verstomd over den heerlijken glans die door het rechteroog van het
afgodsbeeld werd uitgestraald. Dat bestond uit een robijn van
onschatbare waarde en ongekende grootte.
„Je hebt gelijk, Charly, dat is een kleinood van fabelachtige
schoonheid en onmetelijke waarde. Het zou zonde zijn, als wij dat hier
achterlieten en ik denk, dat de oude heer met één oog nog genoeg zal
kunnen zien, want de andere steen schijnt mij het meenemen niet waard
te zijn.”
Met behulp der meegebrachte werktuigen was de steen spoedig losgemaakt.
De woede en angst van den Indiër schenen nu tot het uiterste te
geraken. Zijn oogen werden onnatuurlijk groot, zijn aderen zwollen op
tot dikke koorden bij zijn wanhopige pogingen om zich te bevrijden en
hij jammerde onophoudelijk:
„Heilige Brahma, bescherm ons! Het oog! Het oog!”
Terwijl Raffles nog bezig was, den steen los te maken, had Charly de
klep in het voetstuk opgelicht. Toen de beide vrienden het licht hunner
lantaarns in de opening lieten vallen, vonkelde en schitterde het voor
hun oogen. Millioenen vonken schenen hun tegen te stralen. Het was een
onmetelijke schat aan edelsteenen, gouden en zilveren munten, welke
daar verborgen was.
Bij het plotselinge ontvlammen der electrische lampen schrok de
gevangen Indiër geweldig. Zijn gelaat toonde groote vrees. Hij scheen
deze hem geheel vreemde en onbegrijpelijke inrichting voor een
uitvinding van den duivel te houden en de beide vrienden misschien voor
bondgenooten van dezen.
In korten tijd hadden de indringers den geheelen schat in den
meegebrachten zak en in twee linnen buidels verpakt. Nadat dit werk was
afgeloopen, wierpen zij de klep dicht. Charly keek naar het geschonden
afgodsbeeld en vroeg:
„Zullen wij het beeld niet weer op zijn plaats brengen?”
„Maar, kerel! Wij hebben onze krachten meer noodig, dan dat wij ze op
die manier kunnen verbruiken! Laat dien God daar maar staan. Dan
begrijpen de priesters dadelijk, dat hun erfenis verloren is.”
Lord Lister had zich lachend tot den gevangene gewend en sprak:
„Mijn vriend, laat de tijd je niet al te lang vallen. Voor je eigen
veiligheid moeten wij de deur sluiten en je in donker achterlaten.”
Met blikken vol haat keek de Indiër zijn tegenstander aan en mompelde:
„Gaat nu maar heen, gij Christenhonden, de wraak van Brahma zal u
spoedig treffen. Ik zal juichen, als men uwe ingewanden voor de wilde
dieren zal werpen. Men zal uw vervloekte vingers afhakken, omdat gij
Het wonderdadige oog van den heiligen Siwa hebt gestolen en uw tongen
zal men uittrekken, omdat gij een bewaker bespot.”
De beide vrienden luisterden verder niet naar de dreigementen van den
Indiër en verlieten den tempel, de deur in het slot werpend.
Toen zij de plek naderden, waar zij hun paarden hadden vastgebonden,
wachtte hun een onaangename verrassing.
De kleine, grijze hengst, waarop Raffles had gereden, was verdwenen.
Blijkbaar had de tweede bewaker het dier gestolen, om zoodoende sneller
hulp te kunnen halen.
Nu was groote voorzichtigheid en haast aanbevolen, als de beide
vrienden niet in hachelijke omstandigheden wilden komen.
„Dat is een kwaad geval,” sprak Lord Lister met bewolkt voorhoofd.
Zij begrepen beiden, dat het eene paardje niet twee ruiters en den
zwaren schat kon dragen.
Snel besloten sprak de Lord:
„Vooruit, Charly, op het paard. Ik zal, zoo snel het gaat, er achteraan
loopen.”
