We hoopten nog altijd boomkikkers te zien, maar veel geluk hadden we
niet gehad. In Deventer waren we begonnen te loopen en we hadden met
veel zorg onze route zoo gekozen, dat we langs allerlei achterweggetjes
en zijpaden en soms ook over heele stukken, waar wegen noch paden te
vinden waren, den rand volgden van bosch en heide. Soms kon ’t niet
anders, of we moesten wel een heel stuk bosch nemen, een andermaal een
heide kruisen en af en toe gebeurde het ook, dat we stukjes straatweg
of grintweg te verwerken kregen en dan bleek het altijd weer, dat die
einden altijd ’t zwaarst vallen, hoewel je daar toch het snelste
opschiet. We waren in de Paaschdagen gegaan, omdat alles dan op zijn
mooist is voor den natuuronderzoeker. Overal davert het van vogelzang,
de vroege vlinders en de vroege bijen zonnen zich op de bloemen van het
voorjaar, het watergedierte is bijzonder tierig en wat heel veel waard
is, de boomen zijn nog bladerloos en de plantengroei niet zoo welig, of
je kunt nog op vrij grooten afstand duidelijk zien, wat er allemaal
gebeurt. In den zomertijd speelt alles verstoppertje tusschen het
groene loover.
Nu hadden we in die dagen een bijzondere voorliefde voor kikkers (36)
en padden. houd nog van kikkers. Ieder rechtgeaard kind houdt van
kikkers, de aardige, vlugge dieren, die zoo grappig kunnen kijken en
ons in ’t springen en zwemmen zoo geweldig den baas af zijn. Ze zijn
zoo onweerstaanbaar komiek, dat je er niet af kunt blijven en in negen
van de tien gevallen wordt dan ook een kikker, die voor je voeten
opspringt, gevangen, als hij tenminste niet bijtijds het veilige water
bereiken kan.
En wat moet je nu met zoo’n gevangen kikker doen? Ik zou hem maar
bekijken en weer loslaten, want ze zijn toch wel wat te groot om ze in
een terrarium te houden. Alleen de boomkikker (32 en 35) is sinds oude
tijden beroemd als huisdier, vooral bij onze Oostelijke naburen, die
hem wel houden bij wijze van barometer. ’t Is een klein kikkertje met
heel aardige gewoonten en wij hadden ons nu voorgenomen, op onze
Paasch-expeditie eens bijzonder naar hem uit te zien, zoowel op het
land als in het water. Eigenlijk zijn de kikkers landdieren, vooral de
boomkikker, die, zooals zijn naam reeds aanduidt, in bosschen en hagen
woont en er in ’t geheel niet tegen opziet, om in de boomen en heesters
te klimmen en op de bladeren jacht te maken op insecten. Maar ’s
winters moeten ze de sloot in om te overwinteren en in ’t voorjaar
alweer om hun eieren te leggen, want de jonge kinderen beginnen hun
leven als vischjes.
Wel, we hadden al menig boschje en slootkantje afgezocht en ook al een
avond langs een waterrijk boschhoekje gepatrouilleerd in de hoop, onzen
boomkikker te hooren kwaken. Hij kwaakt heel anders en veel luider dan
de andere kikvorschen en doet dat ’t liefst bij ’t vallen van den avond
en ’s nachts. Ik heb ze wel in ’t donker gevangen op ’t geluid af.
Ditmaal echter wou ’t niet lukken, misschien was ’t nog te vroeg in den
tijd of te kil, misschien ook waren er dat jaar minder boomkikkers dan
anders, want dat kan geweldig verschillen. Soms vind je ze op een plek
bij dozijnen, en een jaar later is er geeneen. Dat kan ’t gevolg zijn
van het droogmaken van de slooten en plassen, waar de jongen opgroeien,
of ijsvogeltjes en waterhoentjes kunnen alle jongen in een bepaald
gebied opgegeten hebben. ’t Ligt soms aan een kleinigheid.
Nu lieten we ons door ’t ontbreken van die boomkikkers niet al te zeer
van de wijs brengen, maar stapten welgemoed voort over de groote hei.
De eigenlijke heideplantjes, de struikhei en de dophei, zagen er nog
winterachtig genoeg uit met hun verdroogde bloempjes van het vorig
jaar, en hun jonge scheuten hadden nog niet veel om het lijf. Hier en
daar echter waren groote plekken mooi groen door een ander klein
struikje, dat kraaiheide (40) genoemd wordt, hoewel het heelemaal niet
tot de familie van de heideplanten behoort. Het heeft ook lang zulke
mooie bloempjes niet; alleen aan sommige plantjes groepen van
langgesteelde meeldraden, aan andere niets dan stampertjes, die je op
’t eerste gezicht in ’t geheel niet opmerkt, maar die van naderbij
bezien toch heel mooi van vorm zijn, vooral de stempeltjes zijn heel
aardig.
