IV. DOOR DE HEIDE.

Laatst vroeg iemand mij, welke hei ik nu mooier vond, de Brabantsche

hei, de Geldersche hei of de Drentsche hei. Ik antwoordde toen maar,

meer uit malligheid, dan omdat ik ’t werkelijk meende: De Limburgsche

hei en evengoed had ik de Friesche hei kunnen noemen. Niet, dat er

tusschen onze Noordelijke en Zuidelijke heide geen onderscheid zou

bestaan, maar mooi zijn ze allemaal. Allemaal hebben ze groote stukken,

waar weinig afwisseling bestaat in plantengroei of dierenwereld en waar

’t moois vooral zit in de ruimte, het vergezicht en het plezier van

eens flink te kunnen doorstappen. En evenzeer hebben ze allemaal

plooien of valleien, misschien met een plas of meertje in ’t midden,

waar bijzondere bloemen bloeien en waar het krioelt van aardige dieren.

Soms zijn die plassen al sinds langen tijd dichtgegroeid en volgegroeid

met veenmos en dan is daar een trilbodempje van hoogveen gevormd, waar

je heel voorzichtig te werk moet gaan, om er niet opeens door te

zakken, maar je kunt daar juist dikwijls de aardigste planten en dieren

vinden.

In den voorzomer is zoo’n mossige veenmassa soms weer heelemaal

overdekt met een kruipend plantje met donkergroene, glimmende, soms

bruinachtige blaadjes. Daarboven zweeft als ’t ware een rozerood

wolkje, dat bestaat uit duizenden rose bloempjes vierpuntig en

alleraardigst knikkend aan hun dunne steeltjes. Deze wondermooie

veenbes (116) groeit veel meer in ons lieve Nederland dan je wel denken

zoudt, maar de meeste menschen krijgen het plantje nooit te zien, omdat

het natuurlijk langs de algemeen begane wegen niet voorkomt. Toch

groeit ’t vlak bij Amsterdam en altijd op veenmos.

Op dezelfde plaatsen groeit ook de zonnedauw of vliegenvangertje en

daarvan hebben we op onze heide drie soorten, een met ronde blaadjes en

twee met langwerpige blaadjes. Vroeger heb ik al eens verteld, hoe de

insecten blijven vastkleven aan de vangharen van die blaadjes, hoe die

dan omkrullen, zoodat ze het diertje geheel omvatten en hoe het dan in

dat blaadje als in een maag verteerd wordt.

Nu kunt ge op onze natte heide nog een ander vleeschetend plantje

vinden, maar dat ziet er heel anders uit. Het bloeit in den voorzomer

met mooie violette bloempjes op vrij hooge stelen. Die bloempjes hebben

werkelijk wel iets van viooltjes en daarom wordt de plant, die

eigenlijk vetkruid (77) heet, in sommige streken van ons land ook wel

kleefviooltje genoemd. Hij heeft prachtig heldergroene bladeren, die

vlak op den grond een rozet vormen en als ge er even met de vinger

aanraakt, dan merkt ge al dadelijk, dat ze bijzonder kleverig zijn. Als

daar nu kleine insecten aan blijven vastkleven, dan gaan de randen van

de bladeren een weinig omkrullen, zonder echter de insecten geheel en

al te bedekken. Tegelijk wordt een verterend vocht afgescheiden, dat

heel veel lijkt op maagzuur en na een paar dagen is er dan van ’t

insect niet anders overgebleven dan een leeg huidje. Zoodoende kan deze

plant welig tieren op een bodem, die zelf maar weinig voedsel bevat.

Op sommige natte heideplekken kun je al de vleeschetende planten van

Nederland bij elkander vinden nl. zonnedauw, vetkruid en blaasjeskruid.

Dit laatste hebben we ook al in ’t Naardermeer gevonden, de soort die

in heipoelen het meest voorkomt heeft kleine gele bloempjes, die een

centimeter of vier boven ’t water schijnen te zweven en in ’t water

zelf zitten aan lange stengels de kleine blaasjes, waarin de diertjes

worden gevangen.

