DOOR
BERNARD CANTER
AMSTERDAM
VAN HOLKEMA & WARENDORF
NIEUW UTOPIA
door
Bernard Canter.
Aan Dr. B. J. C. te Hennepe Jzn., door wiens
woord, geschrift en voorbeeld, de schrijver
tot het vegetarisme werd gebracht.
I
De reeksen van zonderlinge gebeurtenissen, welke wij thans in dit boek
gaan verhalen, berusten op abstracte waarheid. Vandaar, dat zij veel
bestrijding zullen vinden van de zijde dergenen, die alleen in staat
zijn een concrete waarheid te begrijpen. Maar daardoor wordt aan de
waarheid op zichzelve geen schade toegebracht. „Wat is waarheid?” vroeg
eens Pilatus. Hij toonde daardoor, dat hij behoorde tot de, zeker niet
zeldzame soort van lieden, die altoos bereid zijn te vragen: „wat is
dit?” en „wat is dat?” ten einde voor zichzelf te verbergen, dat zij
geen ziel bezitten en daardoor geen antwoord in zichzelf vinden op de
vraag „Wat Is?”. Want daar wij zijn, is er een Is. Voor lieden, die
niet zijn, daar zij in stede van een ziel, slechts verstand, dat
armelijke surrogaat, bezitten, luidt het antwoord op: „Wat Is?” niet
„Ik ben”, maar „Ik ben geweest”. Mochten toch al deze lieden zonder
zijn, zonder wezen, er voor goed geweest zijn. De menschenwereld zou
dan verder gelukkiger kunnen worden, verlost van het vergankelijke
verstand en opnieuw vervuld van de eeuwige Ziel.
Professor Godefroy Leyden, den leeftijd van zeventig jaren bijna
bereikt hebbende en daardoor volgens de Nederlandsche wet, gedwongen
zijn ambt neer te leggen, voelde zich zeer bedroefd, dat hij zich
voortaan van het geven van onderricht aan zijn leerlingen zou moeten
onthouden. Want hij had in den loop der jaren de ondervinding opgedaan,
dat hij nooit zelf meer leerde, dan wanneer hij den studenten
onderricht gaf. Daarom besloot hij op het laatste college, dat hij had
te geven en dat beëindigd zou worden door een proef, zichzelf aan die
proef te onderwerpen. In die dagen, kort na het beëindigen van de
kleine botsing tusschen eenige volken, welke die volken zelf daarna,
zonder eenig besef van de overdrijving, de schier tragi-komische
overdrijving, waaraan zij zich schuldig maakten, „den grooten
wereldoorlog” (sic!) noemden, beweerde een geleerde, dat het voor den
mensch mogelijk zou zijn, de eeuwige jeugd te verwerven, door de
transplantatie van eenige dierlijke klieren in het eigen lichaam. Dit
lag zoo in de richting van de wetenschap dier dagen, welke
materialistisch en dierlijk, soms gedoceerd door lieden, wien zelfs elk
besef van hoogere menschelijkheid, dat is de vreeze des Heeren, het
beginsel der wijsheid, ontbrak, door dierlijkheid tot goddelijkheid
meende te kunnen komen. Laat ons hen deswege niet veroordeelen, maar
bedenken, dat ook dit een der wegen van de Godheid was om ons in Hare
Richting meer te doen ontwikkelen. Niet voor de stroom zijn laagste
beddingen heeft gevonden, kan hij zijn einddoel, de monding in de
groote Zee, bereiken.
Inderdaad ging professor Leyden op zijn laatste college er toe over, in
de hoop, dat dit laatste college weder zou worden zijn eerste en hij de
eeuwige jeugd zou kunnen beërven, zich door zijn assistenten te doen
opereeren en op eenige plaatsen in zijn lichaam klieren van apen te
doen aanbrengen. Wel werd er van wege de juridische faculteit sterk
tegen deze handelwijze geprotesteerd, daar een dergelijke wijze van
handelen als wetsontduiking werd geduid. De medische faculteit stoorde
zich daar echter niet aan, immers gewend er aan, dat de juridische
faculteit, den vorm van de wet tegen den geest van de wet in
bescherming neemt. Helaas, de wet dwong den professor op 70 jarigen
leeftijd tot het neerleggen van zijn ambt, omdat de wetgever den mensch
na zijn zeventigste jaar geestelijk en lichamelijk niet krachtig genoeg
meer acht, den jongeren onderricht te geven. Gelukte het nu, door een
zekere behandeling, een mensch van zeventig jaren weder de krachten van
een mensch van dertig jaren te geven, dan verloor, zeker voor dien
verjongden mensch, de wet haar eigenlijke bedoeling. Maar juristen
hebben een afkeer van de eigenlijke bedoeling der wetten. Rechter en
advocaat zijn altijd met elkaar in strijd ten aanzien van de ware
bedoeling der wet en bij elke rechtzaak is er ten slotte slechts één
persoon, die diep in zichzelf de ware bedoeling van de wet ervaart, dat
is degeen, die tot de lijdende partij behoort. Want in zijn ziel
ervaart hij, en hij alléén, waar de wet des menschen faalt en de wet
Gods niet.