Deze kraaiheide of kraaibes komt lang niet op alle heidevelden voor tot
groote spijt van de wulpen en kraaien, korhoenders en meeuwen, die zich
in ’t najaar graag aan de zwarte bessen te goed doen. Menschen kunnen
die ook eten, de bessen bedoel ik, hoewel ze heel dik van schil zijn en
wel wat meer suiker mochten bevatten. Intusschen vind ik ze ook zonder
die eetgeschiedenis al aardig genoeg.
We hadden wind met zon, zooals je dat veel hebt in ’t voorjaar en de
hemel was volmaakt helder. Alle kleuren waren heerlijk frisch en waar
de struikhei niet al te dicht stond, waren allerlei mossen tot
weelderige ontwikkeling gekomen, mooi donkergroen haarmos, grijs
rendiermos en op de natte plekken heldergroen veenmos, dat in bolle
kussentjes van den grond verrees of met lange uitloopers de plasjes
ging opvullen. Daar stond ook een stijf, grasachtig plantje te bloeien,
dat eigenlijk geen gras is, maar toch wollegras heet, en daarnaast een
paar lage struikjes met bloempjes zoo mooi, dat je haast niet kunt
gelooven, dat daar nu wilde planten staan. Je zoudt zoo denken, dat
hier vroeger een bloemkweekerij is geweest en dat een partijtje planten
hier is blijven verwilderen.
Ze kwamen pas in bloei, maar de niet ontloken knoppen zijn al even mooi
als de bloemen, zooals ze op ranke kleurige steeltjes omhoog steken en
dan weer ombuigen. Als ’t bloempje zich opent wordt het een
allerprachtigst rozeklokje en de nieuwsgierige bloemenbesnuffelaar
vindt daarbinnen een achttal meeldraadjes, zeer sierlijk gebogen en
gekronkeld en met twee uitsteekseltjes aan elken helmknop, zooals wij
er later aan de struikhei ook hopen te vinden. Dit wondermooie plantje
heet Andromeda (93), en is wel de mooiste echte heideplant, die we
bezitten. De blaadjes lijken wel wat op wilgeblaadjes, maar ze zijn
kleiner en dikker en doorgaans,—vooral vandaag—achterwaarts omgekruld.
Veel heideplanten hebben zulke heel of half kokervormige blaadjes, de
kraaiheide ook, ’t is een soort van veiligheidsmaatregel. Die planten
hebben namelijk aan de onderzijde van de bladeren talrijke huidmondjes,
openingen, waardoor het water, dat door de wortels opstijgt, weer moet
verdampen. Als er nu een koude droge Oostenwind waait, dan zou er aan
die huidmondjes veel meer verdampen dan de wortels kunnen aanvoeren en
dan raakte de heele voeding van de plant in de war. Maar als nu de
blaadjes zich ineenrollen, dan verdampt er niet half zooveel. Als ’t
mooi zacht vochtig weertje is, dan vindt ge de jonge bladeren wel mooi
vlak uitgespreid.
Bij die Andromeda groeit over ’t veenmos heen nog een plantje van de
natte hei dat over een paar weken gaat bloeien, maar ook nu al heel
mooi is; een kruipend plantje. De draderige stengels liggen vlak op ’t
veenmos en hebben een dubbele rij van kleine ovale blaadjes die bovenop
glanzig bruingroen, aan de onderzijde witachtig of roze zijn en als met
een waslaagje bedekt. Dit is de veenbes, (116) die krijgt mooie
vierpuntige knikkende bloemen, waarvoor later groote glimmende
bruinroode bessen in de plaats komen. Op de Bussumsche of
Hilversumsche hei hoef je deze planten niet te zoeken, wel zijn ze
reeds in ’t Soesterveen te vinden en dan verder op nog wel honderd
natte heivelden in Drente, Overijsel, Gelderland, Limburg en Brabant,
zoolang de vlijtige heideontginner daar nog niet zijn slooten heeft
gegraven.
Maar nu zien we in de zon een heerlijke tint van goudbrons over de hei
zweven, net de kleur van goudsteen—een bruin halfedelsteentje met
allemaal gele goudflonkertjes erin. Nu ik eraan denk merk ik, dat men
het tegenwoordig niet meer zooveel ziet als vroeger en ’t kan ook wel
gebeuren, dat we mettertijd de planten, die dezen zelfden goudgloed
over de aarde brengen, ook moeten ontberen.
