II. IN ’T LOOFBOSCH.

In ’t begin van Juni zijn de eiken en de beuken uitgebloeid. Ze hebben

nu verder niets anders te doen, dan hun vruchten te rijpen, het eene

jaar meer, het andere minder, en knoppen te maken, die bij ’t ingaan

van den winter kant en klaar moeten zijn. ’t Is aardig om te zien, hoe

in dien tijd de beuk zijn nieuwe twijgen, die eerst vrij slap

neerhangen, omhooghaalt en strak uitzet naar alle kanten, zoodat zijn

kroon heel wat wijder wordt. Bloemen zijn nu in ’t beukenbosch weinig

meer te vinden, we moeten ze zoeken aan den boschrand of onder de

eiken, die nog heel wat zonlicht doorlaten. Van lieve kleine bloemen is

niet veel te vinden: de boschbessen, roode en blauwe, bloeien nog wel,

de roode houden het nog wel uit tot in den nazomer. Op gunstige plekken

vinden we mooie blauwe rapunzel klokjes (91) en ook wel naast ’t gewone

nagelkruid het veel mooiere knikkende nagelkruid (8) met prachtige

oranjegele bloemen en de gele doovenetel (48) of later de muursla (37).

Dan is er nog kans op wat looksoorten, maar die hebben de eigenschap,

dat ze in hun bloeihoofdjes in plaats van bloemen heel dikwijls kleine

bolletjes maken. Ze hebben me vaak teleurgesteld, maar als ze eens een

goeden zin hebben dan brengen ze inderdaad zeer mooie bloempjes voort;

de wijnlook (76) is de meest gewone. Overigens wordt het op den

boschbodem meest niet anders dan mos en varens, op de natte plekken

mannetjesvarens, kantvarens of dubbelloof (52) en koningsvarens, (49)

op droge, grintachtige plaatsen de prachtige adelaarsvarens, (54) die

meer dan manshoog kunnen worden en die zich zoo bijzonder mooi

ontrollen. Als je den steel van een adelaarsvaren doorsnijdt, een

beetje schuin, dan komt er een figuurtje voor den dag, dat werkelijk

wel wat lijkt op een dubbelen adelaar, maar je zoudt het evengoed voor

een min of meer verknoeide hoofdletter H kunnen houden.

De eigenlijke zomerbloemen van het bosch vinden we aan de heesters. In

’t begin van Juni bloeien de Meidoorns nog en de rozen en bramen

beginnen nu pas in allen ernst tegelijk met de allermooiste van onze

boschbloemen: de kamperfoelie.

Als ik in het bosch een mooie kamperfoelie weet te staan, dan stap ik

daar een paar avonden in de week heen, om present te zijn bij het

openen der bloemen, dat strijk en zet plaats heeft omstreeks

zonsondergang. De bloemen staan in kransen, ze zijn eerst klein en

groenig, maar ze groeien langzamerhand uit en worden kleurig,

geelachtig, of rood, al naar hun ras en standplaats. Die ’t kleurigst

zijn, gaan ’t eerst open en nu sta ik er graag bij, om te zien, hoe de

onderlip van de bloem loslaat en naar beneden omkrult en hoe dan

achtereenvolgens de meeldraden en de stijl naar buiten komen en, ieder

op hun plaats, ver uitsteken in de lauwe avondlucht. De roodborstjes en

zanglijsters zingen hun avondlied, de nachtegaal schettert er lustig op

los en in de verte zit op een open plek de nachtzwaluw te ratelen.

Opeens gonst het in of om de kamperfoeliebloemen. Aangetrokken door den

heerlijken geur zijn de vlinders komen opdagen, diklijvige, maar

ongelooflijk vlugge dieren. Ze gaan niet op de bloemen zitten, maar

blijven even ervoor zweven en dan kun je nog net zien, hoe ze hun lange

slurf in de bloembuis steken, om den honig eruit te halen. Dat doen ze

met groote snelheid, geen drie seconden blijven ze bij dezelfde bloem,

dadelijk zwaaien ze naar een volgende en hun vleugels bewegen altijd

zoo snel, dat ze niet te onderscheiden zijn, maar een soort van nevel

om het dier vormen.

