II.

De toestand van Prof. Dr. G. Leyden richtte de aandacht van de

geleerden op het wezen der narcose. Tot heden had men aangenomen, dat

door het gebruik van chloroform, lachgas, ether, chlooraethyl tijdelijk

sommige functies van een zeker deel der hersenen buiten werking worden

gesteld, waardoor gevoelloosheid intreedt.

De narcose, opgewekt door inademing van het verdoovende middel waardoor

het vluchtige narcoticum met de ademhalingslucht in de longen komt en

vandaar met de zuurstof in het bloed wordt opgenomen, waarop het bloed

het naar de hersenen voert, verlamt de werking van dit centraal orgaan,

concludeerde men. Maar de locaal-anaesthesie of plaatselijke

ongevoeligheid kon langs dezen weg niet verklaard worden. Men bereikte

deze plaatselijke ongevoeligheid ten eerste door afkoeling. Op de huid

nabij het te behandelen lichaamsdeel werd een snel verdampende

vloeistof gedruppeld, opdat de door de verdamping ontstane afkoeling de

werking der gevoelszenuwen zou opheffen. Vroeger werd het meest hiertoe

aether gebezigd, later het nog eerder kokende chlooraethyl. Ten tweede

gebruikte men zenuwvergiften, hoofdzakelijk cocaïne. Door indruppeling

van een 1 tot 5% oplossing in het oog of de uretra of door het betten

met een in cocaïne gedrenkte tampon van neus of keel kunnen de

uitwendig bereikbare slijmvliezen voldoende verdoofd worden om eene,

voor een kortdurende operatie voldoende, gevoelloosheid te verkrijgen.

Om het zenuwvergift niet te sterk te doen werken, werd soms omsnoering

van het te behandelen lichaamsdeel gebezigd of de cocaïne vermengd met

adrenaline.

Adrenaline wordt verkregen uit de bijnier en heeft de eigenschap om

zelfs in zeer sterke verdunningen onze bloedvaten te vernauwen,

waardoor de bloedtoevoer naar de slijmvliezen zooal niet geheel

afgesloten, dan toch zeer verminderd wordt.

Maar waarom nu juist deze stoffen verdoovend werken en waarom zij bij

verschillende personen op zoo geheel verscheiden wijze resultaten

geven, zoodat b.v. het lachgas sommige menschen buitengewoon vroolijk

en luidruchtig (vandaar de naam), anderen echter diep zwaarmoedig

maakt, wist men niet. Het waren de psychologen en de physiologen die

tot de conclusie kwamen, dat narcose wel een zichtbare werking op en

van zenuwen en hersenen veroorzaakt, maar dat de eigenlijke werking

uitgaat van de ziel.

De geheimzinnige bron van alle levensfuncties—de ziel—werd thans voor

’t eerst aan een streng wetenschappelijk onderzoek onderworpen. De

mensch bleek dus in staat door zekere stoffen zooals o.m.

chloroformdamp invloed op de ziel te kunnen uitoefenen. Het zichtbaar

resultaat van dien invloed was verdooving, was lichamelijke

gevoelloosheid. Maar wat waren de onzichtbare resultaten?

De meeste patiënten verhaalden later dat zij, toen zij genarcotiseerd

werden, eerst langzaam alle indrukken voelden vervagen. Zij hoorden ten

laatste de stemmen der nabijzijnde personen, professor, dokter,

verpleegster als van heel ver te komen. Daarna nog slechts zwakke

geluiden, die niet meer tot het bewustzijn doordrongen of niet meer

door het geheugen werden bewaard. Maar dan ontstond een toestand,

gelijkend op den nachtdroom, doch intenser, sterker, kleuriger.

Sommigen droomden verward. Anderen pijnlijk. Anderen kregen visioenen.

Maar er waren er ook, die den narcose-droom als een zaligheid hadden

ondervonden. Alle besef van tijd, plaats, lichamelijke gebondenheid was

verdwenen en zij hadden in een toestand van schoone extase verkeerd,

welke naar hun zeggen, voor hen, zeer nabij kwam aan ’t geen zij zich

als hemelsche zaligheid of het eeuwige, tijdlooze geluksleven na den

dood, altijd hadden voorgesteld.

Inderdaad gebeurde er echter iets geheel anders. De tijdelijke

vergiftiging door de chloroform- of andere dampen veroorzaakt, dreef de

ziel uit het lichaam, in het lichaam alleen de regeling der animale

functies achterlatende. Deze animale functies kan men b.v. waarnemen

bij het hart, wanneer het hart uit het lichaam wordt genomen en dan nog

blijft doorkloppen. Bij kippen, die men plotseling den kop afhakt, ziet

men vaak, dat het kop-looze lichaam nog een eind snel voortloopt om aan

de laatste impuls, te vluchten van de plaats des gevaars, uitvoering te

geven.

De ziel verlaat dus tijdelijk het vergiftigde lichaam, dat voor haar

geen bewoonbare plaats aanbiedt en begeeft zich naar de sfeer van de

zuivere Psychia. Daar toeft zij, wachtend tot het lichaam, waaruit zij

verdreven werd, weder voor haar bewoonbaar is geworden. Duurt de

onbewoonbaarheid van het lichaam voor de ziel zoo lang, dat de animale

impulsen door de ziel voor haar vertrek achtergelaten, geheel verbruikt

zijn, dan is het voor de ziel onmogelijk in het lichaam weder te

keeren. Zij blijft voortaan in Psychia, in het zielerijk, en het

lichaam, zonder ziel en animale impulsen, vervalt en gaat tot

ontbinding over. Dit noemt men sterven, hoewel het slechts het scheiden

is van een onbruikbaar geworden hulsel.