Charly wilde tegenspreken, maar Lord Lister vervolgde:
„Het is beter, dat jij het paard eerst berijdt, want jij bent lichter
dan ik. Later kunnen wij immers omwisselen. En nu vooruit, want de tijd
is kostbaar. De Indiër heeft met ons paard veel tijd gewonnen en wij
zullen er zonder veel tijd verliezen. Ik heb echter niet den minsten
lust om af te wachten tot de bedreigingen van onzen vriend
verwezenlijkt zullen worden, want ik wil nog menig goed glas wijn over
mijn tong laten gaan.”
Het onverstoorbaar goede humeur van Lord Lister deed spoedig het
pijnlijke van den toestand vergeten en het kleine paardje, beladen met
de rijke schatten van den Radja, draafde weldra lustig voorwaarts,
terwijl Lord Lister zich inspande, gelijken tred te houden met den
snellen gang van het beest.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE SLANGENBEZWEERDER.
Op nauwelijks een halve mijl afstands van den tempel, was de plek, waar
de bedienden van den Lord waren achtergebleven, om met de jonge vrouw
op den afloop der gevaarlijke expeditie te wachten.
Hoewel Lord Lister had beproefd, gelijken tred te houden met het
dravende paard, was er toch meer dan een half uur verloopen, eer zij de
legerplaats bereikten, want het terrein was niet overal effen geweest.
Met luid gejubel werden de beide Engelschen begroet, toen zij bij het
eerste schemerlicht aankwamen.
Vooral Kysagotami kon nauwelijks woorden genoeg vinden om uiting te
geven aan haar vreugde, toen zij haar beide redders, voor wier leven
zij zoozeer had gevreesd, behouden terug zag.
Charly liet de rijke schatten zien. Kysagotami was overgelukkig. Toen
Raffles echter den kostbaren robijn uit zijn portefeuille nam,
verbleekte zij en uitte een kreet van ontzetting. De Indische
bedienden, die ook reikhalzend stonden te kijken naar de schatten,
wierpen zich ter aarde, sloegen met de vuisten op hun borst en schenen
buiten zichzelf te zijn van schrik.
Raffles wist niet, wat hij van dit alles moest begrijpen en vroeg
Kysagotami naar de oorzaak van haar ontsteltenis.
Deze verklaarde hem toen, dat de robijn, het oog van het afgodsbeeld,
een wonderdadige reliquie was, die door de Brahmanen ten diepste werd
vereerd. De diefstal van den schat, zelfs de roof van den gouden arm
was niet zoo erg als het meenemen van deze kostbaarheid, die wegens
haar wonderdadige werking niet te vervangen was.
Kysagotami wilde zich niet laten geruststellen, want zij beweerde, dat
deze steen hun allen ongeluk moest aanbrengen, omdat de priesters niet
zouden rusten, eer zij het wonderdadige oog terug hadden.
Raffles lachte bij die woorden en het gelukte hem ten slotte ook de
Indische op andere gedachten te brengen.
Kysagotami verzocht hem, den geheelen schat te willen behouden.
De groote onbekende antwoordde echter:
„Zeker, ik ben bereid, den schat voor u te bewaren, totdat wij
gelegenheid hebben gevonden om in Bombay of Magalur voor uw toekomst te
zorgen.”
Diepe droefheid lag op het gelaat der jonge weduwe te lezen toen zij
deze woorden hoorde. Zij legde Raffles uit, dat het haar onmogelijk
was, in Indië te blijven.
Met groote overtuiging vertelde zij, terwijl zij verschillende
voorbeelden aanhaalde, dat zij voortaan geen oogenblik meer zeker zou
zijn van haar leven, want zij wist zeker, dat men haar vroeg of laat
toch zou ontvoeren, om haar, na gruwelijke martelingen, aan den
vlammendood prijs te geven.
Met roerende woorden smeekte zij Lister, zich ook verder over haar te
willen ontfermen.
