Het heldere licht der electrische lamp verblindde de oogen van den

ouden man; hij sloot ze onwillekeurig, om ze daarna met een verbaasde

uitdrukking op den vreemdeling te richten. Met zachte stem vroeg de

fakir:

„Wat willen de ongeloovigen bij Bimbisara?”

Lord Lister, die wel zag, dat hij hier met een stervende te maken had,

boog zich over den man heen en wilde den krachtelooze wijn laten

drinken uit zijn veldflesch.

De Indiër weigerde echter en sprak:

„Weet gij niet, dat het den geloovigen verboden is om wijn te drinken?

Bimbisara heeft niets noodig. Zijn lichaam zal sterven, maar hij zal in

het Nirwana worden toegelaten.”

Door verder te vragen vernam Raffles, dat de fakir reeds meer dan 50

jaar op het eiland woonde. Hij was door „Simha”—met wien hij blijkbaar

een Indisch vorst bedoelde—als wacht aangesteld bij een schat, dien hij

moest bewaken, totdat de nakomelingen van den vorst hem eenmaal zouden

opeischen.

Deze woorden, welke met moeite werden uitgesproken, werden af en toe

door gebeden onderbroken.

Hij smeekte Boeddha, om hem te verlossen van zijn dienst, daar hij

anders het Nirwana niet binnen ging.

Raffles had met groote belangstelling naar het verwarde verhaal van den

oude geluisterd. Onwillekeurig kwam de gedachte bij hem op, dat er

verband moest bestaan tusschen zijn zending en den stervende en daarom

besloot hij, den ouden man te vertellen, wat hem hierheen had gedreven.

Toen deze de geschiedenis van den ring hoorde, scheen zijn levenslampje

weer op te flikkeren en Lord Lister toonde hem het perkament, terwijl

hij hem de geheimzinnige teekens voorlas.

Nadat hij had uitgesproken, knikte de Indiër met het hoofd en zond een

dankgebed op naar Boeddha. Daarop sprak hij:

„Ik zie, dat uw zending echt en eerlijk is. De Heer heeft uw schreden

naar hier geleid, opdat Bimbisara in vrede terug kan keeren naar het

Nirwana. Breng aan de dochter van mijn vriend Simha wat haar eigendom

is. Duizend schreden van hier naar het westen zult gij een gebroken

zuil vinden. Deze staat voor den ingang van een hol, waarin zich de

schat bevindt.”

Opgewonden vroeg Raffles:

„Spreekt gij de waarheid?”

„Bimbisara is een geloovige. Geloovigen spreken altijd de waarheid.”

De Indiër had zich bij die woorden vol trots opgericht. Nu zakte hij

weer langzaam in elkaar en sprak op zachten toon:

„Luister verder, vreemdeling. Bimbisara heeft den schat daar verborgen.

Opdat geen onbevoegde hem zou kunnen vinden, heeft hij er wachters over

aangesteld, die hem goed bewaken. Dood en verderf loeren daar. Gij

echter, gij zult— — —”

Een schok doortrilde het lichaam van den fakir, het hoofd zonk op de

borst en het hart had opgehouden te kloppen.

De dood had den trouwen bewaker overvallen, nog voordat hij in staat

was geweest, voldoende verklaring te geven.

„Wij zullen den armen kerel hier laten liggen en heengaan.”

Toen het drietal weer in het heldere zonlicht stond, sprak Lord Lister:

„In elk geval moeten wij den dapperen Bimbisara dankbaar zijn, dat hij

ons de moeite van nutteloos zoeken heeft bespaard en ons den weg

gewezen. Jammer, dat hij zijn waarschuwing niet heeft kunnen voleinden.

Wij weten nu echter, dat ons bij de gebroken zuil gevaren wachten en

wij zullen trachten, deze te ontloopen.”

Het drietal zette zijn weg voort om de door den fakir aangeduide plek

op te zoeken.

TIENDE HOOFDSTUK.

IN HET SCHORPIOENENHOL.

