V. ZUID-LIMBURG.

De Allermooiste Boschplanten van ons land vinden we in Zuid-Limburg.

Daar groeien er verscheidene, die op andere plaatsen in Nederland in ’t

geheel niet te vinden zijn en ook heel veel, die men in Gelderland of

Overijsel slechts hier en daar enkel aantreft. ’t Is daarom voor

iemand, die van planten heeft leeren houden, altijd een bijzonder groot

genot, om eens een paar dagen rond te zwerven in ons Nederlandsch

bergland. Het is zoo geheel iets anders, dan wat we gewoon zijn, die

hooge bergen, diepe dalen, snelstroomende riviertjes en vooral de

steile rotswanden, die bestaan uit echte harde rots en nog wel van

verschillende soorten ook!

Het grootste gedeelte van den bodem wordt in beslag genomen door

bouwland en grasvelden, hier en daar hebben steenkolenmijnen en

fabrieksgebouwen zich breed neergezet in het schoone landschap, maar de

steile hellingen en diepe kloven zijn geheel en al bedekt met mooi echt

wild bosch.

Soms is er geen doorkomen aan, zoo dicht is alles begroeid met

vogelkers, witte kornoelje (44) en hazelaren, doorstrengeld met bramen

en rozen en met de prachtige boschrank (59) of clematis. Die groeit ook

nog wel hier en daar in Noord-Limburg en in Gelderland en heet ook wel

eens in de duinen gevonden te zijn, maar je kunt daar maanden lang

rondloopen, zonder die plant te zien te krijgen. In Zuid-Limburg echter

groeit hij zelfs in alle hagen. Als je van Maastricht over Meerssen

naar Valkenburg wandelt, heb je hem al gauw te pakken. O, wat herinner

ik me nog goed, dat ik voor ’t eerst deze plant over de heggen zag

slieren. ’t Was in den zomer, de planten waren heelemaal wit van ’t

stof, want tusschen twee haakjes, nergens in ons land heb je zooveel

stof en slijk als daar in ’t bergland. Maar de prachtige witte

bloempjes zagen er frisch genoeg uit met hun viertal witte kelkblaadjes

en hun stralenkrans van meeldraden. De bloemknoppen zijn ook zeer mooi

en die zien altijd stoffig grijsgroen, ook al zijn ze niet met stof

bedekt.

Wanneer de bloem uitgebloeid raakt, dan gaan zijn stijlen sterk

uitgroeien en dan verandert ten slotte elke bloem in een weelderige

grijze krullebol, die ten slotte door den wind uiteengerukt wordt en

dan gaan de vruchtjes met hun pluis de wijde wereld in.

Indien ge probeert een tak te plukken, zult ge merken, dat hij zich op

zeer bijzondere wijze vasthoudt en wel doordat de stelen van de

bladeren of blaadjes zich strengelen om de takken van de heester, waar

de clematis overheen klimt; een manier van vasthouden, die ge misschien

ook opgemerkt hebt bij de Oostindische Kers.

Wel, deze boschrank blijft u nu overal in Zuid-Limburg begeleiden,

langs de hagen, in de bosschen en in menigen tuin zijn de prieeltjes

ermee begroeid. En wie nu maar uitkijkt, ziet overal weer wat nieuws.

De groote, bruine, naakte slakken, (65) die over ’t boschpad kruipen,

zijn dikker dan ge ze ooit gezien hebt en op menige plaats vindt ge ook

de groote wijngaardslakken met hun huisjes zesmaal zoo groot als die

van de gewone huisjesslak. Een groote, blauwgroene kever komt over den

weg wandelen, hij heeft precies den vorm van een onslievenheersbeestje

maar hij is wel driemaal zoo lang en breed. Ik weet niet of ’t beest

wel een Hollandschen naam heeft; we zouden hem den Limburgschen

Reuzenhaan kunnen noemen of kortweg Reuzenhaan. (107) Zou je ook wel

reuzenhaantje kunnen zeggen? Dat moeten de taalgeleerden maar eens

uitmaken. Het dier is gemakkelijk genoeg te vangen, want hij kan

heelemaal niet vliegen. Niet alleen heeft hij geen achtervleugels, maar

zijn voorvleugels, de dekschilden zijn ook nog met elkander verkleefd.