Het meest krijg ik zoo te zien den bekenden kolibrivlinder, maar ook

wel den grooten windepijlstaart en in sommige streken van ’t land den

glasvleugelpijlstaart. (101) Dit is een van de weinige vlinders, die

doorzichtige vleugels hebben. Als hij pas uit de pop komt heeft hij

schubjes op de vleugels, evengoed als de andere vlinders, maar die

raakt hij zoowat dadelijk kwijt en dan vliegt hij rond met glasheldere

vleugels, hier en daar met een schubbenrandje, wat hem wondermooi

staat. Deze glasvleugelpijlstaart is zoo’n vriend van de kamperfoelie,

dat hij ook zijn eitjes op de bladeren ervan legt en daar komen dan

lichtgroene rupsen uit met een horentje op het einde van ’t lichaam. Ze

hebben langs hun zij een lichtgele streep, maar je vindt ze niet

dikwijls.

We hebben nog meer van die glasvleugelvlinders, o.a. één, die een

helder geel en zwart gekleurd lichaam heeft en dus veel gelijkt op een

wesp, zoodat menigeen dat dier niet durft beet te pakken. Toch kan deze

wespvlinder (79) geen kwaad doen; geen enkele vlinder kan steken of

bijten. Ze zijn volkomen weerloos en moeten tot allerlei kunsten hun

toevlucht nemen, om aan hun vijanden te ontkomen, en onze wespvlinder

profiteert nu van zijn gelijkenis met de vinnige wespen. Zijn rups

leeft in populierenhout.

Zeldzaam is die wespenvlinder eigenlijk niet, maar toch vind ik het

altijd iets bijzonders, als ik hem te zien krijg. Dat is met heel veel

boschdieren het geval, ze kunnen zich zoo gemakkelijk verschuilen, of

ze bevinden zich doorgaans op de plekken waar je nooit komt: in het

ondoordringbare struweel of in de toppen van de boomen. Wanneer ik dan

ook in Juni of Juli in de gelegenheid ben, om eenige dagen achtereen in

een echte boschstreek te vertoeven, dan reken ik eigenlijk den heelen

dag op merkwaardige ontmoetingen. De kans op zulke ontmoetingen wordt

grooter, als je eenmaal weet, welke dieren zich kunnen vertoonen en

waar ze zich geregeld ophouden.

Ik loop nooit in de bosschen van Oost-Nederland zonder uit te zien naar

twee prachtige zeldzame vlinders: den kleinen ijsvogelvlinder en den

weerschijnvlinder. Den eersten heb ik al dikwijls genoeg zien fladderen

langs de breede boschpaden en ook heb ik zijn rups wel gevonden op de

kamperfoeliebladeren: een groene rups met doornige uitsteeksels en een

paar horentjes op zijn kop. De groote ijsvogelvlinder (97) schijnt in

ons land niet voort te komen.

