Als ’t zoo voortgaat zal binnenkort ons land voor een groot deel
overdekt zijn met dennenbosch. De woeste heiden en duinen worden
langzamerhand beplant. Wanneer ge in den zomer die streken doorreist,
dan ziet ge allerwegen groote velden vol met mooie geel bloeiende
lupine, en elk zoo’n veld is bestemd, om mettertijd te veranderen in
wei, of akker, of bosch. Dat is nog eens een voordeelige plant, die
lupine. Andere gewassen mergelen den grond uit en dan moet je om nieuwe
oogsten te verkrijgen voor duur geld weer veel mest over ’t land
strooien. De lupine echter, en de planten van zijn familie maken den
grond hoe langer hoe beter.
Ten slotte kunnen dan dennetjes worden gezaaid of gepoot. Het eerste
jaar is er van de zaaiplantjes weinig of niets te zien, ’t zijn kleine
groene dingetjes met een krans van smalle blaadjes aan hun top. Na een
jaar of vier zijn de boomen al wat hooger dan boerenkool en na tien,
twaalf jaar zijn ze zoover opgeschoten, dat een volwassen mensch er al
geheel tusschen verscholen kan gaan en dan kun je je haast niet
voorstellen dat op die plek vroeger niets anders groeide dan hei of
korstmos.
Nog tien jaar later kun je daar al aardig gaan wandelen en dan hebben
vele wilde planten en wilde dieren, die van dennenbosschen houden, er
zich ook al gevestigd, en nog tien jaar later kunt ge er zoowat alles,
goed en kwaad vinden, wat er in een dennenbosch te verwachten is.
De dennen hebben al evenveel vrienden of vijanden als de eik. Allerlei
insecten komen af op de naalden, de knoppen of het weeke hout, en deze
worden weer vervolgd door andere insecten of door de vogels. Onder die
vogels zijn er weer, die ook een groote voorliefde hebben voor de
dennenzaden, waar trouwens de eekhoorntjes (62) en sommige muizen ook
al zeer op verzot zijn.
De afgevallen dennennaalden vergaan langzaam en leveren een bodem,
waarin weer allerlei mossen en varens en aardige bloemplanten kunnen
leven, ofschoon de laatste het er wel wat te donker hebben, zoodat
alleen de soorten, die het met weinig licht kunnen stellen, in
belangrijk aantal voorkomen.
Als kinderen hadden wij altijd den meesten schik in de harsmannetjes.
Dat waren dikke builen van hard, grijs hars, die we soms in groote
menigte vonden aan de uiteinden van de kleine zijtakjes van den groven
den. We sneden of plukten die takjes af bij dozijnen en hadden dan als
we die harsbuilen aanstaken heel aardige fakkeltjes. Of wel, we
stookten er heele vuurtjes mee op open zandige of grazige plekken, want
het was ons op zeer stevige manier duidelijk gemaakt, dat we bij alles
wat we deden, elke beschadiging van het bosch hadden te vermijden. Ik
kan er nu nog—het is al meer dan veertig jaar geleden—een schrik van
krijgen, als ik er aan denk, wat er wel gebeurd zou zijn, als we soms
een boschbrand hadden veroorzaakt. Nu, wij zorgden er wel voor, dat
zelfs van het allereerste beginnetje van een brand nooit sprake was en
toch hebben we buiten wel duizend vuurtjes gestookt.
Met dat afsnijden en verbranden van die harsmannetjes deden we een goed
werk, want zoodoende hielpen wij den harsbuilvlinder (84) bestrijden.
Dit vlindertje komt in Mei uit de pop te voorschijn en gaat dan meteen
eitjes leggen aan de knoppen van de dennen. De rups, die daaruit komt
vreet zich in tot het merg van het takje en blijft daar knagen tot in
’t volgend voorjaar. Dan verpopt zij zich en in Mei komt dan de vlinder
te voorschijn. Uit de wond vloeit hars naar buiten, die daar verhardt
tot een onregelmatig gevormden harsbuil. Als de vlinder goed en wel weg
is, gaat de harsbuil langzaam verdrogen en valt ten slotte af. Wij
hadden dus altijd kans, dat als we harsvuurtjes maken in Maart of in
October, meteen de larve of de vlinder vernietigd werd.