Hoe nu is de toestand in het zielerijk? Bij benadering is vast te

stellen, dat de toestanden in zieleland in overeenstemming zijn met de

gesteldheid en den aard van de ziel, zooals de toestanden in het

ziel-in-stoffelijk lichaamrijk in overeenstemming zijn met die

combinatie van ziel-in-stof. De ziel heeft geen lichaam—dus bezit ook

het zielerijk geen lichamelijkheid. Zij, de ziel, kent geen tijd, geen

vorm, geen gestalte, geen begin, geen einde maar deswege Is zij toch en

Is zij zichzelve bewust van haar zijndheid. Dit moge op ’t eerste

vernemen wonderbaar klinken, maar iemand, die blind geboren is, bezit

niet de faculteiten van het zien als iemand, in ’t bezit van een paar

normale, gezonde oogen. Toch ziet de blindgeborene van ’t oogenblik,

dat hij ter wereld komt, doch hij ziet op een andere wijze dan degeen

die oogen heeft en daardoor ziet hij ook geheel andere dingen en de

dingen geheel anders. Hij ziet met de ziel. En daar de ziel tijd noch

afstanden kent, eeuwig onveranderlijk is, de heugenis heeft van al het

eeuwige, dat is hetgeen geschied is, geschiedt en geschieden zal, ziet

hij zoolang hij als kind onbewust is, met de oogen van het verleden,

als hij ouder wordt en bewuster, met de oogen van de toekomst en wordt

daardoor vaak profetisch, wordt „de blinde Ziener”. Zoodra men hem door

onderricht leert voelen, tasten, hem lichamelijke, ruimtelijke

voorstellingen bijbrengt, krijgt hij als het ware een zeker soort

lichamelijke oogen in zijn vingertoppen, zijn voetzolen, zijn

ellebogen, zijn knieën, zijn schouders, zijn neus, zijn lippen enz.

enz. en naar de mate hij vordert in het gebruik van deze gevoels-oogen

(of gevoelstasters en horens) zal zijn vermogen om met de zielsoogen te

zien verminderen en ten laatste zoo goed als ophouden. Eerst als op

hoogen leeftijd deze lichamelijke gevoels-oogen weder verzwakken en

afstompen (juist als de normale oogen bij den normalen mensch) zal zijn

zielsoog zich weder in zijn dienst stellen en daarom zijn „de blinde

zieners” doorgaans ook grijsaards. Want de jeugd, ook de blindgeboren

jeugd, wordt verhinderd in het zuivere zien, dat is het vooruitzien,

door de zinnelijkheid. De ouderdom kan de toekomst zuiver en

onzinnelijk toetsen aan verleden en heden en daardoor in enkele

gevallen tot ware profetie komen. Want in het zielerijk is alles wat

gebeurende is, ook reeds gebeurd en alles wat gebeuren zal, reeds

gebeurende, daar er immers in het zieleland niet zooals in ons normale,

gewone leven, een verdeeling is van tijd en ruimte. Toen nu professor

Leyden onder narcose van de klieren uit een dierenlichaam voorzien was,

gebeurde er iets, dat wonderbaarlijk scheen, maar inderdaad zuiver

logisch verklaard kan worden.

De ziel had het onbewoonbaar geworden lichaam tijdelijk verlaten, na

voor eenigen tijd animale impulsies te hebben achtergelaten. Deze

animale impulsies nu werden door de ingeënte, dierlijke klieren

automatisch opgenomen en automatisch opgevolgd, zoodat het lichaam niet

tot ontbinding kon overgaan, maar integendeel zich lichamelijk animaal

verjongde. Desondanks bleef het helaas voor de ziel onbewoonbaar, daar

door dezelfde impulsen als de animale werkingen voortgingen, de

chloroformdampen vastgehouden werden. Zoo dus verbleef de ziel van

professor Leyden in Psychia, in het zielerijk en daar de ziel geen

besef van tijd heeft, bleef zij daar toeven, wachtende op het ontbinden

van het lichaam. Maar daar deze ontbinding niet geschiedde,

tegengehouden door de werking van de animale ziel, welke met de

werkzame klieren aan een levend dier ontnomen, in het lichaam van prof.

Leyden was gebracht, ontstond er een toestand van stationaire

gescheidenheid van ziel en lichaam, zonder dat op deze de volkomen

scheiding door de ontbinding van het stoffelijk lichaam volgde.

Ziedaar waarom de medische faculteit voor een geval stond, dat voor

haar stimulans werd tot de meest diepgaande en voor de menschheid

zegenrijke onderzoekingen en de juridische faculteit tot een aantal

nieuwe wetsontwerpen inspireerde, welke alle ten doel hadden het zoover

te krijgen, dat ook ten aanzien van een bewustelooze, maatregelen

konden genomen worden ter bestraffing van volgens haar ontoelaatbare

wetsontduiking.

De juridische faculteit, er op uit een vergrijp tegen den vorm van de

wet, te wraken en te wreken, eischte niets minder dan de veroordeeling

van prof. Leyden tot een boete van ten hoogste duizend gulden subsidair

één dag hechtenis voor elke niet betaalde vijftig cent, reglementair

aangevuld door de straf van de twee dagen op water en brood, welke

volgens de wet op elken hechteling toepasselijk is.

Onderwijl bleef professor Leyden rustig zijn narcotischen slaap

doorslapen en onbewust van het groote gevaar, de juridische faculteit

tegen zich in ’t harnas gejaagd te hebben, ademde hij kalm als een

mensch, wien het animaal-lichamelijk naar den vleeze gaat en wiens ziel

verleden, heden en toekomst kent in de synthèse der psychische extase.

Nieuw Utopia · 第 2 / 30 题