De andere, de weerschijnvlinder, (98) vliegt ’t meest om de toppen van

de boomen, flink hoog, maar hij komt wel op den grond om te drinken aan

modderslooten en mestvaalten. ’t Is een van de merkwaardigste vlinders

van heel Europa, een mooi groot kleurig beest. Als je de vleugels van

’t mannetje van de eene zijde beziet zijn ze blauw; van de andere zij

bekeken worden ze bruin. De onderkant van de vleugels is bijzonder

bont, wat we eigenlijk van dagvlinders niet gewoon zijn. De rups is

groen, met schuine zijdestrepen en heeft wel wat van een

pijlstaartrups, maar hij is dadelijk te kennen aan twee horentjes op

zijn kop, die maken, dat hij ook wel wat op een soort van slak gaat

gelijken. Ze leven op wilgen en populieren, liefst op waterwilgen en je

kunt ze het heele jaar door vinden, want de eitjes worden in den herfst

gelegd, de rups overwintert, de vlinder vertoont zich vooral in Juli en

Augustus. In mijn jongensjaren had ik eens gelezen, dat je die

weerschijnvlinder kunt lokken op rotte appelen en ik heb dat indertijd

ook geprobeerd met vroege appelen van ’t jaar zelf en met late appelen

van ’t vorig jaar, maar ’t is mij niet mogen gelukken. Intusschen zou

ik het in de buurt van Deventer of van Nijmegen nog wel eens willen

probeeren.

De populieren zijn echte boomen voor insecten. Soms zitten ze vol met

larven en poppen: rupsen van den wespenvlinder in de takken, rupsen van

den kastanjevlinder (99) in de stammen, ook al een heele mooie vlinder,

die soms voor heel zeldzaam moet gelden, en dan weer bij twintigtallen

tegelijk gezien wordt. Als de vlinder zal uitkomen, dan werkt de pop

zich uit het hout een eindje naar buiten, net zooals de

wilgenhoutvlinder ook doet.

Maar de allermerkwaardigste rups van onze bosschen is de eekhoornrups,

(72, 100) die op de beuken thuis hoort. Geen wonder, dat je hem niet

dikwijls ziet, want de meeste van onze beukenbosschen zijn zoo hoog van

stam, dat wat er in de kronen voorvalt, heelemaal buiten ons bereik is.

Toch zijn er ook beuken, waarvan de takken neerhangen tot op den grond

en als ’t nu eens een gunstig jaar is, dan kun je daar wel eens naar

eekhoorntjes zoeken. Ze zijn bruin, niet ’t mooie roodbruin van ’t

echte eekhoorntje, maar valer, soms de kleur van nieuw leer. Achter aan

’t lichaam hebben ze een paar donkerblauwe aanhangsels. ’t Is eerst nog

moeilijk genoeg, om uit te maken, wat kop en wat staart is, want ze

zitten meestal met kop en staart allebei omhooggeheven. Steek je nu de

hand uit, om zoo’n dier beet te pakken, dan gooit hij zijn kop nog veel

verder achterover en gaat dan zijn zes borstpooten al trillend

uitslaan, een heel gekke beweging, waar menigeen van schrikken zou. De

vlinders zelf, prachtige dieren, zitten tegen boomstammen en zijn dan

niet zoo heel makkelijk te zien; ze zijn te verwachten van Mei tot

Augustus.

De boschkevers zijn haast nog mooier dan de boschvlinders, jammer maar

dat sommige van de allermerkwaardigste zoo zeldzaam zijn. ’t Vliegend

hert kun je in Gelderland op zomeravonden genoeg te zien krijgen; ik

heb ze wel bij dozijnen zien rondvliegen in den maneschijn. Maar wat

heb ik dagenlang tevergeefs gehunkerd naar den heldenbok (20) en den

neushoornkever! (104) Hun larven leven in molmend eikenhout, net als

die van ’t vliegend hert en nu kun je altijd hopen, die, of beter nog,

de poppen, te bemachtigen, door oude eikenstronken uit elkaar te

peuteren. De dikke witte larven van den neushoornkever moeten ook

voorkomen in dikke lagen van rottend eikenblad en daar heb ik dan ook

heel wat in rondgedolven. Tot nu toe evenwel heb ik al mijn

neushoornkevers en larven altijd gekregen uit leerlooierijen, waar ze

leven in den run-voorraad. De heldenbok evenwel kunt ge op de Veluwe

nog nu en dan wel eens te zien krijgen, o.a. in de buurt van

Harderwijk.