Zij hadden nauwelijks zes- of zevenhonderd schreden afgelegd in de

aangeduide richting, toen zij een zuil zagen, waarvan het bovenste

gedeelte was afgebroken. Dit moest reeds langen tijd geleden zijn

geschied, want dicht struikgewas had het afgestorte gedeelte verborgen

en slechts met moeite kon Raffles lezen wat in den steen was gehouwen.

Het was een vers, dat in weinig woorden de leer van Boeddha samenvat en

dat van hem zelf afkomstig heet te zijn.

Raffles vertaalde:

„Het mijden van alle misdaden, Uitoefenen van het goede, Reiniging der

zinnen— Dat is het streven van Boeddha.”

„Mooie gedachten,” sprak Charly nadenkend.

„Zeker, mijn jongen. Als woorden en daden maar niet altijd zoozeer met

elkaar in strijd waren,” antwoordde John Raffles spottend.

Vlak achter de zuil vertoonde zich eene hoogte, afgezet door groote

steenen. Bovenop vormde een soort van krater een smallen ingang,

terwijl zich aan de voorzijde dicht bij de hoogte een gat bevond. Beide

openingen waren nauwelijks groot genoeg om een mensch door te laten.

Raffles bekeek aandachtig het hol. Wat kon dit bevatten? Van welken

aard waren de bewakers, aan wie de fakir den schat had toevertrouwd?

Zouden hier slangen huizen of misschien een tijger?

Charly en de bediende stonden met de wapens gereed op eenigen afstand,

terwijl Raffles behoedzaam de hoogte beklom. Toen hij den top had

bereikt, boog hij zich voorzichtig over de opening en keek naar binnen.

Er was niets te zien of te hooren.

Terwijl hij zijn electrische zaklantaarn te voorschijn haalde en het

licht naar beneden liet vallen, luisterde Raffles met gespannen

aandacht. Een eigenaardig geritsel werd vernomen uit de diepte en met

een kreet van ontzetting snelde Lord Lister achteruit.

Het heldere licht van de lantaarn had de bewoners van het hol in hunne

rust gestoord.

Eenige groote zwarte schorpioenen klauterden langs de rotswanden naar

beneden. Nu kende Raffles het geheim van het hol. Het werd bewoond door

schorpioenen, deze afschuwelijke spinnensoort, wier steek met recht

gevreesd wordt, want hij brengt onherroepelijk den dood.

Inderdaad, beter had de fakir den schat niet kunnen doen bewaken, want

wie zou het ooit wagen, dit hol binnen te dringen?

Snel had Raffles een besluit genomen. Hij wist, dat schorpioenen alleen

des nachts op roof uittrekken en vuur of licht angstig vermijden. Op

die wetenschap bouwde hij zijn plan.

Tezamen met Charly begon hij droog hout, twijgen en andere brandbare

stoffen te verzamelen. Kleine bosjes werden saamgebonden en deze in een

kring om het hol gelegd. Ook op het andere gat, dat als ingang diende,

werd brandbaar materiaal gelegd.

Anunda was teruggezonden naar de legerplaats aan het strand en keerde

juist met olie en vet terug.

Dit goot Raffles op de takkebossen, die een wal rondom den uitgang

vormden, en daarna beklom hij zelf met een groot, in olie gedrenkt

takkebos, den heuvel. Nadat hij dit had aangestoken wierp hij het in de

opening en legde er brandend hout bovenop.

Bijna tegelijkertijd hadden Charly en Anunda den geheelen wal doen

ontvlammen en de rotsgroep was nu door een vuurzee ingesloten.

De uitwerking zou niet lang op zich laten wachten. De schorpioenen, wel

een vijftig- of zestigtal, kwamen uit het hol gesneld. Het licht

verblindde hen en prikkelde hunne woede tot het uiterste.

Zij deden hun best om hunne vijanden te ontdekken om deze door hun

steek te dooden. Maar tevergeefs; waarheen ze zich ook wendden, overal

vuur.

