omvangrijke bagage waren reeds te veel voor het kleine bootje; nu
moesten de inzittenden bovendien nog strijden tegen wind en golven.
Daarbij brandde de zon onbarmhartig; en maakte het verblijf in de boot
volstrekt niet aangenamer.
De wind blies in het zeil en joeg het vaartuig voor zich uit. De witte
schuimkoppen, die rechts en links van de boot opspatten, brachten een
weldadige afkoeling.
Zoo hadden zij reeds een paar uur rondgedobberd, toen in de verte
smalle, donkere strepen zichtbaar werden.
„Land!” riep Charly.
Lord Lister haalde echter de schouders op en trachtte met het kleine
kompas de richting vast te stellen, daarna schudde hij nadenkend het
hoofd en meende:
„Ik vrees bijna, dat wij uit den koers zijn geraakt en de Serostresbank
naderen.”
Weldra bleek, dat hij gelijk had. Slechts met inspanning van alle
krachten gelukte het hun, op de gevaarlijke bank vast te loopen.
Dit onaangename voorval had echter iets goeds, want men kon het nu over
de richting eens worden.
Het gelukte vrij spoedig, het vaartuig weer vlot te doen geraken.
Hun weg in Zuidwestelijke richting nemend, bereikten de zeevaarders
spoedig hun doel. De reis van Mangalur tot Tscherbanyani was bijna twee
uur vertraagd, zoodat de zon reeds bijna aan den horizon verdween, toen
men de eilandengroep bereikte.
Naar aanleiding van de aanduiding, die Raffles in den geheimzinnigen
ring had gevonden, moest hij aannemen, dat de schat, dien hij zocht,
zich op het kleine, noordoostelijke eiland bevond.
Het zoo even doorleefde avontuur deed hem ook begrijpen, wat de laatste
teekens op de perkamentstrook beteekenden. Dit was een waarschuwing
voor de Serostresbank.
Hoe klein deze eilandjes ook zijn, zij worden toch bijna alle bewoond.
De groep der Lakediven telt bijna 15,000 inwoners, voornamelijk
Arabieren.
Van het noordoosten komend, had Lord Lister met zijn scherpe oogen een
kleine bocht ontdekt. Hij hield daarop aan en weldra landde het
vaartuig behouden in deze kleine, natuurlijke haven.
Door het avontuur van den vroegen morgen was de visschersboot in de
volle beteekenis van het woord voor de reizigers een reddingsboot
geworden, en zij wisten dit op rechte waarde te schatten. Daar men voor
het oogenblik nog niet kon weten, hoe de terugtocht van het eiland zou
zijn, wijdde men de grootste zorg aan de berging van het vaartuig.
De bedienden trokken het geheel aan den oever, die hier tamelijk vlak
was, twee palen werden in den grond geslagen en de boot daaraan
bevestigd.
Daar men nu sedert verscheiden uren voor het eerst weer vasten grond
onder de voeten had, begon men het allereerst een rustplaats in te
richten.
Pakken bagage werden naar de zijde der zee opgestapeld en dekens
uitgespreid. Zoo maakte men ten minste voor Kysagotami een eenigszins
beschutte legerstede.
De Indiërs hadden intusschen droog hout, twijgen en allerlei brandbare
voorwerpen verzameld en daarvan in een kuil een vuur aangelegd. Van
den meegebrachten voorraad was weldra een avondmaal gereed gemaakt,
dat allen na de inspanningen van den dag uitmuntend smaakte.
Nadat de maaltijd was afgeloopen, maakte Raffles zich gereed om het
inwendige van het eiland te onderzoeken. Hij nam alleen den langen
Hassan met zich mee, terwijl Charly en de twee Indische bedienden ter
bescherming van Kysagotami en de bagage achterbleven.
Raffles had zijn uitstekend geweer omgehangen, revolver en mes in den
gordel gestoken, ook Hassan was van wapens voorzien en beiden liepen
met snelle schreden voort, in de hoop, zoo mogelijk nog voor het vallen
van den nacht een woning te vinden, waarin men zou kunnen overnachten.
