VI. HERFST.

Een van onze meest bekende dichters heeft zich eens veel moeite

gegeven, om op rijm te vertellen, dat hij de herfst het heerlijkste

jaargetijde vindt en ik merk wel, dat een massa menschen het met hem

eens zijn. Ik ben in zulke dingen nog al een stumper, in ’t verzen

maken, zoowel als in het besluiten omtrent de meerdere

voortreffelijkheid van ’t een of ander jaargetijde of van bepaalde

dieren of planten. Het ligt natuurlijk heelemaal aan je zelf. Als je

actief bent en zoowel groote hitte als felle kou met blijmoedigheid

hebt leeren verdragen, dan vind je het eene jaargetijde al even mooi

als het andere, vooral wanneer je wat van dieren en planten af weet,

want die zijn ook het heele jaar door al even belangwekkend. Maar ik

kan wel begrijpen, dat iemand, die een beetje kouwelijk is uitgevallen

en bang is voor een zonnesteek en houdt van rustige, groote indrukken,

zich op weeke, warme Octoberdagen heel lekker kan voelen en dat ’t hem

dan een lust is, door ’t bosch te dwalen. En zelf doe ik het ook met ’t

grootste plezier.

’t Is anders voor de planten en dieren in ’t geheel geen rustige tijd.

In ’t bosch heerscht een geweldige drukte. Al die verkleurende bladeren

zijn druk bezig, om alles wat van waarde is, te transporteeren naar het

boomlichaam zelf, om zich vervolgens gereed te maken, om af te vallen.

Tegelijkertijd moeten de gerijpte vruchten geborgen worden en dat gaat

in hoofdzaak op drieërlei manier. De eiken en beuken, de tamme

kastanjes, de hazelaars en ook eigenlijk de elzen laten hun vruchten

vallen, zonder meer. Die van de els komen in het water terecht en

drijven her en der, totdat ze eindelijk in een modderig hoekje tot rust

komen. De eikels en beukenootjes, hazelnoten en kastanjes zouden als er

verder niets gebeurde, rustig blijven liggen en bedolven worden onder

de bladeren en dan zouden daar ter plaatse in ’t volgend voorjaar

duizenden jonge eikjes en beukjes elkander verdringen en verstikken,

zoodat er geen een tot ontwikkeling kan komen.

Gelukkig echter, dat er vogels zijn. Als ’t een goed eiken- en

beukenjaar is, dan kunt ge ze bij duizenden en duizenden bezig zien:

vinken, keepen, meezen, boomklevers, kraaien, duiven, gaaien. Ze

proppen zich vol met voedsel en als ze verzadigd zijn, dan nemen

sommige nog zooveel ze kunnen van den voorraad mee, om verborgen

voorraadschuren aan te leggen. Het zijn vooral de gaaien, (28)

boomklevers en de kleine zwarte meesjes, die zich in dit opzicht

verdienstelijk maken.

Ze raken zoo onder den indruk van den overvloed, dat ze van den vroegen

morgen tot den laten avond oogsten en verbergen. Ze verstoppen wel

honderdmaal zooveel, als ze noodig hebben en ik betwijfel ten

allerzeerste, of ze met hun kleine vogelhersenen wel behoorlijk kunnen

onthouden, waar ze alzoo hun voorraden hebben weggestopt. Zeker is het,

dat, wanneer ik in April over de heide of door de duinen wandel, ik

jonge eikjes en beukjes zie opkomen honderden meters ver van de meest

nabijzijnde bosschen, waar die boomen groeien.

Ook de dennenappels en sparappels maken nu de begeerlijkheid der dieren

gaande. De regel is, dat deze boomen zich uitzaaien op heldere droge

voorjaarsdagen. Dan barsten de appels open en de gevleugelde zaadjes

worden door den wind weggevoerd. De zilversparren laten hun kegels

reeds in ’t najaar uit elkander vallen. Hun zaden hebben geen groote

vleugels en zijn nog al tamelijk zwaar, dus vallen, zooals ’t

spreekwoord zegt, niet ver van den stam, wat niet in hun voordeel is.

Maar hier helpen de kleine zwarte meesjes, want die houden van die

zaden buitengewoon veel.

Er zijn echter voor alle coniferenzaden nog liefhebbers genoeg.

Vooreerst de eekhoorns. (62) Wat kan hij er handig mee terecht! Nu

heeft wellicht ook geen enkel ander dier zulke scherpe snijtandjes tot

zijn beschikking. Als ge wel eens geprobeerd hebt, om een sparappel uit

elkaar te peuteren, dan hebt ge wel gemerkt hoe verbazend taai die

schubben zijn. Toch bijt de eekhoorn ze glad af, zoodat alleen de kale

spil overblijft. De zaadjes peuzelt hij lekker op. De eindschubben,

waartusschen geen zaadjes zitten laat hij ongedeerd en zoo zien dan die

door een eekhoorn vervreten sparappels er uit als een houtig roosje op

een rechte steel.

