LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 24 DE HEILIGE SCHAT VAN DEN SIWA.
DE HEILIGE SCHAT VAN DEN SIWA.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET GEVECHT MET DEN TIJGER.
„Seradschi!”
De Mohammedaansche herbergier, die te midden van een groep
geloofsgenooten en Indiërs stond, naderde den jongen man, die hem had
geroepen en welke op een Arabier geleek, hoewel zijn gelaat
onmiskenbaar een Engelsch type had.
„Weet je zeker, dat het een tijger was?” vroeg de vreemdeling.
„Ja, Sidi! Ik heb zijn spoor gezien! Het is groot en scherp geteekend.
Het moet dus een wijfje zijn, en Allah moge het vervloeken! Bijna elken
dag verscheurt zij mij een mijner schapen. Ik ben een arme
koffiehuishouder en bezit slechts 22 schapen. Kan zij niet naar iemand
gaan, die het beter kan missen?”
„Waarom maak je haar niet dood?”
„Het wijfje van den gelen tijger dooden? Weet gij niet, dat er een
Scheitan onder haar huid woont en dat die iedereen verscheurt, welke
haar kwaad wil doen?”
De jonge Engelschman keerde zich lachend tot zijn vriend, die naast hem
op een deken lag en in het Engelsch sprak hij tot dezen:
„Wat denk jij er van, Charly, zullen wij den Scheitan eens onschadelijk
maken?”
„Ik ben gaarne bereid, Edward,” antwoordde de gevraagde.
De persoon, die met den naam Charly werd toegesproken, was een jonge
man van misschien vijf-en-twintig jaar. Klaarblijkelijk was hij een
Engelschman, evenals zijn vriend, die een flinke dertiger kon zijn, en
evenals deze, in een witte burnous gehuld, zooals de Arabieren die
dragen.
Beiden rookten uit korte aarden pijpjes en genoten van de voor hen
staande Turksche koffie.
De herberg, waarin dit gesprek werd gevoerd, lag in een dal, dat
omringd was door steile rotswanden. In het oosten bevond zich een nauwe
pas, die naar den karavaanweg geleidde, welke door de woestijn liep.
De Engelschman vatte het gesprek weer op en sprak tot den herbergier,
die voor hem stond:
„Maar als je het wijfje van den tijger niet doodt, dan zal het ten
slotte ook jou verscheuren!”
„Zij zal ver van mijn huis blijven, al vermoordt zij mijn kudde ook.
Wie driemaal per dag bidt, is veilig voor alle wilde dieren.”
„Ik bezit iets, dat machtiger is en dat mij tegen alle vijanden
beschermt.”
„Leer mij, wat het is, o heer!”
„Leeren kan ik het je niet, maar ik wil het je laten zien!”
De Engelschman had zijn geweer ter hand genomen, dat naast hem lag, en
legde het schertsend aan op den Arabier.
Verschrikt sprong deze op zij.
„Vlucht, mannen! De Sidi heeft zijn verstand verloren en wil ons
vermoorden!”
Onder de weinige gasten van het koffiehuis ontstond een groot tumult.
Allen drongen opzij om buiten schot te komen.
Vroolijk riep Lord Lister, want hij was de Engelschman, terwijl hij
zijn geweer neerzette:
„Blijft rustig zitten, mannen. Ik wil niemand van u dooden, maar ik zal
u van den tijger bevrijden. Seradschi, breng mij naar de plek, waar je
schapen zich bevinden.”
„Maar heer, zijt gij dol? Verlangt gij, dat ik nu, in den nacht, met u
naar buiten zal gaan om mij door het ondier te laten verscheuren?”
„Beschrijf mij dan de plaats, waar je schapen zijn.”
„Op nauwelijks honderd pas afstands van hier, in het zuiden, waar al
die steenen liggen.”
Lord Lister was opgestaan en had zijn buks opgenomen. Het mes stak
reeds in zijn gordel.
Ook zijn vriend Charly stond op, zijn geweer opnemende.
Lord Lister vroeg de drie bedienden, die hem vergezelden:
„Wie van u gaat mee?”
Alle drie sprongen op. Vrees stond duidelijk op hun gelaatstrekken te
lezen. De grootste van hen, een Mohammedaan, trad naar voren en sprak,
terwijl hij de armen als afwerend uitstrekte:
„Ik dank Allah, dat ik het leven heb! Gij kunt niet verlangen, heer,
dat ik het aan de wilde dieren geef.”
„Dus je bent bang, Hassan!”
Op de bekende, bloemrijke wijze van alle Oostersche volken, die altijd
in overdrijving vervallen, antwoordde deze:
„O, Sidi, zet mij tegenover honderd vijanden en Hassan vreest niet;
maar met een wild dier vechten, dat nooit!”
„Blijf dan hier.”
„O, heer, ga ook niet, gij zijt een mensch, op wiens vleesch de beesten
verzot zijn. Als gij nu gaat, verscheuren zij u en men zal morgen niets
meer van u vinden dan de zolen uwer schoenen.”
„Wees gerust, Hassan, je zult morgen niet alleen de schoenen zien, maar
ook den man, die ze draagt. Kom, Charly!”
Snel verlieten de beide vrienden het veilige huis en liepen den nauwen
pas door. Nauwkeurig in zuidelijke richting gaande, bemerkten zij ook
spoedig een massa hooge, geweldige rotsblokken.
De omheinde plek, waar zich de schapen bevonden, grensde aan een der
rotswanden. De drie andere zijden waren door palen afgeschoten, die
onderling door touwen verbonden waren.
