gelooven. Een dienstmeisje dat een muts droeg! dááraan had ze,
bij het kleine loon dat ze gaf, nog nooit kunnen denken.... een
dienstmeisje, dat keurig aan de deur kwam, dat keurig om een boodschap
ging.... Juffrouw Jonkers was zoo blij of ze zelf een mooi cadeau
kreeg! Zij was vol verwachting, hoe het staan zou....
Met onzekere vingers en in een zwijmeling van geluk zette Sprotje
het fijne blanke als een kostbare kroon boven haar mager-bleeke
gezichtje....
Toen strikte juffrouw Jonkers zelf de keelbanden dicht, haalde
losjes de lussen uit, streek even nog de altijd weer neersliertende
haarplukjes terzijde weg; zij deed twee stappen achteruit, om beter
het effect te beoordeelen.
Midden in het keukentje stond het kind, haar oogen neergeslagen; zij
zuchtte tweemaal diep uit.... dan gingen de beide handen bevende omhoog
en tastten met schroomvolle vingers naar het heerlijke, dat zij droeg.
"Netjes.... o wat netjes!" zei de Juffrouw uit den grond van haar hart.
Dien middag werd Sprotje nóg eens om een boodschap gestuurd.
--Wat konden ze eens in huis halen, dat er eerdaags toch noodig zou
zijn? had juffrouw Jonkers, met een kinderlijke opgetogenheid, staan
verzinnen voor haar kast.
Sprotje deed niet haar manteltje aan, het korte, grijze, dat zij voor
de kou over haar katoenen kleeren droeg. Zij ging zoo in haar japon. 't
Was de week van het waterblauwe katoen met de klaverblaadjes, en daar
't pas Dinsdag was, had zij die nog gehouden zonder een spoor bijna
van vuil. Zij had een schoone witte schort voor gedaan, die met de
kruiselingsche sluiting over den rug.
Op haar ingedrongen borstje lagen broos en luchtig de lussen en
einden der mutsebanden, met het kantje als een kostelijk versiersel
daar onder langs.
Stram en zoo rechtop ze kon liep het kind, met een ingehouden
voortvarendheid; er was niets in haar dan een bloo en ijl gevoel van
trots, dat haar hoofdje fijn verstarde. Het boodschapmandje onder
den arm stevende ze helder en wapperig de straat uit....
Juffrouw Jonkers keek haar na achter de vitrage van het slaapkamerraam.
't Was een koude dag, kil weer dat zich naar vriezen zette en er
woei een Oostenwind. Maar het kind voelde wind noch kou. Zij voelde
ook niet de weeë vermoeidheid, die sinds dagen al haar niet meer
verliet. Zij had alle straten van het stadje wel door willen loopen,
voorbij het huis van de naai-juffrouw gaan, voorbij de Veerbrug,
voorbij de Hanekamp.... naar haar eigen huis alleen had ze niet gewild.
In den winkel, waar ze nooit kwam, omdat de meisjes of meester daar
altijd zelf de boodschappen deden, gaf zij, met een hoog stemmetje,
wat heesch van verlegenheid, haar bestelling: een half pond koffie
en een stuiver kaneel....
De winkelier keek haar nadenkend aan, vroeg dan van wie ze kwam.
"Van meester Jonkers," zei Sprotje zachtjes.
"O!" antwoordde de man met de grijze sloof; en hij ging bedaard,
bij kleine scheutjes, wat boonen schudden uit de groene bus in het
zakje op de weegschaal.
"'k Mot gemale hebben," zei plotseling Sprotje fel.
"O!" zei de winkelier nog eens, op zijn bedaard nadenkenden toon;
dan keek hij wat verwonderd en schudde de boontjes weer uit het zakje
in de bus.
Sprotje werd verward; zij begreep volstrekt niet, wat hij met die
o's eigenlijk zeggen wou; en toen zij, de beide builtjes in haar
mand, wat ontnuchterd het winkeltje weer uit kwam, zag zij op eens,
aan den overkant der smalle straat, den vroegeren vrijer van Sien
aankomen.... Sinds den avond van het briefje en de afgetrochelde twee
gulden, had zij Hein niet weerom gezien.