Al hun zoeken was echter tevergeefs, het eiland scheen te zijn
uitgestorven. Behalve eenige apen, die vroolijk in de boomen
rondsprongen en nieuwsgierig de beide wandelaars bekeken, liet zich
geen levend wezen zien.
Mistroostig moest Raffles er eindelijk toe besluiten, den terugweg te
aanvaarden. De gedachte aan Kysagotami en de noodzakelijkheid om haar
in de open lucht te moeten laten overnachten, stemde hem somber.
Voor de mannen was een dergelijk gedwongen verblijf in de vrije natuur
niet zoo heel erg, maar Kysagotami leed zichtbaar onder de voortdurende
vermoeienissen en wederwaardigheden; dit was reeds de derde nacht, dat
zij geen rust en geen slaapplaats had.
Toen Raffles haar bij zijn terugkomst mededeelde, dat het niet mogelijk
was geweest, een woning te vinden, sprak zij glimlachend:
„O, maak u over mij maar niet ongerust. Ik wil leven evenals mijn
redders en verlang niets beters.”
Van kisten werd met behulp van een paar korte boomstammen een hut
gebouwd en die door er overgelegde dekens tegen den zeewind beschut.
Hierin zou Kysagotami den nacht doorbrengen.
De bedienden hielden gedurende den nacht om beurten de wacht. Het vuur
werd aangehouden, om wilde dieren, die zich misschien op het eiland
bevonden, op een afstand te houden.
Nadat alles op deze wijze geregeld was, gaven zij zich over aan de
welverdiende rust.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE GELOFTE.
Midden in een dicht woud verheft zich een bouwvallig gebouw. Het is een
van die Indische reuzentempels, die reeds gedurende eeuwen dienen om
Boeddha te dienen en waarin de Brahmapriesters hun geheimzinnige
diensten houden, omgeven door orakels en mysteriën, vorsten en volken
regeerend.
De tempel is reeds dikwijls het tooneel geweest van woeste gevechten,
waaronder het uiterlijk van het gebouw wel heeft geleden, maar die het
zijn roep van heiligheid niet hebben ontnomen.
Als een pyramide opgetrokken, bevat het drie verdiepingen. Vijftig
torens, die aan alle vier zijden hetzelfde kolossale gelaat van Boeddha
vertoonen, maken op den toeschouwer een onvergetelijken indruk.
Bij alle Indische tempels spelen trappen een groote rol. Zij bevinden
zich aan de buitenzijde der muren en dragen, behalve allerlei andere
versieringen, een grooten voorraad steenen dieren. De bouwmeesters van
deze geweldige reuzen uit vroeger eeuwen hebben de bedoeling gehad om
de tempels nog hooger te doen schijnen dan zij reeds in werkelijkheid
zijn. Naar boven toe worden de treden van de trappen steeds hooger en
smaller.
De tempel bevat drie poorten, waarboven torengevels prijken, die geen
spits hebben en welke rijk versierd zijn. Daartusschen strekt zich een
250 meter lange galerij uit, die door verscheiden pilaren wordt
gedragen en die het geheele gebouw omgeeft.
De hoofdingang wordt bewaakt door het reusachtige steenen beeld, een
slang met zeven koppen, Naga genoemd, voorstellende.
Niet ver van dit geweldige gebouw ligt, op een weide, de Sala. Zoo heet
het toevluchtshuis voor rondreizende priesters, dat in geen enkel
Boeddhistisch dorp ontbreekt. Vele priesters trekken sinds de
alleroudste tijden predikend en onderwijzend het land door. Als het
noodig is, dient de Sala ook als toevlucht voor andere reizigers,
wanneer deze er mee tevreden zijn, want de Sala is zeer primitief
ingericht.
Op palen rustend, opgetrokken uit riet en palmbladeren, zonder deuren
of vensters, is het eigenlijk niet meer dan een kale wachtkamer.
