Toen prof. Leyden voldoende gewend was aan zijn nieuwen toestand,
begreep hij, dat hij zijn lichaam had verlaten. Ook ving hij aan, een
begin van vermogen te gevoelen, zijn nieuw lichaam tot een bepaalden
vorm te verdichten of liever, hij ervoer dat een zekere wensch opkomend
in zijn ziel, aan die ziel zonder eenige moeite den vorm gaf, dien met
dien wensch strookte. Het ging niet anders dan als met een vloeistof,
welke men slechts in een vat heeft te gieten, opdat zij precies den
inwendigen vorm van zulk een vat aanneme. Toen nu in hem de wensch
opkwam, getuige te kunnen zijn van hetgeen met zijn lichaam op de
operatie-tafel gebeurde, stond hij tezelfder tijd naast den operateur
en het was voor hem niet anders, dan wanneer hij zelf in volkomen
normale omstandigheden een operatie bij den een of anderen patiënt had
verricht. Maar voor de aanwezigen in de operatie-zaal was het wel
anders. Want geen hunner bemerkte den professor, zooals hij daar met
een lichaam van damp, even doorzichtig als de omringende
dampkringslucht, tusschen hen stond. Slechts enkelen der meest
sensibelen onder hen, hadden een vaag, door het onderbewustzijn
ontwaard vermoeden, dat de geest van professor Leyden aanwezig was en,
zooals dat gewoonlijk gebeurt, wanneer ons onderbewustzijn iets
vermoedt, maar de achterlijke, materiëele, onzuivere rede van het
normaal bewustzijn zich verzet tegen de overneming der aanvoelingen uit
de andere sferen, zoo deed nu ook de operateur, automatisch (hoewel hij
meende zéér bewust iets te zeggen, zich bijzonder „voelend” nu hij
professor Leyden als operateur verving) hooren, hetgeen in de
onderbewustheid naar uiting zocht. „Mijne heeren,” aldus sprak de
operateur, „ik gevoel de tolk van u allen te zijn, wanneer ik begin met
te zeggen, dat ik als met den geest van mijn grooten voorganger en
leermeester, prof. Leyden, deze gewichtige wetenschappelijke
proefneming hoop aan te vangen en te voltooien.” En hij nam het
gesteriliseerde scalpel aan uit de steriele handen van den assistent,
hield het instrument even tegen het licht als om zijn fijnheid en
zuiverheid te onderzoeken en maakte daarna met vaste hand de eerste
snede in de opperhuid.
Voor de onderhuidsche weefsels werd daarna niet het scalpel, maar de
schaar gebruikt.
Prof. Leyden, ten hoogste voldaan over de van eerbied voor een, nog
niet overleden, slechts genarcotiseerden voorganger en leermeester,
getuigende woorden, stak naar zijn gewoonte, zijn wijsvinger tusschen
de geopende beenen van de operatieschaar. Zoo beproefde hij altijd de
effenheid der snijvlakken. Tot zijn verwondering knipte de operateur
veel sneller en krachtiger de schaar dicht, dan hijzelf gewoon was. En
nu hoorde hij, dat de operateur tot den assistent zeide: „Een andere
schaar, die met het slot van Collin”. En zich tot de aspirant-medici
richtend, wachtend op de schaar met het slot van Collin, die tusschen
de twee steriele handdoeken gereed lag, zeide hij: „Het slot van Jetter
en Schaerer is bij droog gebruik niet altijd volkomen betrouwbaar.” Hij
zei dit eigenlijk meer uit plichtsgevoel, dan dat hij verwachtte, dat
later de aspiranten, nadat zij hun bul zouden hebben verworven, nu ook
voortaan bij droog gebruik der chirurgische schaar, het slot van Collin
zouden de voorkeur geven. Zij gebruikten het wonderschoone vermogen van
het geheugen dat den mensch is gegeven, alleen voor het onthouden van
de namen dergenen die groot onder hen als voetballers of als roeiers
waren en voorts voor het behouden van de namen der nieuwste dansen als
Fox-Trott, Jazz, Two step. Sommigen waren zoo ver, dat zij de namen van
de meest bekende American Drinks er bij vermochten te onthouden als
Manhattan Cocktail, Texas Flip, Coney Island Flap, en wenschten deswege
pochend op hun geheugen voor „geheel onthouders” door te gaan, hoewel
zij van „onthouden” gesproken, ten hoogste zichzelf het noodzakelijke
weten onthoudende waren.
