Toen prof. Leyden zich aan de operatie onderwierp, was hij met het
vaste plan bezield geweest, voor zoover het maar eenigszins ging, te
onderzoeken welke de verschijnselen en bij-verschijnselen van de
narcose zijn. Hij had in zijn praktijk reeds honderden malen de
patiënten na hun herstel omtrent de indrukken, welke zij bij, tijdens
en na de narcose hadden opgedaan, ondervraagd. Hoewel hij zoo in het
bezit van een groot aantal voor de wetenschappelijke behandeling van
het narcose-vraagstuk belangrijke mededeelingen was gekomen, toch had
hij het ware studie-materiaal niet verworven. De patiënten waren
doorgaans te veel onder den indruk van de gebeurtenis, te bevreesd voor
een, altijd mogelijken, dood tijdens of dadelijk na de operatie onder
narcose, dan dat zij zich voldoende nuchter rekenschap van ’t geen met
hen gebeurde, konden geven. Daarom voelde prof. Leyden, toen hij nu
eindelijk zelf zich op de operatie-tafel uitstrekte en „onder de kap”
zou gebracht worden, een zekere blijmoedige voldoening om niet te
zeggen, blijdschap. De aanwezige jongeren, de aspirant-medici waarvan
gehoopt werd, dat enkelen het eens tot medicus zouden brengen, met hun
gewoon gebrek aan flair en genie om een goede diagnose te stellen
(waarvoor èn flair èn genie gevoegd bij goed geluk noodig zijn)
schreven deze vroolijkheid van den ouden heer op de operatie-tafel toe
aan zijn verwachting, dat hij na de operatie, als een van henzelf, zich
weder aan de velerlei vermaken van de jongelingschap zou kunnen
overgeven. Waarbij de professor dan het voordeel zou hebben, niet op
vaders, ooms of tantes kas, ja zelfs op moeders huishoudgeld te moeten
teren, doch voorzien te zijn van een professors-honorarium, benevens
een in den loop der jaren door de gegoede patiënten vereerd niet
onaanzienlijk kapitaal. Hoe weinig doorzien lichtzinnige studiosi het
hart eens waardigen voorgangers, zelfs op het oogenblik dat hij zich op
de operatie-tafel neerlegt, ten einde door een kunstbewerking zijn
zilveren haren te doen veranderen in de kastanje-bruine lokken des
jongelings. Verre er van, dat prof. Leyden in deze oogenblikken dacht
aan toekomstige jongelings-liefdesavonturen, hoewel prof. Leyden sedert
decennia weduwnaar was, gingen al de gedachten van den eerwaardigen
bijna zeventigjarigen geleerde slechts naar één doel—den dienst der
wetenschap tot heil der lijdende menschheid. Onbevreesd voor den dood
na een leven, vervuld van studie, arbeid en menschlievendheid, niet in
het minst onder den indruk van al de voorbereidingen in de
operatie-zaal, die immers voor hem even gewoon waren als het koken van
de aardappelen voor een keukenmeid, popelde hij als het ware van
vreugde, dat hij nu eens rustig, nuchter en toegerust met een streng
wetenschappelijke veelomvattende studie ten aanzien van het geval, de
narcose en haar verschijnselen van nabij zou kunnen onderzoeken. Te
voren had hij nog in een rede, welke door een rector-magnificus bij het
openen der college’s gehouden, tot zelfs de bewondering van de
on-deskundige reporters zou afgedwongen hebben, welke deze rede, als
naar gewoonte verkort en van de hoofdzaken ontdaan, naar hun couranten
hadden te seinen, aan zijn assistenten uitgelegd, waarom in zijn geval
een injectie van stovaïne in den zak van de ruggemergvliezen, niet
aanbevelenswaardig was. Hij had het chloroform-zuurstofinhalatie
toestel van Roth-Dräger, dat gebruikt zou worden, zelf nog te voren
nagezien. Hij had nog eens uitvoerig aan zijn assistenten en de
aspirant-medici (voor hoevelen der laatsten was dit paarlen voor de
niet-corpsleden geworpen?) uitgelegd, dat hij aan chloroform de
voorkeur boven aether gaf, omdat bij de aethernarcose de kap zoo groot
is, dat zij het geheele gelaat omsluit, ter voorkoming van verlies door
de ontwijking der vluchtige dampen. De kap, bestaande uit een netwerk
van vernikkeld koperdraad, waarover een stuk molton met de ruwe zijde
naar binnen is gespannen, bedekt het gelaat geheel, waardoor de zoo
hoogst nuttige contrôle van de gelaatstint van den patiënt onmogelijk
wordt.