Dit gebouw was nu herschapen in een hospitaal, want men had er de
lieden neergelegd, die bij de vervolging der roovers waren gewond. Ook
de overblijfselen van den ongelukkigen Boeddhapriester, die door den
olifant van Raffles was verpletterd, was door de anderen in het gele
kleed van den bedelmonnik gewikkeld en daar voorloopig geborgen.
Een heelkundige, dien men snel had gehaald, hield zich met de gewonden
bezig, daarbij geholpen door een Boeddhist.
De anderen begaven zich stilzwijgend, met ernstige, sombere gezichten
naar den tempel. Voorop liepen twee broeders met brandende fakkels,
daarop volgde een bedelmonnik en eindelijk de schaar van priesters en
geleerden. De soldaten, die de vervolgers hadden vergezeld, stelden
zich op vóór den tempel, terwijl de stoet priesters in de groote ruimte
van het gebouw halt hield.
In het midden hiervan staat een beeld van Boeddha van reusachtige
afmetingen. Het geweldige hoofd van het afgodsbeeld reikt bijna tot aan
de tweede galerij en het oppervlak van het voetstuk bedraagt negentig
vierkanten meter.
In de ruimte bevinden zich vier kleine altaren, waaraan de pelgrims
bidden en waarheen het volk uit den omtrek ter bedevaart trekt.
Aan deze altaren werden de fakkels aangestoken en rondom, langs de
zuilen, die de reuzenhal omgeven, eveneens brandende fakkels bevestigd.
Het was een tooneel vol eigenaardige, geheimzinnige bekoring. De in
duisternis gehulde ruimte, in wier midden de geweldige Boeddha troonde,
in het rond de brandende fakkels, welke haar rood, onzeker en
spookachtig licht over de met rijk beeldhouwwerk versierde zuilen
wierpen.
Voor het Boeddhabeeld waren de priesters in een grooten kring
neergehurkt. Zacht mompelden zij hun mantras (tooverspreuken). Een
priester met sneeuwwitte haren en langen, golvenden baard, trad naar
voren en boog driemaal met uitgebreide armen voor het beeld van de
godheid. Daarop richtte hij zich tot de menigte en vertelde aan allen,
hoewel zij de gebeurtenissen nauwkeurig kenden, nogmaals, waaraan de
vreemde indringers—Raffles en Charly—zich hadden schuldig gemaakt.
Toen hij van het wonderdadige oog van den god Siwa sprak, wierpen allen
zich met het gelaat ter aarde, sloegen zich met de vuisten op de borst
en trokken zich de haren uit.
De grijze Boeddhapriester wendde zich nu tot een Brahmaansch geleerde
en vroeg, welke straf de roovers volgens de heilige wetten moesten
ondergaan.
De man was opgestaan, had, volgens het gebruik, driemaal voor het
afgodsbeeld gebogen en sprak toen:
„Den Boeddhisten wordt geleerd jegens alle menschen zonder onderscheid
dezelfde lijdzaamheid, goedheid en broederlijke liefde te betrachten.”
„Leert de heilige niet ook, wie niet in staat is zijn geest verder te
ontwikkelen en nimmer het Nirwana zal bereiken?”
Wederom boog de geleerde en sprak:
„Zoo sprak Boeddha: de moordenaars van vader, moeder en heilige
Arahats, bhikkhoes (bedelmonniken), zij, welke tweedracht stichten,
zij, die Boeddha durven beleedigen en zij, die te zinnelijk zijn,
zullen niet tot het Nirwana worden toegelaten.”
„Kennen wij toestanden van pijn, waarin zij zullen geraken?”
„Ja, wijze vader.”
De priester gaf een wenk en de geleerde ging weer naar zijn plaats
terug.
Zes fakirs vingen nu weer een van hun woeste dansen aan, terwijl zij om
het beeld van Boeddha draaiden, luide kreten uitstieten en hun lichaam
met messen verwondden.