Men zag de dieren radeloos rondloopen. Sommige trachtten met geweld de

brandende gevangenis te ontvluchten, maar zij moesten hun poging met

den vuurdood bekoopen.

Andere keerden, toen ze overal den uitweg versperd zagen, naar het hol

terug, waar de hitte en het licht het minst hinderlijk waren. Hier

draaiden zij nog een paar keer rond en staken zichzelf dan den

vergiftigden stekel in kop of rug.

Lord Lister had gerekend op deze eigenaardigheid van zijn vreeselijken

vijand en het was hem gelukt.

Een kwartier later lagen alle schorpioenen verbrand, of door hun eigen

gift gedood, ter aarde.

Nu was de weg vrij. Snel had men met houweelen en spaden den ingang

verwijd. Dieper naar binnen dringend, vond Raffles eene zachte aardlaag

en weldra kon hij twee ijzeren kistjes te voorschijn halen, die bij

nadere beschouwing een bijna onmetelijken schat aan goud, zilver en

edelsteenen bevatten.

Daar de kisten zeer zwaar waren, nam men uit elk een deel van den

inhoud en legde deze kostbaarheden in een meegenomen zak om op deze

wijze den last voor de drie schatgravers gelijkmatig te verdeelen.

Op den terugweg naar de legerplaats moest men weer voorbij de hut van

den fakir. Raffles stapte nog eenmaal naar binnen. Stil en vredig lag

de doode terneer.

„Arme Bimbisara! Vijftig jaren lang heb je een onmetelijken schat

bewaakt, en nu ben je in ellende gestorven. Een behoorlijke begrafenis

echter zult ge hebben voor we Tscherbanyani verlaten,” mompelde Raffles

en wilde juist de hut verlaten, toen hij op den grond een pakje

ontdekte.

Bij nadere beschouwing bleek, dat het een volledig, costuum bevatte van

een Hindoemeisje. Een lang bovenkleed met tallooze plooien en een met

sluiers omgeven hoofdbedekking.

Waarschijnlijk was een Hindoe-schoone naar den heilig verklaarden fakir

gekomen en had deze haar opgedragen, als boetelinge het land door te

trekken; tegelijkertijd had zij dan waarschijnlijk op deze plaats de

rijke bovenkleeding afgelegd.

Bij de gedachte, dat ook deze kleedij misschien van dienst kon zijn,

bijvoorbeeld voor Kysagotami, nam Raffles het pakje mee en volgde de

anderen naar de legerplaats.

ELFDE HOOFDSTUK.

GELUKKIG ONTKOMEN.

Toen de drie schatgravers in de legerplaats terugkwamen, vonden zij

allen in de grootste opwinding. Vooral Kysagotami beefde van

zenuwachtigheid. Men had twee booten de eilandengroep zien naderen en

Kysagotami beweerde, dat zich daarin stellig de priesters bevonden met

de soldaten, die de vluchtelingen op het spoor waren.

Ook Hassan verklaarde, dat hij in de voorste boot duidelijk de gele

kaftan van den bedelmonnik had gezien.

Om geen opzien te wekken, waren de vluchtelingen rustig in hun

legerplaats gebleven. De boot lag verborgen achter de dikke stammen der

salaboomen en was daardoor niet door de vervolgers opgemerkt.

Hassan was op een kleine hoogte geslopen om eens uit te kijken. Van

daar zag hij, dat de beide booten aan de tegenovergestelde zijde van

het eiland geland waren.

Met koortsachtig ongeduld wachtte men in het kamp op de terugkomst van

Raffles.

Toen deze hoorde, welk nieuw gevaar dreigde, maakte hij op zijn gewone

kalme, verstandige manier dadelijk een plan om te vluchten.

Hij liet de boot weer voor de afvaart gereed maken, want hij begreep,

dat er geen andere uitweg voor hen bestond dan de vrije zee. Daarop

beval hij, alle stukken bagage, en vooral de rijke schatten, zorgvuldig

te bergen.