Met onregelmatige rukken en stooten begon haar het hart te kloppen
tot in de keel.
Maar ook de jongen leek beduusd.
Zijn ruw-blozend gezicht kleurde donker tot over het voorhoofd en zijn
rauw-roode mond, onder het witte snorretje, had een weifelenden trek.
Met zijn naakte oogen keek hij het kind goedigvervaard aan.
"Dag Hein," zei Sprotje beverig.
"Dag Merie," zei de jongen verwonderd, of hij haar nu pas zag.
Zwijgend stonden zij tegenover elkaar op het smalle
rood-klinkerstraatje, dat voorlangs de lange kazernemuur liep.
"Chos!...." zei de jongen eindelijk, "dat ik jou daar nou tegen
kom....;" hij keek nog al maar botverbaasd, of hij voor een onoplosbaar
raadsel zijn hoofd was kwijt geraakt.
Sprotje, onrustig, frommelde aan de slippen van haar mutsebanden,
streek verschrikt, als zij 't merkte, die weer glad.
"Keurig!" zei de jongen, "fijn...."
Het kind moest lachen; in een zenuwachtige sperring trok zij hoog de
vale bovenlip tegen de groenbeslagen tandjes aan....; zij herinnerde
zich hoe, den avond, dat hij in de keuken te wachten zat op Sien
die maar niet kwam, en zij haar pas gekregen bedeelingsgoed bekeek,
hij precies hetzelfde tegen haar gezegd had.
Maar dan was ze ook dadelijk weer vol ernst bij de groote gebeurtenis
in haar uiterlijk.
"'n Mooi mussie, hé?" vroeg ze gespannen; "pas nieuw.... 'k dien
nou.... bij meester Jonkers...."
"Zoo...." zei de jongen. Hij keek rond of hij weg wou.
Sprotje, even nog raar lacherig, raakte wat meer op haar gemak.--Gek,
die Hein,.... daar was ze nou dit half jaar telkens zoo bang voor
geweest.... en nou vond ze 't wel prettig hem tegen te komen.... 'r
Mond en 'r voorhoofd trokken ouwelijk-wijs van zich te schikken tot
een knussig praatje.
Maar de jongen, plotseling, schoot fel uit:
"En je zuster?.... het die nou 'r zin?.... nou hèt ze een jongen met
duiten.... en nou mag ze niet bij de ouwers in huis komme.... wat
zeit ze nou....?"
"Ja...." kwam Sprotje, gewichtig femelend op eens, "díé het nou
'r verdiende loon, hé?"
De jongen keek haar met een afwezige kwaadaardigheid aan.
"O.... 'r verdiende loon...." zei hij, tot tegenspraak geprikkeld,
"'t is een knappe meid genoeg om een rijke jongen te verdienen.... maar
bij mijn het ze 't toch smerig late liggen...."
Sprotje keek bevreemd naar hem op.
Toen, in een plotselinge gevoeligheid voor dien zwaren kerel, die 't
zoo goed meende, en die 't voor haar slechte zuster zelfs nog opnam,
zei ze zwakjes-lief: "Ja, en _ik_ geloof, dat ze met jou nog veel
beter af was geweest...."
Het gezicht van den jongen, op een slag, ontspande zich; zijn rauwe
mond had even een weeke trekking in de hoeken en de naakte oogen
keken met trouwhartige dankbaarheid in de verwonderde, bleekgrijze
van het kind.
Die, uit zenuwachtigheid, moest opnieuw lachen.
"Toe nou...." zei de jongen ongeduldig, "je doet nog net zoo raar
as altijd."
Hij had dan zelf een soort goedigen grinniklach, deed twee stappen
op zij langs haar heen.
"Dag Merie," zei hij. En zich nog eens omkeerend: "'t Was maar goed,
dat jij toen dat briefie gevonden hadt.... 'k was anders nog langer in
de luren geleid.. Je ben nog wel bedankt hoor!.... en zeg dat meteen
maar an je zuster ook...."
Toen ging hij door.