„Goed, Mylady, als gij dat verlangt. Daar wij echter naar Indië zijn
gekomen om een andere zending te vervullen, kan ik alleen dan gevolg
geven aan uw verzoek, als gij bereid zijt, alle tochten mee te maken en
alle gevaren te trotseeren, die ons misschien nog wachten.
„Dat, wat wij hier te doen hebben, betreft het wel of wee van twee
vrouwen in Londen, die eigenlijk, evenals gij, Indisch bloed in de
aderen hebben.
„Is onze zending tot een goed eind gebracht, dan wil ik u gaarne naar
die beide vrouwen brengen, die u zeker met vreugde zullen begroeten en
zich uw lot zullen aantrekken.”
Kysagotami bewilligde gaarne in deze voorwaarden en behoorde van af dat
oogenblik tot de karavaan van den Lord.
De groote onbekende scheen echter niet volkomen tevreden te zijn. Met
een ernstigen trek op het gelaat liep hij heen en weer.
Zijn vriend Charly ging naar hem toe en ondervroeg hem naar de oorzaak
van zijn mismoedige stemming en Lister zette hem die uiteen.
Eerstens was het niet te loochenen, dat het voortzetten der reis niet
bespoedigd zou worden door de tegenwoordigheid van een dame.
Oorspronkelijk had de karavaan slechts drie kameelen en twee paarden
bezeten, zoodat de vermeerdering van het aantal reizigers een
uitbreiding der transportmiddelen vereischte.
Nu was ook nog een der paarden door den wachter van den tempel
gestolen.
Slechts vier rijdieren bij een aantal van zes personen, dat kon
noodlottig voor allen worden, vooral omdat men er rekening mee moest
houden, dat de Brahmanen de roovers van den heiligen schat zouden
achtervolgen en men dus steeds voorbereid moest zijn op een snelle
vlucht. Het was dus noodzakelijk om nieuwe vervoermiddelen te zoeken.
Maar hoe en waar?
Op en neer loopend, was Raffles bij den nauwen ingang van de rotsspleet
gekomen, waar de karavaan haar rustplaats had.
Daar lag met over elkaar gekruiste beenen Nyanatiloka, een der Indische
bedienden van den Lord. Hij had een klein fluitje uit zijn lendeschort
te voorschijn gehaald en begon nu, daaraan vreemde, langgerekte klanken
te ontlokken.
Lord Lister was blijven staan en keek naar het vreemde doen van den
Indiër. Nader tredend vroeg hij:
„Wat doe je daar?”
Nyanatiloka antwoordde niet, maar wees met zijn oogen naar het
struikgewas, dat den ingang der rotskloof omgaf.
Een vreemd geritsel ontstond en plotseling zag Raffles tot zijn grooten
schrik den kop van een reusachtigen cobra te voorschijn komen. Met
kleine schokken volgde ook het lichaam. Het afschuwelijke monster rekte
zich uit en begon zich, op de maat der zwaarmoedige melodie, welke de
Indiër uit zijn instrument te voorschijn haalde, heen en weer te
bewegen.
Raffles had zich nog niet van zijn eersten schrik hersteld, toen een
nieuw geluid aan de andere zijde van het kreupelhout zijn
opmerkzaamheid trok. Het geluid werd sterker en sterker en plotseling
vertoonde zich ook daar de kop van een cobra. Snel volgde het lange
lijf, dat zich op den staart oprichtte en in dezelfde maat met de
andere slang de rhytmische bewegingen uitvoerde.
„Maar Nyanatiloka, ben je dan krankzinnig, om ons die vreeselijke
beesten op den hals te lokken?”
De Indiër antwoordde niets, maar schudde bijna onmerkbaar het hoofd.
De kleine Barbarijsche hengst, dien men achter in het hol had
vastgebonden, scheen de reptielen waar te nemen; hij stijgerde hoog op
met wijd opengesperde neusgaten en zijn angstig gehinnik weerklonk tot
op verren afstand.
