de Juffrouw, rood-beschenen door de lampekap, zat tegenover haar aan
tafel; zij zag erg moe, maar lachte toch vriendelijk en Sprotje was
zoo gelukkig! een heerlijke innigheid overstroomde haar; en Wilmpje
zat naast juffrouw Jonkers, want het was overdag en toch brandde de
lamp en zijzelf stond aan de tafel. Zij had een nieuwe muts op en
Wilmpje stak zijn handje naar de keelbanden uit; zijn oogen lachten
en zijn open mondje was heelemaal vochtig; toen gaf zij opeens hem
een zoen daarop; zij voelde de weeke zoelte tegen haar lippen;
zij keek op: meester Jonkers stond in de waranda, maar het was
meester Jonkers niet; hij lachte schril en kwam een stap naderbij;
Sprotjes hart verstijfde van schrik; zij wou gillen, maar haar keel
was toegeschroefd! De roodharige man greep naar juffrouw Jonkers,
en benauwd schreeuwend werd Sprotje wakker.
Toen wist zij opeens, in dat zwarte nachtuur, hoe innig zij van
juffrouw Jonkers hield; en zachte Wilmpje had zij lief zoo vreeselijk
diep en teêr, dat zij schreide, schreide met haar hoofd in het kussen
om haar moeder niet te wekken, en daarna gezwollen en heet wakker
lag tot den morgen, met die eene onheelbare schrijning, dat dit hevig
geliefde onbereikbaar was en verloren voor altijd.
Den volgenden morgen kon zij de wreede en dierbare gevoelens van dien
nacht niet meer geheel terughalen, en in de dagen daarna vervaagde het
alles al meer; doch een zachte, sterke genegenheid, die geen wanhoop
gaf maar gelukkigheid, was toch achtergebleven, en zij voelde, dat
zij die haar leven door niet meer verliezen zou.
Toen in Februari de eerste milde dagen kwamen; en die aanhielden, en
iedereen riep, dat het nu al voorjaar scheen, toen begon ook Sprotje
zienderoogen op te fleuren; haar bewegingen werden minder vermoeid
en haar grauwe gezichtje kreeg een gezonder tint. Zij sprak ervan
om weer naar de catechesatie te gaan, aarzelde alleen omdat de oude
domeni haar wel vergeten scheen en al de weken, dat zij verzuimde,
niet eens eenmaal naar haar was komen vragen; dat had Sprotjes hart
wel wat afgetrokken van den domeni en de catechesatie en zoo ging
zij ten slotte dan ook niet.
Het was overigens geen vroolijke tijd bij hen thuis; Ant, die al naar
de vijfentwintig liep, had voor het eerst van haar leven een soort
verkeering, een vrijerij van niet-en-graag, zooals de moeder zei,
met een beurtschipper op Duitschland, die elke twee weken één dag
daar aan den wal lag, dien dag uit hun keuken niet was weg te slaan
en de verdere veertien dagen niets van zich hooren liet. Die vrijage
zonder houvast maakte Ant humeurig, wat ze nooit geweest was; en met
Sien stond het al niet beter gesteld.
--Als ze 'r nog langer aan 'r kop kakelden, verklaarde die met een
gezicht, dat niet mak was, dan kon die heele jongen van Bertels met
zijn duiten en zijn ouders en al naar de maan loopen. De eene week
gaf zij al haar geld aan een strik of een veer uit en de andere liep
zij met haar neus in den wind en verkoos alleen haar oudste spullen
te dragen.
De lange middagen, en nu vaak de avonden ook, alleen samen thuis,
bespraken de moeder en Marietje dit alles breedvoerig en met veel
beklag; de moeder vond het een uitkomst, die steun van het kind;
want Ant ging haar ontvallen, dat voelde ze wel.
--'t Was maar goed, zei ze eens, dat Merie nog bijtijds uit die
jakkerderij van Jonkers was weggekomen. Maar daar kwam Sprotje hevig
tegen op:
--Jakkerderij? 't fabiek waar ze haar heen gestuurd hadden, dat was
een jakkerderij, en juffrouw Jonkers, die was vrij wat meer bedot
geweest dan zullie.... als je zoo'n zwak kind in je dienst kreeg....