Hard loopen doet hij ook niet, ’t is, of hij zijn bruingele, viltige

voetzolen niet van den grond kan krijgen. Als we hem te pakken hebben,

gebeurt er opeens iets griezeligs. Hij gaat uit al zijn pooten opeens

bloeden, dik geel, olieachtig bloed en menigeen laat van schrik het

beest vallen, als zoo opeens die oranje kraaltjes te voorschijn komen.

Ik weet niet, of dit schrikmiddel wel voldoende is om hem te beschermen

tegen de velerlei merkwaardige padden, die in de Limburgsche bosschen

en grotten huizen. Dat zou men nog eens kunnen probeeren.

Intusschen vinden we weer nieuwe planten. Een rotskant is heelemaal

begroeid met kleine varentjes. Vooreerst heele pruiken van het bekende

muurvarentje, dat door heel Nederland voorkomt, tot zelfs op muren van

binnenplaatsen in het hartje van Amsterdam. Daar zoudt ge echter zeer

lang tevergeefs kunnen zoeken naar het steenbreekvarentje, (118) dat

hier op onze rots zijn mooie blinkende zwarte stengeltjes vertoont,

bezet met een dubbele rij fijne blaadjes.

Grooter, en fijner van blad is het blaasvarentje, dat al meer groeit op

de gewone manier van de varens met lange rechtopstaande fijne stengels,

bezet met samengestelde bladeren. Aan de achterzijde van die bladeren

vindt ge kleine ronde sporendoosjeshoopjes, ook moet ge er op letten,

dat de stengels zelf, vooral dicht bij de rots met schubjes bezet zijn,

want daaraan is het blaasvarentje (53) te kennen. Ook dient ge er op te

letten, of op de sporendoosjeshoopjes teere dekvliesjes zitten,

tenminste op sommigen, op de jongste, want die dingen vallen spoedig

af. Indien ge op geen enkele van de sporendoosjeshoopjes een dekvliesje

kunt ontdekken, dan hebt ge kans, een beukvarentje voor u te zien, een

van onze mooiste en zeldzaamste varentjes. ’t Is heusch wel de moeite

waard, om eens in ’t fijne al die mooie plantjes van elkander te

onderscheiden. Hoe vroeger je daarmee begint en hoe vaker je ’t doet

des te meer plezier heb je in je heele leven van al je reizen en

wandelingen.

Het is ook bijzonder interessant, om aan een steile helling of een

slootkant, waar veel varens groeien eens uit te zien naar jonge

varentjes. Vooral waar veel koningsvarens (49) groeien is het aardig,

om ze op te zoeken in verschillende leeftijden. De manshooge, die al

sporenhouders dragen zijn al wel tientallen van jaren oud, maar

daarnevens kunt ge ze nu nog vinden, al kleiner en kleiner met steeds

eenvoudiger bladvormen, die echter altijd nog aan kleur en vertakking

van de bladnerven als koningsvarenblaadjes te herkennen zijn. Al heel

gauw vindt ge ze van een centimeter of wat hoog met een enkel blaadje

en als ge nu goed toeziet, zult ge merken, dat die ontspruiten uit een

groen plakje, dat vlak tegen den vochtigen grond is aangedrukt. Dit

groene plakje nu is ontstaan uit een spore; het heet de voorkiem en aan

zijn onderzijde zitten microscopisch kleine werktuigjes, die aanleiding

hebben gegeven tot het ontspruiten van het jonge koningsvarentje. Als

ge dat eenmaal goed gezien hebt, zult ge geen moeite hebben, om overal

waar veel varens groeien, van die voorkiemen te ontdekken.