„Ik zal eens gaan kijken, waar de vijanden zich bevinden en hen, zoo

noodig, tegenhouden, totdat gij tijd hebt gevonden om al mijn bevelen

uit te voeren.”

„Maar, Edward, wat wil je gaan doen? Je zet je leven lichtzinnig op het

spel en brengt ook ons allen in het grootste gevaar, want wat moeten

wij beginnen, als je niet tijdig terugkomt?”

„Laat mij gaan, beste Charly. Jij blijft hier en zorgt ervoor, dat

alles voor het vertrek gereed is, als ik terugkom. Ik vertrouw op mijn

goed gesternte en ben er zeker van, dat het mij ook dezen keer niet zal

verlaten.”

Een glimlach vloog over Lord Listers gelaat en een listige trek kwam om

zijn mond; het scheen, alsof hij plotseling een gelukkige gedachte had

gekregen.

Snel had hij het pakje geopend, dat hij uit de hut van den fakir had

meegebracht en er de kleedingstukken uitgenomen.

Hij hulde zich in het wijde, geplooide gewaad, zette het hoofddeksel op

en verborg handig zijn snorretje met den sluier.

De anderen met de hand groetend, begaf John Raffles zich naar het

binnenste van het eiland en niemand zou het knappe Hindoemeisje hebben

herkend als den schatgraver.

Als de toestand niet zoo ernstig was geweest, dan zouden de

achterblijvenden zeker hartelijk hebben gelachen. Maar nu drong zich

bij allen de vraag op: zal het plan van den dapperen jongen man

gelukken?....

Onder leiding van Charly werden de bevelen van Lord Lister stipt

uitgevoerd. De boot werd te water gelaten en ter afvaart gereed

gemaakt. De bagage en de kisten met kostbaarheden had men in het ruim

geborgen.

Met koortsachtig ongeduld wachtten allen op de terugkomst van Raffles.

Tevergeefs! Het eene kwartier verliep na het andere, maar noch van

Raffles, noch van de vervolgers was een spoor te ontdekken.

Bij dat alles was de wind gedraaid. Uit het zuidoosten woei een flinke

bries over de zee en deed het bootje der vluchtelingen op het water

dansen, zoodat men behalve den ketting, waarmee het vastlag, nog een

touw noodig had.

Aan den horizont had zich reeds sinds eenigen tijd een grauwe wolk

vertoond, die snel in grootte toenam. Nu was zij reeds aangegroeid tot

een zwarten wolkenmuur, die nog steeds grooter werd en met

onrustbarende snelheid naderde.

De wind werd steeds sterker en harde vlagen rukten over het eiland,

soms met zulk een kracht, dat de kruinen der boomen heen en weer

zwiepten.

Met bezorgd gelaat keek Charly nu eens naar het woud, waaruit zijn

vriend moest terugkeeren en dan weer naar het angstig-schoone

schouwspel, dat de zee vertoonde.

De trouwe Hassan stond half in het water bij den paal, waaraan de

ketting der boot was gebonden.

Om hem heen bruischten en kookten de golven, hem geheel doorweekend.

Hij trotseerde ze echter dapper, maar keek toch vol verlangen naar het

donkere woud.

De beide Indische bedienden bevonden zich in de boot, op nadere bevelen

wachtend. Op hun gezichten was zorg en angst te lezen, want zij wisten,

dat allerlei gevaren op hen loerden en dat misschien reeds de volgende

minuut den dood kon brengen.

Kysagotami had midden in de boot plaats genomen. Zij lette er niet op,

dat de hoog opschuimende golven haar kleeren tot op de huid

doorweekten. Haar groote oogen staarden met koortsachtigen glans naar

het eiland, alsof zij de diepe duisternis van het woud wilden

doorboren.

Haar lippen murmelden onophoudelijk vurige gebeden voor het welslagen

van de gevaarlijke onderneming van Lord Lister.