Op dit oogenblik kwam Charly van zijn natuurlijken uitkijk, die zich
links bovenop een rotsblok bevond, naar beneden gesneld en riep:
„Om Godswil, Edward, de vervolgers naderen!”
Hij had in de verte een troep tot aan de tanden gewapende Indiërs zien
naderen aan wier spits drie priesters in hun bonte Oostersche gewaden
reden en een bedelmonnik in zijn gele kaftan, die de geheele bende
scheen aan te voeren.
Nyanatiloka had, terwijl hij de fluit met zijn linkerhand vasthield, en
onophoudelijk de vreemde, eentonige melodie spelend, met de rechterhand
zijn bovenkleeren uitgetrokken, Zoodat hij nu nog alleen een
lendenschort en den onontbeerlijken tulband droeg.
Nu stond hij langzaam op, trad eenige schreden naar buiten, hurkte daar
weer neer en dwong zoodoende de reptielen, ook buiten het hol te
blijven.
Het stampen, snuiven en angstige gehinnik van den Barbarijschen hengst
was zoo mogelijk nog sterker geworden; als dol trok het paard aan het
touw, waarmee het was vastgebonden.
Een enkele blik overtuigde Raffles van de oorzaak hiervan.
Een derde reuzenslang was, gelokt door de tonen van den Indiër, uit een
rotsspleet dichtbij de standplaats van het paard te voorschijn gekropen
en naderde met de grootste snelheid den ingang van het hol.
Het paard stijgerde als razend en trachtte met zijn hoeven den
afschuwelijken vijand te verpletteren.
Het was een eigenaardig tooneel, dat zich aan de blikken der ontstelde
toeschouwers vertoonde.
De groote slang scheen niet de minste notitie van haar omgeving te
nemen; haar oogen gloeiden vurig en slechts die eene wensch scheen het
beest te bezielen, zoo snel mogelijk dichter bij de muziek te komen.
Raffles overtuigde zich ervan, dat de troep achtervolgers met razende
snelheid naderde.
De drie kameelen beefden van angst voor de slangen, en waren zonder
geluid te geven in een hoek tegen elkaar aan gekropen.
Hoewel de bediende en Charly zich alle moeite gaven om het paard te
kalmeeren, gelukte dit hun niet.
Raffles zag het groote gevaar duidelijk in. Kwamen de vervolgers zoo
dichtbij, dat zij het trappelen en hinniken van het paard konden
hooren, dan beteekende dit voor hen allen een zekeren dood.
Bliksemsnel doorkruisten die gedachten zijn brein. Er was slechts één
weg tot redding: het paard moest worden opgeofferd.
Hoe zwaar ook dit nieuwe verlies den reizigers viel, er bleef geen
andere keus over. Er mocht ook geen oogenblik langer geaarzeld worden
en zoo besloot Raffles, al was het ook met droevig hart, het dier te
dooden.
Hij zou het liever met een kogel hebben neergeveld, maar de knal zou
ongetwijfeld de vervolgers op het spoor hebben gebracht en zoo bleef
hem niets anders over dan het dier op een geruischlooze wijze te
dooden.
Hij greep het lange Indische mes, dat hij in den nacht den wachter van
den tempel had afgenomen, en stiet dat in den hals van het paard, den
slagader doorsnijdend. Een groote bloedstroom kwam te voorschijn en met
een gerochel zakte het dier ineen.
Door deze snelle daad, die weliswaar de karavaan in nieuwe
moeilijkheden bracht, scheen de kans op redding voor het oogenblik
grooter.
En het was hoog tijd, want reeds bereikten de eerste vervolgers de
kromming in den weg, waar de grot zich bevond. In ademlooze spanning
wachtten allen op het verdere verloop der dingen.
Lord Lister, die dicht bij den uitgang van het hol achter een boschje
verscholen was, zag vlak voor zich een afschuwelijk tooneel.
