III.

Toen prof. Leyden zich aan de operatie onderwierp, was hij met het

vaste plan bezield geweest, voor zoover het maar eenigszins ging, te

onderzoeken welke de verschijnselen en bij-verschijnselen van de

narcose zijn. Hij had in zijn praktijk reeds honderden malen de

patiënten na hun herstel omtrent de indrukken, welke zij bij, tijdens

en na de narcose hadden opgedaan, ondervraagd. Hoewel hij zoo in het

bezit van een groot aantal voor de wetenschappelijke behandeling van

het narcose-vraagstuk belangrijke mededeelingen was gekomen, toch had

hij het ware studie-materiaal niet verworven. De patiënten waren

doorgaans te veel onder den indruk van de gebeurtenis, te bevreesd voor

een, altijd mogelijken, dood tijdens of dadelijk na de operatie onder

narcose, dan dat zij zich voldoende nuchter rekenschap van ’t geen met

hen gebeurde, konden geven. Daarom voelde prof. Leyden, toen hij nu

eindelijk zelf zich op de operatie-tafel uitstrekte en „onder de kap”

zou gebracht worden, een zekere blijmoedige voldoening om niet te

zeggen, blijdschap. De aanwezige jongeren, de aspirant-medici waarvan

gehoopt werd, dat enkelen het eens tot medicus zouden brengen, met hun

gewoon gebrek aan flair en genie om een goede diagnose te stellen

(waarvoor èn flair èn genie gevoegd bij goed geluk noodig zijn)

schreven deze vroolijkheid van den ouden heer op de operatie-tafel toe

aan zijn verwachting, dat hij na de operatie, als een van henzelf, zich

weder aan de velerlei vermaken van de jongelingschap zou kunnen

overgeven. Waarbij de professor dan het voordeel zou hebben, niet op

vaders, ooms of tantes kas, ja zelfs op moeders huishoudgeld te moeten

teren, doch voorzien te zijn van een professors-honorarium, benevens

een in den loop der jaren door de gegoede patiënten vereerd niet

onaanzienlijk kapitaal. Hoe weinig doorzien lichtzinnige studiosi het

hart eens waardigen voorgangers, zelfs op het oogenblik dat hij zich op

de operatie-tafel neerlegt, ten einde door een kunstbewerking zijn

zilveren haren te doen veranderen in de kastanje-bruine lokken des

jongelings. Verre er van, dat prof. Leyden in deze oogenblikken dacht

aan toekomstige jongelings-liefdesavonturen, hoewel prof. Leyden sedert

decennia weduwnaar was, gingen al de gedachten van den eerwaardigen

bijna zeventigjarigen geleerde slechts naar één doel—den dienst der

wetenschap tot heil der lijdende menschheid. Onbevreesd voor den dood

na een leven, vervuld van studie, arbeid en menschlievendheid, niet in

het minst onder den indruk van al de voorbereidingen in de

operatie-zaal, die immers voor hem even gewoon waren als het koken van

de aardappelen voor een keukenmeid, popelde hij als het ware van

vreugde, dat hij nu eens rustig, nuchter en toegerust met een streng

wetenschappelijke veelomvattende studie ten aanzien van het geval, de

narcose en haar verschijnselen van nabij zou kunnen onderzoeken. Te

voren had hij nog in een rede, welke door een rector-magnificus bij het

openen der college’s gehouden, tot zelfs de bewondering van de

on-deskundige reporters zou afgedwongen hebben, welke deze rede, als

naar gewoonte verkort en van de hoofdzaken ontdaan, naar hun couranten

hadden te seinen, aan zijn assistenten uitgelegd, waarom in zijn geval

een injectie van stovaïne in den zak van de ruggemergvliezen, niet

aanbevelenswaardig was. Hij had het chloroform-zuurstofinhalatie

toestel van Roth-Dräger, dat gebruikt zou worden, zelf nog te voren

nagezien. Hij had nog eens uitvoerig aan zijn assistenten en de

aspirant-medici (voor hoevelen der laatsten was dit paarlen voor de

niet-corpsleden geworpen?) uitgelegd, dat hij aan chloroform de

voorkeur boven aether gaf, omdat bij de aethernarcose de kap zoo groot

is, dat zij het geheele gelaat omsluit, ter voorkoming van verlies door

de ontwijking der vluchtige dampen. De kap, bestaande uit een netwerk

van vernikkeld koperdraad, waarover een stuk molton met de ruwe zijde

naar binnen is gespannen, bedekt het gelaat geheel, waardoor de zoo

hoogst nuttige contrôle van de gelaatstint van den patiënt onmogelijk

wordt.