Rondom sommige heipoelen vinden we soms een breede krans van het

moerashertshooi. (39) Dit plantje groeit nog liever in het water dan

langs den oever. Soms komt het water zoo hoog, dat de plant bijna

geheel bedolven wordt, maar dat hindert hem niet erg, want zijn

bladeren zijn bezet met lange haren en die houden luchtbellen genoeg

vast, om voor eenigen tijd de ademhaling nog aan den gang te houden. De

grijsgroene plantjes lijken dan door die luchtbelletjes heelemaal

verzilverd. En ’t mooiste is nu nog, dat de bloempjes zelf goudgeel

zijn. Die komen in trosjes boven ’t water uit en zijn ook weer met

kleine spikkeltjes versierd, waardoor zoo’n hertshooi-oevertje dan een

van de aardigste dingen wordt, die je op de heide kunt ontmoeten.

Misschien vindt ge vlak er bij op vochtige plekken nog een andere mooie

hertshooi-soort; het kruipend hertshooi, (60) ook met gele bloempjes.

Daar kunt ge ook zoeken naar de aardige Scheuchzeria (73) en in ’t

ondiepe water naar bleekblauw bloeiende Lobelia’s (115).

We spreken meestal van de bruine hei of ook wel van de paarse hei, maar

menigmaal zou het veel toepasselijker zijn om van de gele hei te

spreken. Heele vlakten zijn soms bedekt met de groote gaspeldoorn, die

reeds in Januari zijn gele bloempjes vertoont tusschen de scherpe recht

groene dorens. In Mei bloeit de gele bezembrem (132) met zijn groote

vlinderbloemen, die zoo aardig doen, als er voor ’t eerst een hommel op

komt zitten. Wanneer die zich op de zoogenaamde zwaarden neerzet, dan

komen opeens de meeldraden en de stijl uit de kiel omhoogveeren en de

ruige sinjeur krijgt daarvan dan zoo’n klap op zijn rug, dat hij

meestal boosaardig brommend er van door gaat met zijn rug vol stuifmeel

en wat er dan verder gebeurt kan iedereen gemakkelijk begrijpen.

Na de bezembrem gaan andere bremsoorten bloeien en de tormentil en

eindelijk ook een prachtig lelieachtig bloempje, dat zich alleen op

natte plekken vertoont; het cipelgras. (75) Dat plantje heeft heel

aardige groene blaadjes, die wel lijken op die van de lisch, maar dan

in ’t klein. Daaruit komt een loodrechte stevige stengel te voorschijn

en die draagt aan zijn top een tros van gele, tamelijk groote

bloempjes. De zes meeldraden van die bloempjes zijn allersierlijkst

behaard. De heele plant is trouwens zeer mooi, wat niet belet heeft,

dat hij nog al in een kwaden reuk staat bij ’t landvolk. Die vertellen

wel, dat de paarden en koeien zwakke beenderen zouden krijgen, als ze

van dat cipelgras eten. Ik geloof daar niets van, bovendien is er maar

weinig kans, dat er tegenwoordig vee zou komen op de plaatsen, waar ’t

cipelgras groeit.

Nog een gele bloem van de vochtige heide is de wolverlei (46) of arnica

met bloempjes als kleine zonnebloemen. Tegenwoordig wordt die plant wel

valkruid genoemd, maar ik spreek toch maar liever van arnica, dat is

ook meteen de naam van het geneesmiddel, dat uit deze plant wordt

getrokken en dat van oudsher wordt aanbevolen voor het helen van wonden

of kneuzingen. De gidsen in Zwitserland vertellen je ook, dat

wrijvingen en wasschingen met arnica-tinctuur zeer heilzaam zijn voor

het in goeden staat houden van de spieren en gewrichten van voeten en

beenen. In elk geval is het een heel mooie plant.

Van de blauwe heidebloemen is de blauwe klokjesgentiaan (127) wel de

voornaamste. Die groeit ook alweer ’t liefst in de natte stukken en ik

vind de plant dan ook meestal in gezelschap met ’t cipelgras. Aan de

buitenzij zijn de bloemen grijsachtig blauw, maar de binnenkant is

prachtig mooi. Die komt alleen te zien in den warmen zonneschijn. Dan

gaat de bloem zich letterlijk ontplooien, want in de knopligging is de

kroon in elkaar gedraaid met een paar scherpe vouwen. Gaat nu ’t

zonnetje branden, dan ontschroeft zich de bloem, de kroonslippen

krommen zich buitenwaarts en nu kunnen de hommels de mooie donkerblauwe

trechter zien, waarbinnen de lekkere honig is te krijgen. De dikke

harige dieren komen neerzoemen uit de lucht. Het blauw van die

gentianen is een kleur, waar ze onweerstaanbaar door worden

aangetrokken, of een, die ze zeer gemakkelijk herkennen. Het blauw van

de bekende heideklokjes, die dunne papierachtige bloempjes, heeft lang

niet dezelfde betoovering voor hen.