Het was een heldere nacht, zoodat men gemakkelijk de omtrekken der
rotsmassa’s kon zien.
Tusschen twee dezer rotsen bevond zich op tamelijke hoogte een kloof,
die van boven door neergevallen steenen was bedekt.
Zoodoende aan drie kanten afgesloten, bood deze ruimte een veilige
schuilplaats aan voor jagers.
Beide vrienden hadden, eer zij de herberg verlieten, de witte burnous,
die hun bij het klimmen hinderlijk zouden zijn geweest, eerst afgelegd.
Door niets in hun bewegingen gestoord, klommen zij langs de tamelijk
steile rotswanden naar boven en weldra hadden zij de kloof bereikt.
Lord Lister was de eerste, die deze kloof betrad. Langzaam voorwaarts
gaande, trachtte hij te zien, wat zich in de donkere ruimte bevond.
Charly Brand was zijn vriend gevolgd en daalde juist neer in de grot,
toen hij met een kreet van ontzetting terugdeinsde.
Met een woedend gesis had zich een monsterdier opgericht; in het
volgende oogenblik voelde Charly hoe het zich om zijn rechterbeen wond
en nu naderde de kop van de reuzenslang met uitgestrekte tong het
gelaat van den armen jongen.
Het was een tijgerslang van de grootste soort, die door Charly in haar
zoete rust was gestoord.
Verlamd van schrik bleef de jonge man staan. Achter hem de steile
rotsen, voor hem de zwarte kloof, die misschien nog meer vreeselijks
verborg en dicht bij zijn gelaat de wijdgeopende bek van het
afschuwelijke dier met de dood aanbrengende gifttanden.
Lord Lister had met een enkelen blik gezien in welk vreeselijk gevaar
zijn vriend zich bevond. Elk oogenblik kon zijn laatste zijn, als het
monster beet, was Charly reddeloos verloren.
Bliksemsnel had hij zijn geweer omgekeerd. Met groote kracht suisde de
kolf langs het hoofd van Charly en verpletterde den kop van de slang
tegen den rotswand.
Het lichaam van het reptiel kromde zich in zijn laatste stuiptrekkingen
zoo vast om het been van den jonge man, dat deze elk oogenblik het
kraken zijner beenderen meende te zullen hooren.
De slag was met geweldige kracht aangekomen.
Snel had Lord Lister zijn mes uit den gordel getrokken en met een
enkele snede den half verpletterden kop van den romp der slang
gescheiden.
De stuiptrekkingen hielden op en eenige oogenblikken later viel het
doode lichaam op den grond neer.
Charly kon van ontzetting geen enkel woord spreken; half bewusteloos
leunde hij in de armen van zijn vriend.
„Je hebt mij het leven gered,” sprak Charly eindelijk, geheel uitgeput.
„Maar, beste jongen, dat is het praten niet waard; jij zult hetzelfde
doen als het noodig is. Nu zullen we eerst eens kijken, hoe ons
slachtoffer er uit ziet.”
Bij nadere beschouwing bleek het een tijgerslang van 8 meter lengte te
zijn.
Lord Lister had zijn electrische zaklantaarn te voorschijn gehaald en
liet het licht in de kleine grot vallen om te zien of zich daarin nog
meer slangen bevonden.
Deze vrees was echter ongegrond.
De beide vrienden maakten het zich nu zoo gemakkelijk mogelijk. Met de
geweren in de hand luisterden zij in gespannen aandacht naar elk geluid
in de stille wildernis.
Plotseling ontstond beweging onder de schapen. Zij staken de koppen
bijeen en kropen angstig tegen den rotsmuur aan.
Lord Lister boog zich een beetje voorover om beter te kunnen zien en
hooren. Daar vernam hij boven zich een bijna onhoorbaar sleepend
geluid. Blijkbaar was het dier op de rots geklommen om zijn buit te
bespringen.
Snel trok de Lord zijn hoofd weer terug. Men hoorde duidelijk hoe de
klauwen van den tijger over de rotsen schuurden.
Nu volgde een sprong, een donker lichaam vloog langs de hoofden der
jagers—een korte, blatende doodskreet, die uit het midden der angstig
samenscholende schapen weerklonk, en fier opgericht stond de tijger
tusschen de doodsbeangste beesten; onder zijn rechter voorpoot lag het
gedoode schaap.
Het roofdier hief nu zijn kop op en stiet luide zijn zegekreten uit.
Wie deze klanken ooit heeft gehoord, zal ze nooit vergeten.
De wijd geopende, groenachtig glanzende oogen van het dier boden een
prachtig mikpunt aan. Nog voordat het gebrul was verstomd, knalde een
schot door den stillen nacht.
Met vervaarlijk gebrul vloog het dier in de hoogte en wilde het naar de
rotskloof springen. Voordat het deze echter kon bereiken, viel het op
den bodem neer De kogel was midden in het eene oog gedrongen.
Charly kon zich niet weerhouden zijn vriend een luid „bravo!” toe te
roepen.
Het geheele voorval had zich zoo snel afgespeeld, dat Charly, hoewel
hij zijn geweer gereed had gehouden, geen gelegenheid tot schieten had
gehad.
De luide knal, die den tijger had gedood, had echter een geheel
onverwachte uitwerking.
Plotseling weerklonk in de verte een heesche, woeste kreet, waarop
reeds na zeer korten tijd een woedend gebrul in de nabijheid volgde.
Met groote sprongen naderde een slank, lenig dier, dat dicht bij de
schapen, juist tegenover de jagers, neerhurkte.
Het was blijkbaar de mannelijke tijger, die door den doodskreet van het
wijfje opmerkzaam gemaakt, was komen aansnellen.