Zoo heel verdienstelijk was onze arbeid niet, want de schade, die de
harsbuilmot aanricht is niet zoo heel groot. Hij heeft een paar
familieleden, die het heel wat bonter maken, en onder de overige
vlinders zijn er nog wel een paar, die honderdmaal erger dan de
harsbuilmot door den dennenkweeker worden gevreesd.
Vooreerst de nonvlinder. (14, 15) Jarenlang hadden we van dat dier geen
last gehad, toen het zich opeens vertoonde in Zuid-Brabant en al heel
gauw kwamen er zooveel, dat men waarlijk recht had, om te spreken van
een nonvlinderplaag. In ’t eerst merk je daar weinig van, maar als ’t
je aandacht begint te trekken, dat je maar steeds helderder de blauwe
lucht door de naalden heen kunt zien, terwijl op den grond duizenden
groengrijze korreltjes te vinden zijn, dan komt ge tot de conclusie,
dat daar nonvlinderrupsen aan ’t werk zijn. ’t Beste is dan, om heel
even in een boom te klimmen, om daar een onderzoek in loco in te
stellen en dan blijkt het al dadelijk, dat de twijgen vol zitten met
groenachtig grijze rupsen, heel aardig langs elken ring versierd met
een half dozijn wratachtige roode en blauwe plekken. Dat is dan een
kwaad ding en ’t is maar te hopen, dat er gauw wat vogels, koekoeken,
spechten, wielewalen, zelfs duiven komen opdagen, om den gevreesden
vijand te bekampen.
Er zijn misschien weinig droeviger tooneelen dan een verwoeste of
mislukte oogst. En als de vernieling een bosch betreft, dan lijkt het
nog dubbel zoo erg en ik heb altijd een gevoel van grooten spijt, als
ik een verbrand, verdroogd of kaalgevreten bosch aanzie. En er zijn
heel wat insecten die onze bosschen bedreigen.
De nonvlinder is wel een van de ergste. Men moet naar het dier uitzien
in Juli en Augustus. ’t Is een heel mooi wit-met-zwart vlindertje, het
achterlijf verlevendigd met rood. Ze leggen hun eitjes in hoopjes bij
elkaar. De rupsjes, die eruit komen, blijven eerst nog een dag of vijf
op een hoopje bij elkaar zitten en gaan zich dan verspreiden over den
heelen boom om de naalden op te eten. Als ze volwassen zijn, dan gaan
ze zich verpoppen tegen de stammen of takken: een ruwharige bruine pop
in een ijl spinsel.
Voor het bestrijden van dit insect komt het er dus in de eerste plaats
op aan, dat de stammen en takken van de dennen goed worden nagezien en
dat geschiedt in de eerste plaats door de meesachtige vogeltjes en door
spechten en boomklevers. (64) Vooral de zwartkopmeezen onderscheiden
zich bij dit werk, die wippen zelfs schorsschilfers van den stam af om
naar de eieren te zoeken.
De mieren helpen ook een handje en er is ook een prachtig mooie kever,
waar we veel aan zouden hebben, als hij maar wat talrijker voorkwam. Ik
bedoel den poppenroover, (106) een prachtigen breedgeschouderden
loopkever, mooi goudgroen met rijken paarsen en blauwen weerschijn. Hij
klimt in de boomen en vreet alles op wat rups of pop of ei is en wordt
daarin vlijtig bijgestaan door zijn larve. Zelf moeten ze weer
oppassen, dat ze niet door de mieren worden opgegeten, want die staan
voor niets.
Behalve de nonvlinderrupsen kruipen er nog heel wat andere over de
twijgen en over de naalden. Over het algemeen zijn ze niet gemakkelijk
te zien, dat komt, doordat we ons niet zoo heel gemakkelijk in die
dennen kunnen bewegen. Soms kun je wel aan rupsen komen door niet al te
groote dennen eens flink te schudden, maar de rupsen zijn nog al erg
van houvast, want ze hebben toch altijd minstens vijf paar pooten.
Twee rupsen van den den krijg ik altijd te zien met behulp van de
graafwespen, een paar zwart-met-roode wespen, die hun nesten in den
grond graven en daar één of meer rupsen in stoppen, waar ze dan een
eitje op vastplakken. De eene soort haalt van de dennen allemaal
kleine, dunne, groene, rupsjes, zoo klein, dat hij er een stuk of zes
voor elk eitje noodig heeft. Die rupsjes hebben vijf paar pooten en
zijn dus spanrupsjes; de vlinder die er van komt, heet de dennenspanner
(16, 18) en kan soms heel schadelijk worden.