Liever dan zich toe te leggen op de termen eener levende wetenschap,
scherpten dezulken hun geheugen om de namen eener, sedert de
drooglegging van Amerika volkomen verouderde,
drankmengingsterminologie, te behouden. Prof. Leyden zag onderwijl tot
zijn verbazing, dat de schaar met het slot van Jetter, toehappend om
zijn wijsvinger, daardoorheen was gesneden en dat het afgesneden
bovenste lid van zijn wijsvinger los en alleen in de lucht zweefde of
liever rhythmisch trillend op dezelfde plaats waar het afgesneden was,
bleef in de lucht hangen. Het was nu niet meer blauw of
phosphoresceerend, maar zag er precies uit als een gewoon menschelijk
vingerlid, hoewel het aan de afgesneden zijde niet bloedde. Ook bloedde
de van een lid beroofde wijsvinger van prof. Leyden niet en het
afsnijden had hem niet de minste pijn gedaan. Meer uit gewoonte, zooals
elkeen doet, die iets gebroken heeft, dan wel met een bewuste
bedoeling, paste Prof. Leyden het afgesneden lid weder aan zijn daarvan
beroofden wijsvinger en tot zijn verwondering bleef nu het lid er weder
tegen aan zitten en was weer bruikbaar, alsof het er nooit van
verwijderd was geweest.
Ten einde omtrent dit merkwaardig herstellingsvermogen van zijn
psychisch lichaam meer zekerheid te verkrijgen, legde hij nu eerst zijn
vingers, daarna zijn middenhand, vervolgens zijn polsgewricht tusschen
de beenen van de chirurgische schaar, welke op dit oogenblik door den
operateur juist gebruikt werd, om de diepere weefsels open te leggen,
waarin de dierlijke klieren zouden worden vastgehecht. Telkens bleven
zijn afgeknipte ledematen in de lucht trillend hangen, als bijen
zwevend boven een bloemkelk, en vereenigden zich onmiddellijk opnieuw
met het zielslichaam, zoodra hij de beide gescheiden lichaamsdeelen
weer tot elkaar bracht. Hij behoefde ze er niet eens tegen te drukken.
Het ging op dezelfde wijze als de magneet een stukje ijzer aantrekt. En
prof. Leyden hield eerst op met zijn proeven, toen de operateur ook de
schaar met het slot van Collin aan den assistent teruggaf, zeggende dat
ook deze schaar zeker bij het ontsmetten te veel uitgezet was en
telkens stroef ging. Toen hij nu de schaar met het dubbelslot van
Collin gebruikte, was alle stroefheid verdwenen en hij zeide tot de
aspiranten: „Het dubbelslot van Collin heeft het voordeel, zelfs na
uitzetting tijdens de sterilisatie, altijd gelijkmatig te werken.”
Prof. Leyden glimlachte, dit hoorend en dacht: „Nu doceert gij toch
waarlijk niet, zooals gij voornemens waart, in mijn geest. Want gij
vervalt in de gewone fout van den niet-wetenschappelijken mensch, die
uit één feit een gevolgtrekking maakt en van die gevolgtrekking een
oordeel afleidt. Immers alle scharen waren heden evengoed—maar wat gij
toeschreeft aan uitzetting door sterilisatie en ondeugdelijkheid van
het slot van de schaar, was in werkelijkheid niet anders dan dat ik
mijn psychisch lichaam tusschen de gaping der schaarbeenen stak, waarop
het zoo subtiele slot reageerde. Dus wat gij, waarde collega-operateur,
den jongeren voorhoudt als een gebrek der instrumenten, is juist hun
deugd.
„Inderdaad volgt hieruit, dat ook hetgeen de operateur aan de
aspirant-medici verweet, namelijk hun groote belangstelling in de edele
roeisport en de veredelende dans- en voetbalsport, zoowel als sommiger
pogingen een helaas verdwijnende subtiele kunst van drankmenging, zoo
lang mogelijk te subsidiëeren, op geen waarachtig wetenschappelijken
grondslag berustte. Immers, het is beter de namen van sport en spel te
onthouden, dan onwetenschappelijk gegronde beweringen nopens
chirurgische scharen en haar respectieve sloten.”
Toen nu prof. Leyden met groote voldoening het verdere verloop der
operatie op zijn animaal lichaam had bijgewoond en het vervolgens
begeleidde, toen het naar het ziekbed werd gereden, trachtte hij na
eenige uren wachtens, weder zijn psychisch lichaam in zijn stoffelijk
lichaam te brengen. Maar dit lukte niet. In ’t eerst vermoedde prof.