Ondanks het slechte licht scheen het beest zijn beide vijanden in de
rotskloof opgemerkt te hebben. Hij hurkte met een woedend geblaas neer,
om zich tot den sprong voor te bereiden.
Dit alles was zoo razend snel gegaan, dat Lord Lister geen tijd had
gehad om zijn buks weer in gereedheid te brengen. Hij had juist opnieuw
geladen, toen het dier als een pijl uit den boog naar de jagers
toesprong.
Beiden schenen nu verloren te zijn. Daar knalde weer een schot en in
dit ondeelbaar korte oogenblik zag men het slanke lichaam van het dier
zich door de lucht bewegen.
Over den kop vliegend viel het met een luiden plof op een
vooruitstekend rotsblok aan de voeten der beide vrienden neer.
Toen Charly begreep in welk gevaar zij verkeerden, had hij, zonder zich
een oogenblik te bedenken, geschoten en zoodoende zich zelf en zijn
vriend voor een zekeren dood bewaard. In zijn opgewondenheid en haast
moest hij echter niet juist gemikt hebben.
De tijger was wel zwaar gewond neergevallen, maar niet dood.
Een ontzettend gebrul weerklonk. Schuim en bloed vloeiden uit den
wijdgeopenden bek van het roofdier en, zich half oprichtend, sloeg het
reusachtige dier de klauwen uit naar zijn vijanden.
Met gespannen aandacht had Lord Lister het tooneel gevolgd. In
koortsachtige haast had hij zijn buks geladen en nu legde hij aan op
den gewonden tijger. Een schot weerklonk, het prachtige beest rolde van
het rotsblok naar beneden en kwam terecht tusschen de schapen, die
angstkreten uitstieten.
Hoewel Lord Lister geen vrees kende, ontsnapte hem toch een zucht van
verlichting, toen hij den geweldigen vijand zag vallen.
Zijn vriend een hand gevend, sprak hij:
„Zie je, Charly, nu heb je mij den kleinen dienst van zooeven reeds
vergolden, want zonder jouw hulp zou die knaap daar beneden hier een
leelijke rol hebben gespeeld.”
De koene jagers laadden hun geweren en klauterden daarop naar beneden.
Beide roofdieren lagen over elkaar heen. Zij waren enorm groot en
vooral het wijf je was zoo zwaar, dat men het slechts met moeite kon
bewegen.
Uit de verte weerklonk het gehuil van den jakhals. Deze lijkenroover
der woestijn had de sporen der tijgers gevolgd en hoopte nu op een
heerlijk maal.
Toen de helden van dit nachtelijk avontuur de herberg weer
binnenkwamen, waren de gasten nog bijeen. Nieuwsgierigheid, gepaard met
angst, hadden hun wakker gehouden.
Het scheen hun ongelooflijk, dat twee menschen het hadden durven wagen
om midden in den nacht op een zoo gevreesd roofdier te gaan jagen. Het
geknal der schoten had hun verteld, dat een gevecht plaats vond;
natuurlijk dachten zij niet anders dan dat de beide overmoedige jagers
het zouden moeten afleggen.
Men staarde nu de binnentredenden als spookverschijningen aan.
„Welkom, heeren!” sprak de waard. „Gij hebt verstandig gedaan. Wij
hebben uw schoten gehoord, dat zal ook de tijgers gedurende dezen nacht
wel op een afstand houden.”
Lord Lister antwoordde:
„Het wijfje van den tijger is met het mannetje gekomen en heeft een van
je schapen gedood. Je moet het dadelijk halen, anders vreet de jakhals
het op, wiens huilen wij reeds hebben gehoord.”
„Allah behoede mij, maar de jakhals mag het opvreten. Ik ga niet naar
buiten, waar de wilde beesten mij zouden verslinden.”
„Je zult niet verscheurd worden, want de beide tijgers zijn dood.”
„Spreekt gij de waarheid, Sidi?”
„Mijn woord is waarheid! Komt, mannen, en helpt om de lichamen der
gedoode dieren naar binnen te halen!”
Bij deze woorden maakte zich een groote opgewondenheid van de
aanwezigen meester.
Niemand wilde gelooven, dat de Engelsche heer waarheid sprak en de
beide vrienden hadden geruimen tijd noodig om hen tot meegaan te
bewegen.
Eindelijk besloot men er toe en ontstak fakkels. Onder aanvoering der
beide helden gingen allen op weg.
De schapen kropen angstig bij elkaar, toen zij de brandende fakkels
zagen.
Het nu volgende tooneel is niet te beschrijven.
Nauwelijks hadden de Arabieren de gedoode beesten gezien, of zij
wierpen zich op de lichamen. Zij sloegen de nu weerlooze beesten met
vuisten, trapten er met hun voeten op en overlaadden ze met alle
mogelijke scheldwoorden, waaraan de Oostersche volken zoo rijk zijn.
Daarop werden de dieren naar de herberg gesleept en stroopte men hun
daar het vel af.
Toen de beide vrienden zich in hun dekens hadden gehuld, sprak Charly:
„Raffles als tijgerjager en slangendooder—dat is nog niet voorgekomen.”
Lord Lister antwoordde slechts met een vroolijk lachje, daarop sliepen
beiden in.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN MENSCHELIJK OFFER.
Nadat de kleine karavaan zich in het dal met den meegebrachten voorraad
had gelaafd en verkwikt, gaf Lord Lister bevel om op te breken.
Hij zelf en zijn vriend Charly bereden paarden van het kleine
Barbarijsche ras, beesten die onvermoeid schijnen te zijn. De drie
bedienden zaten op kameelen, die ook de bagage vervoerden.