De zenuwachtige spanning was ondraaglijk geworden; Charly kon het niet

langer uithouden. Hij deelde Hassan met een paar woorden zijn plan mee

en snelde het woud in.

De Zuidoostenwind groeide intusschen aan tot een storm. Hij zweepte de

golven hoog op, zoodat deze woedend op het strand beukten, alles met

hun wit schuim bedekkend. Hij schudde de boomen heen en weer, zoodat

deze kraakten en ontelbare takken, door het geweld van den storm

gebroken, in het kreupelhout neervielen.

Charly had misschien driehonderd schreden afgelegd, toen hij tot zijn

vreugde iets wits tusschen de boomen zag schemeren. Het was het lichte

gewaad, dat Raffles als Hindoemeisje droeg.

Zoo snel als hij kon kwam Raffles aangerend en, terwijl zij samen naar

het schip terugkeerden, deelde hij zijn vriend zijn ervaringen mee.

Hij had nog verder moeten doordringen dan de plek, waar de gebroken

zuil stond, voordat hij iets van de vervolgers had ontdekt.

De bedelmonnik, die de leiding van den troep had, merkte het

Hindoemeisje het eerst op. Omdat het woud op die plaats zeer dicht was

en de storm dikke, zwarte wolken met zich mee voerde, was het Raffles

gemakkelijk gevallen, zijn vermomming voor echt te doen doorgaan.

Op de vraag van den bedelmonnik waar zij vandaan kwam, had het

Hindoemeisje verteld, dat zij bij den fakir was geweest, die een

geleerde was; dit geloofde men dadelijk.

John Raffles vertelde nu verder, dat de fakir gestorven was. Daar hij,

op een vraag, die men hem deed, meedeelde, dat hij niets van

vreemdelingen had gemerkt, begaven de vervolgers zich eerst naar de hut

van den fakir, om naar dezen te zien. Dit oogenblik had Raffles

gebruikt om in het duistere woud te verdwijnen, teneinde zijn makkers

weer op te zoeken.

Toen men den verloren gewaande met Charly zag aankomen, kwam een zucht

van verlichting van aller lippen.

De groote onbekende riep reeds van verre:

„Gereed voor de afvaart!”

Maar Hassan wees naar de woeste zee, schudde treurig het hoofd en

sprak:

„Het gaat niet, Sidi! Als wij erop uittrekken, zal de zee ons

verzwelgen.”

„En als wij hier blijven, zullen de vervolgers ons dooden. Op zee

kunnen wij misschien gelukkig ontkomen, hier wacht ons een zekere dood.

Vooruit dus!”

Bij die woorden sprong Raffles in de boot en sneed het touw waarmee het

vaartuig was vastgebonden, door. Hassan had de ketting reeds losgemaakt

en was in de boot gesprongen, die nu als een hinde over de witte golven

huppelde.

De koene zeevaarders hadden een zwaren kamp met storm en golven. Steeds

weer werden zij op het strand teruggeworpen, totdat het hun eindelijk

gelukte, de volle zee te bereiken.

Daar Raffles nu beter in de vaargeulen thuis was dan bij hun komst,

omzeilden zij nu handig de gevaarlijke banken, zich in noordwestelijke

richting begevend.

Hun vlucht was echter op het eiland opgemerkt, want nu zag men

duidelijk, de beide booten der vervolgers van het eiland afvaren.

Nu ving een jacht op leven en dood aan, die des te gevaarlijker werd,

naarmate de storm van minuut tot minuut heviger werd. Pikzwarte wolken

bedekten den hemel, donder en bliksem volgden elkaar op.

Bij zulk weer kon er natuurlijk geen sprake van zijn, koers te houden.

Raffles had het zeil laten inhalen, aan roeien viel ook niet te denken

en zoo dreef het vaartuig, als speelbal der elementen, op zee rond.

Bij het licht van den bliksem zag Raffles nog, dat de beide booten der

vijanden dicht achter elkaar voeren. Een volgende bliksemstraal deed

hem zien, dat de voorste boot geheel op zij lag.