Het chloroformkapje is kleiner. Evenwel, aldus doceerde de eerwaardige

geleerde, één oogenblik voor hij zich op de operatie-tafel uitstrekte,

chloroform werkt bijtend op de huid. Om een verbranding door afdruipend

chloroform te voorkomen verzoek ik daarom de zuster, die hiermede

sedert jaren speciaal is belast, ook mij thans, den neusrand, de wangen

en ten laatste de lippen met vaseline in te smeren. Het aantal druppels

chloroform, dat moet verdampen heb ik zelf bepaald, ten einde zelf de

geheele verantwoordelijkheid van deze operatie op een, zich overigens

volkomen gezond gevoelend mensch, te dragen. In het uitnemende toestel

van Roth-Dräger, zullen deze druppels zich geregeld met zuivere

zuurstof mengen.

„En nu, mijne vrienden, tot straks, na het ontwaken. Mors vita est.”

De verpleegster smeerde de lippen van den professor met vaseline in.

Het masker werd op een gedeelte van het gelaat gebracht, zoodat neus en

mondholte waren afgesloten, de kraan van den stalen cylinder waarin de

zuurstof zich bevond, werd geopend en professor Leyden, niet zonder het

gevoel van bevrediging, dat elken waarachtigen wetenschappelijken

onderzoeker ondervindt, wanneer hij de natuur een nieuw geheim hoopt te

gaan ontwringen, ontving de eerste indrukken van den bewusten, nuchter

observeerenden mensch onder narcose.

Hij bemerkte, dat de patiënten welke hem allen onveranderlijk gezegd

hadden, dat het eerste gevoel overeenkomt met het gevoel, dat men heeft

even vóór het inslapen ’s avonds op bed, gedwaald hadden, zooals immers

van leeken op wetenschappelijk gebied altijd moet verwacht worden. Daar

men hun te voren had gezegd, dat het eerste gevoel ongeveer zoo zijn

zou, suggereerden zij zichzelf, dat het ook zoo was. Niet anders gaat

het met de menschen, die z.g. mooie natuurtafereelen voor ’t eerst

bezichtigen, nadat de schrijvers in hun reisgidsen allen eenstemmig

verklaard hebben (ter wille van de advertenties op de achterste of

voorste pagina’s van het boek), dat bedoeld natuurtafereel bijzonder

mooi is. Zij vinden het natuurtafereel verrukkelijk of schitterend,

zelfs als een dichte mist het tijdens de bezichtiging aan het oog

onttrekt. Er zijn weinig menschen, die een eigen overtuiging hebben en

er zijn er nog minder, die den moed bezitten van die eigen overtuiging

te gewagen. De meeste menschen gaan hun leven door onder suggestie’s

van anderen en van de voorgeslachten, zonder zelfs tot het bewustzijn

te komen van hun eigenlijk inwendig ik en diens werkelijke indrukken en

ervaringen.

Het was, constateerde prof. Leyden, geenszins het gevoel van voor het

inslapen des avonds. Het was integendeel het gevoel van voor het

inslapen des middags voor het dutje. De niet-wetenschappelijk gevormde

mensch, meent dat er tusschen die beide perioden geen verschil is. Doch

een wetenschappelijk toegerust man als prof. Leyden, kende heel goed

het onderscheid tusschen het inslapen tegen den nacht, nadat de zenuwen

en de spieren zijn afgewerkt, de atmosfeer door het verdwijnen van het

zonlicht en de uitwaseming van aarde en planten van andere

samenstelling is geworden en het inslapen op den middag na het diner,

in het volle licht van de zon, met het bewustzijn op zijn hoogst na een

uur weder te ontwaken. Degeen, die zich des avonds te slapen legt, doet

dit met een volkomen overgave aan de lange nachtrust en zijn doel is

een zoo diep mogelijke en zoo vast mogelijke ononderbroken slaap van

zes tot acht à negen uren. Hij zoekt een vergetelheid, overeenkomende

met een vorm van dood-zijn. Maar wie voor een namiddag dutje

„insluimert”, zoekt slechts een tijdelijk, licht herstel van krachten.