Sprot je had een zucht van verluchting. Die twee gulden, die scheen
ie heelemaal vergeten te zijn. Nou, des te beter voor haar.... maar
je most daar wel zoo'n rare as die Hein voor wezen....
Toen ze thuis kwam vroeg juffrouw Jonkers, die met Wilmpje op den
arm open deed:
"En wat zei je moeder ervan?"
"'k Ben niet thuis geweest," antwoordde het kind stug.
"O!.... ik dacht maar," zei de Juffrouw, "omdat het nog al laat
werd.... 't was anders best de moeite waard!" En zij bewonderde nog
eenmaal de keurigheid van de muts en de keelbanden, zoo smetteloos
boven de schoone schort.... Klein Wilmpje wou aan de slippen
trekken.... "Mag niet," schrok Sprotje, schriller dan ze ooit
deed tegen het kind; maar juffrouw Jonkers had ook al "niet doen,
vent!" gezegd.
"De kippen op straat zullen je niet gekend hebben," plaagde zij nog
even; dan schonk zij Sprotje een notendopje brandewijn met suiker in,
omdat ze zoo blauw zag van de kou. Eerst toen Sprotje dat op had,
voelde ze hoe verkleumd haar handen en voeten waren en hoe pijnlijk
haar schouderbladen.
En in de dagen, die kwamen, had het kind veel van de koude te lijden;
een felle Noordenwind, die pal op het keukenraam stond, maakte het daar
in den morgen, als ze haar boterham zat te eten, zoo ijzig of het vroor
van geweld. Zoo gauw de meisjes en meester Jonkers weg waren, haalde
de Juffrouw haar binnen, liet haar schoenen poetsen en lampen doen
bij de kachel, om warm te worden.... maar er was geen warm worden aan.
"Je hebt kikkerbloed, kind," zei ze soms met een lichtelijke
afkeuring, maar dan sloeg haar ook weer de schrik om het hart, als
zij het weggeslonken, grauwbleeke gezichtje zag, waarop, onder de
doffe diepten der beslagen oogjes, alleen wat vaalbruin schemerde
der wintersch weggebleekte sproeten.
't Kind hoestte ook meer dan ze gedaan had en de katoenen jurken
vielen al sluiker en sloviger over haar schriele borst.
Juffrouw Jonkers, als zij dat zag, had wel medelijden, maar het was
haar een ergernis tegelijkertijd. Was zij zelf door over-vermoeidheid
wat prikkelbaar, dan verwenschte zij vaak de kwade kansen, die 't
maar altijd weer op háár gemunt hadden....
Nou had ze 't dan eens getroffen, nou had ze een behoorlijk
dienstmeisje, een met 'n muts nog wel! en de armetierigheid van
den dienst, waar zij hoorde, lag haar nog op 't gezicht... zooveel
moeite deedt je om je fatsoen op te houden, en zoo'n kind had zich
maar aan de deur te vertoonen en iedereen wist, dat daar schrale
Aaltje de pot schafte.... 't Leek heel wat, een volle meid houden,
maar als ze je niet op straat brachten met 'r verhalen, dan deden
ze 't met 'r schooierige kleeren of 'r achterbuurtgezicht, of met
'r stumperige ziekelijkheid als deze....
Een ander maal weer was haar medelijden grooter dan haar ergernis,
en nam zij Sprotje meer werk uit de hand dan ze wel voor haar eigen
gezondheid doen mocht.
En omdat juffrouw Jonkers vaak gehoord had, dat een sneedje gekookt
spek op de morgenboterham zoo'n goed deed, liet ze een ons bij het
spekslagertje uit de Witte-rozenlaan halen. Maar Sprotje verdroeg in
de vroegte den ranzigen vetsmaak niet en werd tweemaal onwel. Toen
probeerde juffrouw Jonkers het nog eens met een sneedje roggebrood
met stroopvet, en toen dat ook niet hielp, bleef het erbij.
En als Sprotje des nachts nog maar goed warm had kunnen worden....;
maar wanneer het buiten woei, tochtte het erg op haar zolderhoek,
en het dunne dek, over het wankele veldbedje zonder zijschotten,
liet zich niet instoppen.