’t Zijn vele heestertjes, sommige vrij hoog, wel manshoog, maar de
meeste wat lager. Bladeren hebben ze nog niet, wel bladknoppen, maar de
takken zijn bezet met bloemenkatjes, sommige glimmend bruin met vele
goudgele puntjes en dikke meeldraden, andere dunner met purperen
stempelpluimpjes. En dat ruikt alles zoo heerlijk specerijachtig, dat
je zoo op die takjes zoudt gaan bijten om ervan te snoepen, maar dat
raad ik u niet aan. Intusschen is deze gagel (41) een waar sieraad van
onze natte heide en van sommige duinstreken, en ’t is wel eens een
wandelingetje in echt koud schraal voorjaarsweer waard, om ze te zien
bloeien. De bladeren zijn nog geuriger dan de bloeischubben en zijn
vroeger wel als geneesmiddelen in gebruik geweest.
Hoe heel anders is nu de hei dan in Augustus. Hier hebben we nu
bloeiende kraaiheide, bloeiende gagel, bloeiende waterwilgen,
Andromeda, die in bloei gaat komen en die aardige veenbes, allemaal
heel andere planten, dan waaraan je denkt, als je spreekt van „de
heide”. Het werd al natter en natter en spoedig kwamen we aan een lange
rechte sloot die midden door de hei was gegraven—een voorlooper van
naderend ontginningswerk. Er stonden wat biezen langs den waterkant en
in ’t water zelf dreven wat lange fonteinkruidstengels van ’t vorig
jaar. Het was zoo helder, dat we elk kiezelsteentje van den bodem
duidelijk konden zien en daar zaten nu een kilometer ver allemaal
gewone grijze padden op den bodem, niet dicht opeen, maar op elken
meter sloot twee of drie padden, met elkaar dus eenige duizenden. Die
waren daarheen gekomen om eieren te leggen, dat zal me later daar een
gekrioel van paddevischjes geworden zijn! Heel grappig keken die padden
door ’t water omhoog.
Terwijl we daar nog over loopen te lachen, zie ik een dertig meter naar
links op een donker stuk heidegrond een heldergroen plekje. Wat kan
daar nu zoo groeien? denk ik. Kan ’t een stuk van die merkwaardige
wierplanten kolonies zijn, die de boeren sterreschot noemen? Maar die
zijn meestal heel donkergroen, ’t groen van flesschen. Schuim is ’t ook
niet.
Wel ik stap er op af en eerst als ik er vlak bij ben, merk ik dat daar
de langverwachte boomkikker zit. Wie zou dat ook gedacht hebben? De
boomkikker toch is als het kameleon; zijn huid kan allerlei kleuren
vertoonen al naar de omgeving, waar hij zich bevindt en gewoonlijk als
hij de boomen verlaat, om over den grond voort te kuieren, verwisselt
hij zijn groen costuum voor een bruin pakje. Deze sinjeur echter had in
zijn drift, om dat slootje te bereiken, zeker alle omzichtigheid
vergeten en in plaats van door zijn kleur beschut te zijn, was hij nu
op die zwarte hei juist het ding geworden, dat het eerst de aandacht
trok.
Wat een prachtig diertje, heelemaal groen met een paar donkerder
strepen overlangs over het lichaam. Aan ’t eind van de teenen heeft hij
verbreedingen, de kleefschijfjes, waardoor hij zich aan de gladde
steile boomstammen kan vasthechten. ’t Is een heel aardig gezicht,
zoo’n boomkikker, die tegen een gladden beuk opklautert.
Vroeger meende men, dat die hechtschijfjes werkten op de manier van de
leeren zuigertjes, waarmee wij vroeger de klinkers uit de straat
optrokken, zeer tegen den zin der politie.
’t Was anders een aardig vermaak en je kreeg zoo heel practisch eenig
denkbeeld van de beteekenis van een luchtledig. Nu meende men vroeger,
dat die boomkikker ook een luchtledig onder zijn hechtschijfjes maakte,
maar wij weten nu, dat hij er kleefselkliertjes heeft zitten en dat hij
zich dus letterlijk aan dien boomstam vastplakt.