Gedurende deze plechtigheid zaten de anderen volkomen stil,
onophoudelijk tooverspreuken en gebeden mompelend.
Na ongeveer een half uur waren de fakirs zoo uitgeput, dat zij
ineenzakten en nog slechts zachte, klagende geluiden voortbrachten.
Nu stond de grijze priester weer op en sprak tot de menigte:
„Gij weet nu, welke straf den ongeloovigen wacht, die zich hebben
vergrepen aan het allerheiligste. Boeddha kijkt op ons neer en eischt
van ons wraak voor de heiligschennis. Wij zijn uitverkoren om Brahma te
beschermen en wij moeten daarom handelen. Zooals dat voorgeschreven is
in onze heilige leer, zullen wij den schat, het wonderdadige oog van
Siwa, weer moeten heroveren. Wie van u wil zich van deze heilige taak
kwijten?”
Op deze vraag van den priester stonden allen op van hun plaatsen ten
teeken, dat geen van hen wilde achterblijven.
De grijsaard knikte voldaan en koos daarop twee jongere priesters uit,
terwijl hij de leiding aan den bedelmonnik opdroeg.
De drie uitverkorenen moesten zich nu van hun kleeren ontdoen en zich
naakt voor het beeld van Boeddha op den grond werpen. Daarop naderde de
grijze priester en zalfde het hoofd van elk hunner met gewijde olie.
Daarna stonden de mannen op en kruisten de armen. De priester boorde
hun elk in de spieren van den bovenarm drie naalden. De Indiërs
ondergingen dit zonder met de oogen te knippen.
Intusschen waren de fakirs weer gaan dansen, onder luid geschreeuw
rondom de drie uitverkorenen draaiend.
Nu beklom de priester het voetstuk van het Boeddhabeeld en sprak op die
plek een gelofte uit, die door het drietal werd herhaald.
„Heer der wereld, gij ziet in onze harten, want gij zijt de Alwetende.
Wij zweren u, de roovers te zullen volgen door landen en zeeën, over
uwe bergen en afgronden, en niet te zullen rusten, eer wij het
wonderdadige oog van den heiligen Siwa zullen hebben gevonden. Geen
onzer zal ooit zalig worden en uw Nirwana zal voor ons gesloten
blijven, zoolang wij onze gelofte niet zijn nagekomen.”
Nadat alle drie deze woorden hadden nagesproken, daalde de priester
weer van het Boeddhabeeld naar beneden en sprak:
„De koning der waarheid heeft uw gelofte gehoord! Ik weet, dat gij haar
zult houden, want het verlangen naar een leven in den hemel zal u
aansporen en uw schreden leiden, zoodat gij weldra uw heilige roeping
zult hebben vervuld!”
De drie uitverkorenen werden ten tweeden male gezalfd met heilige olie
en eerst nu trok de priester de naalden uit hun armspieren. Nadat zij
hun kleeren weer hadden aangetrokken, namen de mannen plaats in den
kring bij de anderen en opnieuw vingen de fakirs hun godsdienstige,
opwindende, wilde dansen aan.
Toen wierpen allen zich nogmaals neer voor het Boeddhabeeld en de oude
priester mompelde heilige gebeden. Daarmee was de handeling afgeloopen.
In plechtigen optocht, evenals zij waren gekomen, verlieten de
deelnemers den tempel om zich weer in de Sala te begeven.
De gewonden waren intusschen reeds naar het naaste dorp gebracht en de
overblijfselen van den ongelukkigen priester, die door den getergden,
wilden olifant zulk een vreeselijk einde had gevonden, waren eveneens
daarheen gezonden om te worden bijgezet.
Daar het hier een lid van den stam Pali gold, was deze bijzetting van
zeer bijzonderen aard. Het is in Pali verboden, de elementen—vuur,
water, aarde, en lucht—te verontreinigen. Daarom mogen zij hun dooden
niet begraven, noch verbranden, noch in zee werpen.