Zij was niet meer naar den dokter gegaan om een briefje voor melk,
maar als een troostrijke vastheid was, die dagen door, in haar hoofd
de uitspraak, dat ze een dienst moest hebben van tusschen twaalf en
tweeën naar huis....
Maart bracht opnieuw gure dagen van drogen Oostenwind, die het kind
deed hoesten en haar een stuk achteruit zette. Maar in April was
het zomer.
--Haar ongeluk was geweest, redeneerde Sprotje bij zichzelf, dat
zij met den winter was beginnen te dienen.... dienen was 's winters
zooveel zwaarder.... de kachels iederen morgen, en het kolen-scheppen,
en de kou in de keuken, en de kou in bed.... het huis, dat zooveel
stoffiger was van 't stoken, en je verkleumde vingers, waarmee je
niet vorderen kon.... In het voorjaar, met de mooie dagen, dàn zou
het goed gaan, en dan was je tegen den winter gewend....
--In Mei, toen ze van de naaischool kwam, had ze dadelijk een
dienst moeten krijgen, ze had zich niet eerst ziek moeten beulen bij
Hoogeboom.... Dat ze dàt thuis gewild hadden, bleef als een zwarte
wrok nabroeien in haar hart.
Maar nu was het voorjaar gekomen.
De meidoornhaag om de Hanekamp stond dichtgegroeid van al het jonge
groen en de lijnbaan wemelde van zonnige schaduw, zoo barstten reeds
de kastanjes in blad. Tot aan den verren trein-dijk, en linksaf nog
verder en wijder naar den horizont van mistig blauw, lagen de weiden,
één eindelooze, effene en diepe groenheid zonder bloemen nog of
vlekken van grazend vee.
De wind was luw en geurig en bracht de vol-zoete reuk mee van
muurbloemen, die ergens in de buurt in bloei moesten staan. Soms stak
reeds de zon.
Sprotje was van een geheimzinnige afgetrokkenheid vaak; zij kon
tijden droomerig tegen het achterhekje van hun kleine erf staan
aangeleund en maar vaag in de verte turen, oogen naar de wollige
wolkjes, die van een treingang, heel wit in 't wazige lenteblauw,
waren achtergebleven, of kijken zonder te zien naar het komen en gaan
van den grauw-geboezelaarden touwslager langs de deinende lijnen,
die glommen als gouden draden in de zon.... als soms plotseling
zijn schrille fluitdeun over het land kwam gestooten, of als in de
timmerwerf daar naast-aan, van tusschen de stapelingen blanke planken,
een snerpende zaag te knarsen aanving, dan schrok zij wakker, streek
zich duizelig met de klamme hand over de oogen.
Andere dagen weer had zij buien van groote werklust en bedrijvigheid.
"Zou je nou zeggen," kwam dan wel de moeder ongeloovig, "dat dat kind
iets mankeert?"
Sprotje kreeg het vermoeden, dat zij beraadslaagden haar naar een
naaiwinkel te doen. 'r Moeder dreef, dat zij vaker de juffrouw van
twee deuren verderop zou gaan helpen.. Ze kon ook wel eens een steekje
leggen, zonder dat er iets mee te verdienen viel.... je leerde er toch
altoos wat....; en Ant praatte over het zusje van Gerritje en over de
nicht van Eiltje, die bij juffrouw Gerrevink in de Koorsteeg waren....
Het kind had aanstonds een vaststaand beeld in haar hoofd gehad van
zoo een naaiwinkel, en dat beeld was haar iets van enkel afschrik
en angstigheid: een naaiwinkel, dat was haar naaischool van vroeger,
met grooter, treiterachtiger meiden en kwajer juffrouwen, die je niet
meer leerden, maar waarvoor je verdienen most.
Een weerzin toonde zij plots tegen de gezellige uurtjes en tegen
elk vertrouwelijk gesprek met haar moeder; van haar geïnde stuivers
hield zij, zoo vaak zij de kans schoon zag, een paar centen achter
en zij kocht heimelijk nog twee schorten, naaide die in de alleenige
morgenuren, verstopte ze dan in de commode-lâ.