Die boktorren heeten zoo om hun lange sprieten; die van den heldenbok

zijn wel anderhalf maal zoo lang als zijn heele lichaam, ’t Is een heel

groote familie, ze zijn allemaal de moeite waard, om er eens naar uit

te zien. De larven leven meest in hout en de kevers vindt je veelal op

bloemen, want ze houden van zoetigheid en malsche bloemblaadjes. Ook

van warmte, en als ik nu eens mooie boktorren wil zien, dan ga ik na

een zonnigen dag in een boschstreek naar een houten schuurwand, die

ferm in het namiddagzonnetje is gebakken. Daar zitten dan allerlei

beesten zich te warmen en zoo heb ik eens den grooten weverbok (80) en

een anderen keer een half dozijn bandbokken (103) tegelijk gevonden.

Die zijn ook nog al eens te zien op de groote bloeischermen van

bereklauw en engelwortel of op de geurige pluimen van de moeras-spiraea

in gezelschap van de groote sluipvlieg. (83)

Ik denk nog dikwijls met plezier aan een ouden zwart geteerden

schuurwand in Hoog-Soeren, waar ik allerlei insecten-schatten

verzamelde: prachtkevers (102) en mooie gele aaskevertjes (23). En als

ik dan in den laten avond naar huis wandelde, vlogen in de lage

struiken de lichtkevertjes rond, kleine brokjes geelgroen vuur. Ook

tusschen het gras blonken lichtjes, dat waren de ongevleugelde wijfjes,

die kwamen mooi te pas, om op het horloge naar den tijd te zien.

Zonderlinge diertjes, zoo lang ze leven, geven ze licht. De eieren, de

larven, de poppen, allen stralen ze hetzelfde koude licht uit, en wat

dat te beduiden heeft, weet niemand.

Ik was niet de eenige, om van die houten „koesterplekjes” te

profiteeren. Wanneer ergens in ’t bosch een onbeschorste omgevallen

boomstam ligt, een paaltje of een vondertje, dan doen daar allerlei

dieren hun voordeel mee.

De hagedissen en hazelwormen (31) komen er om insecten te vangen en ik

heb het eens gezien, dat er een gladde slang (33) zachtjes kwam

aanschuiven, die een hagedisje opslokte. Toen heb ik geprobeerd om die

slang te vangen maar ze was me te vlug af en gaf me zoo’n knauw in mijn

duim, dat ze er rustig van door kon gaan, terwijl ik bezig was om het

bloeden te stelpen. Ik had ook niet noodig, haar te vangen; dat had ik

vroeger al eens gedaan en in heel veel van die gevallen is éénmaal net

genoeg. Gelukkig is de beet van de gladde slang niet gevaarlijk, want

ze heeft geen giftanden of gifklieren. Toch is het in onze bosch- en

heistreken altijd aan te raden, om met slangen voorzichtig te zijn,

want het is niet zoo heel makkelijk, om dadelijk op het eerste gezicht

uit te maken, of je te doen hebt met een giftige adder of met een

onschadelijke gladde slang. Een eindje verderop zal ik daar wel wat

meer van vertellen.

We hebben ook nog in het bosch uit te kijken naar een vogel, die er

allerlei slangenmaniertjes op nahoudt; hij kan niet alleen sissen, maar

ook nog zich kronkelen op den koop toe. Verscheiden vogels kunnen

sissen en blazen, vooral de meezen en in ’t bijzonder de koolmeezen.

Als je die bij hun nest verontrust, dan kunnen ze je soms door hun

geblaas den schrik op ’t hart jagen. Die andere vogel echter, de

draaihals, (29) kan zich uitrekken tot tweemaal zijn gewone lengte en

zich dan draaien en wringen, dat je er zelf uit medegevoel benauwd van

zou worden. Gekker kunstenmaker bestaat er in de heele vogelwereld

niet.

Tegelijk evenwel is het een van de mooiste vogels, die we hebben. Zijn

algemeene kleur is een heel mooi blauwachtig parelgrijs, maar dat is

overal prachtig versierd met zeer veel zwarte kronkelstreepjes en

pijlvlekken, die op den staart een aantal donkere dwarsbanden maken.