Een andere, de gestreepte dennerupsvlinder (21) brengt grootere rupsen
voort, zoo groot, dat één al voldoende voedselvoorraad oplevert voor de
wespenlarf. Deze rups is groen met witte en oranje strepen langs het
lijf. Als hij volwassen is, kruipt hij naar den grond en daar verpopt
hij zich dan onder het mos. Deze soort is nog erger dan de vorige en
heeft dan ook den wetenschappelijken soortnaam „piniperda”, wat
beteekent: die de dennen verderft.
Ge hebt zeker wel eens gezien, dat kraaien, gaaien, spreeuwen of zwarte
lijsters bezig waren het mos op den boschbodem uit te plukken. Met
heele bekken vol rukten ze het uit den grond en gooiden het opzij. Die
waren dan bezig met het zoeken van poppen, niet alleen van dien
dennevlinder, maar ook van den dennenpijlstaart, (13) een vrij grooten
nachtvlinder, dien ge in den zomer in de dennenbosschen kunt vinden,
als ge goed zoekt. Hij houdt ervan, om stil tegen de blauwgrijze schors
van de grove dennen te zitten. Daarbij houdt hij zijn vleugels vlak
over zijn rug en nu komt de bovenzijde van zijn voorvleugels volkomen
met de kleur van de dennenschors overeen en ge moet al heel goed
toekijken, om hem te snappen.
Zijn rups is wat opzichtiger gekleurd, rossig bruin, met opzij
lichtgroene en witte strepen, maar die maken juist, dat je hem tusschen
al die lichtgroene streperige dennennaalden toch maar heel moeilijk te
zien krijgt. Het best krijg je nog erg in al die dieren door goed naar
de dennetakken zelf te kijken en te onderzoeken, of daar soms de
naalden heel of half zijn weggevreten. Zijn kop is geel met roode en
zwarte strepen en de „hoorn” aan ’t laatste achterlijfslid, waaraan hij
zijn naam van pijlstaart te danken heeft, is zwart.
Deze rups kunt ge vinden tot in October. Dan marcheert hij weer naar
den grond en verpopt zich onder ’t mos in gezelschap van nog meer van
die schavuiten, want ik heb u nu nog maar heel enkele genoemd van al de
vlinders, die onze dennen helpen mishandelen.
Van al de kevers noem ik er maar twee: de dennenbok (82) en de groote
dennensnuittor. (105) De dennenbok is een heerlijk mooi dier: een
grijsachtig boktorretje, zoowat drie centimeter lang, maar ’t mannetje
heeft sprieten, die wel vijfmaal zoo lang zijn als zijn lichaam. Het
wijfje is met minder tevreden. In Mei en Juni kunt ge deze dieren zien
rondloopen over het slaapmos; ik verzeker u, dat het de moeite waard
is, om er eens een paar uren naar uit te kijken. Als ze tegen de
dennestammen zitten, zie je ze niet zoo heel makkelijk, maar gelukkig
schijnen ze op de mooie lentedagen nog al behoefte te hebben aan
beweging. De larve leeft in ’t dennenhout, maar komt niet in zoo groot
aantal voor, dat hij werkelijk tot de ernstige vijanden van het
dennenbosch gerekend zou moeten worden.
Des te erger is het met de dennensnuittor gesteld. Dit diertje ziet er
aardig genoeg uit en lijkt net op een klein olifantje. Ze komen vroeg
in ’t voorjaar te voorschijn en als in April de dennenbosschen zoo
heerlijk gaan geuren, dan vliegen ze daarheen en zoeken aan den voet
van de dennen geschikte plaatsen om hun eieren te leggen. Dat doen ze
het liefst in afgehouwen dennenstompen, dus als ge van deze snuitkevers
eens eenige dozijnen of honderdtallen wilt verzamelen, dan kunt ge niet
beter doen dan op een zonnigen voorjaarsdag een perceel dennenbosch op
te zoeken waar pas geveld is.