Daarom hebben zij groote gebouwen opgericht, veel overeenkomst
vertoonend met een oud-Romeinsch amphitheater. Aan vier zijden voorzien
van watertoevoer, bestaat het uit een cirkelvormige ruimte, waarin het
beeld van de godin van den dood staat. Vandaar loopen straalvormig acht
gangen en daartusschen worden de naakte lijken neergelegd.
In den kleinsten cirkel, dichtbij het afgodsbeeld, liggen de
kinderlijkjes, daarop volgen de lijken der vrouwen en jonge meisjes en
eindelijk, aan het eind, de mannenlijken.
In deze open ruimte blijven de lijken liggen totdat de gieren het
vleesch hebben opgevreten en de zon de beenderen heeft verbleekt en tot
stof doen vergaan.
Een dergelijke lijkplechtigheid is voor het geheele dorp altijd een
groot feest, waarvan niemand weg blijft.
Voor de drie uitverkorenen was er dezen keer geen tijd om aan de
plechtigheid mee te doen, want een heilige plicht riep hen.
De bedelmonnik was belast met de leiding der expeditie en hij nam
dadelijk zijn maatregelen omdat er zoo snel mogelijk gehandeld moest
worden.
Men had gezien, dat de vluchtelingen hun koers hadden genomen naar de
eilandengroep der Lakediven. Het was duidelijk, dat zij geen groote
reis zouden kunnen maken in het kleine visschersbootje; men mocht dus
hopen, hen nog in de nabijheid dier eilanden te zullen vinden.
Een aantal flinke mannen werd uit den troep krijgslieden gekozen en
deze moesten het drietal op hun vervolgingstocht vergezellen.
Men waagde het echter niet, in den nacht te reizen en nu trok de
geheele stoet naar de haven van Mangalur om bij het aanbreken van den
dag zee te kiezen.
Het was een schilderachtig tooneel, toen de troep Indiërs bij het
heldere schijnsel der maan zich voortbewoog door de nauwe bergpassen.
Helder blonken in het zachte maanlicht de loopen der geweren, de
lansen, messen en dolken en op de bruine gezichten stond groote
vastberadenheid te lezen om de roovers van den heiligen schat gevangen
te nemen, al ware het ten koste van hun eigen leven!
NEGENDE HOOFDSTUK.
RAFFLES ALS WASCHVROUW.
In het oosten begon de hemel helder te worden. De schaduwen van den
nacht weken voor de zegenrijke stralen der zon en de natuur ontwaakte
uit haar sluimer.
Lord Lister was de eerste, die zijn legerstede verliet, juist toen de
zon boven de zee opging. De ongestoorde nachtrust had hem weer nieuwe
kracht gegeven en met volle teugen ademde hij de frissche, verkwikkende
zeelucht in. Daarop ging hij naar Anunda, die de laatste nachtwaak had
en vroeg hem, of er gedurende den nacht iets bijzonders was geweest.
Anunda antwoordde ontkennend en Raffles begon toebereidselen te maken
voor den onderzoekingstocht op het eiland.
Hij spreidde een kaart voor zich op den grond uit en nam uit zijn
borstzak een kleine reep perkament, waarop de geheimzinnige teekens:
70,5°—12,2° Mangalur +++ 13,1
stonden.
Terwijl hij nauwkeurig deze opgaven met de kaart vergeleek, mompelde
hij tevreden:
„Ik kan mij niet vergist hebben. Hier moet ik den schat vinden en
eindelijk het geheim van den ring ontsluieren.”
Charly Brand, die intusschen ook ontwaakt was en zich op eenigen
afstand door een zeebad had verkwikt, kwam naar zijn vriend toe, hem
vroolijk goeden morgen wenschend.
„Charly, ik geloof stellig, dat wij het doel nu spoedig bereikt zullen
hebben. De drie kruisjes voor 13,1 zijn een waarschuwing voor de
Serostresbank en 70,5—12,2 wijst blijkbaar op Tscherbanyani.