Zijn vleugels zijn wat meer effen van kleur, donkergrijs, maar ook

alweer zeer mooi versierd en wel met bruine blokvlekjes.

In het Westen van ons land ziet men hem eigenlijk alleen in de

duinstreek en dan nog niet eens heel veel. Toch gaat er geen April of

Mei voorbij, of ik hoor zijn dikwijls herhaald: „tjè, tjè, tjè”, nog al

een vreemd geluid, soms twintig keer snel achter elkaar denzelfden

roep. In Gelderland nestelt hij vrij algemeen, zelfs wel in nestblokjes

en daar heeft men den vogel van nabij leeren kennen. In sommige boeken

werd wel verteld, dat zoo’n draaihals nooit zijn nest schoonmaakte en

dat dat dan vooral wanneer de jongen opgroeiden een vieze janboel werd,

maar ’t is gebleken, dat hij al even knap zijn nest reinigt als de

meeste andere vogels.

Hij is evenals de groene specht een echte miereneter en als hij ergens

een paar flinke mierennesten heeft ontdekt, dan kun je hem daar den

heelen dag vinden, bezig met ’t opslokken van mieren of van

miereneieren.

Er leeft langs onze boschranden nog een vogel, die een even

onsmakelijke beruchtheid geniet als de draaihals, n.l. de hop. (61) Ook

van dezen vogel wordt verteld, dat hij nooit of te nimmer zijn nest

schoonmaakt. Misschien is dit ook allemaal laster, tenminste ik heb in

een Duitsch tijdschrift gelezen van een hop, die in een nestkastje

huisde en het behoorlijk reinigde.

Nu is in de vrije natuur de kans niet zoo heel groot, om wat van ’t

leven en bedrijf van deze hop te zien te krijgen, want hij is inderdaad

zeer zeldzaam en indien ge eens in uw buurt een hoppennest weet, dan

zou ik daar heel graag bericht van ontvangen, om er eens naar te komen

kijken. Hoe het komt, dat die vogel zoo zeldzaam is, weet ik niet. Hij

eet wormen en larven, slakken en insecten. Daar is in ons land in den

zomertijd in ’t geheel geen gebrek aan en ik heb ook niet kunnen

vinden, of de hop soms de voorkeur zou geven aan een bepaalde prooi,

die misschien bij ons niet genoeg zou zijn te vinden. ’t Zou wel kunnen

wezen, dat hij om zijn buitengewoon merkwaardig uiterlijk wel wat veel

wordt gevangen of geschoten, want als de menschen iets bijzonders zien,

dan willen ze dat graag bemachtigen. ’t Is nog al gemakkelijk om te

weten te komen, of er in een streek een hop huist, want hij roept heel

duidelijk zijn eigen naam, alleen spreekt hij dien ietwat vreemd uit.

’t Lijkt nog ’t meest op: „hoep, hoep—hoep, hoep”. Meestal roept hij

twee lettergrepen, maar ook wel drie of meer.

Dat lijkt dus wel wat op den koekoeksroep, maar er is een zeer groot

verschil, n.l. bij den hop is de tweede lettergreep van den roep altijd

hooger dan de eerste en bij de koekoek juist lager.

Ondanks al zijn misdaden begroet ik den koekoek ieder jaar weer met

genoegen en ik besteed er heel wat tijd aan, om van zijn wonderlijk

bestaan het een en ander te zien te krijgen. Ik begin al met te letten

op zijn geroep, want daar is veel verscheidenheid in, meer dan je

denken zoudt, wanneer je wat al te veel geluisterd hebt naar de

koekoeksklokjes, want die roepen altijd hetzelfde. Het kinderliedje van

„De koekoek is een guit, een strop—hij zei laatst tot den dikken mop”,

en wat daar meer volgt, is beter op de hoogte, want daarin zingt de

koekoek verschillende intervallen. Wie zijn do-re-mi een beetje kent,

kan dan ook al spoedig een verzameling van koekoeksroepen maken en

tegelijk ontdekken, dat een en dezelfde koekoek in den loop van den

zomer zijn roep verandert.

