Leyden, dat hij als ’t ware op de schoot der
nachtzuster had gezeten, want door haar plotseling opstaan was het hem,
alsof hij eenigszins in verwarring raakte. Het was precies zoo iets,
alsof iemand in een stilstaande rookkolom had geblazen.
De professor had nu spijt, dat hij zich niet een weinig meer
wetenschappelijk op de hoogte had gesteld van de theoriën van het
spiritisme. Hij had, hoewel als streng wetenschappelijk gevormd man, ze
niet vooringenomen verwerpend, toch er afwachtend om niet te zeggen
sceptisch tegenover gestaan, zooals dat bij de meeste medici het geval
is, die te sterk onder den invloed van hun mathematische opleiding
leven.
Het werd morgen en de professor ervoer tot zijn verbazing, dat hij in
den toestand, waarin hij zich thans bevond, het licht van den morgen
niet ervoer, zooals voor zijn uittreden uit zijn lichaam, maar als een
verandering van kleur. Hij had den geheelen nacht alles even duidelijk
onderscheiden, ook buiten het venster in den tuin, die toch in
nachtdonker was gehuld, alsof het geen nacht was geweest. Maar terwijl
hij in den nacht alles had ervaren, alsof het goudgeel was omschimd,
alsof hij alles zag door een bril met lichtgele glazen, leek het hem nu
toe dat hij alles door een lichtblauwe bril zag. Gewoon streng
wetenschappelijk te denken en begaafd met die echt wetenschappelijke
deugd zich over het wonder niet te verwonderen, daar dit verwonderen de
oorzaak is van alle bijgeloof en de menschheid in haar waan houdt
bevangen, besloot de professor uit deze ervaring, dat wat hij tot heden
voor licht had gehouden, niet licht op zichzelf was, maar het beperkt
vermogen van de zintuigen om de kleuren van wat „licht” genoemd werd,
te onderscheiden. Duisternis was dus slechts het gebrek van het
menschelijk vleeschelijk oog om de kleuren te zien of te ervaren,
waaruit die zoogenaamde duisternis bestaat. De oogen van sommige
nachtdieren, als de uilen en de katten, bezaten deze eigenschap tot op
zekere hoogte wel en konden daarom, wat genoemd werd „in donker zien”.
En wetenschappelijk doorredeneerend trok prof. Leyden de
gevolgtrekking, dat dus ook wat licht genoemd werd, slechts een
kleurnuance is. Reeds is het den mensch onmogelijk in het licht van de
zon te zien zonder zich te verblinden, maar zeker zou het hem nu
mogelijk zijn sterkere lichtindrukken te gaan ontvangen dan die van de
zon. En het hart van den wetenschappelijk gevormden man popelde van
geluk, nu hij mocht vermoeden iets naders van het Licht des Lichts te
mogen leeren kennen. Desondanks ontveinsde de professor zich niet, dat
nu er grensverwijding naar boven en beneden ten aanzien van het licht
mogelijk bleek, die grensverwijding door velerlei staten zou kunnen
gaan, waaraan geen eind was, ten minste niet was te denken, zelfs niet
door een man van zijn geschoolde denkkracht.
Onderwijl was het nu geheel morgen geworden, de morgen van een
helderen, stralenden zomerdag en de professor voor een oogenblik
afscheid nemende van het bed, waarop zijn lichaam bewusteloos lag
uitgestrekt en van de dagzuster, een lieve blondine anders, met wie hij
menigmaal, op vaderlijke wijze, geschertst had, begaf zich in den tuin.
Dat hij daartoe niet het venster behoefde te openen, maar door de
ruiten heenging, verwonderde hem maar eventjes. Dadelijk bedacht hij,
dat hij immers duizende malen door diezelfde ruit naar buiten had
gezien, en er zich niet over verwonderd had, dat zijn blik er doorheen
drong, zonder zelfs eenig besef van moeilijkheid. Zoo waren thans ook
zijn bewegingen geleid door wetten der physica, die nog niet volkomen
wetenschappelijk onderzocht waren, wat natuurlijk aan die wetten en
hare waarachtigheid weinig afdeed. De milt en de bijnieren van den
mensch hadden immers ook duizende eeuwen haar taak gedaan, zonder dat
de wetenschap iets zekers omtrent haar functies wist. „Wat wij weten is
niet hetzelfde als de wetenschap,” dacht prof. Leyden. Hij ging nu in
den tuin op een bank zitten en rondom zich ziende, kwam het tot zijn
bewustzijn, dat hij thans alles in veel intensere kleuren zag dan
vroeger, toen hij met zijn lichamelijke oogen keek. Ik moet dat goed in
’t geheugen prenten, dacht hij, want hoe meer het besef van hoe ik het
vroeger zag, zal verdwijnen, des te meer zal ik mij wennen aan de
tegenwoordige omstandigheden en dat zou er toe leiden, dat ik later,
als de gewone leek, geen werkelijk wetenschappelijk verslag van mijn
bevinden in den narcose-toestand zou kunnen uitbrengen. Wat ik thans
ervaar is naar het wezen niet zooveel anders dan wat ik als jongeling
opmerkte, toen ik met mijn geachten vader, een uitstapje naar het
Duitsche Noordzee-eiland Sylt maakte. Daar scheen het of alle bloemen
in het duin en in de tuinen hellere kleuren hadden, dan thuis. Mijn
brave vader, hulde aan zijn dierbare nagedachtenis, leerde mij toen,
dat niet de bloemen zelve heller van kleur waren, maar dat de hellere
dampkring op het ver in zee gelegen eiland, de oorzaak er van was, dat
wij ze heller zagen.