„Hier moet de schat te vinden zijn, dien Ellens vader, de Indische
vorst, heeft begraven en dien die schurk van een Blakhorst de arme wees
wilde ontstelen.”
„Ach, Edward, ik zou hartelijk blij zijn, als wij den beiden vrouwen
haar eigendom konden ter hand stellen. Wat zou Blakhorst wel zeggen,
als hij wist, hoe dicht wij bij den schat zijn, waarvoor hij gedurende
een menschenleeftijd misdaad op misdaad heeft gestapeld.”
„Nu, in elk geval zou het hem weinig genoegen doen. Maar geloof niet,
dat hij het niet te weten zal komen. Zoodra wij weer goed en wel in
Londen zijn, deel ik hem mee, dat wij den schat aan de rechtmatige
eigenaars ter hand hebben gesteld.”
„Dat zou ik in jouw plaats niet doen, Edward, want de booswicht zal het
dan stellig de arme vrouwen lastig maken.”
„Laat dat maar aan mij over, ik zal de vrouwen weten te beschermen en
bovendien denk ik den schurk zulk een souvenir te geven, dat elke
gedachte aan wraak hem verre zal blijven. Mijn eerste werk na onze
terugkomst zal zijn, met hem ook de andere menschelijke duivels uit den
weg te ruimen en de maatschappij van die hyena’s te bevrijden.”
Bij de herinnering aan de misdaden, waarvan Raffles de sporen had
ontdekt in de hollen dier vervloekte wezens, overweldigde hem zijn
woede en als een god der wraak stond hij tegenover Charly.
Hassan, de Turksche bediende van Lord Lister, werd gewekt en maakte,
daar hij de plaats eener keukenmeid innam, het ontbijt gereed.
Ook Kysagotami verscheen weldra en eenigen tijd later zat het geheele
gezelschap in de vroolijkste stemming aan de kust van Tscherbanyani,
een prachtig uitzicht hebbende over de Arabische Zee.
Het was een heerlijke morgen, geen wolkje vertoonde zich aan den
horizont. Een zachte zuidwesten wind rimpelde de golven, die van een
prachtig donkerblauw waren. In het zuiden en westen doemden donkere
strepen in de zee op; dat waren de naastbijgelegen eilanden.
Charly Brand, die met zijn rug tegen een vijgenboom leunde, wilde juist
een boterham, belegd met geconserveerd vleesch, naar den mond brengen,
toen hij plotseling een geweldigen stoot tegen zijn rechterarm kreeg.
Het brood viel op den grond en een bruin wezen wierp zich midden
tusschen het gezelschap op het brood.
Kysagotami had een zachten kreet geslaakt en Raffles was opgesprongen.
De beide Indiërs aten echter rustig door en keken met een vroolijken
grijns de anderen aan.
Met een grooten sprong was de bruine indringer met het brood in den bek
tegen den stam van den vijgenboom opgeklauterd en eenige oogenblikken
later reeds tusschen de bladeren verdwenen.
Het was een aap van ongeveer een meter lengte, die waarschijnlijk was
gelokt door de lekkere beetjes en die nu eens wilde zien, welke
kostbaarheden de vreemdelingen daar beneden hadden.
In elk geval scheen de buit hem niet te bevallen, want plotseling kwam
de boterham naar beneden en viel juist in een met chocolade gevuld
kopje, dat Raffles in de hand hield.
Het kopje wankelde en het bruine vocht vloeide over de witte burnous,
welke Raffles droeg, deze met grillige figuren kleurend.
Een vloek klonk van Listers lippen. Het overige gedeelte van het
gezelschap, dat reeds bij den diefstal van het brood in lachen was
uitgebarsten, schaterde nu zoo hartelijk, dat hem niets anders
overbleef dan maar mee in te stemmen.
Hij ging tot daar, waar de golven het strand bespoelden en trachtte de
bruine vlekken met zeewater weg te wasschen.