Maar laten wij ons nu niet in dit kleine peuterwerk verdiepen, nu

overal rondom ons weer prachtige groote bloemen staan. Zijn we

verdwaald in een tuin? Neen hoor, we staan echt in ’t bosch, we hebben

nog wel vijf minuten te loopen, eer dat we er uit zijn en dan komen we

aan groote graanvelden en eerst een kilometer verder staan een paar

huisjes. We zijn dus echt in de wildernis en de prachtige blauwe

akeleien, (128) die we voor ons zien zijn echt wilde bloemen. Ze

bloeien al sinds Mei en we vinden nu tegelijk met nog frissche bloemen

reeds rijpe vruchten: dunne kokertjes, die van boven openspringen en

als we er even aan schudden komen de zwarte blinkende zaden eruit

springen. Sommige van die kokertjes zijn aan een kant al heelemaal

opengescheurd en hebben al hun zaad uitgestrooid. We nemen er wat van

mee, om in den tuin te zaaien als herinnering aan onze Limburgsche

vacantie. Word niet ongeduldig, als in ’t volgend jaar de jonge

plantjes zich nog niet vertoonen; het akeleizaad ontkiemt niet vlug, je

kunt van dit bezendingkje zaad wel vijf jaar achtereen telkens nieuwe

plantjes zien opslaan. Alles is mooi aan deze plant, de mooie mat

getinte stengels, soms groen, soms bruin, de dubbele drietallige

bladeren, de bloemknoppen en eindelijk de donkerblauwe bloem zelf met

zijn merkwaardig gevormde kroonbladeren. Elk kroonblad is echt een

hoorn van overvloed, een sierlijk gevormde zak met wijde opening, al

nauwer en nauwer wordend en aan ’t einde mooi omgekruld.

Je kunt van buiten dikwijls al zien, dat in dit omgekrulde uiteinde

honig zit en als je ’t zelf niet opmerkt, dan zullen de groote ruige

boschhommels het je wel vertellen. Die zweven en zwieren in ’t

zonnelicht, dat door het eikenloover straalt, van bloem tot bloem,

grijpen zich vast aan de lange, spitse stempels, die nog al ver naar

buiten uitsteken en als je goed toekijkt, dan zie je de glanzende

zuigmachine doordringen tot heel achterin de honigspoor. Een voor een

tapt de hommel aan alle vijf de vaatjes, zich maar steeds aan die

stijlen vasthoudend en zoo in ’t rond werkend. Natuurlijk komt hij aan

zijn buikzijde zoodoende vol met stuifmeel, want om die stijlen staan

dicht op elkaar gepakt een groote menigte van goudgele meeldraden. En

zoo dragen dan die snoepende hommels heel vlijtig weer het onmisbare

stuifmeel van bloem tot bloem.

Nu hebben niet alle hommelsoorten even lange tongen. Wie de horens van

overvloed van de akelei tot op den bodem toe willen ledigen, moeten

tongen hebben van anderhalve centimeter lang. De gewone aardhommel, ge

kent hem wel: zwart met wit en met twee gele dwarsstrepen heeft maar

een tong van slechts 8 m.M. lang en wanneer hij nu op de

akeleienbloemen om honig komt, dan verkeert hij zoowat in hetzelfde

geval als die vos, die bij de ooievaar op visite was en te drinken

kreeg uit een langhalzige flesch.

Ons hommeltje weet echter wel raad; hij gaat boven op de bloem zitten

en bijt heel koelbloedig met zijn stevige bovenkaken de spoor open bij

het omgekrulde stuk en smult dan naar hartelust. En ander korttongig

gespuis van graafbijen en graafwespen, vliegen en zelfs de honigbij

komen nu van de gelegenheid gebruik maken en snoepen door datzelfde

openingetje.

Wanneer we nog wat dichter naar den boschrand gaan, hebben we kans nog

eenige bloemen te vinden, die speciaal van de hommels afhankelijk zijn.

Soms vindt je op een ruig plekje een heele verzameling van meterhooge

planten, mild bloeiend en ik wensch u van harte toe, dat ge eens zoo’n

plekje treft, waar het reusachtige ruige klokje (9) groeit in

gezelschap met vingerhoedskruid (130) en monnikskap. (129)

Het vingerhoedskruid draagt zijn naam met eere, want werkelijk passen

zijn bloemen op niet al te dikke vingertoppen; alleen zijn ze voor

vingerhoed wel wat lang uitgevallen. Let op wat aardige vlekken zich in

de opening van de bloem vertoonen; men denkt, dat die de insecten den

weg wijzen naar den honig, die boven in de bloem wordt afgezonderd. Ook

is ’t aardig, om eens naar de meeldraden te kijken, hoe ongewoon die

helmdraden gekromd en gekruld zijn.