Raffles wist, wat dit beteekende. De vervolgers waren op de zandbank

gestrand. Zij waren dus—althans voor het oogenblik—aan het gevaar

ontkomen om door de fanatieke priesters vermoord te worden. Zouden zij

echter niet een buit worden van de woeste golven?— —

Na verloop van ongeveer twee uur was de storm gaan liggen, de hemel was

opgeklaard en de zon scheen helder.

De wind moest gedraaid zijn, want weldra zagen de koene zeevaarders

land opdoemen. Raffles geloofde, dat zij in de buurt van Mangalur

zouden landen. Toen zij echter ongeveer een uur later een haven

binnenliepen, hoorde hij tot zijn groote verbazing, dat zij zich in de

haven van Karwar bevonden.

Eerst nu kwamen zij tot besef van het groote gevaar, waarin zij hadden

verkeerd. De boot had met razende snelheid den grooten afstand van

Tscherbanyani tot Karwar afgelegd.

In Karwar vond Raffles tot zijn vreugde een stoomboot, die reeds den

volgenden morgen op weg ging naar de Middellandsche zee.

Teen men in Karwar was geland, smeekte Kysagotami Raffles om den

robijn, het wonderdadige oog van den God Siwa, aan zijn eigenaars terug

te zenden.

Zij schilderde met levendige woorden de gevaren, die Raffles in het

leven had geroepen door zich juist dezen steen toe te eigenen. Daar zij

haar landslieden kende, deelde zij hem mee, dat stellig eenige

priesters uitgezonden zouden worden, om hem tot het uiterste te

vervolgen.

Raffles had hier echter geen ooren naar. Hij antwoordde lachend:

„Laat hen met al hun geleerden zoeken; zij zullen den steen niet

vinden. En tot in Londen zullen de Indiërs mij wel niet vervolgen!”

Maar Kysagotami sprak op bezorgden toon:

„Gij kent de volharding van den Indiër niet; gij kent de waarde zijner

eeden niet! Hij zoekt het wonderdadige oog, al zou hij den geheelen

aardbol moeten omtrekken—en hij zal het vinden!—O, als gij maar naar

mijn woorden wildet luisteren!”

Door de angstige woorden der schoone weduwe was ook Charly bevreesd

geworden en hij verzocht zijn vriend, den kostbaren steen achter te

laten.

Lister weigerde echter beslist en sprak:

„Je weet, dat ik dien steen om zijn waarde niet behoud, maar juist

omdat gij denkt, dat hij mij in gevaren kan brengen, behoud ik hem,

want heb je ooit gezien, dat Raffles gevaren vreest?”

Tegenover dit argument was Charly machteloos en hij sprak niet meer

over het wonderdadige oog van den Siwa. Ook Kysagotami zag wel in, dat

zij den Lord niet kon overtuigen en zweeg.

Raffles ontsloeg de beide Indische bedienden met rijke geschenken in

Karwar, terwijl hij met Charly, Kysagotami en Hassan de reis naar het

vaderland aanvaardde.

De geredden brachten den nacht door in een hotel te Karwar, maar eerst

toen den volgenden morgen de stoomboot, die hen naar het vaderland zou

terugbrengen, de ankers lichtte, herademden zij, want eerst nu waren

zij veilig voor de vervolging der Indiërs.

Kysagotami kon echter niet ongedwongen vroolijk zijn, want zij rilde,

als zij aan de wraak der Indische priesters dacht.

Toen het schip reeds de Oostindische kusten naderde, sprak Charly tot

zijn vriend, die op dek naast hem zat:

„Zou vriend Baxter blij zijn, spoedig weder van ons te hooren in

Londen?”

Raffles antwoordde niet, maar een welsprekende glimlach gleed over zijn

gelaat, terwijl hij den rook zijner sigarette in de heldere morgenlucht

blies.

Lord Lister No. 0024: De heilige schat van den Siwa · 第 4 / 4 段