De derde groote cobra, die het nu gedoode Barbarijsche paardje zoo had
doen schrikken, zat hoog opgericht midden op het pad en bewoog zijn kop
vlak boven het hoofd van den neergehurkten Indiër, zoodat deze nu
omringd was door de drie reusachtige monsters.
De bedelmonnik, die aan de spits van den stoet reed, had den
slangenbezweerder opgemerkt; hij wendde zich tot de anderen en wees
naar de groep.
Men liet de paarden langzamer gaan en onder het algemeen gemompel: „Ah,
een heilige!” bogen allen met ver uitgespreide armen eerbiedig neer op
den rug hunner rijdieren, om daarna in gestrekten draf verder te
rijden, ten einde hun vijanden te achtervolgen.
Eerst nu begreep Raffles, wat de trouwe Nyanatiloka had bedoeld.
De Indiër wist, dat men hem voor een bezweerder van heilige slangen zou
houden en had derhalve de gevaarlijke handeling met de vreeselijke
beesten gewaagd.
Toen de vijanden uit het gezicht waren, stond hij op, wenkte de anderen
om hem niet te volgen en liep langzaam, zonder zijn spel een oogenblik
af te breken, naar een verwijderd boschje.
De slangen, die door de muziek volkomen gehypnotiseerd schenen, volgden
hem met rhytmische bewegingen in hetzelfde tempo.
Charly had van uit zijn schuilplaats het geheele tooneel vol ontzetting
gadegeslagen en wendde zich nu tot Raffles, terwijl hij sprak:
„De trouwe Nyanatiloka heeft zijn leven voor ons gewaagd. Hoe zal hij
zelf zich nu van die gevaarlijke monsters bevrijden; zouden wij hem
niet te hulp moeten komen?”
„Maak je niet bezorgd, beste jongen. Hij zal de slangen nu door middel
van zijn muziek naar een afgelegen plek lokken, zich dan zoo snel
mogelijk verwijderen en de muziek plotseling afbreken. De reptielen
zijn dan nog geheel onder den indruk der klanken en nog gedurende
geruimen tijd onschadelijk.
„Wij moeten nu trachten zoo spoedig mogelijk Mangalur te bereiken. Hoe
dit ons zal gelukken, weet ik nog niet, daar wij voor zes personen, de
bagage en den schat, alleen drie kameelen tot onze beschikking hebben.”
Hassan, de Mohammedaansche bediende van den Lord, naderde zijn meester
en sprak:
„Sidi!—Hassan weet raad!—Toen wij deze schuilplaats toetrokken,
bemerkte Hassan niet ver van hier binnen een omheining een olifant, die
aan een Hindoe behoort; misschien zou Sidi dien kunnen bemachtigen.
Maar hij is kwaadaardig, die olifant, want Hassan zag, dat de Hindoe
hem tot den „Mutsch” voorbereidde.”
John Raffles, wien de beteekenis van dat woord niet duidelijk was,
vroeg daarnaar en Hassan verklaarde hem, dat men olifanten kon
dresseeren voor den oorlog door hun drie maanden lang slechts suiker en
boter als voedsel te geven. Deze wijze van dressuur wordt „Mutsch”
genoemd en sommige Indiërs kweeken de gevangen olifanten op die wijze
op teneinde er een hoogeren prijs voor te ontvangen dan voor de gewone
werkbeesten.
„Vooruit dan maar, Hassan, wij zullen zien, of wij het dier van den
eigenaar kunnen krijgen.”
Hassan schoof zijn tulband op zij en krabde met een verlegen grijnslach
het hoofd.
„Ja—maar, Sidi, wie zal den halfwilden olifant drijven? Hassan kan het
niet.”
Lord Lister, die de juistheid van deze opmerking inzag, wendde zich tot
den derden bediende met de vraag, of hij reeds olifanten had gedreven.
„O ja, heer, Ananda heeft reeds dikwijls op den nek van den geweldige
gezeten om hem te leiden.”