Al die vingerhoeden hangen denzelfden kant uit, de onderste bloeien het

eerst en naar boven toe worden de knoppen al jonger en jonger, zoodat

we eigenlijk haast van ’t begin af de ontwikkeling van zoo’n bloem

kunnen nagaan. Als er rijpe vruchten zijn, dan nemen we er daar eentje

van mee, die bevat al zaad genoeg, om er thuis een bed mee te bezaaien.

Ze bloeien in ’t tweede jaar en gaan dan dood. Met de akeleien gaat dat

beter, dat zijn vaste planten, als je ze eenmaal hebt en ze niet

mishandelt, komen ze ieder jaar opnieuw weer grooter en krachtiger uit

den grond te voorschijn.

De monnikskap is haast nog merkwaardiger dan de akelei, jammer maar,

dat het zelfs in Zuid Limburg een zeer zeldzame plant is en de gele

(95) is nog zeldzamer. Eventjes over de grenzen echter groeit hij

genoeg en in tuinen komt hij ook weer heel goed voor als vaste plant.

Sommige menschen houden er niet van, om deze plant in hun tuin te

hebben, want hij is vergiftig, maar dat is nog al wat erg angstvallig.

Bovendien, als je alle vergiftige planten uit de tuin zou willen

verbannen, zou je heel wat aardige figuren moeten missen. De kinderen

vinden de monnikskapbloem altijd aardig om de gekke dingetjes, die je

er binnen in vindt. Pluk maar eens de vijf buitenste blauwe

kelkbladeren af. Meteen kunt ge zien, hoe verschillend in vorm die

zijn, vooral het bovenste. Dat lijkt wel wat op een helm, veel meer dan

op een capuchon van een monnik en de bloem wordt dan ook wel stormhoed,

in ’t Duitsch Eisenhut genoemd.

Wel, onze vriend geeft zijn helm heel moeilijk af en ’t blijkt dan ook,

dat die aan de binnenzijde werd tegengehouden door een paar heel fraai

en zonderling gevormde voorwerpjes, gekrulde bekertjes op een langen

steel. De menschen hebben daar allerhanden dingen in gezien en je kunt

er ook aardig mee spelen. Wij weten nu, dat het eigenlijk kroonbladeren

zijn, hoewel ze daar maar bitter weinig op lijken. Knijpt ge er even

in, dan komt er een druppel honig uit te voorschijn en inderdaad zijn

het dan ook honigbakjes of nektariën.

Meteen zien we, dat die honig alweer bereikt kan worden door hommels

met lange tongen en het verwondert ons in het geheel niet, dat we de

korttongige hommels, met den aardhommel voorop alweer moeten aantreffen

als misdadige inbrekers.

Al deze mooie planten, de akelei, het vingerhoedskruid, de monnikskap

en het ruige klokje zijn zoo groot, zoo opvallend en tegelijk zoo

makkelijk te kweeken, dat ze algemeen als tuinplanten in gebruik zijn

gekomen. Maar er groeien in het Limburgsche bosch nog andere, die wat

meer op den achtergrond blijven, maar toch dubbel en dwars verdienen,

dat wij er eens naar uitkijken.

Wij vinden vooreerst al enkele plekjes bedekt met zeer mooi gevormde

glanzig groene bladeren. Daaruit komen stengels omhoog, die aan hun top

schermen dragen van witte bloemen dicht opeen. Inderdaad behoort dan

ook dit Heelkruid (47) tot de familie van de schermbloemen.

Minder gemakkelijk is het om een plant, die we een eindje verder

vinden, te herkennen als een familielid van de lelies. In het eerst

lijkt het, alsof het plantje geen bloem draagt, er zitten aan den

stengel vier flinke bladeren in een kruis, maar wat daarboven uitsteekt

lijkt in ’t halfduister van ’t bosch in ’t eerst wel op een mislukte

vergroeiing. Doch als we naderbij komen, dan wordt dat opeens zeer

mooi. Lange spitse groene blaadjes in twee viertallen afwisselend

vormen een fijn groen bloempje, daarbinnen vinden we een achttal spitse

meeldraden rondom een tamelijk dikken violetten stamper. En nu bedenken

we, dat we dit ding al meer gezien hebben, maar dan als rijpe vrucht,

want deze plant is niet meer of minder dan de Eénbes, (78) een van de

meest echte boschplanten.