Toen we onzen boomkikker in de donkere plantenbus hadden gestopt, kwam
hij tot bezinning en binnen weinige minuten was hij donkerbruin, in
overeenstemming met de duisternis van ’t hol, waarin hij was
opgesloten. Het maakte op ons den indruk, dat hij zwart was van
chagrijn over zijn domheid en zijn verloren vrijheid. Daarom hebben wij
hem maar weer neergezet op een vogelkers, die al geheel in blad stond
en daar is hij in drie-en-een halve minuut weer groen geworden. Wij
gingen welgemoed verder, blij, dat we weer iets hadden kunnen zien.
Die vogelkers was de voorlooper van een bosch, of liever de
achterblijver, want aan den grond was te zien, dat ’t bosch zich
vroeger tot hier toe had uitgestrekt. Daar stonden nog verdorde
stengels en bladeren van de adelaarsvaren en een plekje was heelemaal
begroeid met een mooi wit bloempje, dat wel wat lijkt op de
akkerhoornbloem, maar ’t is veel mooier en hoort echt in de bosschen
thuis. ’t Is de Grootbloemige Sterremuur. (55) Heele plekken zijn wit
van de bloempjes, die aan fijne steeltjes mooi omhoog staan. De knoppen
zijn neergebogen en ook de rijpende vruchten zijn omlaag gekruld. De
lange stengeltjes kunnen de vracht der bloemen niet dragen, maar ze
staan dicht opeen en steunen elkander en als er eens een omrolt, dan
vindt hij nog steun aan de lange, smalle spitse bladeren, die twee aan
twee aan de stengels staan. In de bosschen beoosten de Vecht groeit dit
plantje in overvloed, in sommige Hollandsche bosschen, zooals
Haarlemmerhout en Haagsche bosch ook wel, maar ik heb een hard
vermoeden, dat het daarheen is overgeplant. Nu, ’t is de moeite wel
waard.
Nog meer wit; kleinere bloempjes, maar veel sierlijker. En wat een
aardig plantje heelemaal, met die twee mooie hartvormige blaadjes aan
het rechte teere stengeltje. Het bloemtrosje komt heel aan ’t eind. Dit
is het Dalkruid, (74) ook een echt boschplantje en even goed waard, om
te worden overgeplant. Je zoudt ’t niet denken, maar ’t is een verwant
van het lelietje van dalen, al lijkt het er nu ook heelemaal niet op.
Doch later in ’t jaar worden die witte bloempjes tot donkere besjes en
dat is alvast een punt van overeenkomst.
Nu we toch op die kleine dingen zijn gaan letten, moeten we den grond
nog eens goed bekijken, want er is nog meer van dat grut. Hier zijn
mooie fijn verdeelde donkergroene blaadjes en op ’t eind van de
stengeltjes, waaruit ze ontspringen, zit een kubusje van groene
bloempjes, vier bloempjes opzij en een aan den top, kleine geelgroene
dingetjes, waar haast niemand naar omkijkt, dan enkele kleine vliegjes,
die op een groot feest meenen te zijn, als ze likken aan het minieme
beetje honing, dat door deze bloempjes wordt voortgebracht. Maar mooi
is ’t stellig dit Muskuskruid, (56) hoewel ik de muskus eraan nooit heb
geroken.
Nu zijn we goed en wel in ’t bosch, in ’t mooist van den tijd. De
anemoontjes en de klaverzuring van de vroege lente staan nog volop te
bloeien en ook de gulden boterbloem, (11) die meer merkwaardig dan mooi
is, want hij heeft haast nooit vijf gave kroonblaadjes, doordat hij van
een of meer alleen maar het onderstukje met de honigklier tot
ontwikkeling brengt.
Een ander geel bloempje vertoont zich op ’t mos, de geelster, (12) een
plantje dat tot de beroemde leliefamilie behoort, en slechts op enkele
plaatsen van ons land, in echte oude boschstreken voorkomt. In ’t eerst
zie je ’t bloempje niet, maar later merk je wel dat het mooi en groot
genoeg is.
Zijn ’t Pinksterbloemen, die daarachter staan? Neen, de bloempjes zijn
haast zuiver wit en iets kleiner. Kijk even naar de helmknoppen, die
zijn bruin en de pinksterbloem heeft gele. We hebben hier te doen met
een van onze zeldzame boschplanten, de bittere Veldkers (38) en nu zou
ik haast durven hopen, dat we hier mettertijd ook nog eens de
allermerkwaardigste Nederlandsche boschplant zouden kunnen vinden: de
Zevenster. (7) Dat is een tamelijk laag plantje met een aantal
langwerpige bladeren dicht op elkaar, zoodat ze een krans schijnen te
vormen en midden uit dier krans verrijzen dan op lange steeltjes een
aantal—lang niet altijd zeven—mooie witte bloempjes. Als je die
zevenster vindt, moet je hem eigenlijk nooit plukken, daar is hij veel
te zeldzaam voor. Misschien dat ge later, als de plant zich ongestoord
heeft kunnen vermenigvuldigen er eens eentje voor uw plantenverzameling
kunt gaan halen.