De Lord begaf zich zoo spoedig mogelijk met de beide bedienden op weg
om den eigenaar van den olifant te zoeken.
Deze was echter nergens te vinden en daarom besloot Raffles eenvoudig,
ook zonder toestemming van den eigenaar, om het geweldige rijdier in
bezit te nemen.
Daar het echter in strijd was met het edele karakter van Lord Lister,
een arm mensch iets afhandig te maken, vulde hij een zakje met goud- en
zilverstukken, bevestigde dat aan het eind van een der touwen, waarmee
de olifant vastgebonden was geweest en bedekte het met een laagje zand
om het aan de blikken van onbevoegden te onttrekken.
De olifant was nog jong en daarom, gelukkig voor de reizigers, nog
slechts korten tijd voor de „Mutsch” voorbereid. Hij toonde zich vrij
goedaardig en liet zich door den Indiër, die op den nek van het groote
beest was geklommen, gewillig meevoeren.
Men zette zich spoedig in beweging om de legerplaats te bereiken.
Lord Lister, die naast den olifant liep, keek toevallig achterom en zag
hoe Hassan, die een beetje achter was gebleven, bezig was om het zakje
met den koopprijs voor den olifant uit zijn schuilhoek te voorschijn te
halen.
„Hassan, gauwdief, wat doe je daar? Wil je je dievenvingers weleens
thuis houden?” riep hij hem toe.
Hassan, die hevig schrok bij het hooren van deze woorden, gleed uit op
den vochtigen bodem en sprak, terwijl hij Lord Lister met ongelukkig
gelaat aankeek:
„Hassan wilde maar eens zien, of het mooie geld wel goed verborgen is.”
Raffles lachte hardop om het ongelukkige figuur, dat Hassan sloeg en
riep, goed gehumeurd:
„Ik hoop dat je je er nu van hebt overtuigd, dat je bezorgdheid
overbodig was; nu vooruit!”
Hassan volgde zijn meester met de handen diep in de zakken van zijn
wijden broek, nog een laatsten afscheidsblik werpend op den
onbereikbaren schat.
Op de legerplaats teruggekomen, werden in allerijl toebereidselen
gemaakt voor de verdere vlucht.
Kysagotami en Charly kregen een plaats op den rug van den olifant,
terwijl de Indische drijver op den nek van het dier zat.
Raffles, Hassan en Nyanatiloka, de slangenbezweerder, die ook was
teruggekeerd, bestegen de drie kameelen.
Intusschen waren de laatste schaduwen van den nacht geweken, en in den
helderen zonneschijn snelde de karavaan het woud door.
Raffles was van plan om langs den kortsten weg de buitenhaven van
Mangalur te bereiken, zonder de stad zelf door te gaan.
Geen enkele bijzonderheid deed zich voor en weldra was de kust bereikt.
Een Hindoe, die van zijn nachtelijke vischvangst was teruggekeerd, had
zijn boot vastgelegd aan een vooruitstekend rotsblok van de kust en was
bezig, zijn vangst op een laag karretje over te laden om, vergezeld
door twee naakte, opgeschoten jongens naar de stad te rijden.
John Raffles, die het eerst aankwam, steeg af en zocht naar een
gelegenheid om te kunnen overvaren.
Daar hoorde hij plotseling een luiden kreet achter zich. Het was
Charly, die met zijn scherpe oogen een schare ruiters uit het woud te
voorschijn zag komen.
Er was geen twijfel mogelijk, dit waren de Brahmanen, die hen
achtervolgden, want het heldere morgenlicht bescheen de gele kaftan van
den bedelmonnik.
Vóór hen de bruischende zee, achter hen de bende vijanden, geen enkele
redding scheen mogelijk!
Lord Lister, die bliksemsnel den gevaarlijken toestand overzag, had
reeds zijn plan gemaakt.
De kleine zeilboot van den visscher was de eenige uitweg, die voor hen
openstond.