Hij wenscht geen zoo groot mogelijke vergetelheid, maar alleen de

hersenfuncties eenige oogenblikken buiten werking te stellen. Men knapt

een „uiltje” en staat dan op „frisch als een hoentje”. Deze populaire

uitdrukkingen wijzen er op, dat het middagslaapje overeenkomst heeft

met den lichten slaap van vogels. De middagslaper is als de uil, die in

het zonlicht niet of zeer onvolkomen ziet, hoewel hij niet slaapt,

wanneer des daags de vogels ondeugend plagend en tartend om hem heen

vliegen.

„Niet als het inslapen des avonds, maar als het inslapen voor het

middagdutje” constateerde prof. Leyden en hij dacht er heel helder bij:

„Al weder een bewijs voor mijn stelling om den niet-wetenschappelijke

slechts naar de wijze van den wetenschappelijke te vertrouwen.”

Hij begon nu de geluiden in de operatie-zaal als meer verwijderd te

hooren. Doch opnieuw betrapte hij den leek op de gewone vergissing, den

schijn van het feit, voor het feit zelf te houden. Niet de geluiden

kwamen inderdaad van ver af. Dit was slechts zelf-suggestie. Inderdaad

waren de geluiden even dichtbij of ver-af als gewoonlijk. Een der

aspirant-medici, toegelaten tot het bijwonen van de kunstbewerking had

de groote achteloosheid betoond, in een linnen operatie-jas te

verschijnen, die door een klein, arm waschvrouwtje gewasschen was in

stede van in de inrichting. Het arme vrouwtje had de operatie-jas,

evenals de andere wasch, gedroogd voor het fornuis in het eenige

vertrek, dat zij bewoonde met haar acht kinderen, haar eigen moeder en

haar schoonmoeder, benevens haar luiaard en dronkaard van een man, die

zoodra hij bemerkt had, dat zijn vrouw als waschvrouw de kost voor het

gezin kon verdienen tot de overtuiging was gekomen, dat hij de

„slavernij” op de fabriek of werkplaats en den stok van den patroon kon

ontgaan, door zichzelf tot stokdrager over zijn deemoedige huissloof te

bevorderen en voortaan geen anderen heer meer te erkennen dan koning

Alcohol. Het gevolg van dit te consequent doorvoeren van het principe

der absolute monarchie was, dat de linnen operatie-jas van den

aspirant-medicus of semi-arts, rook naar al de geuren en geurtjes van

wat overdrachtelijk een troonzaal kon genoemd worden, als jenever,

chloor, huishoudzeep, kinderluiers, in ranzige olie gebakken panharing,

slechte tabak, cichorei-aftreksel, kortom naar de geuren, die eens den

grooten poëet Shakespeare er toe brachten te zeggen, dat het „volk

stinkt”. De operateur had nu den geur der armoede van den linnen jas

van den student opgemerkt en den uit een beurs studeerenden

aspirant-medicus dringend verzocht onmiddellijk de operatie-zaal te

verlaten.

Professor Leyden nu, hoorde eerst het verontwaardigd bevel van den

operateur als van verre te komen. Maar daar ook hij zich ergerde over

de lakenswaardige onvoorzichtigheid van den jongen student, werd zijn

bewustzijn plotseling verscherpt en hij hoorde thans opeens weer

duidelijk en van heel dichtbij, dat een der assistenten „schandelijk!”

zeide, waarop de operateur weder antwoordde: „Houdt u bij uw taak. Ik

heb hier toestemming noch afkeuring van u noodig!”

Het lag prof. Leyden op de lippen om te zeggen: „Volkomen juist,” toen

hij zich nog bijtijds herinnerde, dat zijn lippen met vaseline besmeerd

waren en niet geopend behoorden te worden. Dat hij zich dit herinnerde

en zoo volkomen helder kon denken, achtte prof. Leyden een feit, van de

meest verstrekkende wetenschappelijke beteekenis. En hij memoreerde:

„Tot het volkomen genarcotiseerd worden is noodig:

„a. het zich bewust onderwerpen aan de operatie, door het met den wil

in de tweede macht verzwakken van den wil in de eerste macht;

„b. het zich onderbewust onderwerpen aan de operatie, door het

onderbewust onderdrukken van den onderbewusten wil door het

onderbewustzijn van de tweede macht onderdrukken van het

onderbewustzijn in de eerste macht.”