Maar hoe aardig de gele bloemen en de blauwe bloemen van de hei ook

zijn, de echte heidebloemen zijn toch altijd ’t voornaamste: de dophei,

die zijn rose tonnetjes al begint te vertoonen in het einde van Mei en

de struikheide, die zijn bloeitijd heeft van midden Augustus tot midden

September tegelijk met de hardkelk. (94)

De struikhei (131) kan nog op zeer dorre heidegronden groeien en schiet

dan niet hooger op dan een paar decimeter, terwijl hij op minder armen

grond wel een meter hoog kan worden en als hij dan goed bezet is met de

aardige rozeroode bloempjes, dan valt daar wat te beleven.

De bloem zelf is eigenlijk heel vreemd gebouwd; de vliezige, droge

kelkslippen en kroonslippen zien er al heel anders uit dan we van

andere bloemen gewoon zijn en wanneer we in een wijd geopende bloem

kijken, dan krijgen we daar een stel van stangen te zien waar we eerst

niet goed wijs uit kunnen worden. Wanneer we echter eenmaal weten, dat

er acht meeldraden zijn en dat elke helmknop twee lange uitsteeksels

heeft, dan raken we er beter in thuis. Middenin is een stamper te zien,

waarvan de stijl meestal buiten de bloem uitsteekt. Op den bodem van de

bloem glinstert de honig, die is voor de meeste insecten gemakkelijk te

bereiken.

Er komen er dan ook genoeg op af en wel ’t meest de gewone honigbijen.

De ijmkers brengen in Augustus hun korven naar de hei, honderden korven

en in elke korf huizen dertigduizend tot veertigduizend bijen. Al die

millioenen werkstertjes zijn nu den heelen dag op de heibloem bezig.

Ik fietste eens door de hei tusschen Meyel en Asten, een lange

boomlooze weg met een enkel huisje op een traject van vijftien

kilometer. Aan weerszijden strekte zich de hei uit, zoover je zien kon,

alleen aan de horizon blauwden de bosschen en daar keek dan ook een

torenspits juist over ’t randje. Wel, van afstand tot afstand

kletterden telkens wat bijen in mijn gezicht; ze waren gelukkig te druk

bezig, om er aan te denken mij een por te geven. Toen dat een paar keer

gebeurd was keek ik eens beter uit en toen zag ik, dat hier en daar in

de hei achter plaggenwalletjes de bijenstallen stonden. Die bijen gaan

van hun korf langs vaste wegen naar hun arbeidsveld en nu trof het dien

dag, dat de bijenwegen van afstand tot afstand den grintweg kruisten.

Toen ik er eenmaal opmerkzaam op was geworden kon ik al een meter of

dertig vooruit den stroom van vlijtige werksters over den weg zien

gaan.

Maar ’t zijn lang niet alleen honigbijen, die op de heide werken, daar

komen behalve de hommels nog allerlei wilde bijtjes bij, groote en

kleine, van allerlei soort. Die maken elk een afzonderlijk nest,

meestal in een gangetje, dat ze in den grond graven. Eén is er die

bekleedt zijn gangetje met een zijdeachtig weefsel en wordt daarom heel

passend het zijdebijtje genoemd. Een andere bekleedt heel behendig zijn

cellen met uitknipsels uit bladeren, dat is het behangersbijtje. (19)

Je kunt het soms treffen, dat je in de hei een steile kant vol vindt

met gaatjes, sommige met een middellijn van twee millimeter andere wel

vijf- of zesmaal zoo groot. Al die gaatjes zijn openingen van gangen

van graafwespen of graafbijen.

