iederen avond om vijf uur, als 't al weer duisterde, naar huis; en
daar tusschen in nog eenmaal de lange gang heen en terug voor het
bord aardappelen met vet, dat, als zij laat kwam, op het fornuis
stond aan te bakken.
Het was in die dagen, dat Sprotje haar eerste centen op een boodschap
stal en dat zij eens, met een gewurgdheid of ze een misdaad beging,
twee en een halven liter petroleum aan de deur nam en er drie in
rekening bracht.
Haar schriele lichaam boog in de schouders door; zij was wat langer
opgeschoten nog, bijna zoo lang geworden als andere meisjes van
haar jaren, maar bij haar smalte leek ze een slap-lende sladood,
die sjokte en sloofde bij den weg als een afgejakkerde hond.
Sprotje was nu bijna anderhalf jaar aan het dienen, en haar hang naar
keurige kleeren was afgestompt in het gedrang der dagen en dagen méér
werken dan zij kon.
Als zij des Zondagsmiddags, met haar propere spullen aan en met
"De Vinger Gods" voor zich,--het boek, dat alle meiden van Mevrouw
Verscheer des Zondags te lezen hadden gekregen, maar door geen nog
gelezen was--in het kleine keukentje zonder uitzicht de wacht zat te
houden om eenmaal of tweemaal, of ook wel niet, naar voren te komen
als er gebeld werd,--dan had zij nog wel een bleeke voldoening zich
zoo zindelijk te voelen en zelf te zien, dat ze er zoo netjes uitzag;
maar zoodra 's Maandags, in het gehaaste smerige werk, de eerste
veeg of vlek die helderheid was komen besmeuren, liet het haar verder
onverschillig, en zij slonsde de week door, tot zij eindelijk, vies van
zichzelf, 's avonds vaak schreiende en zonder te bidden in bed kroop.
--Nette meisjes deden 's Zaterdags een schoone japon aan, als 't werk
was afgeloopen...... zei Mevrouw.
"Mot u er na betale" antwoordde Sprotje bot, en zelfs zonder een
kleur te krijgen.
Dagen aaneen kon zij gaan naar haar dienst, het werk doen, gaan
weer naar huis, en nog eenmaal dien rondgang en dan slapen, alles in
één dompen nevel van een dier, dat doet wat het moet, met enkel het
vaag-sterke bewustzijn van te moeten doen wat het doet.
Andere dagen weer was zij van een uiterste prikkelbaarheid; thuis zei
ze leelijke dingen terug tegen Sien, als die haar te na kwam, zei:
"mispunt" en "stik," en de moeder wist niet, of zij het jammer moest
vinden, dat het kind zich zoo verhardde, dan wel blij zijn, dat de
oude teuterigheid wat verloren ging.
Maar er waren ook lichtere uren en middagen in Sprotjes leven, dagen
van warmer weer, waarop zij genoot van de zon en waarop zij zich,
als in plotselinge verklaring, weer in woorden bewust werd, dat wat
ondergrondsch altijd het voedsel was van haar taaie volharding: geduld
moest zij hebben..... geduld..... als je 't maar lang in een moeilijke
dienst uithield, kreeg je zelf een goeie naam.... dan moste ze je later
goeie getuigen geven, en met goeie getuigen alleen kwam je vooruit....
Eens, op een middag in Maart, zag Sprotje plotseling, over het
Broerekerkplein, Juffrouw Jonkers aankomen met een jongetje in een
blauw hesje aan de hand, dat klein Wilmpje moest zijn.... Haar hart
hamerde in diepe zware stooten en zij voelde zich geheel koud worden
van ontsteltenis en vreugde. En op eens, in een groote verwarring,
voor zij 't zelf nog wist, was zij een zijstraat ingeslagen, en liep,
liep, of zij vluchtte..... Toen zij, even later tot bezinning gekomen,
terug ging, was juffrouw Jonkers niet meer op het plein.
Dien ganschen verderen dag deed zij in een vreemd-ijle opgewondenheid
het werk, dat zij doen moest; maar 's avonds, al vroeg in de donkere
bedstede, kon zij niet anders dan maar schreien, bitter en heet....
't Was of er iets gansch onherstelbaars in haar leven was gebeurd en
haar hart was vol van een schrijnende genegenheid en een martelend
berouw.
Wat later in het voorjaar kwam zij Herman tegen; die was weinig
veranderd, droeg nog zijn bril, maar hij herkende haar niet.