Zij had een hoofd vol kleine listen en gluiperige berekeningen.
En in het midden van Mei, op een avond onder het boterham-eten,
juist als de eerste maal, zei Sprotje plotseling, maar bits nu,
en met een vijandigen blik de tafel rond, dat ze "een dienst had,"
en trotsch er nog achteraan: "bij 'n Mevrouw."
Ze zei niet in hoeveel diensten wel, die laatste weken, zij zich
tevergeefs had aangemeld.
En dien avond ging vrouw Plas naar den Waterveldschen weg, waar op
nummer 27 de Mevrouw woonde, Verscheer of Verschoor, dat wist ze niet
meer, met nog een naam erbij,--om te praten over het in dienst komen
van haar meissie.
--Gek...., dacht zij onder het gaan,--daar liep ze nou weer als in
't najaar naar meester Jonkers.... en wat of dit nu geven zou? Zij
voelde de pijnlijkheid van het doellooze en ging met wel goeden wil
maar zonder verwachtingen.
Zij werd in een klein vertrekje gelaten--of ze maar even in de
spreekkamer wou komen--maar zij zag dadelijk dat de menschen daar
huisden. Zij kreeg geen stoel.
De Mevrouw was groot en zeer zwaar gebouwd; zij had een bloedrijk
en gebruind gelaat, met een forschen rechten neus en troebel-bruine,
ontwijkende oogen; boven het wantrouwende voorhoofd bolde een dikke,
witte kuif, die jeugdig stond. Zij vroeg zenuwachtig veel, op een
heerschzuchtigen toon, maar met meestal afgewende en overal elders
bezige blikken, en ze hield een sleutelbos in de hand.
--Dus Marie had al gediend?.... Jonkers.... een meester....? ja, die
kende zij niet.... Of ze een kamer kon doen?.... wat eten koken?.... ze
bedoelde, eens naar de pot kijken, als zijzelf uit moest.... Enfin,
dat zou ook wel leeren, als ze maar van aanpakken was.... was ze dat
wel?.... kon ze lampen schoon houden?.... bedden opmaken?.... had ze
katoenen japonnen?.... witte schorten?....
Vrouw Plas scheen verwonderd, gaf korte, onwillige antwoorden.
--'s Zondagsmiddags moest ze ook komen, om de visites in en
uit te laten.... dat kon niet anders geregeld worden.... was ze
gezeggelijk?.... niet brutaal?.... droeg ze mutsjes?....
De moeder knikte vaag en vreemd bevangen van ja. Ze herinnerde zich
het vinden van dat mutsje in Merie's spullen, toen die ziek was thuis
gekomen, "'t Schaap," dacht ze bij zichzelf.
--'t Was toch zeker wel een stil meisje?.... een net meisje?.... een
dat niet met jongens liep?....
En als de moeder met een lach de schouders optrok:
"Ik vraag het maar," zei de Mevrouw, "je ziet dat zooveel
tegenwoordig.... ik heb dit meisje er niet op aangezien.... mijn
dochter heeft haar het langst gesproken.."
Vrouw Plas begreep niet, hoe je dat kind van haar er lang op zou
moeten aanzien, om te weten of ze al dan niet met jongens liep.... 't
Wás toch ook om te lachen....
Maar de drukke stem praatte al weer door:--met hun tweeën woonden
ze, haar dochter en zij.... haar dochter was aan de post.... zooals
haar overleden man.... die was postdirecteur geweest.... En of Marie
strijken kon?.... eens een stukje goed verstellen, als dat zoo voor
kwam?....
Vrouw Plas keek al stugger, gebaarde stilzwijgend.
Dan dempte de Mevrouw haar dravende stem, zei op beteekenisvollen toon,
of 't haar lijfspreuken waren, wat zij vond, dat een goed dienstmeisje
toekwam, en wat zij daaromtrent háár plichten dacht. Ze had vroeger een
meid acht jaar gehad, en een vijf.... dat was geweest toen "menheer"
nog leefde....