Als je in den vacantietijd eens zoo’n graafbij-hellinkje hebt gevonden,

dan kun je even goed daar een paar uren gaan uitrusten als ergens

anders en dan heb je kans, om allerlei leuke dingen te zien. Zoo heb ik

het wel bijgewoond, dat een behangersbijtje zijn nest begon te graven

en toen ben ik een week lang elken dag een uurtje of nog langer gaan

kijken, wat hij alzoo in zijn schild voerde. Het begin was, dat hij met

zijn breede bovenkaken het mos wegbeet, dat den grond daar met een dun

groen laagje bedekte. En toen ging hij aan ’t graven met kaken en

voorpooten. Met zijn middenpooten schoof hij ’t losgewoelde zand onder

zich door en hij bracht het een heel eind buiten ’t nest. Toen hij

eenmaal zoover was, dat hij heelemaal in den grond verdween schoof hij

telkens den zandprop achterwaarts naar buiten, zoover totdat de prop

naar beide zijden verloopen was en dan rende hij meteen weer naar

binnen alsof hij aan een koordje werd weggetrokken. ’t Was

alleraardigst, om dat kleine dier zoo fel aan ’t werk te zien. Ze

spreken wel van vlijtige mieren, maar ik verzeker u, dat die graafbijen

en graafwespen op zijn minst even vlijtig zijn.

Toen nu de gang diep genoeg naar zijn zin was, zoowat twee decimeter,

begon hij aan het bouwen van de eerste cel, en ook dat kon ik hem van a

tot z zien doen. Ik had daar namelijk in de buurt een prachtige

rozestruik opgemerkt, een echt roosje van de heide, ofschoon lang zoo

stekelig en doornig niet als die uit ’t bekende liedje. Het was een

zoogenaamde kaneelroos (10) en nu had ik gezien, dat veel van de groene

blaadjes beschadigd waren door elliptische of cirkelronde uitknipsels.

Dat doet niemand anders dan het behangersbijtje en ik behoefde dan ook

maar even bij de struik te staan, om mijn werkman te zien aankomen. Hij

plofte op de rozenstruik neer, greep zich vast aan een blaadje en

knipte nu met zijn bovenkaken verbazend precies een ellipsvormig stuk

uit ’t blad, eenmaal links knippend en eenmaal rechts telkens tot op de

helft. Bij de tweeden knip rolde hij meteen ’t stuk op tusschen zijn

pooten en vloog toen weg. Hij was gemakkelijk te volgen, want door dat

heldergroene rolletje behangsel, leek hij tweemaal zoo groot en zesmaal

zoo duidelijk. Vlug sloop hij met zijn vrachtje het nest in en na twee

en een halve minuut kwam hij weer te voorschijn, om weer regelrecht

naar de kaneelroos te vliegen en een nieuw stuk te halen. Dat ging zoo

zesmaal achtereen en toen kwam hij niet meer met bladstukken thuis. Ook

bleef hij veel langer uit. Er was een nieuw bedrijf begonnen. Hij was

nu bezig de cel te vullen met honig en stuifmeel. De gewone honigbijen

brengen hun stuifmeel naar de korf aan hun achterpooten, daar zit het

in dikke kluitjes aan geplakt. Ons behangertje echter doet anders. Die

heeft veel lange, schroefvormige haren aan de onderzijde van het

achterlijf en als hij nu een bloem bezoekt, dan weet hij het zoo in te

richten, dat het stuifmeel daar blijft kleven. Het zal hem nog al wat

moeite kosten, om het in de cel er weer uit te schuieren.

Als er nu genoeg honig en stuifmeel in die cel is, dan gaat ’t

behangertje weer naar zijn rozestruik om een sluitstuk voor de cel te

halen. Dit knipt hij nu cirkelrond, hij heeft er voor elke cel twee of

drie noodig. Nu begint hij onmiddellijk bovenop de eerste cel een

tweede aan te leggen en dat gaat zoo voort, totdat met een tiental of

een dozijn de geheele gang is opgevuld, op ’t allerlaatste stuk na, dat

opgevuld wordt met zand. Nu bevat iedere cel precies genoeg honig en

stuifmeel voor de ontwikkeling van de larve, die uit het eitje komt. In

korten tijd is die volwassen, gaat daar verpoppen en het volgend jaar

komt de heele familie uit den grond kruipen, om ook weer het edele

behangersvak te gaan beoefenen.