En nu moest Raffles bekennen dat hij niets wist van de practische
bekwaamheden eener huisvrouw, want het zeewater bereidde hem een
onaangename verrassing. Wel verbleekte de chocoladekleur een beetje,
maar allerlei andere vlekken ontstonden in de witte stof en Raffles zag
vol spijt de helderheid van zijn mooie burnous verdwijnen.
Charly Brand, die van zijn zitplaats naar het werk van zijn vriend
keek, lachte luidkeels en riep:
„Edward, ik zou je willen kieken en een afdrukje met het onderschrift:
„Raffles als waschvrouw” aan onzen goeden inspecteur Baxter in Scotland
Yard zenden.”
Lord Lister had schik in dezen grappigen inval van zijn vriend en gaf
eindelijk zijn pogingen op, waarvan hij het vruchtelooze inzag.
Men maakte zich voor den tocht gereed. Raffles en Charly lieten zich nu
vergezellen door Anunda; terwijl Kysagotami achterbleef, beschermd door
den anderen Indischen bediende en den trouwen Hassan, welke intusschen
het middagmaal gereed zou maken.
De drie wandelaars sloegen een Oostelijke richting in, omdat Raffles
meende, dit uit de opgaven op het perkament te moeten begrijpen.
De plantengroei is zeer weelderig op de eilanden der Arabische zee.
Dichte wouden en uitgestrekte, vruchtbare, velden bedekken het land. De
wandelaars hadden dikwijls moeite, zich een weg te banen door het
dichte kreupelhout.
Plotseling bevonden zij zich bij een kleine open plek, waaromheen de
niagrodhaboomen een bijna gelijkzijdigen driehoek vormden.
„Ik geloof stellig, dat wij de juiste plek bereikt hebben; hier zullen
wij gaan graven.”
Lord Lister, die nauwkeurig had rondgekeken en den stand der boomen met
de geheimzinnige aanduidingen van het briefje had vergeleken, sprak met
groote beslistheid. Het kleine driehoekje op het perkament kon slechts
betrekking hebben op den driehoek, welke door de boomen werd gevormd.
Men wilde juist beginnen den grond met houweelen en spaden, die Anunda
had meegenomen, te bewerken, toen Charly zijn vriend een wenk gaf.
Niet ver van de plek, waar de schatgravers hun heil wilden zoeken,
verhief zich, van boomstammen en loof gebouwd, een kleine hut, die
gedeeltelijk in den bodem scheen te verdwijnen.
Lord Lister liet dadelijk Anunda zijn werk staken en alle drie begaven
zich naar het gebouwtje.
Raffles had den ingang het eerst genaderd. Alles bleef stil, niets
bewoog zich. Daarom besloot hij, door de lage deur de hut binnen te
gaan.
Dit was echter niet ongevaarlijk, want wat zou het huisje bevatten? Was
het bewoond, dan huisde hier misschien een vijand; was het dat niet,
dan scheen het gevaar nog grooter, want het kon de woonplaats van het
een of andere roofdier zijn.
Raffles hield daarom dan ook zijn Browningpistool gereed, terwijl hij
zijn electrische zaklantaarn liet branden.
Door jarenlang gebruik was de bodem trapsgewijze uitgeloopen en Lord
Lister kon zeer gemakkelijk naar beneden gaan. Hij had een paar
schreden afgelegd, toen een zacht gekreun en onverstaanbaar gemompelde
woorden zijn oor bereikten.
Een oogenblik aarzelde hij, daarna echter verder neerdalend, liet hij
het licht in de donkere ruimte vallen, waar hij in een der hoeken een
ineengedoken, bruine gedaante onderscheidde.
Het was een oude fakir, die, alleen bekleed met een lendeschort, in den
donkeren hoek op den vochtigen bodem zat. Het lichaam was tot een
geraamte vermagerd; geen enkel lid bewoog zich en alleen de lippen
prevelden eentonige gebeden en tooverspreuken.