Maar vrouw Plas liet zich niet vangen.--Verdraaid, as dat mensch
niet uit den Oost kwam, en die kon je nooit vertrouwen.... Ze vroeg,
zoo kortaf dat het brutaal klonk:
"Wat kan m'n meissie hier verdienen?"
"Veertien stuivers en tweemaal boterhammen," zei de Mevrouw, resoluut,
over een innerlijke onzekerheid heen.
En toen de moeder besluiteloos, maar heel stuursch keek:
"'t Is om te beginnen natuurlijk."
"Merie het al twaalf stuivers en de volle kost gehad om te beginnen,"
zei vrouw Plas.
"Dan zal ze 't in die dienst ook wel niet lang gemaakt hebben,"
beet de Mevrouw terug. "Een kind, dat je eerder elf dan veertien
zou geven," zei ze nog beleedigd. Den sleutelbos, dien ze al dien
tijd in de hand had gehad, lei ze met een kwade rinkeling neer, nam
'm met de andere hand weer op. "Is ze wel gezond?"
Toen kwam er een weifeling door de duistere oogen der moeder
gevaren. Zij gevoelde zich als op haar wondbare plek plots gestoken.
--Dáár hadt je 't weer!--dacht ze fataal.
Maar in instinctmatige zelfverdediging antwoordde zij kalm en beslist:
"'n Taai gestel, zeit de dokter."
Een verderen uitleg gaf zij niet.
"Zoo...." kwam de Mevrouw, schijnbaar nadenkend.
--Nu, ze konden het dan eens probeeren.
En op haar lijfspreukelijken toon, wier nerveuse heftigheid de moeder
tot tegenspraak prikkelde en die haar toch overblufte ook, zei de
Mevrouw nog een aantal dingen: dat de goede dienstmeisjes tegenwoordig
dun gezaaid waren, maar de goede diensten al evenzoo.... en dat zij
nooit van veranderen had gehouden.... en dat alle arbeid zijn loon
waardig was, doch dat de mindere man tegenwoordig wel van "rechten"
wist te praten maar van "plichten" niet hooren wilde....
Toen vrouw Plas opvallend gehaast dan weg ging, knikte de Mevrouw,
verschrikt en mistrouwig, haar een schril goeden avond toe.
--Nou, zei Ant den volgenden middag,--die dienst, waar Merie nou kwam,
dat most er een wezen van dertien in een dozijn en drie op den koop
toe!.... Geen fabrieksmeid, of die had wel een nichie of een vriendin,
die dáár weggeloopen was....
"Tja...." zuchtte de moeder.
"Merie wil het zelf....," zei ze een oogenblik later.
"Mót ze vast werk hebben of mot ze het niet?" vroeg zij nog weer,
als in 'n grooten onvree met zichzelf.
Ant aarzelde even. "Ja, 't zal wel motten," zei die dan beslist,
"en ze is er ook niet an getrouwd!"
Toen zuchtte de vrouw nog eenmaal en trok in een berustende
ontmoedigdheid de schouders op.
En des Maandagsmorgens, om even voor achten, stond Marie Plas op
het kleine bordes-stoepje van No. _27a_, het bovenhuis aan den
Waterveldschen weg, waar Mevrouw Verscheer ter Gouwe woonde.
Zij zag er in de puntjes proper uit, brandschoone schort, glanzig
mutsje, en zij had een warm hoofdje vol zelfbemoedigingen en vol
goede voornemens.
Maar van den eersten dag af, dat Sprotje in dezen dienst kwam, had
ze een weerzin tegen de menschen en een weerzin tegen het huis.
Mevrouw liet haar, om te beginnen, het salon bijschuieren, een
salon, dat vol mooie meubelen stond; toen het klaar was, moesten alle
gordijnen weer dubbel dicht, want grijsblauw was zoo'n "onvaste kleur"
en de voorjaarszon "trok zoo uit"....