Dat was een vreemd ding in het hoofd van juffrouw Jonkers. Zij wist
wel, dat Sprotje niet genoeg dekking had, maar zij wist ook, dat zij
alles wat daarvoor in aanmerking kwam al bij Christientje en Coba op
bed had moeten geven, en dat er van iets nieuws koopen dat winter geen
sprake kon zijn. En zoo was er de vage zelfsussing in haar hoofd, dat
zulke kinderen thuis ook niet verwend werden, en dat Marie smal was
en de onderste deken wel dubbel kon leggen...... Zij schrikte er voor
terug precies te weten, hoe op het koude stukje afgeschoten zolder de
nachten wel mochten wezen.... maar zij probeerde verscheidene malen,
door daarop ingerichte vragen, een geruststellend antwoord uit te
lokken. Eindelijk liet zij het kind 's avonds een warme kruik mee
naar boven nemen.
De derde Vrijdagmiddag in haar dienst was al aangebroken, vóór
Sprotje, met een vlijming van schrik, bedacht, dat het dien middag
weer catechisatie was geweest. Die had ze telkens vergeten. Maar de
volgende week kwam gedurig de gedachte aan het rustige uur in het
boogramen-zaaltje naast de kerk, met domeni, die zijn pijp rookte,
als iets hevig begeerlijks bij haar binnensluipen.
En den vierden Vrijdagmorgen, schuchter en als schuldig, hakkelde
zij iets van: dat ze Luthersch was en dat ze eigenlijk.... van
middag.... om drie uur....
"Mot je naar de catechisatie?" schrok juffrouw Jonkers.
't Was haar deze maand al een paar maal ingevallen, dat dit
kind,--"femeltje" nog wel, zooals zij haar bij zichzelf soms noemde--nu
eens eindelijk niet met dat eeuwige struikelblok van die onderbroken
middag of morgen in de week aankwam. Altijd die catechisatie! Haar
kinderen gingen er ook niet heen; Jonkers was daar veel te verlicht
voor.... En nou, opeens....
"Kom, je wou toch van middag niet naar de catechisatie?" vroeg ze,
wat schamper ongeloovig.
Er was een stekende teleurstelling in Sprotjes hart.
Maar toen juffrouw Jonkers het kind zoo ongelukkig zag kijken, dacht
ze ook al weer: 't geloof mot je respecteeren.
"Waarom heeft je moeder daar niks van gezeid?" verweerde zij zich
nog zwakjes brommend; "er is net zooveel te doen van middag."
En Sprotje, berouwvol op haar beurt, stelde verontschuldigend voor:
"De volgende week dan misschien, Juffrouw?"
"Nou, goed, de volgende week," kwam juffrouw Jonkers verlucht.
De volgende week schikte zij het uurtje vrij. Sprotje was daar heel
dankbaar voor, en zij droeg het getroost, toen de daarop volgende
weken het weer niet geschikt kon worden.
Op 't eind van November was Sprotje jarig.
Juffrouw Jonkers had haar graag een wollen omslag-doekje gekocht
of een gebreide borstrok; maar ze had slechts negen stuivers te
missen.... Sinterklaas stond voor de deur. En zoo bleef het ook voor
Marie bij het paar halfwollen handschoenen, waarvan een winkeltje
achter de groote kerk de koopjes had.
Van haar thuis, van moeder en de zusters samen, kreeg zij het goed
voor een nieuwe katoenen japon.
Ze hadden het wel een beetje op een goedkoopje moeten vinden, maar
Sprotje was er toch heel blij mee, blijer wel dan met de handschoenen,
hoewel het haar geen liever geschenk was. Het maakloon kon ze nu uit
haar eigen spaardoosje betalen, was er gezegd; doch vóór Sprotje de
japon nog bij de naaister had gebracht, drie dagen voor Sinterklaas,
werd zij plotseling ziek.