De larven vreten zich door het wortelhout heen en ontwikkelen zich in
twee jaar tijds tot volwassen kevers. ’t Is duidelijk, dat ze dus niet
tot ontwikkeling kunnen komen, wanneer de dennestompen tijdig worden
gerooid. De volwassen snuittorren knagen aan de schors van jonge
dennetakken, die daardoor ernstige harsvloeiingen krijgen, waaraan
jonge boompjes vaak te gronde gaan. Geen wonder dus, dat de
boschkweeker deze olifantjes op allerlei manieren bestrijdt. Er is een
geel-met-zwarte graafwesp, die hem hierbij helpt en die den
toepasselijken naam draagt van snuittordooder.
Er zijn echter andere wespen, die de dennen zelve aantasten, prachtigen
mooie dieren, de grootste wespen van ons land. Deze houtwespen of
zaagwespen, (81) ten minste de wijfjes, zijn gemakkelijk te kennen aan
een uitsteeksel aan het achterlijf, de legboor, waarmee ze door de
schors heen boren om een eitje in ’t jonge hout te leggen. De larve
gaat nu hout eten en doordat hij daarbij hoe langer hoe dikker wordt
moet de gang, waarin hij leeft, ook breeder worden, hoe verder hij
komt. Hij vreet zich schuin binnenwaarts, zorgend in ’t jonge hout te
blijven en vordert nog geen halven millimeter per dag. Na twee jaar
wendt hij zijn gele gezicht buitenwaarts en dan nadert hij al meer en
meer de schors.
Ik had drie jaar geleden dicht bij mijn huis een boschje van
zilversparren, dat erg door deze houtwespen was aangetast en dat daarom
eindelijk dan ook gekapt is. Als je daar met je oor tegen de boomen
ging staan, dan kon je de larven hooren knagen. Als ze gevorderd zijn
tot op een paar centimeter van de schors af, dan gaan ze zich verpoppen
en als dan de wesp zelf uit de pop te voorschijn komt, dan kan hij
dadelijk beginnen met zich door het hout heen te knagen, wat hij met
veel vaardigheid volbrengt. Het gebeurt wel eens, dat een boom, die
enkele houtwespen bevat, geveld wordt en tot planken gezaagd, zonder
dat de gangen aan den dag komen. Wanneer dat hout dan verwerkt is,
gebeurt het wel, dat daar na weken en maanden de groote houtwesp uit te
voorschijn komt tot schrik van de omstanders.
Behalve al de genoemde insecten is er nog een menigte klein goed, dat
de sparren, dennen en larixen aantast. Ge zult wel eens aan de
sparretakjes dingetjes gezien hebben, die wel wat hadden van een soort
van sparappeltjes, of ook wel leken op kleine ananasjes, heel mooie
voorwerpen, en de boomen, vooral de fijne sparren, zitten er soms vol
mee.
Wanneer ge in den zomer zoo’n ananasje afplukt en eens goed bekijkt,
dan ziet ge, dat het eigenlijk een vergroeid takje is, alleen zijn de
naalden wat kort gebleven en is hun voet sterk verbreed. Zoodoende
ontstaan een groot aantal kamertjes en die zijn bewoond door een
menigte van kleine wollige bladluizen. Die doen dag en nacht niet
anders dan met hun zuigsnavel sappen uit den boom zuigen en houden dan
zijn groei soms belangrijk tegen. Ze zitten daar warm en wel en veilig
ook, want de meeste insectenetende vogels hebben het geheim van die
kamertjes nog niet doorgrond.
Een jaar of vier geleden echter zijn ze op menige plaats in Nederland
uit hun rust leelijk opgeschrikt. Er zijn toen uit het Noorden groote
scharen van vogels komen aanzetten, die om zoo te zeggen met de sparren
zijn opgegroeid en die dan ook die bladluisgallen op een prik kenden.
Dat waren de kruisbekken en wonderlijker vogels bestaan er niet. Soms
gaan er jaren voorbij, zonder dat je er een te zien krijgt en dan weer,
zooals in 1909, vertoonen ze zich in ontelbare menigte.