Leyden, dat ook voor deze kunstbewerking, een zekere ervaring noodig
was en hij begon zich dus te oefenen. Maar hoewel hij gedurende den
geheelen nacht onverpoosd bezig was, weder met zijn psychische gestalte
in zijn stoffelijk vormsel te dringen, bleek hem dit onmogelijk. Daar
echter zijn pogingen hem niet in ’t minst vermoeiden, bleef hij zijn
oefeningen doorzetten. Maar aan ’t eind van de eerste dagen, was hij
nog even ver als op den avond na de operatie. Hij zag zijn aardsch
lichaam rustig te bed liggen en ademen, maar het gelukte hem niet, de
bedwelming te doen verdwijnen, hoewel de tijd waarop de
chloroformdampen door het stoffelijk lichaam uitgewasemd moesten zijn,
reeds lang verloopen was.
Thans trachtte hij bij stukjes en beetjes met zijn psychisch lichaam in
zijn stoffelijk lichaam te dringen. Maar ook dit gelukte niet. Een
afgebroken psychisch vingerlid op het stoffelijk vingerlid gebracht,
weigerde daarin door te dringen maar ontweek ongeveer zooals wanneer
men olie in water zou willen dringen. Prof. Leyden beproefde daarna uit
psychisch en stoffelijk lichaam een soort emulsie samen te stellen,
maar in het stoffelijk lichaam huisde een zekere niet-stoffelijke
kracht, welke hem verhinderde zijn psyche weder in zijn lichaam te
brengen. Het was alsof een andere psychische kracht zijn psyche
terugdrong en zijn verdubbelde pogingen met den moed der wanhoop
toegepast, bewerkten alleen een soort convulsieve schokken van het
stoffelijk lichaam. De zuster van de wacht riep onmiddellijk den
operateur en den geneesheer-directeur. Want zij was van meening
(half-wetenschappelijk als de gediplomeerde verpleegster immers
ontwikkeld is), dat het begin van de ontwaking uit de verdooving, het
bekende symptoom der brakingen, zich voordeed.
Maar het waren geenszins braakneigingen, pogingen van het lichaam om
zoo spoedig mogelijk zich van de ingeademde chloroformdampen te
bevrijden. Het waren slechts de werkingen van de animale ziel in het
lichaam aangebracht door de klieren van een levenden aap. En toen prof.
Leyden, eindelijk zich hiervan bewust was geworden en zoo tevens
ervoer, dat de verjongingskuur door klieren van een dier onmogelijk is,
daar het dierlijke lichaam, resultante van de dierlijke ziel, nooit
harmonisch kan opgaan in het menschelijke lichaam, resultante van de
menschelijke ziel, gevoelde hij, dat hij, als zoo velen van zijn
voorgangers, op wetenschappelijk gebied slachtoffers had gemaakt, ja
erger, zelf slachtoffer was geworden van de te materialistische
richting in de geneeskunde.
En voor ’t eerst sedert het voornemen tot de proef in hem opgekomen
was, wantrouwde hij de eigen rede en zonk deemoedig en gebroken in
gebed neer aan de sponde, waarin zijn eigen, opzettelijk verdierlijkt,
bewusteloos lichaam nederlag.
De pleegzuster, die bij het lichaam waakte, voelde op dit oogenblik een
koude rilling langs haar rug loopen. En naar de gewoonte van
half-wetenschappelijk ontwikkelden, de naastbijliggende aanleiding voor
de eigenlijke oorzaak houdend, sloot zij de deur, waardoor volgens haar
de „tocht” gekomen was en schonk zich een kopje warme thee in.
En zij keek op de klok om te zien of haar nachtwaak spoedig ten einde
zou zijn. Het was juist vier uur in den morgen. Dus zou zij nog twee
uren hebben te waken. Om den tijd te dooden, nam zij de courant en
begon deze te lezen. Haar oog viel op het volgende bericht onder
„Rechtzaken”:
„De Nederlandsche Juristenvereeniging heeft tegen Maandag a. s. een
buitengewone vergadering uitgeschreven, waarin Mr. Hendrik Paragraaf,
voorzitter van de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam, het debat
zal openen over de stelling: Bewusteloosheid van een gedaagde,
beschuldigd van zich tegen den vorm van een wetsartikel te hebben
verzet, behoeft jure niet te leiden tot de verdaging van de zaak van
eenen door een onaanvechtbare dagvaarding gedaagden gedaagde.”
En haar zachte blik rustte met groot medelijden op den bedwelmden
patiënt in het bed uitgestrekt, die rustig ademhaalde, onbewust van de
door animositeit der juridische tegen de medische faculteit
veroorzaakte tegen hem ingestelde vervolging.