Het chloroformkapje is kleiner. Evenwel, aldus doceerde de eerwaardige
geleerde, één oogenblik voor hij zich op de operatie-tafel uitstrekte,
chloroform werkt bijtend op de huid. Om een verbranding door afdruipend
chloroform te voorkomen verzoek ik daarom de zuster, die hiermede
sedert jaren speciaal is belast, ook mij thans, den neusrand, de wangen
en ten laatste de lippen met vaseline in te smeren. Het aantal druppels
chloroform, dat moet verdampen heb ik zelf bepaald, ten einde zelf de
geheele verantwoordelijkheid van deze operatie op een, zich overigens
volkomen gezond gevoelend mensch, te dragen. In het uitnemende toestel
van Roth-Dräger, zullen deze druppels zich geregeld met zuivere
zuurstof mengen.
„En nu, mijne vrienden, tot straks, na het ontwaken. Mors vita est.”
De verpleegster smeerde de lippen van den professor met vaseline in.
Het masker werd op een gedeelte van het gelaat gebracht, zoodat neus en
mondholte waren afgesloten, de kraan van den stalen cylinder waarin de
zuurstof zich bevond, werd geopend en professor Leyden, niet zonder het
gevoel van bevrediging, dat elken waarachtigen wetenschappelijken
onderzoeker ondervindt, wanneer hij de natuur een nieuw geheim hoopt te
gaan ontwringen, ontving de eerste indrukken van den bewusten, nuchter
observeerenden mensch onder narcose.
Hij bemerkte, dat de patiënten welke hem allen onveranderlijk gezegd
hadden, dat het eerste gevoel overeenkomt met het gevoel, dat men heeft
even vóór het inslapen ’s avonds op bed, gedwaald hadden, zooals immers
van leeken op wetenschappelijk gebied altijd moet verwacht worden. Daar
men hun te voren had gezegd, dat het eerste gevoel ongeveer zoo zijn
zou, suggereerden zij zichzelf, dat het ook zoo was. Niet anders gaat
het met de menschen, die z.g. mooie natuurtafereelen voor ’t eerst
bezichtigen, nadat de schrijvers in hun reisgidsen allen eenstemmig
verklaard hebben (ter wille van de advertenties op de achterste of
voorste pagina’s van het boek), dat bedoeld natuurtafereel bijzonder
mooi is. Zij vinden het natuurtafereel verrukkelijk of schitterend,
zelfs als een dichte mist het tijdens de bezichtiging aan het oog
onttrekt. Er zijn weinig menschen, die een eigen overtuiging hebben en
er zijn er nog minder, die den moed bezitten van die eigen overtuiging
te gewagen. De meeste menschen gaan hun leven door onder suggestie’s
van anderen en van de voorgeslachten, zonder zelfs tot het bewustzijn
te komen van hun eigenlijk inwendig ik en diens werkelijke indrukken en
ervaringen.
Het was, constateerde prof. Leyden, geenszins het gevoel van voor het
inslapen des avonds. Het was integendeel het gevoel van voor het
inslapen des middags voor het dutje. De niet-wetenschappelijk gevormde
mensch, meent dat er tusschen die beide perioden geen verschil is. Doch
een wetenschappelijk toegerust man als prof. Leyden, kende heel goed
het onderscheid tusschen het inslapen tegen den nacht, nadat de zenuwen
en de spieren zijn afgewerkt, de atmosfeer door het verdwijnen van het
zonlicht en de uitwaseming van aarde en planten van andere
samenstelling is geworden en het inslapen op den middag na het diner,
in het volle licht van de zon, met het bewustzijn op zijn hoogst na een
uur weder te ontwaken. Degeen, die zich des avonds te slapen legt, doet
dit met een volkomen overgave aan de lange nachtrust en zijn doel is
een zoo diep mogelijke en zoo vast mogelijke ononderbroken slaap van
zes tot acht à negen uren. Hij zoekt een vergetelheid, overeenkomende
met een vorm van dood-zijn. Maar wie voor een namiddag dutje
„insluimert”, zoekt slechts een tijdelijk, licht herstel van krachten.