Sinds die twee toevallige ontmoetingen keek Sprot je altijd op straat
uit; een enkele maal, dat zij niet te moe was, liep zij een eindweegs
in de richting van de Veenvalkstraat.... eens ging zij tot de Drie
Alleetjes door en zag daar, zachtjes kuierend en lezend in een boek,
Christientje loopen, en klein Wilmpje liep naast haar.
Deze maal ging Sprotje niet terug. Toen zij vlak bij het lezende
meisje en het kind was, zei ze schor: "Dag Wilmpje"...... Wilmpje,
een baasje al in een matrozenpakje, keek verschrikt, liep ijlings aan
den anderen kant van zijn zuster en kreeg een kleur van angst. Het
meisje had alleen, verwonderd, even terug geknikt. En sinds dien
middag verlangde Sprotje niet langer iemand uit het huis van meester
Jonkers tegen te komen.
Met de eerste, broeiende zomerdagen begon zij te lijden aan een
stekende hoofdpijn en aan een voortdurende onrustigheid, die haar veel
last gaf. Zij wist nu, wat de oorzaak van die bezoekingen was en dat
troostte haar wel, maar zij voelde het als een schande tegelijkertijd.
En juist in die dagen had zij bizonder goede en vlijtige voornemens;
zij was ook zeer vroom, kon met grooten aandrang en overgave korte,
hartstochtelijke gebeden zeggen. Maar zij was vaak zoo kribbig en kort
aangebonden, dat haar Mevrouw, bang een opmerking te maken, zijdelings
de schimpscheuten luchtte, die zij toch niet voor zich kon houden.
Sprotje dreigde toen ook herhaaldelijk, in bedekten vorm, met heengaan
en bracht het zoo tot achttien stuivers in de week.
Dat was een opkijken thuis! "Zoo'n binnenvetje! Zoo'n goocheme
Gerritje!" Sien gaf haar, tot belooning, een oude regenmantel van
zichzelf cadeau, die Sprotje nog prachtig vond.
Het was tevens een afscheidscadeau. Sien ging met September bij haar
moeder vandaan, ging ook van de azijnmakerij af; zij kwam, als hulp,
in huis bij een tante van de jongen van Bertels,.... daar moest ze
gefatsoeneerd worden en over een jaar of anderhalf ging ze dan trouwen;
zoo hadden de aanstaande schoonouders het geregeld, toen zij zagen,
dat er aan de verkeering niet te tornen viel.
--Sien, die ging nou naar de drilschool, plaagde schamper Ant;--wel
bekwam het haar!.... of ze later 'r moeder en 'r zusters nog kennen
zou?.... Ant had een bedekten haat tegen de "hoogheid" waarin Sien
kwam, en zij was jaloersch bovendien.
Zijzelf scharrelde nog altijd met haar vrachtschipper, praatte veel van
"wonen aan den wal" en "kampeeren aan boord" en "beurten op Essen en
Elberfeld;" zij noemde hun voorkamertje de "kombof" of "het roefje,"
en zei 's avonds dat zij "naar kooi ging" of "onder zeil."
Zoodra Sien was vertrokken, kwam Sprotje boven te slapen, op het nu
onbezette kermisbed; eerst leek dat haar een heuglijke verandering,
het vrij komen uit de bedompte bedstee, waarin haar moeder, breed en
veeleischend in haar zwaren slaap, de grootste ruimte vulde; maar de
dekens, waaronder Sien had geslapen, zaten als volgeslorpt van den
zuren azijn-stank, en dat stond het kind nog minder aan.
Het was toen, dat zij thuis begon te spreken van "veranderen;" ze
wou weer een dienst voor dag en nacht.
De moeder, die den een of den anderen tijd ook Ant bij zich weg trekken
zag, en die bang was alleen te blijven, trachtte het kind de nieuwe
plannen uit het hoofd te praten:--ze wist nou dat ze hier een broodje
had, waarom most ze zich in 't onzekere begeven om er een stukje kaas
nog bij te halen?
Maar Sprotje keek wantrouwig;--'r brood?.. 'r kaas....? daar zouen
ze zich zoo druk niet over maken, of er most wel wat anders achter
steken! Twee, drie avonden in de week trok zij een tijdlang op
dienst-aanbiedingen uit, zonder ooit te slagen.
Zij had dat najaar een bijna ongunstig voorkomen, iets schrils
en flodderigs en een sluike jachtigheid, die dadelijk tegen haar
innamen. Haar gezichtje was nog valer geworden en ook grover van vel;
de sproetenveegjes aan de bovenwangen kleurden verbleekt-vuil daar
doorheen, en onder de dunnige wenkbrauwen lagen de grijze oogen als
dicht bijeen getrokken in een vreesachtige belustheid, die gluiperig
leek en brutaal. Het armetierigste aan 'r waren nog altijd de haren,
de schunnige sliertjes, die achter de ooren langs uit het piekerig
knoetje kwamen geschoten, en de soort poney, die haar in den nek hing.