Als ik longenkruid (119) in een bosch vind, dan is er ook wel een
kasteel of een klooster of een ruïne in de buurt, want dat is een van
de vele planten, die vroeger om hun geneeskrachtige eigenschappen in
kloostertuinen of slottuinen werden gekweekt. Intusschen verwondert het
mij, dat het zich niet sterker heeft uitgebreid, want in tuinen groeit
het bijzonder gemakkelijk, behalve in de groote steden, waar de
musschen, als ze eenmaal den smaak erin gekregen hebben het tot het
allerlaatste blaadje wegpikken.
Zijn naam heeft het te danken aan de bladeren, die heel merkwaardig
gevlekt zijn, en onze voorvaderen op het idee brachten van zieke
longen. Hoe ze zoo op dat somber denkbeeld kwamen, zou ik heusch niet
kunnen zeggen. Maar nu hadden ze vroeger het zeer geriefelijke geloof,
dat het uiterlijk en de in ’t oog vallende eigenschappen van een plant
een aanwijzing waren van de diensten, die zij ons kon bewijzen. Een
broze plant was een middel tegen gebroken beenderen, hartvormige
bladeren waren goed tegen hartkwalen enz. Zoodoende werd dan het
longenkruid als een middel beschouwd tegen aandoeningen van de longen.
Nu denken we daar heel anders over. Maar dat neemt niet weg, dat het
longenkruid een aardige plant blijft, al was ’t alleen om zijn
verkleuren gedurende den bloei en om zijn tweeërlei bloemen. Let er
maar eens op; als de bloempjes pas opengaan, zijn ze rood, later worden
ze blauw en op sommige planten vindt ge bloemen met lange stijlen en
laag staande meeldraden, bij andere korte stijlen en hoog staande
meeldraden. Dat houdt verband met het insectenbezoek en de bestuiving,
maar dat kan ik hier nu niet allemaal gaan uitleggen.
Liever wil ik u nog een paar bloempjes wijzen, die in dit oude bosch
groeien. Weliswaar hebben we in Nederland geen echte oerwouden meer,
maar op sommige plaatsen vinden we toch nog zeer ouden boschgrond en
daar groeit dan het aardige goudveil, (58) een heel laag plantje met
mooi gekartelde blaadjes en zeer kleine goudgele bloempjes, een heel
merkwaardig plantje, maar je ziet het niet gauw. Des te beter valt de
daslook (57) in ’t oog, een van het geslacht der uien, je kunt het wel
ruiken, maar hij heeft zoo’n mooi scherm van prachtige helder witte
bloemen, dat we dien geur graag op den koop toe nemen. Ook dit is weer
zoo’n kasteel-klooster-ruïne-middeleeuwenplant.
Maar wat zijn dat voor mooie donkerblauwe knoppen? Dat zijn de
Rapunzels, (42) ze hooren tot de klokjesfamilie en meer nog dan de
goudveil bewijzen ze, dat we hier toch op echten boschbodem ronddwalen.
De bloempjes zelf zitten dicht op elkaar en je moet al wat van
plantkunde weten, om ze te begrijpen. De aardigheid is, dat de
meeldraden al verwelken, eer de bloem zich goed en wel opent en ze
plakken dan hun stuifmeel tegen den stijl aan. Maar om deze bloempjes
te vinden, moet ge naar de bosschen beoosten den IJsel of bezuiden de
Waal.
Het loopt nu naar den avond. Nachtegalen, fluiters, (25) zanglijsters,
roodborstjes, merels zitten overal te zingen en in een bloeiend
sleedoorntje (92) zie ik een vogel waar ik ook den heelen dag al naar
heb uitgekeken en die ook thuis hoort in de echte bosschen, een
allerprachtigst dier: de goudvink. (26) Hij heeft weinig te vertellen,
maar zijn borst is zoo rood, zijn kop zoo zwart, zijn rug zoo grijs,
dat we ons met een klein vriendelijk liedje tevreden stellen.
’s Avonds in ons hotel ontmoeten wij er nog een—in een vogelkooi. Die
fluit met veel animo het nieuwe Wilhelmus, dat tegenwoordig alweer het
oude Wilhelmus is geworden. Dat heeft hij in gevangenschap geleerd.