Toen zij 's morgens stilletjes in de keuken een grooten bak
winterwortelen te schrapen zat, voelde zij zich op eenmaal als
wonderlijk leeg loopen van binnen, en zonder een woord of een zucht
zakte zij tegen de leuning van haar stoel in zwijm. De bons van den
houten groentebak op den grond deed juffrouw Jonkers toeschieten; die
droeg haar naar de kamer, lei haar in de rieten warandastoel.... Zij
was zeer geschrokken, schrok opnieuw van de gemakkelijkheid, waarmede
het kind te tillen was.... En om twaalf uur moest Christien gauw naar
het Dijkje loopen. Stil zat Sprotje, flauw nog en huiverig, naast de
keukentafel, terwijl juffrouw Jonkers haastig het eten opzette.
Een kwartier later rinkelde de bel weer; Coba kwam zeggen dat "ze" er
waren: in de wijd-open voordeur wachtten de moeder en Ant. Christientje
en Herman keken nieuwsgierig aan de huiskamerdeur.
En klappertandend, onzeker gaand of ze geen grond raakte, kwam Sprotje
vlak achter de Juffrouw aan de gang door. ,
Even keek ze de huiskamer in.... Wilmpje....! maar de meester zat al
aan tafel; zij zag zijn rosse achterhoofd met de dunne kruin....
"Dag Marie," kwam Christientje zacht.
Herman, achter zijn bolle bril, had puilende oogen.
"Gauw beterschap, meid!" zei de Juffrouw, "je hebt hier altijd best
opgepast....!"
't Was een koude dag, en in den sergen doek van haar moeder en nog
een wollen doekje om van Ant, sjokte Sprotje, tusschen Ant en haar
moeder in, op weg, naar huis.
Juffrouw Jonkers keek haar even na; dan deed zij snel de voordeur
dicht. Zij begreep, dat zij het kind in haar dienst niet weerom
zou zien.
En met een plots aanzwellende wanhoop zag zij de overstelping van
werk, die nu weer op háár viel.... Wat moest zij beginnen zonder
hulp?.... zij dacht ook aan de negen stuivers van een advertentie,
als er niet gauw een aanbieding kwam.... alles op háár, en wie zou ze
weer in huis krijgen? Zij voelde tegelijkertijd, met iets van wroeging,
dat zij dit einde altijd wel voorzien had....
Maar binnen riep meester Jonkers boos om zijn eten; hij vaarde tegen
de meisjes uit, die haar lessen voor den middag nog moesten leeren.
En de tafel was nog niet gedekt, en niets was er nog gaar.... zij kwam
de keuken binnen.... achter een beroet ruitje walmde het te haastig
aangestoken petroleumstel. En in een schrijning, die te hoog begon op
te krijten door haar bonzende hoofd, neervallend op den stoel naast
de keukentafel, waar zooeven nog Sprotje gezeten had, schoot juffrouw
Jonkers op eens uit in een krampachtig geschrei.
Thuis werd Sprotje in de bedstee gelegd; zij wisten niet of zij
opnieuw in zwijm was gevallen, dan wel of ze sliep, en zoo bleef het
den middag door.
's Avonds kwam zij stilletjes aan wat bij en kon het noodige aan
Ant zeggen, die haar kleeren zou halen. "En de komplementen an de
Juffrouw", zei ze gelaten.
Juffrouw Jonkers gaf twee chocoladetabletjes mee, die al in huis
waren geweest voor den Sinterklaas....
Maar de drie vrouwen, dien avond, konden haar ergernis niet inhouden
over de vondst van het halfvuile mutsje in den bundel goed.
"Zoo'n nest!" schold Sien, terwijl zij, de hoofden onder de keukenlamp,
het plukje tule, verfomfaaid al uit het pak gekomen, nog verder
beduimelden. Zij doorzochten haar zakken, vonden het sleuteltje van
de spaardoos.... een gulden zoowat was er te weinig.. wanneer had ze
'm dat geleverd....? En de moeder aan 't lamenteeren:--had ze nou
niet elke week zes, zeven stukken gewasschen voor dat kind?.. had
ze de zeep en de brand er zelfs maar voor teruggekregen? maar mutsen
koopen, dat kon zoo'n blaag!