„Ik geloof niet, dat wij Mangalur heden nog zullen bereiken, Edward.
Het moet al laat zijn.”
De Lord keek op zijn horloge en antwoordde:
„Ja, het is bijna drie uur, maar als wij ons haasten, kunnen wij de
stad nog voor zonsondergang bereiken.”
De rijdieren werden aangespoord en, in een dichte stofwolk gehuld, trok
de karavaan verder.
Na verloop van een half uur had men een zeer dicht bosch bereikt, dat
zich op mijlen afstands scheen uit te strekken.
Deze weg was veel aangenamer, want hier hadden de ruiters niet zoo veel
te lijden van het stof. Daarentegen was het hier alleen mogelijk,
achter elkaar te rijden en zoo bewoog de stoet zich in een kronkelende
lijn voorwaarts.
Aan het hoofd reeds Lord Lister.
Plotseling hield hij zijn paard in, want uit het donkere bosch klonk
een dof geluid en werden eigenaardige, metalen klanken verneembaar. Het
geleek op een concert van menschelijke stemmen en koperen instrumenten,
dat uit de verte weerklonk.
John Raffles gaf de karavaan een teeken om stil te houden. Snel was hij
van zijn paard gesprongen en een oogenblik daarna had hij zich door het
dichte kreupelhout gewerkt. Na eenigen tijd kwam hij terug en sprak:
„Het is een processie van Brahmanen, die naar dezen kant komt. Als het
eenigszins mogelijk is, zullen wij vermijden door hen gezien te
worden.”
Men bracht dadelijk de rijdieren dieper het woud in tot op een open
plek, waar men naar alle berekening niet door de deelnemers aan den
optocht zou worden gezien.
Deze voorzorgsmaatregel was noodzakelijk. Want, waar de Indiërs reeds
in het algemeen wantrouwend en vijandig gezind zijn tegen alle
vreemdelingen, daar kunnen zij tot toomelooze woede worden geprikkeld,
wanneer „ongeloovigen”, zooals zij alle menschen noemen, die niet hun
geloof deelen, hen bij hunne godsdienstige gebruiken bespieden.
Het kwam er nu vooral op aan om te voorkomen, dat de dieren hen zouden
verraden, want elk geluid zou hun het leven kosten.
Bij de kameelen was dit betrekkelijk eenvoudig, daar hun muil steeds,
als zij als rijdieren worden gebruikt, door het toom is dichtgebonden.
Moeilijker was het echter met de paarden. Ieder der ruiters stond
daarom vlak naast zijn rijdier en hield de teugels strak, terwijl hij
geruststellend over den hals van het dier streek.
Intusschen was de optocht der Brahmanen steeds nader gekomen. Het
verwarde rumoer van instrumenten en stemmen werd steeds luider,
eentonig gezang vermengde zich met den klank van cymbalen en trommels.
Nu werd de spits van de processie door de boomen zichtbaar en wel op
een afstand van nauwelijks tweehonderd schreden, zoodat de luisteraars
alles konden zien en hooren.
Vooraan liepen de priesters met de mijters op hun hoofden, gehuld in
lange, geruite kleeren. Zij waren omringd door mannen, vrouwen en
kinderen, die een soort doodenzang schenen uit te galmen. Met
regelmatige tusschenpoozen onderbraken trommel- en cymbaalslagen deze
eentonige melodie.
Op deze groep volgden zebu’s, die buitengewoon rijk waren opgetuigd.
Zij trokken een kar op twee wielen, waarvan het houtwerk was versierd
met griezelige slangenlichamen. Op die kar stond een groote gedaante,
die vier armen had; het was een beeld van de godin Kali, de godin van
de liefde en den dood.
Het lichaam van deze figuur was helrood geverfd. Het haar fladderde
verward langs het hoofd, de tong hing uit den mond. De lippen waren met
verf besmeerd.
Aan den hals der godin Kali hing een sieraad van doodshoofden en om
haar heupen prijkte een gordel van afgehakte handen. Zij stond op het
lichaam van een menschelijken reus, wiens hoofd was afgehouwen.
Rondom deze figuur draaide en krioelde onophoudelijk een schaar oude
fakirs, die zich met okerkleurige strepen hadden beschilderd, alsof zij
zebra’s waren.
De bijna naakte lichamen dezer fanatieken waren bedekt met
kruiselingsche inkervingen, waaruit het bloed voortdurend sijpelde.
Het was een griezelig gezicht. Eenige der fakirs hadden zich kleine
dolken en messen door de spieren hunner armen en beenen gestoken;
sommigen hadden drie of vier korte pijlen in voorhoofd en oorschelpen,
zoodat het bloed vanuit het hoofd langs het geheele lichaam stroomde.
In dezen toestand voerden zij hun regelmatige dansen rondom het
afgodsbeeld uit.
Achter hen sleepten eenige Brahmanen, gekleed in prachtige Oostersche
gewaden, een vrouw, die nauwelijks op de been kon blijven.
Zij was nog jong en van buitengewone schoonheid. Haar hoofd, hals,
schouders, ooren, armen, handen en enkels waren beladen met juweelen,
hals- en armbanden, ringen en kettingen. Een met goud doorweven tunica
van dun neteldoek omhulde haar gestalte.
Achter deze groep droegen wachten met blanke sabels en lange pistolen
in hun gordel, op een baar het lijk van een grijsaard. Het hoofd was
bedekt door den rijk met paarlen bestikten tulband. Het lichaam was
gehuld in een gewaad van zijde en goud, waaromheen een met diamanten
versierde gordel prijkte. In dien gordel staken de prachtige wapens van
een Indischen vorst.