Hij wenscht geen zoo groot mogelijke vergetelheid, maar alleen de
hersenfuncties eenige oogenblikken buiten werking te stellen. Men knapt
een „uiltje” en staat dan op „frisch als een hoentje”. Deze populaire
uitdrukkingen wijzen er op, dat het middagslaapje overeenkomst heeft
met den lichten slaap van vogels. De middagslaper is als de uil, die in
het zonlicht niet of zeer onvolkomen ziet, hoewel hij niet slaapt,
wanneer des daags de vogels ondeugend plagend en tartend om hem heen
vliegen.
„Niet als het inslapen des avonds, maar als het inslapen voor het
middagdutje” constateerde prof. Leyden en hij dacht er heel helder bij:
„Al weder een bewijs voor mijn stelling om den niet-wetenschappelijke
slechts naar de wijze van den wetenschappelijke te vertrouwen.”
Hij begon nu de geluiden in de operatie-zaal als meer verwijderd te
hooren. Doch opnieuw betrapte hij den leek op de gewone vergissing, den
schijn van het feit, voor het feit zelf te houden. Niet de geluiden
kwamen inderdaad van ver af. Dit was slechts zelf-suggestie. Inderdaad
waren de geluiden even dichtbij of ver-af als gewoonlijk. Een der
aspirant-medici, toegelaten tot het bijwonen van de kunstbewerking had
de groote achteloosheid betoond, in een linnen operatie-jas te
verschijnen, die door een klein, arm waschvrouwtje gewasschen was in
stede van in de inrichting. Het arme vrouwtje had de operatie-jas,
evenals de andere wasch, gedroogd voor het fornuis in het eenige
vertrek, dat zij bewoonde met haar acht kinderen, haar eigen moeder en
haar schoonmoeder, benevens haar luiaard en dronkaard van een man, die
zoodra hij bemerkt had, dat zijn vrouw als waschvrouw de kost voor het
gezin kon verdienen tot de overtuiging was gekomen, dat hij de
„slavernij” op de fabriek of werkplaats en den stok van den patroon kon
ontgaan, door zichzelf tot stokdrager over zijn deemoedige huissloof te
bevorderen en voortaan geen anderen heer meer te erkennen dan koning
Alcohol. Het gevolg van dit te consequent doorvoeren van het principe
der absolute monarchie was, dat de linnen operatie-jas van den
aspirant-medicus of semi-arts, rook naar al de geuren en geurtjes van
wat overdrachtelijk een troonzaal kon genoemd worden, als jenever,
chloor, huishoudzeep, kinderluiers, in ranzige olie gebakken panharing,
slechte tabak, cichorei-aftreksel, kortom naar de geuren, die eens den
grooten poëet Shakespeare er toe brachten te zeggen, dat het „volk
stinkt”. De operateur had nu den geur der armoede van den linnen jas
van den student opgemerkt en den uit een beurs studeerenden
aspirant-medicus dringend verzocht onmiddellijk de operatie-zaal te
verlaten.
Professor Leyden nu, hoorde eerst het verontwaardigd bevel van den
operateur als van verre te komen. Maar daar ook hij zich ergerde over
de lakenswaardige onvoorzichtigheid van den jongen student, werd zijn
bewustzijn plotseling verscherpt en hij hoorde thans opeens weer
duidelijk en van heel dichtbij, dat een der assistenten „schandelijk!”
zeide, waarop de operateur weder antwoordde: „Houdt u bij uw taak. Ik
heb hier toestemming noch afkeuring van u noodig!”
Het lag prof. Leyden op de lippen om te zeggen: „Volkomen juist,” toen
hij zich nog bijtijds herinnerde, dat zijn lippen met vaseline besmeerd
waren en niet geopend behoorden te worden. Dat hij zich dit herinnerde
en zoo volkomen helder kon denken, achtte prof. Leyden een feit, van de
meest verstrekkende wetenschappelijke beteekenis. En hij memoreerde:
„Tot het volkomen genarcotiseerd worden is noodig:
„a. het zich bewust onderwerpen aan de operatie, door het met den wil
in de tweede macht verzwakken van den wil in de eerste macht;
„b. het zich onderbewust onderwerpen aan de operatie, door het
onderbewust onderdrukken van den onderbewusten wil door het
onderbewustzijn van de tweede macht onderdrukken van het
onderbewustzijn in de eerste macht.”