"'t Het er altijd ingezete, hè?" zei Sien,--"die twee gulden toen,
van Hein...."
Zij spraken zachtjes, omdat het een zieke gold.
Het kind, half sluimerend en half duizelig-wakker in haar bedstee,
hoorde vaag en onontroerd, dat er over haar mutsje werd gepraat; zij
dacht aan het tweede, dat zij juist van plan was geweest zich dezer
dagen te koopen; zij dacht er aan zonder vreugde en zonder berouw.
En een week lang kwam Sprotje niet van bed. De moeder, bezorgder in
haar hart dan zij blijken liet, kocht iederen morgen, van wat er
nog in de spaardoos was, voor zes centen paardenrookvleesch, dat
het kind niet dan met den grootsten weerzin doorkrijgen kon. Zij
was zoo zwak, dat zij uren aan één stuk kon liggen met open oogen,
zonder een beweging en zonder een geluid.
"Nee"...., zei vrouw Plas, in een mistroostige fataalheid, "dienen
het ook al geen zin...."
Eerst in de tweede week was Sprotje zoover bijgekomen, dat zij met
haar moeder naar het dokters-spreekuur kon gaan.
Nog bleeker en schrieler dan de vorige malen, maar daardoor
raarder ook met haar kleine bovenlijf en de te ver van den grond
gaande gestijfselde japon, stond zij op het cocostapijt achter de
schrijftafel; de moeder, schuwer eveneens, stond naast de deur.
Weinig maar vroeg de dokter; hij vroeg het, met in den ondertoon van
zijn stem de humeurigheid van voor een geval te staan, waaraan tòch
weinig te doen bleek.
--Duizelig, zoo?.... geen eetlust.... pijn in den rug.... ja,
de gewone klachten.... Was ze ook werkelijk flauw gevallen? Goed
uitrusten hè?.. goede voeding....
De moeder voelde dien lichtelijk onwilligen toon als een beschuldiging
tegen haar, en zij zei wrevelig:
"Ja, as er alleen rijk volk op de wereld woonde, zouen de zieken het
beter hebben."
"Je kwam zeker alleen 's avonds de deur uit?" vroeg de dokter aan
het kind.
"'k Hoefde 's avonds nooit uit," antwoordde die kortaf.
"Dee je dan 's middags de boodschappen?"
"'k Hoefde geen boodschappen te doen.... die deeën ze zelf."
"En waarom deden ze die zelf?"
"Ik denk, omdat de Juffrouw mijn nie misse kon."
"Je was er toch den heelen dag?"
"Ja," zei Sprotje.
"Was er dan den heelen dag wat te werken?"
"Altijd genoeg," zei het kind.
De dokter had een gebaar, dat Sprotje niet verstond.
"Dus kwam ze eigenlijk nooit buiten?" vroeg hij nog eens, nu
rechtstreeks aan de moeder.
Die trok mismoedig de schouders op.
"'k Zou je raden, vrouw Plas," zei de dokter, "zoek een dienstje voor
'r van tusschen twaalf en tweeën naar huis, of iets bij kinderen. Ze
moet de frissche lucht hebben.... ze is bloedarm, begrijp je.... en
wat achterlijk hè?.... hoe oud ben je nu al?"....
"Veertien".... zei Sprotje beschaamd.
De moeder vroeg nog over het hoesten, maar de dokter knikte van nee,
onderzoeken was niet noodig. Dan schreef hij twee receptjes, een voor
pillen, een voor een drank; hij keek ook in zijn groote boek, maar alle
plaatsen voor melk waren bezet. Als ze over een veertien dagen zich
nog eens wou aanmelden, misschien was er dan iets open gekomen.... Ze
moest ondertusschen maar zoo goed eten als zij kon, thuis....
En zoo, zonder eenig verder uitzicht op iets beters, gingen de moeder
en het kind weer heen.
Dienzelfden avond kwam voor de tweede maal Coba van juffrouw Jonkers
om te vragen, hoe het met Marie was; ze vroeg ook, wanneer of Marie
terug kon komen...--moe was voorloopig wel zoowat geholpen, maar lang
kon ze 't toch niet meer zonder een vast meisje stellen....