Hierop volgden muziekcorpsen, en het slot van den optocht werd weer
gevormd door fanatieken, die af en toe het lawaai der instrumenten
overschreeuwden.
De lange stoet bewoog zich langzaam voorwaarts onder de boomen en was
weldra in de duisternis van het woud verdwenen.
Hassan, de lange Mohammedaansche bediende van Lord Lister, was naar
dezen toegekomen en sprak nu, met zijn hand wijzend naar de richting
waarin de stoet was verdwenen:
„Een Sutty!”
Hoewel men nog slechts op grooten afstand af en toe de klanken van het
woeste geschreeuw hoorde, durfde de bediende nog niet luid te spreken.
Lord Lister vroeg:
„Wat beteekent het woord: Sutty?”
„Een menschelijk offer, Sidi. De vrouw, die wij zooeven zagen, zal
morgen zoo vroeg mogelijk worden verbrand.”
„En het lijk?”
„Is dat van haar echtgenoot, een onafhankelijken Radja.”
„Wat?” riep Charly vol ontzetting uit, „bestaan die barbaarsche zeden
nog in Indië? Heeft onze regeering daar dan geen eind aan kunnen
maken?”
„Mijn beste Charly,” antwoordde Lord Lister, „in het grootste gedeelte
van Indië hebben deze menschelijke offers niet meer plaats, maar in
deze woeste streken heeft de Engelsche wet geen invloed.”
„O, Sidi,” riep Hassan uit, „de geheele noordelijke rug van het
Windhiagebergte is het tooneel van voortdurende moorden en gruweldaden.
De offerdood, die morgen plaats zal vinden, is ook geen vrijwillige.”
„Waarom denk je dat?”
„De zaak is in deze streek bekend genoeg. Men bedwelmt de offers met
den rook van hennep en opium.”
„Waarheen brengt men die ongelukkige vrouw?”, informeerde Lord Lister
verder.
„Naar de pagode van Nyagrodha, op hoogstens twee mijlen van hier. Daar
moet zij den nacht doorbrengen en het uur van haar dood afwachten.”
„Wanneer zal de offerplechtigheid plaats hebben?”
„Morgen bij het krieken van den dag.”
De reizigers hadden zich naar hun rijdieren begeven om hun weg voort te
zetten. Lord Lister wilde juist in het zadel springen, toen hij
plotseling tot zijn vriend Charly Brand sprak:
„Hoe denk je erover, zullen wij deze vrouw van den marteldood redden?”
DERDE HOOFDSTUK.
DE GEEST VAN DEN RADJA.
De pagode van Nyagrodha grensde aan de achterzijde aan een dicht woud.
Op een groot, open plein, dat zich voor den afgodstempel uitstrekte,
hadden zich de deelnemers aan den optocht, priesters, fakirs, mannen en
kinderen verzameld. In een cirkelvormige, vrij gebleven ruimte voerden
de fakirs hun heilige dansen uit.
De toeschouwer moest denken, zich in een gekkenhuis te bevinden. Onder
woest geschreeuw, dat voor zang moest doorgaan, sprongen, draaiden en
wentelden zich de fakirs door elkaar.
Met scherpe messen in de handen deed ieder zijn best, zijn lichaam
zooveel wonden toe te brengen, als maar mogelijk was; het bloed vloeide
reeds in stroomen.
De priesters hadden „hang” rondgedeeld. Dit is een vloeistof, die
bestaat uit een aftreksel van hennep, vermengd met opium. Het gebruik
van dit duivelsche mengsel veroorzaakt woeste dronkenschap, waarop een
diepe slaap met allerlei fantastische droomen volgt.
De volksmenigte genoot bij het zien van het bloed, dat van de dansende
fakirs droop en deze geestdrift werd door het drinken van de „hang”
opgezweept tot onbeschrijfelijke woestheid.
Allen schreeuwden en tierden als bezetenen. De trommels en cymbalen
werden met groote kracht bewerkt, kortom, het was een helsch spektakel.
Toen de uitwerking van de „hang” merkbaar werd, werd de heksensabbath
steeds doller, om daarna, toen allen behoefte kregen aan rust en slaap,
te verminderen.
Voor het beeld van de godin der liefde en van den dood, die in al haar
afschuwelijkheid op het woeste tooneel neerkeek, was een brandstapel
opgericht. Deze bestond uit kostbaar sandelhout, dat gedrenkt was in
welriekende oliën.
Op dezen brandstapel lag het lijk van den Radja, om bij het aanbreken
van den dag met zijn ongelukkige weduwe verbrand te worden.
Het woeste getier was langzamerhand verstomd. De meeste feestgangers
lagen door elkaar in diepen slaap, die soms door plotselinge kreten
werd onderbroken, als de droomen al te benauwd waren. Een paar fakkels
verlichtten op onvoldoende wijze het plein, dat met de beschonken
slapers een walgelijken aanblik bood.
Het dichte kreupelhout van het bosch, dat grensde aan den
afgodentempel, werd zachtjes bewogen en uit het donker kwam een
gestalte te voorschijn, die, voorzichtig voortsluipend, het gebouw
trachtte te naderen. Vlak daarachter volgde een tweede gedaante.
Het waren Lord Lister en zijn vriend, Charly Brand, die den tempel
naderden.
De donkerkleurige bedienden waren bij de rijdieren achtergebleven,
omdat bij het beraamde plan niet op hen te rekenen viel en ook omdat
zij bezwaar gemaakt zouden hebben om in te grijpen in de heilige
gebruiken van hun eigen stam. En dit was hun niet kwalijk te nemen,
want, indien zij gevangen werden genomen, zou de wraak verschrikkelijk
zijn.