Zoo zit de heele heidegrond vol met allerlei rare klanten. Er zijn er

die hun nest bekleeden alleen met de roode bloemblaadjes van de

papaver, andere zooals de kaarderbij (24) nemen de wollige haren die ze

van de bladeren van de toorts schrapen, nog weer andere nemen hars. De

meeste verzamelen voor hun larven honig en stuifmeel, maar er zijn er

ook, die zulk voedsel voor hun kindertjes te laf vinden en ze dus

liever groot brengen op vleeschvoedsel.

De meest beruchte onder die klanten is wel de bonte bijenwolf. (68) In

zijn zwart met geel pakje ziet hij er uit als een wesp en hij behoort

dan ook tot de familie der graafwespen. Hij vliegt over de heide en

gaat zitten tusschen de heidebloesem, maar hij komt daar noch om de

honig, noch om het stuifmeel, noch om de geur. Maar als een nijver

bijtje zich letterlijk in een bloempje verdiept, dan springt hij daarop

af, grijpt het ongelukkig dier en nog voordat deze van zijn angel

gebruik kan maken steekt hij hem dood. Daarna gebeurt er iets heel

merkwaardigs. De honigbijen dragen hun honig in de zoogenaamde

honigmaag, een vliezige zak, die gelegen is aan ’t begin van ’t

achterlijf. Wel, die bonte bijenwolf weet dat op een prik en hij bijt

nu het bijtje op die plek open en slurpt gretig de heele honigmaag

leeg. Nu neemt hij het doode verminkte bijtje tusschen zijn pooten en

vliegt er mee naar zijn hol, een bijzonder diepe gang in het zand, waar

nu zijn eigen larven met dat restantje worden grootgebracht. Als er

veel van die bijenwolven zijn, dan worden ze voor de bijenteelt zeer

schadelijk en ik heb wel eens hooren vertellen, dat de bijen zelf er

dan erg in krijgen en niet naar buiten durven uit vrees voor die

vinnige dieren. Ze hebben toch al vijanden genoeg, er vliegt ook een

groote roofvlieg (69) rond, die allerlei insecten vangt en zoo brutaal

is, dat hij ook de sterke en goed gewapende honigbijen aandurft.

Nu heb ik ook alweer eens gezien, dat zoo’n groote roofvlieg weer

gevangen en gedood werd door een andere graafwesp, mijn goede vriend,

de harkwesp. (67) Dat is een van onze grootste wespen, groengeel met

zwart, een geel aangezicht met een langen duidelijken snavel en aan

zijn voorpooten heeft hij groote stijve evenwijdige haren zitten, die

met elkaar echte harken vormen.

Hij vertoont zich het liefst op echte rulle zandplekken en zoo rul en

droog als ’t zand is, slaagt hij er toch in, om er zijn gangen te

graven. Natuurlijk wordt in dieper lagen het zand al gauw een beetje

vochtig, zoodat de gang niet instort, maar ’t begin dat valt altijd in

elkaar.

Dat wil de wesp echter graag hebben, hij houdt ervan, dat de deur dicht

is en als hij de woning verlaat, dan harkt hij ook nog eens heel

zorgvuldig al het verspreide zand over de opening, zoodat daarvan geen

spoor meer aanwezig is. Eerst echter heeft hij de voorzorg genomen, om

zich de ligging van zijn tehuis goed in te prenten. Nu vliegt hij weg

naar een plek, waar veel kans is, om vliegen te zien, naar de

bloemschermen van bereklauw of engelwortel of naar bladeren, die ferm

door ’t zonnetje worden beschenen, want de vliegen houden ervan, om

zich daar te koesteren. Het kost hem geen moeite, om een dikke

zweefvlieg te vangen, die pakt hij dan tusschen zijn achterpooten en

zoo vliegt hij terug naar zijn nest.

Meestal ploft hij vlak op de opening neer en in een ommezien heeft hij

dan met zijn groote harken de deur open. Vlug sluipt hij naar binnen,

want daar bij den ingang dreigt hem een groot gevaar. Er zijn namelijk

kleine vliegjes, sluipvliegjes, die er altijd op loeren, of ze

gelegenheid kunnen vinden, om hun eieren te leggen op de prooi van de

harkwesp. Lukt dat, dan komt er van de larve van de harkwesp zelve

weinig te recht, want de sluipvlieglarven eten hem om zoo te zeggen de

kaas van het brood met brood en al.