Als zij des avonds op een dienst was uitgeweest en de afwijzing had
haar ontmoedigd, dan was zij den volgenden morgen van een schijnheilige
voorkomendheid tegen haar Mevrouw.
En toen die haar zoo dikwijls handelbaar en onderdanig zag, begon ze
van haar kant berekeningen te maken.... ze was niet zoo kwaad af met
dit kind, maar ze gaf vier stuivers meer in de week dan zij aan een
nieuweling zou doen... ze was ook wel gevleid, dat Marie al anderhalf
jaar bij hen was, maar haar verjaardag kwam, St. Nicolaas kwam, en
een meid die je anderhalf jaar had, kon je wel moeilijk minder dan
een paar witte schorten geven, als ze daar nog tevreden mee waren....
Toen Sprotje tegen den winter nog eenmaal ziek werd, en, zwak
teruggekomen, eerst niet dan met haperingen haar werk kon verrichten,
gaf Mevrouw haar de keus: maar liever voor goed weg gaan, of blijven
tegen zestien stuivers in de week.
Sprotje, die geen keus hàd, koos het laatste. En zoo worstelde zij
een nieuwen winter door.
Maar met het voorjaar dat dan kwam--ze was toen in November zestien
geworden--brak ook voor haar schamele lichaam de eindelijke wending ten
goede aan. 't Leek wel, of ze nog zwakker was geworden, doch ze werd
ook gezonder. En haar gezichtje veranderde opnieuw van uitdrukking; 't
werd nog smaller maar ook liever, en het vreemd-schrille en rustelooze
was voor tijden soms daarvan verdwenen. Haar oogen vooral, de kleine,
grijze, met de teere wimpers, hadden een schroomvalligen neerblik en
een opkijken vol zachtheid, en de mond, even vochtig, lag soms fijn
geplooid in een vagen, droomerigen glimlach.
Op een zoelen middag in Mei, toen er overal buiten de dwalende geur
hing van in bloei staande kastanjes en van wuivende seringeboomen,
liep, zoetjes verstrooid, Sprotje den hoek bij de Hanekamp om, waar
hun Dijkje was. De zware meidoornhaag rond de uitspanning had hier en
daar sprenkels van wit en roze-rood gebloesemte, knopsels nog maar,
doch de hooge iepenboom in den hof was als een dicht zomerbosch vol
vogelengekweel.
Gesmoord zwart-glanzig van zon lag het kolenwegje recht het land in
naar den oliemolen; als van vloeiend licht leek het boordevol vaartje,
en de lage, weeke weilanden wemelden van bloemen en golvingen van
halmend gras.
Aan de andere zijde, ver over het water, lag het witte, rood-gedaakte
badhuisje te blikkeren in de zon, en het ijle olmen-rijtje daarachter
was bleekgroen in de grijsblauwe zonnelucht.
"Tjee!" schrok Sprotje plotseling uit haar licht en leeg gemijmer op:
daar kwam Hein het kolenpad afgestapt!.... wat deed die hier?.... was
die bij hen geweest?.... omdat Sien nou trouwen ging?....
Maar dan herinnerde zij zich de eerste ontmoeting, toen zij nog bij
Meester Jonkers diende, en een paar andere, vluchtiger, van maar
een knik, en een "bezjoer" naar den overkant der straat: 't was geen
kwaje, die Hein.... Haar ontdane gezichtje klaarde weer op, herkreeg
zijn schijn van stille vriendelijkheid.
Langzaam, met zware stappen over het knerpend gruispad, kwam de jongen
naderbij; dan vertraagde hij aarzelend zijn gang, als zon zijn altijd
moeizaam werkend brein op den aanvang van een gesprek. En toen zij
nog een pas of tien van elkaar af waren, stond hij stil, hield zijn
blakenden kop, bol als van een goedigen bulhond, schuw naar haar heen.
"'k Ben nou vaste knecht aan de oliemolen," zei hij, als een uitleg
waarom hij daar liep.
"Zoo....," verwonderde zich Sprotje, belangstellend.
"Sinds verleje week al...."
Sprotje had in de hand een kleine blauw-gazen vliegen-dekker, die
gerepareerd was, en die zij des middags mee terug naar haar dienst
moest nemen.
De jongen, zijn naakte oogen neergeslagen naar het voorwerp, dat hij
niet thuis wist te brengen, vroeg, fel op eens:
"En wanneer trouwt ze?"
"Vrijdag," zei Sprotje.