De vrienden hadden afgesproken, een poging te wagen, om in den nacht
den afgodstempel binnen te dringen.
Nadat zij de beschermende duisternis van het woud, hadden verlaten,
lieten zij zich voorzichtig op den grond glijden, langzaam op den buik
voorwaarts kruipende.
Toen zij op deze manier eenigen afstand hadden afgelegd, merkten zij
tot hun spijt, dat de ingang der pagode bewaakt werd door twee
gewapende mannen met het blanke zwaard in de hand. Dit tweetal scheen
niet onder den invloed van de „hang” te verkeeren, want zij liepen,
oogenschijnlijk als de eenige nuchteren van het gezelschap, heen en
weer.
Nadat zij zich een beetje hadden teruggetrokken, overlegden de
vrienden, of zij het zouden durven wagen, de wachthoudende mannen te
overvallen. Weldra echter zagen zij in, dat dit hun niet zou gelukken,
want het zou onmogelijk zonder alarm te maken, kunnen gebeuren. En dat
zou gevaarlijk zijn, want al zouden ook zij, die daar lagen te ronken,
niets hooren, dan werden misschien de priesters, die den ganschen nacht
bij de ten doode gedoemde moesten waken, opmerkzaam gemaakt.
De beide vrienden kwamen nu overeen om van de achterzijde den tempel
binnen te dringen. Het gelukte hun zonder veel moeite, die zijde van
het gebouw te bereiken.
Het ging reeds tegen den morgen, maar alles was nog gehuld in diepe
duisternis. De maan was verscholen achter de wolken, zoodat het gevaar
om gezien te worden, zeer gering was.
Maar nu deed zich een moeilijkheid op.
De muren van den tempel en de steenen boden weerstand aan elken aanval.
Met de grootste inspanning werkten de beide vrienden, want, zoo
overlegden zij, als het hun slechts gelukte, een enkelen steen los te
werken, zouden ook de andere gemakkelijk verwijderd kunnen worden.
Alle moeite was echter tevergeefs. Intusschen werd het steeds later en
het kwam hun voor, alsof op het plein voor den tempel beweging
ontstond.
Het eerste licht van den aanbrekenden dag was reeds zichtbaar. Het zou
zelfmoord zijn, om nog langer daar te blijven.
Mistroostig en teleurgesteld moesten de beide helden dus van hun
reddingswerk afzien. Zij trokken zich terug in het kreupelhout en
snelden daarna weer naar de rustplaats hunner paarden.
Onderweg scheen Lord Lister een besluit te hebben genomen, want hij
liet dadelijk de rijdieren zadelen. Daarna moesten de bedienden de
kameelen naar een open plek brengen.
Hij zelf en Charly Brand echter leidden hun kleine paardjes tot dicht
bij den tempel, waar zij ze aan boomen vastbonden. De bedienden hadden
bevel gekregen, zich elk oogenblik voorbereid te houden op vluchten.
Het was op het plein voor de pagode steeds levendiger geworden. De
slapers werden wakker, tromgeroffel weerklonk, woest geschreeuw en
gezang werd weer vernomen.
Het nachtelijk donker was geweken voor het licht van den komenden dag.
Nu was het uur aangebroken, waarin de ongelukkige vrouw den
vreeselijken marteldood zou sterven.
De deuren van den tempel werden geopend en een helder licht scheen uit
het gebouw. Twee priesters sleepten het slachtoffer naar buiten.
De jonge vrouw was in een toestand van gevoelloosheid geraakt, een
uitwerking van den hennepdrank. Willoos volgde zij haar beulen, die
haar door de rijen der fakirs sleepten.
Deze hadden weer hun dansen aangevangen en pijnigden hun lichamen met
messen en dolken, bijna nog erger dan den vorigen dag. Een
oorverdoovend lawaai en woest geschreeuw weerklonk, terwijl men het
offer in den kring sleurde.
Daar stond een groote bak met gloeiende kolen, waarin groote brokken
ijzer lagen. Een priester naderde, nam er een der witgloeiende stukken
metaal met een groote tang uit en hield het voor de ongelukkige vrouw,
die nu de vuurproef moest doorstaan.
De wreedheid dezer Indiërs is bijna grenzenloos. Op vreeselijke wijze
wordt het arme slachtoffer nog gemarteld, voordat het aan den vuurdood
wordt overgegeven, maar hierbij werkt de bedwelming van den hennepdrank
werkelijk weldadig, want het ongelukkige schepsel weet nauwelijks, wat
er met hem geschiedt.
Zoo was het ook hier. Een tweede priester greep de rechterhand der
jonge weduwe en legde die op het gloeiende ijzer. Een sissend geluid
werd gehoord en de reuk van verbrand vleesch verspreidde zich in de
lucht.
Zonder geluid te geven had de ongelukkige deze vreeselijke kwelling
verdragen, daarna echter zonk zij als bewusteloos in elkaar.
Ruw en brutaal werd zij in de hoogte gesleurd, op den brandstapel
gesleept en naast het lijk van den Radja neergelegd.
Een priester nam een der fakkels, hield die bij het hout van den
brandstapel en heldere vlammen sloegen uit het met olie gedrenkte hout.
Maar— —wat was dat? Een ontzettend geschreeuw weerklonk plotseling. De
fakirs, priesters, soldaten en het volk, allen schreeuwden en wierpen
zich ter aarde, hun oogen met de handen bedekkend, opdat zij, als
aardsche en onwaardige wezens, niet het heilig wonder zouden zien, dat
daar geschiedde.