De harkwesp is dan ook zeer bang voor die sluipvliegjes, ofschoon hij

ze eigenlijk kan maken en breken. Wanneer hij ze bij den ingang van

zijn nest aantreft, dan heft hij een akelig gehuil aan en tracht hen te

ontkomen door in allerlei richtingen rond te vliegen. Maar ze blijven

precies achter hem en als hij in zijn angst eens heel ver weg vliegt,

dan gaan ze doodbedaard bij den ingang van het nest zitten, want daar

moet hij ten slotte toch weer terecht komen. Een massa harkwesplarven

gaan door die sluipvliegjes te gronde.

Zoo heeft iedere graafbij en iedere graafwesp zijn eigen

levensgeschiedenis, de een al aardiger dan de andere en van de meeste

weten wij nog lang niet al het fijne af. Er zijn ook metselwespen, (22)

die maken hun nest niet in den grond, maar metselen van klei hun

woningen in beschutte hoekjes en er is er zelfs een, die een bolvormig

nestje van leem maakt en dat ophangt aan de stengels van het

heidekruid. Dit is al een heel mooi dier en dadelijk te kennen aan zijn

slanke gestalte, veel slanker dan de echte wespen, die er zoo beroemd

om zijn. Niet alle gaten zijn door wespen of bijen bewoond. In sommige

vindt ge krekels of ook wel zandloopkeverlarven, andere worden gedolven

door mestkevers en de beroemdste daarvan is de driehoorn, (108) die

werkt in ’t voorjaar en in de nazomer.

Er leven op de hei ook een menigte rupsen. Het meest in ’t oog vallen

wel de groote ruige spinners, (71) die ge in ’t voorjaar onrustig ziet

rondkruipen. Ze hebben als rupsen overwinterd. Sommige zitten zoo maar

in weer en wind, vorst, sneeuw en hagelslag geduldig tegen een takje

geplakt, om zich pas in de warme voorjaarsdagen te gaan verpoppen. In

Mei of Juni komt dan de vlinder te voorschijn, een mooi diklijvig bruin

dier, dat alweer gauw op de stengels van heidekruid, gras, bramen of

andere heesters zijn eierhoopjes afzet. Daaruit komen dan donkere

rupsen, die in de geledingen helder oranje zijn en die ge in den

nazomer op allerlei planten kunt vinden. Vandaar de naam van veelvraat.

Er zijn anders nog wel rupsen genoeg, die velerlei planten lusten.

Precies op dezelfde planten als de veelvraat vindt ge wel een groene

rups, versierd met geel- of roodachtige wratten, een heel mooi dier, en

als ge hem groot brengt dan krijgt ge eerst een allervreemdst gevormde

cocon te zien, een fleschvormige cocon met een soort van fuikachtige

klepdeur en daar uit komt te zijner tijd een van onze allermooiste

vlinders te voorschijn, de nachtpauwoog, (70) die evenals de dagpauwoog

vier oogvlekken op zijn vleugels heeft, maar heel anders van kleur en

vorm is. Soms krijg je die nachtpauwoogen nog al veel te zien, in

andere jaren zijn ze heel zeldzaam.

Temidden van al dat gekrioel van insecten beweegt zich de heikikker

(36) en het bruine heihagedisje (34). Die weet ook de plekjes te

vinden, waar de vliegen zitten te zonnen en de hellingen, waar de

graafwespen werken. Nu eens snel voortschietend, dan zeer langzaam

kruipend, nadert hij zijn prooi en met een laatsten vluggen sprong weet

hij die te bemachtigen. ’t Is verwonderlijk, hoe vlug en wijd hij dan

zijn breede bek kan openen en weer dichtslaan. In de voorzomer heb je

nog al eens kans een heel kluitje van deze hagedisjes bijeen te vinden,

niet langer dan een paar centimeter. Dat zijn de jongen, die eerst een

dag of zes bij elkander blijven, voordat ze voor eigen rekening de

wijde wereld ingaan.

En nu hebben we bij al dat gescharrel in hei en bosch, ook nog wel eens

kans om kennis te maken met de vergiftige adder. (66) De kans is echter

niet groot. In vele jaren, dat ik op de Brabantsche, Geldersche,

Limburgsche en Drentsche heide gezworven en gezocht heb, ontmoette ik

in ’t geheel niet meer dan een dozijn adders, groot en klein en

gelukkig nooit zoo, dat er eenig gevaar aan verbonden was. De meeste

zag ik net op ’t oogenblik, dat ze op de vlucht gingen en een paar trof

ik slapend aan, dat wil zeggen, die adders sliepen. In de meeste van

onze heidestreken is de adder zeldzaam of zelfs geheel onbekend.