De jongen gromde iets binnensmonds. "Was de Donderdag niet deftig
genoeg voor 'r?" smaalde hij.
"Mijn moeder is op de bruiloft gevraagd, maar ze zal wel niet gaan,"
vertelde Sprotje.
"Of ze gelijk het," zei de jongen.... "'t Is een kanjer, die zuster
van jou."
Sprotje knikte onwillekeurig, maar dan weerlei ze toch:
"Hoef jij je daar anders niet zoo dik over te maken... jij hebt toch
ook al weer verkeering met een ander gehad...."
Spannend rood kleurde de jongen over zijn gave, blinkende koonen.
"'t Was heel wat anders als met je zuster, hoor," zei hij heftig; "nou
wou _zij_ wel, maar _ik_ niet.... nou heb ik háár laten schieten...."
"'k Mócht 'r niet," kwam hij nog uitleggend achterna, kalmer al weer.
"Hei je nog altijd sjagrijn over Sien?" vroeg Sprotje met een
zacht-goedig meelij in haar stille stem, en steelswijs zag zij den
jongen aan.
"O!.... dat.... nee.... mot je niet denken," zei die wegwerpend;
"had ik ommers geen andere meid genomen...."
"En waar dien jij nou?" vroeg hij dan, om op een ander onderwerp
te geraken.
"Ikke....?" zei Sprotje, gevleid over de belangstelling, "op de
Waterveldsche Weg."
"Daar diende dat andere meissie van mijn ook," kwam de jongen, met
een naïeve verwondering.
Sprotje voelde zich een kleur krijgen, maar zij begreep niet waarom.
Toen lachte zij. Sinds zij nu zooveel grooter was, hield zij dat
lachen ook beter in bedwang, en 't stond zoo mal niet meer.
"En wat jij groot ben geworden!" zei de jongen; "maar mager
genog.... hei je een goeie dienst?"
"Voor mijn niet kwaad," zei Sprotje, berustend; "meissies as ik
motte lang geduld hebbe, voor ze wat goeds krijgen.... maar 'k ben
er nou al twee jaar.... met goeie getuigen zal 'k nog wel eens beter
terecht komme...."
De jongen zag haar met een stille vertrouwelijkheid aan. "Voor je
zoover ben, mot je heel wat doormaken, hé?" vroeg hij.
"Ja.... jij ben ook al net as ik...." zei hij even later,
nadenkend....; "heb ik een tijd voor vijf gulden in de week motte
ploeteren.... jessis, as 'k daar an denk.... nou krijg 'k er
zeven.... nou ben ik vijfentwintig...."
"Dat komt," zei hij weer, na een ogenblik van moeizamen
gedachte-arbeid, "as je geen vast ambacht kent...."
"As ze van je thuis niks voor je doen....?" vroeg Marie; haar gezichtje
was één zachtheid van begrijpen en beklag.
"Ja, ook al....." zei de jongen vaag; daar scheen bij hem de schoen
niet te wringen.
"'t Ergste is maar, as je 't zoo treft," viel hij dan weer bij,
"jij zoo goed als ik, hé....?" En met dezelfde ondergrondsche
vertrouwelijkheid in zijn goedig vervaarde oogen zag hij haar aan.
"Nou....," zei het meisje op eens, verlegen, "'k mot naar huis, hoor!"
"Weet je wat zoo mal is....?" kwam plotseling de jongen met een
goedigen grinnik, en als buitengewoon vermaakt over iets potsierlijks,
dat hem eensklaps opviel: "Sien is een mooie meid.... en jij ben
heelemaal niet mooi, Merie.... God bewaar me, nee, je heb 'r niks
van.... en toch lijken je op 'r...."
Even keek het meisje verrast; dan overtoog een donker schaamrood haar
verschrikte gezichtje, en haar mond, om de kleine, groene tanden,
trok in een bevende zenuwsperring omhoog.
"Je houdt me voor de gek," stamelde ze dan;.... "ik op Sien
lijken....!"
"Werachtig!" kwam de jongen nog eens, "'t is de waarheid, wat dat
'k je zeg.... vooral nou je zoo rood ziet...."
Hij had zelf een kleur gekregen, tot hoog over zijn voorhoofd en met
een beschaamden en toch vertrouwelijken knik ging hij eensklaps door.
In een duizel van blakende warmte en bloedgebons, geheel verward,
liep Sprotje door den zoelen lentedag hun Dijkje af.
In de verte, als in een damp van zon, schemerde de oliemolen klein
weg onder de hooge lucht....
End of Project Gutenberg's Sprotje heeft een dienst, by M. Scharten-Antink