--Als er iemand belde, die boven gelaten moest worden, zoo gaf
Mevrouw nog nadere verklaring, dan ging zijzelf wel gauw licht
maken.... Daarna kwam Sprotje in een slaapkamer, die armoedig leek,
en in het kleine huiskamertje moest zij stukken oud karpetgoed leggen,
om het halfsleetsche vloerkleed nog wat te sparen. Sprotje, elke
maal dat zij daarna iets binnen bracht, achtervolgd door schichtige
"pas op's" van Mevrouw, stond duizend angsten uit, te struikelen over
de opschoffelende bobbels en de omkrullende, rafelende randen. De
looper op de trappen mocht alleen liggen tusschen twee en vieren,
als er visite kon worden verwacht.
Sprotje vond het wel deftig, dat zij nu bij een heusche Mevrouw diende,
maar zij had dadelijk al een vaag-sterk vermoeden, dat het bij die
Mevrouw eigenlijk heelemaal niet deftig wás.
Mevrouw liep 's morgens in oude mooie-japonnen met veel slijtages
en vlekken en glimmingen van vet; des middags zat zij een paar uur
in kraak-nieuwe zijden blouses op haar balcon, maar bij regenweer
verkleedde zij zich niet, en Sprotje moest zeggen, als er bezoek kwam,
dat Mevrouw uit was.
Mevrouw praatte veel over den rijkdom van haar salon. Dure meubelen
waren het, alles ebbenhout en gebrocheerd satijn.... de fluweelen
gordijnen alleen hadden honderd gulden gekost en er stonden porceleinen
bordjes in den bonheur, die hun gewicht aan goud waard waren.
Nee, dat begreep Sprotje wel, het was in dezen dienst zeker niet
rijker en royaler dan bij meester Jonkers, en zij verwonderde zich
waarom zij daar wel en hier niet tevreden was met de twee pillen van
boterhammen voor avondeten en ontbijt.
Ze was bang voor Mevrouw; zij voelde dadelijk iets van onredelijkheid
en wantrouwen en grillig humeur. Ze was ook bang voor de juffrouw, die
koeltjes vriendelijk deed en ziekelijk bleek te wezen. Doch het waren
bangheden, die haar niet gedwee maakten, maar kregelig en malcontent.
Mevrouw zei: "doe nou eens éven dit.... doe nou eens gáuw even dat,"
en dan waren het soms karweien, waar zij een uur lang de handen aan
vol had.
Mevrouw had een opvallend heimelijke manier om vlak voor Sprotjes
oogen zakjes weg te sluiten en schaaltjes mee te pakken, alsof er van
alles zou genomen worden en gesnoept, en Sprotje kon geen boodschap
doen of er was navraag en uitrekening, waarin duidelijk de argwaan
lag van bedot te worden.
Met een zot grijnsje over zichzelf dacht het kind nu vaak aan de
voorstelling, die zij zich eens gemaakt had van haar leven in een
dienst: bij stille, goede menschen wonen, en daar alles zoo proper en
ordelijk houden als 't maar mogelijk was, menschen die haar vriendelijk
zouden binnenroepen en vragen of ze dit eens doen kon en dat.... En
dan 's avonds knus zitten in een keurig keukentje, waar alles zou
glimmen van 't zeepsop en het schuurzand en de poetspommade!
Hier, werd zij beknibbeld op een klontje soda en op een heiboendertje
van anderhalven cent. Mevrouw sneed de vuurmakers half door en
zij mocht toch maar twee stukjes gebruiken om 't fornuis aan te
leggen. Mevrouw stal de kluitjes groene zeep uit den keukenpot,
spaarde die op in de provisie-kast,--en zij moest met haar half pondje
toch de week rond komen.--Veel zeep gebruiken was lui zijn, beweerde
Mevrouw bij haar neus weg... zij moest er maar de botten opzetten,
als zij boende,... ze hoefde niet bang te zijn, dat zij het hout pijn
zou doen.... een zweetje moest er afgehaald, dat was gezond....
Mevrouw vergat nooit op de klok te kijken voor ze om een boodschap
ging: ze moest de beenen maar onder den arm nemen, want ze was me
een hardloopertje van luie kees....