Nu de professor aan zijn waardigen vader dacht, die als beoefenaar in
de plant- en dierkunde zich bijzonder verdienstelijk gemaakt had, door
het opstellen van een naamlijst der in Nederland voorkomende in ’t wild
bloeiende vlinderbloemigen, waarvoor hij op zeventigjarigen leeftijd
met de ridderorde van de Eikekroon was begiftigd, kwam het in hem op,
dat hij nu wellicht in staat zou zijn, hem weder te naderen. Maar prof.
Leyden liet het bij een bescheiden wenschen, wel wetende dat nu hij in
den toestand was geraakt, waarin hij thans verkeerde, alle hoop op
streng-wetenschappelijke ervaring vervliegen moest, indien hij zich aan
speculatieve neigingen te buiten zou gaan. Indien hij werkelijk nu
nader zou komen, tot wat men gemeenlijk het rijk des doods had genoemd,
dan zou dat wel geschieden op het oogenblik, dat dit noodig werd
geacht. Voor hem, als wetenschappelijk vorscher, was het nu zaak, niet
in de fouten van den leek te vervallen en vooral niet in diens
hoofdfout, gebrek aan geduld, maar bezonnen en nuchter tegenover de
feiten te blijven staan. Slechts nuchtere bezonnenheid kan
ontnuchtering voorkomen en vermijden. Zoo zat hij op de bank in den
tuin en genoot van den schoonen zomerdag. Hij zag de reconvalescenten
den tuin binnenkomen en zachtjes wandelen, zich verheugen, dat zij
weder hun gezondheid en krachten voelden terugkomen, boomen en bloemen
beschouwend, als waren zij voor hen opnieuw geschapen. Een gevoel van
wetenschappelijke genoegdoening om niet te zeggen geluk doorstroomde
hem, toen hij al deze, door hem met zooveel succès geopereerden, hier
bijeen zag. Ginds liep een meisje van twaalf jaar, dat jaren lang aan
maagpijnen had geleden en ten slotte tot op het been vermagerd, op zijn
kliniek was gebracht. Thans was het kind vroolijk, goed doorvoed en zou
binnenkort als geheel hersteld naar huis gaan en het leven der ouders,
wier eenig kind zij was, verhelderen. Zijn diagnose was bij de operatie
juist gebleken. Want het was geen maagzweer geweest, en geen te sterke
zure werking der maagsappen en geen kanker en geen „hysterie”, die
redplank der half-geleerden en geen neurose en geen vernauwde slokdarm
noch de tien andere gevallen, door kwakzalvers en wonderdokters en
natuurgeneeskundigen „geconstateerd”. Het kind had een vreemd voorwerp
in de maag, had professor verklaard en bij de operatie had men in de
maag een tinnen kootje gevonden. De moeder herkende het voorwerp
dadelijk, want zij had er als kind ook mede gespeeld en het haar kind
gegeven, dat er mede gebikkeld had, het in den mond had gebracht en
ingeslikt. Uit vrees voor straf had het kind het niet durven zeggen en
toen het na een half jaar pijnen kreeg, had het al lang vergeten, dat
het een tinnen kootje had ingeslikt. En met Hein van der Velde, de man,
die jaren lang op melk alleen had geleefd, en daar zijn maag niets
anders kon verdragen, ten laatste zelfs geen melk ook, scheen het thans
ook uitnemend te gaan, want hij hielp de zusters bij het naar buiten
dragen der ligstoelen. Ook hier had de professor, wat de studenten
noemden, een wonder verricht. De man, meubelmaker van beroep, had de
gewoonte gekregen, van de met spiritus aangemaakte politoer te drinken.
Enkele stoffen, in de politoer gemengd, waren in de maag niet verteerd,
doch tot een vaste klomp geworden. Alle geneeskundigen vóór prof.
Leyden hadden den man, nadat zij vernomen hadden, dat hij een
politoerdrinker was, streng alle gebruik van alcohol ontzegd. Nu zou
prof. Leyden hem ten slotte moeten opereeren. Maar vóór prof. Leyden
tot de operatie was overgegaan, had hij den man onder strenge
observatie genomen en hem geleidelijk aan elken dag heete alcohol doen
drinken, eerst kleine hoeveelheden daarna grootere en vervolgens weder
de hoeveelheden verminderd. En aldus was de politoer-aanzetting in de
maag langzaam opgelost en zonder operatie was van der Velde genezen.
Hij at nu, alsof hij den verloren tijd van het melk-dieet wilde
inhalen. Prof. Leyden had de fijngevoeligheid gehad, den man te zeggen,
dat hij het volkomen eens was met de doktoren, die hem vroeger
behandeld hadden. Alleen door geheelonthouder te blijven, zou hij zijn
gezondheid kunnen bewaren—een raad niet zonder humor aan iemand, die
door den alcohol genezen, ja van een zekeren dood door verhongering,
gered was!
En zoo genoot prof. Leyden van den heerlijken zomerdag in den tuin van
het ziekenhuis, rondom omgeven door de vele genezende patiënten, die
hij van een wissen dood had kunnen en mogen redden.
Het was een volkomen geluk, dat de leek niet geaarzeld zou hebben,
zaligheid te noemen, een zaligheid zelfs niet verduisterd door het
besef van een artikel, gepubliceerd in het Weekblad voor het Recht,
waarin op zuiver juridische gronden werd betoogd, dat „overschrijding
van het verbod nopens den leeftijdsgrens ten aanzien van en met
betrekking tot het uitoefenen eener functie, eener bediening of eens
ambts, hetwelk aan een leeftijdsgrens gebonden, jure niet kan
overschreden worden, ook niet door middelen, welke de wetgever niet
heeft kunnen voorzien, als de daarstelling eener wetsovertreding naar
den vorm, behoort vervolgd en gestraft te worden.”