Was de Radja niet dood?
Men had gezien, dat hij zich plotseling oprichtte en als een spook, met
de jonge vrouw in zijn armen, van den brandstapel verdween.
Lord Lister was tot een wanhopig besluit gekomen. Hij moest de
ongelukkige redden, redden tot elken prijs.
Zoo was hij voorzichtig tot achter den brandstapel geslopen en was aan
die zijde naar boven geklauterd. Niet denkend aan zijn eigen leven,
hurkte hij in elkaar, toen de beide priesters, op eenigen afstand van
hem, het offer hadden neergelegd.
Op het oogenblik, waarin de vlammen uit het hout sloegen, pakte hij met
gespierden arm de bewustelooze vrouw beet en haastte zich met zijn last
naar beneden.
Charly stond dichtbij de paarden. Hij hield zijn geweer gereed om, zoo
noodig, zijn vriend voor dreigende gevaren te kunnen beschermen.
Toen hij den redder met de jonge vrouw in zijn arm door de vlammen naar
beneden zag klimmen, maakte hij snel de touwen der paarden los. Snel
als de bliksem was Lord Lister op zijn Barbarijsch paardje gesprongen
en had de nog steeds bewustelooze weduwe van den Radja voor zich dwars
over het zadel gelegd.
Even handig sprong Charly in zijn zadel en voort ging het in vliegende
vaart.
Dit alles was zeer snel in zijn werk gegaan.
Toen de bijgeloovige vrees der Indiërs was verdwenen, keken zij op en
nu zagen zij in de vlammenzee van den brandstapel duidelijk het lijk
van den Radja liggen. Nu werd het hun duidelijk, dat hier geen sprake
was van een wederopstanding van den doode, maar van het ontvoeren der
weduwe.
Een ontzettend geschreeuw weerklonk. Verwenschingen en vloeken volgden
de vluchtelingen.
De bewustelooze vrouw in zijn armen gekneld, vloog John Raffles,
gevolgd door Charly, voort door de Oostersche oerwouden. (Zie het
titelblad.)
Onder het uitstooten van wilde bedreigingen snelden de priesters het
bosch in, de soldaten volgden hen.
Op grooten afstand zagen zij de roovers nog. De soldaten legden aan en
het geknal der schoten weerklonk door het woud.
Een kogel trof het hoofddeksel van Lord Lister, een bewijs, dat de
Indiërs niet slecht hadden gemikt.
Weldra echter werd de afstand tusschen de vluchtelingen en hun
vervolgers steeds grooter, de kogels en pijlen konden hun doel niet
meer bereiken en de beide dappere helden waren met hun moeilijk
verworven buit uit het oog verdwenen.
VIERDE HOOFDSTUK.
OP DE VLUCHT.
Niet ver van de kust verheft zich het Malabargebergte, dat met zijn
wilde bergspleten en kloven heerlijke en romantische natuurtafereelen
biedt.
In een dezer kloven lagen drie rijkameelen te rusten, terwijl twee
paarden aan boomstammen waren vastgebonden. Twee blanke mannen, drie
kleurlingen, welke de bedienden der beide blanken waren, en een jonge
vrouw hadden hier een rustplaats gezocht.
Het waren de redders, die de jonge weduwe aan den dood hadden ontrukt,
en hun gezellen.
De vluchtelingen hadden den naasten weg naar het gebergte gekozen,
omdat zij hoopten, zich in de rotsspleten beter te kunnen verbergen,
wanneer de vervolgers hun spoor mochten ontdekken.
Het paard van Lord Lister had zich bij de overhaaste vlucht aan den
achterpoot bezeerd en kon daardoor niet langer den dubbelen last
dragen. Men was dus gedwongen geweest, deze rust te nemen, om nieuwe
plannen te maken.
De weduwe van den Radja was reeds gedurende den dollen rit weer
eenigszins tot bewustzijn gekomen en nu was zij de verlammende
uitwerking van den drank geheel te boven.
Lord Lister had haar zwaargewonde hand zorgvuldig en naar den eisch
verbonden.
De geredde vrouw kon eerst haar toestand in het geheel niet begrijpen.
Waar was zij? Wie waren deze mannen? Leefde zij nog? Duizenden van
dergelijke vragen vlogen door haar hersens.
Toen zij eindelijk zekerheid had gekregen van haar redding, kende haar
dankbaarheid geen grenzen. Zij weende heete tranen van vreugde en
ontroering, maar tevens van zorg over haar verder lot.
Op verzoek vertelde zij, dat zij een Hindoemeisje was en de dochter van
een rijken koopman in Puna.
Zij was, toen zij nog zeer jong was, naar Bombay gekomen, waar zij een
goede Engelsche opvoeding had genoten. Dit kon men ook wel aan haar
merken, want naar haar manieren en beschaving had men haar voor een
welopgevoede Engelsche kunnen houden.
Haar naam was Kysagotami. Haar vader, de rijke koopman in Puna, stierf
en zij werd uitgehuwelijkt aan den ouden Radja. Maar na een halfjarig
huwelijk reeds was zij weduwe geworden.
Zij had precies geweten, welk ontzettend lot haar als weduwe wachtte en
was daarom gevlucht. Men had haar echter spoedig gegrepen en de
bloedverwanten van den overledene offerden haar op om te worden
verbrand, omdat dan de groote rijkdommen van den Radja en de niet
onbeduidende bruidsschat, welken de wees mee ten huwelijk had gebracht,
hun deel zouden worden.