"Lak met ouwels," zei Mevrouw gebelgd, als Sprotje volhield,
dat het buiten nog geen acht uur had geslagen en de wekker kwart
óver wees.... een tijdje later hoorde zij stiekem morrelen aan het
werk. En op drukke dagen, als bij 't komen de tijd overeen kwam,
en zij ging precies op haar tijd weg, dan was zij nauwelijks om den
hoek van den Waterveldschen weg, bij 't Plantsoen, of de kerktoren
sloeg half een....
Moest zij eens iets doen, wat zij nog nooit gedaan had of wat bizonder
moeilijk was, dan keek Mevrouw haar spottend op de vingers en zei
iets dat Sprotje niet begreep: "daar gaat een bok aan 't glazenmaken."
En toen zij eens, zenuwachtig van 't gejachte werk, zich diep in
den vinger jaapte, vroeg Mevrouw: of er dan geen plaatsje naast was
geweest?--en zij werd boos, toen Sprotje wat lang bezig bleef aan de
pomp met uitwasschen en een doekje omwinden....
"Jij zal ook in geen twee slooten tegelijk loopen," zei ze....
En de tweede week al begonnen de strubbelingen.
Op een morgen kwam Marie zonder mutsje.
"Waar is je muts?" vroeg dadelijk Mevrouw.
"Die zal me moeder wasschen," zei het kind.
"Hei je dan maar één muts?" vroeg Mevrouw hatelijk.
"Ja," zei het kind.
Om twaalf uur kreeg Marie de boodschap mee, dat Mevrouw voor deze
maal een week loon zou vooruit betalen en dat er dadelijk een tweede
mutsje moest gekocht worden, en dat er iedere week een schoon behoorde
te zijn....
Om twee uur kwam Marie met de boodschap terug, dat voor deze maal het
heele loon voor een mutsje mocht worden gebruikt, maar dat ze anders
vast iedere week tien stuivers voor het middageten moest laten staan,
en dat moeder vond, dat er op veertien stuivers loon zeker niet iedere
week een muts wasschen kon overschieten....
"Onhebbelijk volk!" zei Mevrouw, van terzijde.
Met een booswillig hart had Sprotje thuis het bescheid van haar moeder
gehoord: natuurlijk gunden ze haar het plezier van dat mutsje weer
niet.... maar met een nog booswilliger hart bracht zij woordelijk het
bescheid bij haar Mevrouw over; zij begreep, dat tegenover Mevrouw
haar moeder gelijk had.
Voor het eerst van haar leven was Sprotje zich bewust brutaal te zijn
geweest, en zij vond er een genoegen in, het geweest te zijn.
Toen de tweede Vrijdag in dezen dienst aanbrak, zei ze met een
geniepig-stil stemmetje: as dat ze van middag maar tot drie uur zou
kenne blijve, want as dat ze naar de catechesatie most....
Achter een hoestgeluid en de hand voor den mond verborg zij een
lachsperrinkje--Tjee! wat zou er nou komme....
Mevrouw was geschrokken.... Mevrouw keek
nijdig.... Catechisatie?.... was dat bij het in dienst komen
bedongen?.... en ze wist toch dat er vanmiddag bezoek kwam? Mevrouw
keek ook achterdochtig. Sprotje voelde dat ze dacht: "Lak met ouwels,
catechisatie.... langs de straat dweilen met andere doenieten van
meiden!"
Maar toen Mevrouw hoorde dat Marie Luthersch was, trok haar gezicht
plotseling besluiteloos; zij had goede kennissen, die Luthersch waren,
ze wou daarbij niet in een slechten dunk komen....
En met een verongelijkt en schril gezicht zei ze iets, dat als een
dreigement was en een toestemming tegelijk.
Achter in de kleine, witgekalkte consistoriekamer, met zijn twee
hooge boogramen half-weg tusschen de bijgetrokken groen-saaien
gordijnen--in dien rustigen schemer van groen en wit, zat Sprotje
naast de laatstgekomene meisjes en keek rond. Ze was wel heel moe, ze
kon het al leelijk voelen, dat ze weer twee weken gediend had en ze
was wel wat bang ook, dat domeni haar zoo meteen opmerken zou, want
ze kende haar vragen niet...... maar het meisje naast haar vertelde,
dat domeni ook zes weken ziek was geweest en dat ze verleden week voor
het eerst weer niet naar huis werden gestuurd.... er waren toen maar
vier meisjes geweest..... Later in het uur zat Sprotje zoo maar stil
te soezen; 't was zoo vertrouwd en zoo prettig daar weer te wezen,
en vooral ook had zij de verkneukelende voldoening, dat zij hier nu
lekker rustte, en dat haar Mevrouw zelf de deur kon opentrekken en
naar den pot moest kijken.