Nog vreemder is het Christoffelkruid, (117) dat behoort tot de

boterbloemfamilie en ’t zijn wel knappe plantkundigen geweest, die dat

hebben vastgesteld, want deze Christoffel doet alle mogelijke moeite,

om niet op zijn familie te lijken. Hij stopt zijn kroon- en

kelkblaadjes zorgvuldig weg, totdat ge ze eindelijk vindt als smalle

witte lintjes, te midden van een groote menigte meeldraden. Binnenin

zit één stamper en die verandert later in een vergiftige bes. Dit

Christoffelkruid is in de Limburgsche bosschen in ’t geheel niet

zeldzaam, maar het verschuilt zich nog al in ’t struikgewas en ’t best

vindt ge het nog door uit te kijken naar zijn dunne lichtgroene

samengestelde bladeren.

Werkelijk zeer zeldzaam is de Engbloem. Die heeft trosjes van

roomkleurige bloempjes met heel vreemd gevormde meeldraden, zoo

ingericht, dat een honigzoekend insect bij ’t verlaten van de bloem de

stuifmeelklompjes aan zijn slurf moet meenemen. Maar als hij niet sterk

genoeg is, kan hij zich niet eens lostrekken en dan blijft hij aan de

bloem gevangen en gehangen. Soms zit zijn heele bloemtros dan vol doode

vliegjes.

Het Heksenkruid is ondanks zijn gevaarlijke naam veel goediger. Het

wordt trouwens ook Stevenskruid (96) genoemd. Waar ’t groeit, groeit

het in groote menigte en ’t is een lust, dan de duizenden en duizenden

kleine rose bloempjes te zien, zooals ze in slanke trossen omhoog

steken; heel eenvoudige bloempjes: alles twee aan twee. De bladeren van

dit Stevenskruid lijken wel wat op die van de fuchsia—die behoort

trouwens tot dezelfde familie. Aan den rand der bladeren zitten puntige

tandjes en als we nu een warmen bewolkten nacht gehad hebben dan parelt

er uit elk van die tandjes een prachtige heldere waterdroppel. Later

plaagt dat Heksenkruid je door als je door ’t bosch loopt zijn

vruchtjes aan je kleeren te plakken, juist zooals de hondstong en ’t

nagelkruid doen.

Ik heb al wat door die Limburgsche bosschen gedwaald, zoekend naar dit

en zoekend naar dat, naar de schubwortel, die op de hazelaars moet

woekeren en naar het boschvogeltje, een van onze zeldzaamste

orchideeën. En als je dan zoo ronddwaalt, zonder te vinden wat je

zoekt, dan ontmoet je soms weer andere dingen, waar je nooit aan

gedacht zoudt hebben. Ik zal tenminste nooit vergeten, hoe we op een

avond na een dag van ingespannen onderzoek een klein diertje over den

weg zagen rennen, dat heelemaal niet leek op de dieren, die wij kenden.

’t Was voor een rat te klein, voor een muis te groot en hij was nog al

bont van kleur ook, maar een hamster was ’t toch niet. Hij klauterde in

een eikenboom en was zoo vriendelijk daar een poosje stil te zitten,

zoodat ik hem vlug kon nateekenen en zoo konden we dan, toen we thuis

kwamen in de boeken nazien, dat we te doen gehad hadden met de

eikelmuis, (20) een van de slaapmuizen, waartoe ook de zevenslaper en

de hazelmuis behooren, allemaal dieren die wel in Zuid Limburg zouden

kunnen voorkomen, maar er door de dierkundigen nog niet waren

waargenomen. Sedert dien tijd is de eikelmuis nog een paar keer in ’t

Geuldal gevangen en ik heb zelfs hooren beweren, dat ze nog al tamelijk

veel schade aanrichten in de boomgaarden, waar ze pruimen, abrikozen,

kersen en perziken rooven, om de zaadjes uit de pitten te eten.

Verbeeld je zoo iets!

Bosch en heide · 第 7 / 10 题