Sommige streken zooals het Ulvenhoutsche bosch en de Drentsche hei bij

Emmen hebben de naam van zeer rijk aan adders te zijn, maar ik geloof,

dat ’t nog al zou meevallen. Bovendien is de adder een nachtdier en erg

schuw, zoodat ge eigenlijk alleen gevaar loopt van door een adder

gebeten te worden, wanneer ge bij uw onderzoekingen toevallig en

onverwacht en ruw met het dier in aanraking komt. Wie extra voorzichtig

wil wezen moet op adderachtige plaatsen dus nooit de hand uitsteken

naar dingen die hij niet zien kan. Er komen in ons land drie soorten

van slangen voor: de ringslang, die twee gele vlekken aan zijn nek

heeft, de gladde slang en de adder. Nu zijn de beide laatste ook nog

wel van elkander te onderscheiden, want de adder heeft over zijn rug

een zwarte zigzagstreep en op zijn platte kop een zwarte vlek in den

vorm van een V, wat vooral bij ’t mannetje heel goed te zien is.

Bovendien is dat altijd blauwgrijs van kleur en niet bruin. De wijfjes

adder lijkt wat meer op de bruine slang en daarom is ’t altijd geraden,

met bruine slangen voorzichtig te zijn, daar men om ’t voornaamste

onderscheidingskenmerk: de giftanden en de gekielde schubben waar te

nemen, al heel bedenkelijk dichtbij de beesten moet zijn.

Een adderbeet is wanneer tijdige hulp wordt verstrekt zelden doodelijk,

dikwijls toch gevaarlijk en altijd onaangenaam. In den achtsten

jaargang van het Tijdschrift de Levende Natuur hebben wij navraag

gedaan naar het voorkomen van de adder in ons land en naar doodelijke

of ernstige gevallen van adderbeet. Uit de vele antwoorden, die op die

vraag zijn ingekomen, schrijf ik er hier eenige af, beide van doctoren.

1. „Een kind, in ’t bosch van Doorwerth, in de buurt van de bank van

Rolandseck boschbessen zoekend, was gebeten door een slang in den voet

bij den enkel, een klein wondje met een blauwen ring, de voet onder het

verhaal steeds zwellende. Met mijn zakmes heb ik de wond vergroot en

met mijn zakdoek onder de knie het been afgebonden, daarna het kind,

dat naar huis moest en moeilijk begon te loopen op den rug genomen en

thuis gebracht. De ouders waren zeer kalm onder het geval, deden uit

een flesch met olie waarin een adder lag iets op de wonde en zeiden,

dat het geval niets beduidde. Ik had ’t kind bij ’t snijden noodeloos

pijn gedaan, zeiden ze. Toen echter ’t been steeds meer begon te

zwellen, werd opnieuw olie aangewend en ’t kind brandewijn gegeven.

Later is, naar ik hoorde ’t been onder de knie afgezet, doch ’t kind

behouden gebleven.”

2. „Wat nu de beet betreft: dikwijls, meestal verloopt de vergiftiging

goedaardig. Toch is de mogelijkheid van levensgevaar niet uitgesloten.

Het is daarom raadzaam, dat men, dadelijk na de beet het lid hartwaarts

van het wondje stijf omsnoert (zakdoek) en zich zoo spoedig mogelijk

naar een dokter haast. Deze kan dan de wond uitbranden of uitsnijden,

om, al naardat hij het noodig acht, het gif te vernietigen of te

verwijderen. Bij uitzuigen van de wond heeft men de kans het gif in een

te voren niet opgemerkt wondje van lip of tong te brengen en dat is

zelf alweer zeer gevaarlijk.”

’t Is jammer, dat de adder voor ons zoo gevaarlijk is, want op zich

zelf is het een zeer merkwaardig dier en bovendien nog nuttig doordat

hij zooveel veldmuizen verslindt, want daarmee voedt hij zich bij

voorkeur.

Intusschen zoudt ge verkeerd doen met uit angst voor adders de bosschen

of de heide te vermijden.

Bosch en heide · 第 6 / 10 题