Ze kwamen uit het Noorden, uit Scandinavië en Finland, waar ze geregeld
broeden, maar ook alweer het eene jaar meer dan het andere. Hun
voornaamste voedsel bestaat uit sparrezaden en als nu eens, zooals dat
om de jaar of zes gebeurt, de sparren heel overvloedig vruchten
voortbrengen, dan vermenigvuldigen die kruisbekken zich buitengewoon
snel en dan is er in het geboorteland geen plaats genoeg voor al die
nakomelingen. Er heeft dan een groote uittocht plaats en wanneer de
vogels uit Noord-Europa op reis gaan, dan reizen ze in de meeste
gevallen via Helgoland en Norderney naar Terschelling. Vandaar steekt
dan een bende over naar Engeland en de rest zakt langs de Noordzee en
de Zuiderzee af naar zuidelijker landen. In Juni 1909 zaten de
kruisbekken op Terschelling en Texel bij honderden in de tuinen,
boomgaarden en in de duinen. Sparappels waren daar niet te vinden,
daarom aten ze daar hoofdzakelijk kevertjes en bladluizen.
Maar toen ze eenmaal waren aangekomen in de naaldbosschen van de
duinstreek en van Oost Nederland kregen ze volop. Want wij hadden juist
in 1908 een vrij goed sparrejaar gehad en in 1909 was ’t nog mooier,
toen waren sommige sparren zoo zwaar met vruchten beladen, dat de
takken haast recht langs de stammen neerhingen en menige sparretop het
hoofd ter aarde boog.
Je hadt die kruisbekken eens moeten zien! In alle mogelijke houdingen
hingen ze aan de sparappels en met hun merkwaardigen, tweepuntigen,
gekruisten snavel werkten ze de schubben van elkander, om dan met
behulp van hun tong de vette zaden, die daar bij tweetallen tusschen
zitten, eruit te peuteren.
Of wel, ze beten den sparappel van den boom af en gingen hem dan op den
grond bewerken, wat misschien een beetje makkelijker was. Ze waren
heelemaal niet schuw en ik heb er menigmaal vlak bij gestaan, dat zoo’n
prachtige vogel bezig was met zijn kegel. Door ’t rukken en trekken
ging dat ding dan voortrollen. Zoo ontstond een heel spoor van
afgebeten schubben en aan ’t eind daarvan vond je dan den afgekloven
kegel.
Nu, alsof ze wisten dat een beetje verscheidenheid van spijs gezond is,
gingen ze reeds lang voordat er gebrek aan sparappels was zich ook
bezighouden met de Ananasgalletjes van die bladluizen. Nooit zal ik
vergeten hoe ik eens op een dag er juist op af kwam, dat een paar
dozijn van de kruisbekken bezig waren de galletjes in een fijnen spar
te bewerken. De boom stond aan den zuidrand van ’t bosch, vlak in de
zon en nu was ’t net of hij vol was met beweeglijke bloemen. Die
kruisbekken toch zijn prachtig van kleur, de mannetjes fel rood, haast
net zoo als de kleur van den sparrebloesem zelf, de wijfjes zijn
prachtig glanzig groen en de jonge en jeugdige hebben allerlei kleuren
en tinten daar tusschen in. Het is hun hier toen zoo goed bevallen, dat
ze nog een jaar of drie gebleven zijn en menigmaal heb ik ze nog
ontmoet. In 1915 verwacht ik ze opnieuw.
Er komen in het dennenbosch ook een paar planten voor, die zich op
sommige plaatsen in sommige jaren in groote menigte vertoonen, in
andere jaren evenwel heel zeldzaam zijn en ’t lijkt dan wel, alsof ze
voorgoed uit de streek zijn verdwenen. Opeens echter staan ze dan weer
in troepen voor uw verbaasde blikken.
Ik kom nooit in oude bosschen, dennenbosch of sparrenbosch of zelfs
loofhout, waar tientallen van jaren de bodem ongestoord is gebleven, of
ik kijk uit naar eenige zeldzame orchideeën. Een plantenliefhebber ziet
altijd graag orchideeën en nu zijn de meest gewone, die in de moerassen
groeien al wel reeds mooi genoeg, maar je hebt altijd wel ook lust in
het bijzondere.
Daarom zoek ik altijd heel geduldig en blijmoedig naar de
vogelnest-orchis (43) en af en toe vind ik er ook wel eens een. In
Zwitserland heb ik ze in oude sparrenbosschen bij honderden gezien en
ik kan u verzekeren, dat dat de moeite waard was, om ’s morgens om half
vier op te staan en een uur of vijf in Augustus te klauteren langs een
Noordwesthelling, die dan door de morgenzon juist zoo heet mogelijk
wordt gebraden.