Er viel niet aan te denken, zich in een strijd met den veel sterkeren
vijand te begeven.
Kalm en duidelijk gaf John Raffles zijn bevelen, De bagage en vóór
alles de rijke schat van den Radja, werd snel in het vaartuig geborgen.
In vliegende vaart waren allen van hun hooge zitplaatsen naar beneden
gekomen. Het was juist bijtijds, want reeds floten de eerste kogels der
vervolgers door de lucht.
Kysagotami, die bijna bewusteloos was van angst en ontzetting, werd het
eerst door Charly in de boot gebracht.
Hassan had het vaartuigje reeds losgemaakt en hield met zijn gespierde
handen den paal vast, opdat hij de boot dadelijk zou kunnen afstooten,
als allen aan boord waren.
Intusschen hadden de beide andere bedienden op bevel van Raffles dunne
takjes bijeengeraapt, die tot een bundel saamgebonden en aan den staart
van den olifant bevestigd. Daarop waren zij in de boot gesprongen.
Zij staken het takkebosje aan.
De olifant, half razend van schrik en pijn, hief een oorverdoovend
gebrul aan en rende in galop de Brahmanen tegemoet.
De drie kameelen hadden verbaasd opgekeken. Toen zij den brandenden
bundel aan den staart van den olifant zagen, stieten zij angstkreten
uit en holden den dikhuid na.
De vier voortsnellende dieren hadden in een paar oogenblikken den stoet
der Brahmanen in volkomen wanorde gebracht. De paarden stijgerden en
verscheiden hunner holden met hun ruiters in galop landwaarts.
De olifant, wiens woede steeds grooter werd, zwaaide zijn slurf heen en
weer, daarbij geluiden makend, die uit de hel schenen te komen.
Eén der paarden van de vervolgers, een grijze Barbarijsche hengst,
stijgerde zóó hoog voor den razenden olifant, dat hij achteroversloeg
en zijn ruiter, een der priesters, onder zich begroef.
De olifant trapte woedend op het neergevallen paard. Den priester nam
hij met zijn reuzentanden op en wierp hem in de hoogte.
Vol ontzetting zagen de anderen, hoe hun makker als een bal in de lucht
werd geslingerd en daarna met groote kracht op den rotsachtigen bodem
neersmakken; er was slechts een vormlooze, bloedige massa van hem
overgebleven.
Alle anderen sloegen nu met oorverdoovend geschreeuw op de vlucht.
Niemand dacht meer aan vervolging en zoo konden de geredden in hun
visschersboot ongehinderd de ruime zee bereiken.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
OP HET EENZAME EILAND.
Een tamelijk sterke Zuidoostenwind woei over de Arabische Zee en dreef
het vaartuig der vluchtelingen naar den eilandengroep der Lakediven.
De Indische bedienden, die van schrik en angst bij den overval der
Brahmapriesters en hun gewapenden bijna zinneloos waren geworden,
herademden nu en Kysagotami slaakte een zucht van verlichting.
Charly en de Mohammedaansche bediende Hassan bedienden het
eigenaardige, bijna vierkante zeil, dat zich op de boot van den
visscher bevond.
Raffles, die met vaardige hand stuurde, riep zijn vriend Charly toe:
„Wij moeten trachten in westelijke richting aan te houden! Voor zoover
mij bekend is, bevinden zich ten noorden der eilanden gevaarlijke
riffen en zandbanken. Bovendien geloof ik, dat de wind draait.”
Die opmerking van Raffles was juist. De wind was nu pal zuid en dreef
het vaartuig onmerkbaar in noordelijke richting.
Het viel den dapperen zeilers nu zeer moeilijk, nauwkeurig koers te
houden, daar zij alleen konden beschikken over een zakkompas van Lord
Lister. Eenige andere waardevolle instrumenten, die hun goede diensten
hadden kunnen bewijzen, waren bij de overhaaste vlucht in den zak, die
op den rug van den olifant hing, achtergebleven.