Maar den volgenden Vrijdag was Sprotje zoo àf, dat ze om drie uur
regelrecht naar huis ging en in den leunstoel in slaap viel.
Iederen middag om twaalf uur sjouwde Sprotje van den Waterveldschen weg
naar het Dijkje, een kwartier gaans, en om kwart voor tweeën sjouwde
zij weer terug van het Dijkje naar den Waterveldschen weg. Zij moest
een lange, schaduwlooze straat door, waar zij op warme dagen het
soms te kwaad kreeg van de hitte; en bij regenweer slierden haar de
sluike katoenen kleeren zoo vermoeiend om de beenen, dat zij twee,
driemaal stil moest staan om uit te blazen; haar armen waren altijd zoo
pijnlijk loom van het werk, dat zij al moeite had het oude regenscherm
te torsen; de vrije hand verslapte vaak in 't ophouden van de klamme
kleerenvracht. In den aanvang van de week liep zij soms al met een
breeden modderrand aan haar rok; eerst waschte zij die 's avonds nog
uit; later was zij zoo overmoe, dat zij er enkel maar verdriet van had,
zonder moed meer tot alweer nieuwe moeite.
Mevrouw, zelf in haar schunnige huisplunje, keek het kind met
hatelijk-afkeurende blikken aan.--_Zij_ kon uit zuinigheid nog wel
eens een oud stuk afdragen, maar het dienstmeisje moest de menschen
onder de oogen komen, die moest open doen, moest de straat op, die
kon niet anders dan er behoorlijk uitzien, om haar dienst niet in
opspraak te brengen. Soms ook snufte Mevrouw, alsof zij iets vies'
rook..... Sprotje kende zelf wel de weeïge lucht, die zij vaak bij
zich had, en waar zij niets aan doen kon.
Sprotje dacht aan de kleeren, die Mevrouw boven in de kast had hangen;
een grijze zijden blouse wist ze, en een zwarte zijden met paarse
biesjes, en een blauwe ruit, en een bruine japon met fluweelen stukken
erin; zij dacht ook aan de ééne katoenen jurk, die nu bij haar moeder
in de waschkuip het vuil stond uit te weeken van zes lange dagen
werk, en aan de andere, die van de naaischool, die nu al zoo dun was
geworden, dat zij 's Zondags wel een uur bezig was 'm op te lappen,
als ze 'm aan moest.
Sprotje begon wereldwijs te worden. Als ze op straat mooi gekleede
Mevrouwen zag, kwam het bij haar op, hoe die er thuis wel uit zouden
zien, en wat voor loon die an 'r meissies geven zouen...... Zij
begreep ook, dat de voordeelige diensten niet weggelegd waren voor
kinderen als zij.
Toen zij, met een ijlen schrik om haar hart, het eerste brutale
antwoord van zichzelf had gegeven, volgden er gauw meer. Zij kreeg
een stiekem gevatheid om van zich af te bijten en zij was zelden in
een dragelijk humeur.
Maar zij werkte zoo hard zij kon, en haar gezondheid, dien zomer door,
bleef redelijk goed.
In het najaar zon zij op het vragen van loonsverhooging, maar met
de eerste November-guurten werd zij ziek en moest tien dagen thuis
blijven. Mevrouw behielp zich dien tijd met een keertje de werkvrouw en
het kind mocht blij wezen, dat zij op hetzelfde loon werd teruggenomen.
Bij haar thuis was de dienst in aanzien gestegen; Merie had er zilver
poetsen geleerd en tafeldekken, als in een deftige betrekking,
en tweemaal kreeg ze een kwartje fooi van menschen, die er hadden
koffiegedronken....
En toen kwam de winter, die één lange worsteling werd voor het kind.