De bonte spechten (30) en de boomklever richten het anders in, die

kunnen niet beitelen doch alleen pluizen. Ze nemen dus hun sparappel of

dennekegel mee, zetten hem goed vast in een schorsspleet en gaan dan

maar hameren en trekken, totdat ze zoo goed en kwaad als ’t gaat wel de

zaden eruit peuteren.

Vooral die boomklever is dan alleraardigst, ook als hij probeert een

hazelnoot stuk te breken. Hij kan met zijn kop alleen niet genoeg

kracht zetten, daarom hamert hij met zijn heele lichaam. Een specht

houdt zijn lichaam tamelijk stil en hamert alleen met den kop, de

boomklever echter draait in zijn heupgewricht heelemaal achterover en

valt dan met een vaartje op die hazelnoot aan en dat gaat nog zoo gauw,

dat ge haast niet ’t oog erop kunt houden.

De specht heeft ’t nu goed, want de boomen leveren hem niet alleen

vruchten en zaden, maar zitten ook vol met insecten in allerlei

toestanden tusschen het korstmos op de takken of in en onder de schors

en hij weet alles te vinden met groote kennis van zaken.

De spreeuwen, de kraaien en de lijsters trekken zich in ’t bijzonder

het lot van de besheesters aan en menig struikje dat in den avond

prijkte met mooie oranje, roode of blauwe bessen, is ’s morgens, als

daar een troep trekvogels langs is getrokken, heelemaal van zijn

sieraad beroofd.

In beschutte hoekjes van ’t bosch zijn nog allerlei bloemen te vinden,

bloemen, die zich als ’t ware vergissen en den zomerrust voor een

winterrust hebben gehouden. Toortsen, kamperfoelie, bitterzoet, zwarte

nachtschade, ooievaarsbek bloeien nu voor de tweede maal en houden het

nu wel weer uit, totdat het strenge winterweekje komt, dat tegenwoordig

meestal op zich schijnt te laten wachten tot midden Februari.

De anderen, die zich niet hebben laten hebben laten foppen, doen al

evenals de boomen en heesters hun bestaan voor ’t volgend jaar weer wat

meer gebied in beslag te nemen. Elke plant is eigenlijk een echte

wereldveroveraar.

Het stofzaad, dat in Juni zoo nederig gebogen te voorschijn kwam, alsof

het haast te bescheiden was, om een plaatsje te vragen te midden van al

de zomerpraal, staat nu koud rechtop, stijf en strak en als ’t eventjes

waait, dan strooit het zijn stoffijne zaden uit, die overal in ’t bosch

zullen kunnen ontkiemen, waar ze maar rekenen kunnen op den steun van

de gedienstige paddestoelen.

O, die paddestoelen. In de Jaargetijden-albums hebben wij er al velen

afgebeeld, maar er moet nog een dozijntje bij en daarmee is de voorraad

nog lang niet uitgeput. Al die mooie gele en gouden broodzwammen, (114

en 111) biefstukzwammen, (113) bundelzwammen, (87)

vogelnestenzwammetjes, (109) koraalzwammen, (110) russula’s, (88 en 90)

pholiota’s, (85) honigzwammen, (86) gaatjeszwammen (112) en de rare

geweizwammetjes (89) vervroolijken het bosch gedurende het grootste

deel van ’t jaar, want ik vind ze van Juni tot Februari en in Maart

weer opnieuw. Alleen bij zeer strenge vorst gaan ze verschrompelen en

te niet.

De mossen verschrompelen ook als ’t vriest, maar zoodra de dooi invalt

ontplooien ze zich en ze groeien voort alsof er niets gebeurd was. Ja,

ze zijn in den wintertijd op zijn levendigst, want ze maken nu hun

nieuwe sporendoosjes van velerlei vorm en kleur en die trekken uw

aandacht wellicht nog eerder dan de sneeuwklokjes.

De varens gedragen zich verschillend. De muurvarentjes en de gewone

eikvaren blijven den heelen winter door in leven en gedragen zich net

als het mos. Als ’t vriest zou je denken, dat ze nu voor goed bedorven

zijn, maar nog voor je eigenlijk weet, dat ’t dooit, staan ze weer

frisch en fleurig.

De mannetjesvarens, de adelaarsvarens en de koningsvarens evenwel gaan

in ’t najaar verdorren en verbleeken. Ze worden mooi bleekgeel of

roestrood en waar ze in ’t bosch dicht open groeien, vormen de

ineengestrengelde dorre varenveeren, doorgroeid met bontbladige

braamtakken, de mooiste en warmste schuilplaatsen en slaapplaatsen voor

de gevleugelde wintergasten. Ik heb wel eens een dozijn bonte kraaien

op een rauwen Januari-avond in zoo’n slaapgelegenheid zien wegsluipen.

Wel te rusten!

Bosch en heide · 第 8 / 10 题