Hier in Holland ben ik al blij als ik een groepje vind van een stuk of
zes, ’t zijn heel vreemde planten, niet groen, maar heelemaal prachtig
goudglanzend bruin, buitengewoon mooi, vooral in den bloeitijd, want
dan blinken in elk bloempje van den tamelijk dichten tros nog de
heldergele stuifmeelklompjes. Bladeren zijn niet aanwezig, de stengel
is bezet met korte breede schubben.
Ik wil u wel vertellen, hoe deze orchidee dat vogelnest in zijn naam
heeft gekregen, mits ge me belooft, de zaak alleen nader te onderzoeken
wanneer ge een voldoend aantal planten tot uw beschikking hebt. Want ’t
is noodig er een voor uit te graven. Je vindt dan, dat elke stengel
ontspringt uit een tamelijk verwarde massa van onderaardsche
stengeltjes en worteltjes, op allerlei wijze door elkaar gestrengeld en
dat heeft de oude plantenonderzoekers, die nog al een levendige
verbeeldingskracht hadden, doen denken aan een vogelnest. Uiterst
zelden komt in ons land, maar in Zwitserland alweer nog al tamelijk
veel, een orchidee voor, waarvan de onderaardsche deelen gelijken op
een brok koraal, die heet dan ook de koraalorchis en ’t komt mij voor,
dat die zijn naam beter verdient, dan zijn broeder van het vogelnest.
Ge weet al lang, dat de groene kleur van de planten afkomstig is van
kleine korreltjes, die in de cellen zitten en dat deze korreltjes, de
bladgroenkorreltjes, een soort van geheimzinnige werktuigen zijn,
waarmee de plant uit het koolzuur van de lucht de suiker kan bereiden,
die hij voor zijn voeding noodig heeft. Een plant zonder bladgroen kan
dus geen suiker maken en moet dan zijn voedsel onttrekken aan andere
levende wezens. Onze vogelnestorchis moet dat dus ook doen en wij weten
dat hij in zijn onderhoud wordt voorzien door de zwammen, die zelve op
nog niet geheel opgehelderde manier in den boschbodem aan den kost
komen.
Diezelfde zwammen helpen nog een andere bladgroenlooze plant, die ge
tamelijk veel in onze bosschen kunt vinden, zoowel in ’t naaldhout als
in ’t loofhout. In Juni begint dit stofzaad, (45) zoo heet die plant,
te voorschijn te komen. Heelemaal in tweeën gebogen komt hij uit den
grond te voorschijn, uit de dorre bladermassa of uit het groene mos,
bleekgeel, soms een beetje amethystkleurig. Het neergebogen gedeelte
bestaat hoofdzakelijk uit een tros van bloemen, die echter eerst onder
stijve bleeke schutbladen verscholen zijn. Verder aan den stengel zijn
nog een paar schubben, dat is alles. Maar als ge de plant gaat
uitgraven, dan vindt ge min of meer diep in den grond een onregelmatige
kluit, waar de stengel uit ontspringt.
Je moet dat nog al voorzichtig behandelen, want de kluit is heel stevig
en de stengel ook nog al, maar de plek waar ze aan elkaar bevestigd
zijn is heel teer en zwak, zoodat de zaak gemakkelijk afbreekt. Wanneer
ge nu ’t zand en de aarde uit die kluit wegspoelt, dan komt daar ook
alweer een koraalachtige massa voor den dag, waar donkere zwamdraadjes
mee vergroeid zijn.
Vroeger dacht men, dat het stofzaad vastgeworteld was op de wortels van
beuken of dennen en dat het die boomen van hun voedselstoffen zou
berooven, maar dat lijkt toch niet het geval te zijn. Indien ge eens
probeeren wilt dit na te gaan, dan zult ge eens zien, hoe moeilijk het
is, om uit die verwarde ondergrondsche massa goed wijs te worden, want
je weet nooit of je soms niet iets hebt verbroken of verscheurd.
Een ander onderzoek is gemakkelijker uitvoerbaar. Men beweert, dat er
van dit stofzaad twee verscheidenheden bestaan, de eene geheel kaal en
glad, de andere behaard, vooral in den bloemtros en dat komt ook uit.
Maar nu moet de gladde voorkomen alleen onder beuken en de ruige onder
dennen en dat komt bij mij in de buurt niet uit. Wilt ge daar eens op
letten?