Sprotje schrok. "'k Zal wel gauw weer beter zijn," zei ze heet.
Maar de moeder, verdrietig, en stug tegen Coba, kwam er tusschen:
geen sprake van, dat Merie de eerste weken beter was; als de Juffrouw
niet langer wachten kon, most de Juffrouw maar naar een ander meissie
uitzien; haar kind was heelemaal afgewerkt; al die weken was ze bijna
de deur niet uitgekommen, tot 's avonds laat had ze motten sjouwen,
dat was geen dienen, dat was afjakkeren....
Sprotje wou iets zeggen; toen begon ze opeens hartstochtelijk
te huilen; zij wist niet, waarom zij haar moeder, die haar toch
verdedigde, zoo brandend haatte in die oogenblikken.
Coba stond schril op; het schreien stond ook haar nader dan het
lachen en zij zag vuurrood "'k Zal 't moe zeggen," bracht ze uit,
en zonder groeten ging ze heen.
Dien nacht droomde Sprotje van klein Wilmpje; hij zat in zijn
tafelstoel en speelde met een looden kopje en melkkannetje
van drie centen, dat Sprotje hem eens meegebracht had op een
Zondagmorgen.... Zij zag zijn dikke witte handje, dat deed of het
inschonk.
"Toppe toffe.... toppe toffe," hoorde ze luid zijn stemmetje roepen;
daarvan werd ze wakker, en ze lag lang te staren in de donkere
bedstee, met een oneindige, weeke, kwellende gloed in haar hartje en
de brandende tranen tusschen haar wimpers.
En nóg eenmaal herbegonnen voor Sprotje de oude dagen van leven en
werken thuis. In den morgen, alleen in hun keuken en kamertje, hield
zij het gerei schoon en schrobde en boende zooveel als haar krachten
het toelieten. 's Middags in den grooten paardenharen leunstoel aan het
kamerraam en 's avonds onder de keukenlamp, boog zich haar pijnlijk
ruggetje boven de stukken goed, die haar moeder, om te verstellen,
uit de werkhuizen meebracht. Voor het zware gordijnen-naaien alleen
was ze nog te zwak en naar de Hanekamp ging ze ook niet meer; daar was,
sinds de geboorte van het zevende kind, een volle meid bijgekomen.
Op een mooien middag liep zij wel eens het Dijkje af tot den oliemolen
en weer terug, maar dat ongewone wandelen vermoeide haar zoo, dat
het bij een paar malen bleef.
En naarmate de weken vloden, werd in het hoofd van het kind
dat tijdsbrok van haar twee maanden "dienen" meer en meer iets
onwezenlijks, iets dat niet met háár gebeurd scheen, en iets van een
angstig-heldere werkelijkheid tevens. Vaak doorleefde zij in enkele
oogenblikken gansche uren en dagen van werken in die kamers en in dat
keukentje, met een zoo pijnlijke duidelijkheid, dat zij plotseling
heel de uitputting van toen zich voelde zinken in beenen en rug. Zij
hoorde weer fel de harde woorden, die haar moeder tot Coba had gezegd,
den avond dat die voor de tweede maal naar haar was komen vragen, en
zij voelde geen liefde meer voor juffrouw Jonkers, maar ook geen haat,
evenmin als zij iets voelde voor haar moeder of voor haar zusters;
haar gevoel scheen afgestompt en zij herleefde alleen maar in haar
herinneringen de lichamelijke kwelling: het zwoegen en bijna niet meer
kunnen, eerst op 't fabriek, en toen in haar dienst. Zij wist door de
vriendin van Ant, dat er bij Jonkers een andere meid was; het liet haar
onverschillig; zij verlangde nu zelfs niet naar Wilmpje. Alleen was
zij zeer vreesachtig iemand uit het huishouden van meester Jonkers te
zullen tegenkomen; zij schaamde zich over wat haar moeder gezegd had,
en het maakte haar onrustig, alsof het een strafbaar iets was geweest.