Na half Juli hoort ge hem zelden meer, maar ge krijgt er dan misschien

wel veel meer te zien. Dat zit zoo. De oude koekoeken gaan in ’t laatst

van Juli al weer wegtrekken, maar de jongen worden dan langzamerhand

vlug. Ze verlaten het nest, waar ze door hun pleegouders zijn

grootgebracht en vliegen nu rond door de buurt, nog altijd in

gezelschap van de kwikstaartjes, piepers, heggemuschjes, roodstaartjes

of andere vogels, die nog maar altijd voortgaan met hun ondergeschoven

kind te voeren. Wie in de groote vacantie buiten behoorlijk uitkijkt,

kan er op rekenen, dat hij wel eens zoo’n voerpartij te zien krijgt,

zoowel langs den boschrand als op het veld. Je krijgt dan medelijden

met die kleine vogels. Het groote koekoeksjong zit lui en vadsig op den

grond of op een paaltje en het kleine vogeltje komt keer op keer

aanvliegen om hem het voedsel in den grooten rooden muil te stoppen.

Dikwijls genoeg heb ik het gezien, dat het kleine zangertje op den

grond staande of op een tak zittend den bek van zijn pleegkind niet

behoorlijk kon bereiken en dan zette hij zich maar neer op den kop of

op den rug van den koekoek.

Sommige waarnemers hebben wel eens gezien, dat een heele zwerm

zangvogeltjes bezig waren een koekoek te voederen, daar moet ik ook nog

eens extra op letten. Ook is het de moeite waard erop te loeren, of je

een koekoekswijfje erop betrappen kunt, dat ze haar ei in ’t

zangvogelnestje stopt. Dat schijnt meestal te gebeuren in de

avondschemering en dan lokt de man-koekoek eerst de wettige bewoners

van ’t nest af.

’t Is natuurlijk veel aardiger de levensbijzonderheden van een dier in

de natuur zelve te zien, dan er alleen maar van te lezen in de boeken.

Maar ’t is niet altijd even gemakkelijk. Dat een koekoek zich voedt met

harige rupsen, kun je echter gemakkelijk genoeg te zien krijgen, als je

maar let op struiken, waar de rupsen van den witvlakvlinder of van den

bastaard satijnvlinder aan ’t werk zijn.

Tegelijk met den koekoek vertoont zich daar de wielewaal. (27) Die is

voor de grootste ruige rupsen niet bang, ik heb wel gezien, dat hij aan

zijn broedend wijfje de rupsen bracht van de eikenspinners en van de

veelvraatrups, (71) zoo groot en ruig, dat zelfs een Chinees er voor

bedanken zou. Diezelfde wielewaal houdt echter ook wel van kleine

gladde rupsjes. Ik heb hem eenige dagen achtereen bezoeken zien brengen

aan een vogelkers, die te lijden had van de rupsen van het

vogelkersmotje. Deze rupsjes leven bij honderden bij elkander en

verbergen zich in een dicht grijs spinsel, dat soms heele takken, ja

heele heesters overdekt. Ge hebt dat wel eens gezien.

Wel, de meeste vogels houden er niet van, om hun bek te steken in dien

dradenboel, maar de wielewaal komt er onvervaard op af, slaat den boel

uit elkander en hapt de rupsjes op bij dozijnen. In een paar dagen had

hij dat heestertje heelemaal gereinigd. Als we maar genoeg van die

heerlijke vogels hadden, dan zouden we niet zoo dikwijls het treurig

tooneel te aanschouwen krijgen van heele boschranden van vogelkers,

meidoorn en kardinaalsmutsje, ontdaan van hun gebladerte en verborgen

onder grauw spinsel.

Bosch en heide · 第 4 / 10 题