De operatie van de overplanting der klieren gelukte uitstekend en toen
professor Leyden uit de operatie-zaal naar het bed op de ziekenzaal
werd gebracht en daar ter ruste gelegd, totdat hij uit de narcose zou
ontwaken, twijfelde geen der aanwezige medici en aspirant medici,
(onder welke laatsten er velen waren, die nooit medicus zouden worden,
zelfs voorzien van een tasch vol bullen, waarop gedrukt stond dat ze
het waren,) of zij zouden hun hooggeschatten en moedigen professor in
het leven èn als hoogleeraar behouden.
Zelfs toen tegen den avond professor Leyden nog altijd niet uit de
narcose ontwaakt was, maakten de collega’s, die hem behandelden, zich
niet ongerust. Want pols- en hartslag waren bevredigend, de ademhaling
was, de omstandigheden in aanmerking genomen, normaal te noemen en er
bestond dus geen vrees dat de operatie, in stede van de eeuwige jeugd,
den eeuwigen dood zou brengen.
Toen in den nacht professor Leyden nog altijd bewusteloos bleef, vonden
de collega’s het toch geraden een onderzoek in te stellen bij den
dokter, die den professor had gechloroformiseerd. Maar deze uitnemende
specialiteit had alle voorzorgen genomen, welke de wetenschap slechts
kon eischen en zelfs in aanmerking genomen, dat hij een man van bijna
zeventig jaren onder narcose bracht. En het was op bevel van professor
Leyden zelf geweest, dat afgezien was van locale anaesthesie, daar
professor Leyden zich er te goed bewust van was geweest, dat hij, zoo
hij bij kennis de operatie op ’t eigen lichaam had bijgewoond, niet de
gewenschte passiviteit zou hebben kunnen betoonen en daardoor de
operateurs afgeleid of wellicht nerveus gemaakt.
Den volgenden morgen bleek professor Leyden nog altijd niet tot het
bewustzijn teruggekeerd te zijn. De verdooving hield aan en bleef
aanhouden, tot groote ontsteltenis van de collega’s, de pleegzusters en
vele van professors patiënten, welke laatste van zijn beterschap hun
beterschap verwachtten.
De medische wetenschap stond hier, als zoo vaak bij de toepassing van
nieuwe methoden, voor een geheel nieuw feit, waarvan voorloopig geen
werkelijk wetenschappelijke verklaring was te geven. Polsslag,
hartslag, ademhaling en bloedsomloop waren bij den patiënt normaal. Er
werd geenerlei verzwakking geconstateerd, hoewel de bijna
zeventigjarige patiënt vast noch vloeibaar voedsel gedurende al dien
tijd genoten had. Maar het bewustzijn keerde niet terug.
Thans ging men er toe over, eenige wetenschappelijke kunstbewerkingen
toe te passen ten einde den patiënt weder te doen ontwaken. Doch alle
middelen faalden, ether noch ammoniak, wasschingen noch injecties,
rhythmische tongoefeningen, zuurstof, kamfer en electriseertoestel noch
lavementen hadden eenigerlei gunstig gevolg.
De patiënt bleef rustig in zijn bedwelming voortslapen, zonder eenig
kenteeken van verzwakking te toonen. Integendeel, hij lag rustig en
kalm, als iemand die in een diepen maar gezonden slaap is verzonken en
zijn waardig gelaat werd verhelderd door een uitdrukking van schier
bovenaardsche tevredenheid. En tot verwondering van de medische
faculteit, scheen het proces der verjonging zijn gang te gaan. In stede
dat professor Leyden, die toch geenerlei voedsel tot zich nam, steeds
meer vermagerde en verzwakte, schenen de ingeplante klieren haar
werking te doen en zag men den slapenden grijsaard als het ware
langzamerhand jonger worden. De rimpels van zijn gelaat slonken weg.
Hij kreeg een gezonde, jeugdige tint. De ademhaling werd krachtiger, de
polsslag sneller. De patiënt maakte geen ziekelijken indruk. En als de
pleegzuster nu en dan het ooglid optilde, was het blauwe oog van den
professor helder en scheen te blikken naar een ver visioen, dat hem
verbaasde en verrukte tegelijkertijd.
En zoo was professor Leyden zelf de meest interessante patiënt van zijn
zoo beroemde kliniek geworden, werd hij het middelpunt en het
studie-object van de meest vooraanstaanden onder zijn collega’s.
Slechts de juridische faculteit bleef met groote verontwaardiging het
ziekte-proces volgen, bereid om zoodra dit proces ten einde was, den
ontwaakten professor tot slachtoffer van een juridisch proces te maken,
daar hij zich aan den vorm van het recht vergrepen had.
Een dergelijke handelwijze vervolgt de juridische faculteit altijd met
groote hardnekkigheid en zij rust niet voor het vergrijp tegen den vorm
der wet, gewraakt en gewroken is. Dit behoedt haar er voor, gedwongen
te worden studie te maken van den geest der wetgeving.