En hij formuleerde dit in „achter-gedachten” aldus (wil)^2 : (wil)^3 =

w × w : w × w × w, of algemeen de W (op zichzelf) is symbool van de

(W)^x, zijnde de wil als levensdrijfveer concrete eigenschap van den

wil als abstractie (W)^x, gelijk deze (W)^x weder is omsloten in den

Al-wil, voor te stellen als ((W)^x)^x, als synthèse op eenvoudige wijze

tot zijn simpelsten vorm terug te brengen als ((X)^w)^w.

Op hetzelfde oogenblik, dat prof. Leyden aldus zijn indrukken op

anti-laïstische wijze formuleerde, contrôleerde hij tevens de

formulatie op zichzelf en met groote voldoening constateerde hij, dat

hij hoewel men bezig was hem te narcotiseeren, in stede van z.g.

bedwelmd te worden, zich helderder voelde en meer in staat tot de

functies der zuivere rede dan ooit te voren. Maar met de echt

wetenschappelijke voorzichtigheid om nooit een feit aan te nemen,

zonder te bedenken, dat een feit altijd resultante is van een ander

feit, doch nooit axiomatisch een feit op zichzelf is, ging hij thans

na, wat de oorzaak kon zijn van dit ongewoon scherp en helder denken

tijdens het toedienen van chloroform-zuurstofdampen met het

inhalatie-toestel van Roth-Dräger. Terwijl hij hierover nadacht, voelde

hij dat de wijze, waarop hij dacht, anders was dan gewoonlijk. Het was

alsof het orgaan waardoor de ziel het denken geleidt, alsof zijn

hersenen, vervangen waren door een orgaan, dat minder substantiëel dan

de grijze massa was. Hij voelde dit orgaan niet als grijs maar als

cobalt-blauw, intens cobalt-blauw met lichter-blauwe emanaties. En

dadelijk stelde hij, wetenschappelijk geschoold als hij immers was,

vast dat het orgaan, waardoor hij thans dacht, zoo het al geen

phosphorus was, toch zeker phosphoresceerde.

Met dit bewustzijn trachtte hij op concrete wijze op de hoogte te komen

van zijn toestand in dezen oogenblik. Doch hij bleek daartoe niet in

staat, hoe zeer hij zich ook inspande. Hij had een gevoel alsof hij in

rhythmische zweving verkeerde. Daarom besloot hij voorloopig afstand te

doen van de concrete observatie en zich over te geven aan de abstracte

intuïtie. En dit met een laatste rest van bewustheid doende, stelde hij

vast, dat wat hij bewustheid noemde, op dit oogenblik voor hem

onderbewustheid werd en beter wetenschappelijk ander-bewustheid te

noemen was, terwijl wat hij vóór de narcose als onder-bewustzijn zou

hebben geformuleerd, inderdaad nu voor hem het normale, gewone

bewustzijn, het bewustzijn onderworpen aan een wilsvorm in een eerste

macht, was geworden.

Op het oogenblik, dat prof. Leyden dit feit constateerde, lag zijn

lichaam volkomen roerloos en gevoelloos op de operatie-tafel

uitgestrekt en was de narcose volkomen, zoodat de operateur kon

beginnen met de eerste snede in de opperhuid, ten einde de gereed

gehouden klieren, kort te voren uit het lichaam van een

genarcotiseerden aap gesneden, plaatselijk in het lichaam van prof.

Leyden aan te brengen. Te zelfder tijd was er bij de juridische

faculteit een consternatie, gelijk in een mierenhoop, waarover een

motorfiets is heengereden. Want prof. Leyden had onbetwistbaar een

poging gedaan, de wet, welke zoo duidelijk gebood na het 70ste jaar als

professor af te treden, te ontgaan door te trachten, juist na dien

leeftijd, jonger en krachtiger dan ooit, wetenschap te vergrooten door

wetenschap te verdeelen.

Nieuw Utopia · 第 3 / 30 题