En hij formuleerde dit in „achter-gedachten” aldus (wil)^2 : (wil)^3 =
w × w : w × w × w, of algemeen de W (op zichzelf) is symbool van de
(W)^x, zijnde de wil als levensdrijfveer concrete eigenschap van den
wil als abstractie (W)^x, gelijk deze (W)^x weder is omsloten in den
Al-wil, voor te stellen als ((W)^x)^x, als synthèse op eenvoudige wijze
tot zijn simpelsten vorm terug te brengen als ((X)^w)^w.
Op hetzelfde oogenblik, dat prof. Leyden aldus zijn indrukken op
anti-laïstische wijze formuleerde, contrôleerde hij tevens de
formulatie op zichzelf en met groote voldoening constateerde hij, dat
hij hoewel men bezig was hem te narcotiseeren, in stede van z.g.
bedwelmd te worden, zich helderder voelde en meer in staat tot de
functies der zuivere rede dan ooit te voren. Maar met de echt
wetenschappelijke voorzichtigheid om nooit een feit aan te nemen,
zonder te bedenken, dat een feit altijd resultante is van een ander
feit, doch nooit axiomatisch een feit op zichzelf is, ging hij thans
na, wat de oorzaak kon zijn van dit ongewoon scherp en helder denken
tijdens het toedienen van chloroform-zuurstofdampen met het
inhalatie-toestel van Roth-Dräger. Terwijl hij hierover nadacht, voelde
hij dat de wijze, waarop hij dacht, anders was dan gewoonlijk. Het was
alsof het orgaan waardoor de ziel het denken geleidt, alsof zijn
hersenen, vervangen waren door een orgaan, dat minder substantiëel dan
de grijze massa was. Hij voelde dit orgaan niet als grijs maar als
cobalt-blauw, intens cobalt-blauw met lichter-blauwe emanaties. En
dadelijk stelde hij, wetenschappelijk geschoold als hij immers was,
vast dat het orgaan, waardoor hij thans dacht, zoo het al geen
phosphorus was, toch zeker phosphoresceerde.
Met dit bewustzijn trachtte hij op concrete wijze op de hoogte te komen
van zijn toestand in dezen oogenblik. Doch hij bleek daartoe niet in
staat, hoe zeer hij zich ook inspande. Hij had een gevoel alsof hij in
rhythmische zweving verkeerde. Daarom besloot hij voorloopig afstand te
doen van de concrete observatie en zich over te geven aan de abstracte
intuïtie. En dit met een laatste rest van bewustheid doende, stelde hij
vast, dat wat hij bewustheid noemde, op dit oogenblik voor hem
onderbewustheid werd en beter wetenschappelijk ander-bewustheid te
noemen was, terwijl wat hij vóór de narcose als onder-bewustzijn zou
hebben geformuleerd, inderdaad nu voor hem het normale, gewone
bewustzijn, het bewustzijn onderworpen aan een wilsvorm in een eerste
macht, was geworden.
Op het oogenblik, dat prof. Leyden dit feit constateerde, lag zijn
lichaam volkomen roerloos en gevoelloos op de operatie-tafel
uitgestrekt en was de narcose volkomen, zoodat de operateur kon
beginnen met de eerste snede in de opperhuid, ten einde de gereed
gehouden klieren, kort te voren uit het lichaam van een
genarcotiseerden aap gesneden, plaatselijk in het lichaam van prof.
Leyden aan te brengen. Te zelfder tijd was er bij de juridische
faculteit een consternatie, gelijk in een mierenhoop, waarover een
motorfiets is heengereden. Want prof. Leyden had onbetwistbaar een
poging gedaan, de wet, welke zoo duidelijk gebood na het 70ste jaar als
professor af te treden, te ontgaan door te trachten, juist na dien
leeftijd, jonger en krachtiger dan ooit, wetenschap te vergrooten door
wetenschap te verdeelen.