Lord Lister vroeg, waar die schatten zich bevonden en Kysagotami
vertelde, dat alle bezittingen van den Radja, al het goud, de
edelsteenen, wapens en kleinoodiën, zooals steeds bij de verbranding,
meegevoerd werden in den wagen, waarop de godin van liefde en dood
troonde.
Die schatten werden dan gebracht in den tempel, waarin het offer den
laatsten nacht moest doorbrengen en gewijd aan den God Siwa.
„Hoe lang blijft de schat daar?”
„Het daglicht moet den schat tweemaal beschijnen, daarna wordt deze in
prachtigen optocht door de priesters afgehaald. Het tiende deel van den
schat valt dan in handen van de priesters van Siwa, de rest is voor de
bloedverwanten.”
„Begrepen. Het zou mij echter een onuitsprekelijk genoegen zijn, de
Siwa-priesters eens op hun neus te laten kijken. Waartoe zouden wij
wachten, tot de schat verdeeld is? Wij zullen hem in zijn geheel gaan
halen! Tweemaal moet het daglicht den schat beschijnen; wij hebben dus
tot morgenavond tijd.”
Kysagotami volgde dit korte gesprek met teekenen van groote vrees. Zij
verstond ieder woord, want zij kende evengoed Engelsch als haar
moedertaal. Toen Lord Lister zweeg, sprak zij met gevouwen handen en op
smeekenden toon:
„Doe dat niet, heer! Gij hebt reeds uw leven gewaagd, toen gij mij hebt
gered, nu wilt gij het voor den tweeden keer op het spel zetten.
Bedenk, dat u, wanneer men u pakt, de wreedste marteldood wacht. Ik ken
die menschen, zij zijn duivelachtig wreed in het uitvinden der
ontzettendste kwellingen.”
Maar Lord Lister antwoordde met vaste stem:
„Maak u over ons niet bezorgd! Geen Brahmapriester, geen fakir, niemand
zal ons een haar krenken. Wij zullen den schat gaan halen en op die
manier de afschuwelijke priesters en de wreede familieleden naar
behooren straffen.”
Kysagotami wierp zich voor Lister op de knieën en bezwoer hem met heete
tranen, van zijn plan af te zien.
Zijn blikken hingen aan de schoone vrouw. Zacht streek hij met zijn
hand over haar hoofd en sprak, terwijl hij de knielende ophief:
„Ik dank u voor uw bezorgdheid om ons leven, Kysagotami, maar wij
zullen den priesters hun schat ontrukken, zonder het leven te
verliezen, want uw gebed zal ons beschermen.”
Met duidelijke woorden deelde Lord Lister zijn bevelen uit. Zijn plan
was om in den loop van den volgenden dag den schat te halen, omdat hij
berekende, dat de lieden, die bezig waren de ontvoerde vrouw te zoeken,
dan ver genoeg van den afgodstempel verwijderd waren, zoodat geen
ontdekking te vreezen zou zijn.
Men zou gedurende den nacht langzaam terugrijden en dan zouden
Kysagotami en de bedienden rust nemen, terwijl Lord Lister en Charly
een poging zouden wagen om den schat te bereiken.
Tot zoover was alles afgesproken. Juist zouden de laatste
toebereidselen tot vertrek worden gemaakt, toen uit de verte verwarde
geluiden werden vernomen.
Dadelijk was alles in het kleine kamp in beweging. Het was allen
duidelijk, dat daar misschien de dood dreigde.
Het geluid werd sterker en sterker, men kon reeds duidelijk enkele
kreten en uitroepen onderscheiden.
Charly had ontdekt, dat het de optocht van priesters, fakirs en volk
was, die naar huis terugtrok en, in de hoop de vluchtelingen te vinden,
het gebergte doorzocht.
Nu was de grootste voorzichtigheid noodzakelijk. Als een enkel geluid
de aanwezigheid der Engelschen verried, waren zij verloren.
Toen men den stoet hoorde naderkomen, hadden de bedienden zich ter
aarde geworpen om hun goden aan te roepen. Het was Lord Lister bijna
onmogelijk om de van angst bijna krankzinnige menschen weer tot bedaren
te brengen. Eindelijk gelukte hem dit echter. Het was trouwens ook hoog
tijd, want de stoet was nu zoo nabij gekomen, dat men de woorden, die
gesproken werden, duidelijk kon verstaan.
Vluchten was onmogelijk. Men moest rustig in de rotskloof wachten en
hopen, niet opgemerkt te zullen worden.
Wat de vluchtelingen moesten aanhooren omtrent het lot, dat hun
wachtte, wanneer zij ontdekt zouden worden, was niet in staat om hen op
te wekken. Natuurlijk liep het gesprek van de massa alleen over den
roof van Kysagotami.
Men schimpte en schold in de bloemrijke Indische taal op de
ongeloovigen, die Brahma moest vervloeken en men dreigde hen met alle
straffen van den hemel en de aarde.
Zoo bewoog de stoet zich op een kronkelpad voort, tamelijk ver beneden
de schuilplaats der kleine karavaan.
Lord Lister had een smalle kloof ontdekt, waardoor hij het pad kon
overzien. Van hier volgde hij elke beweging daar beneden met scherpe
blikken. Hij zag duidelijk, hoe de optocht in tamelijk snel tempo
steeds meer in Westelijke richting trok, om weldra achter de
rotsmassa’s te verdwijnen.
Een zucht van verlichting ontsnapte aan zijn lippen en hij sprak, snel
opstaande:
„Gered! Maar nu moeten wij er op uit om nog heden den schat te gaan
halen!”
Toen het woord „gered” van Listers lippen klonk, had groote vreugde
zich van allen meester gemaakt, maar deze blijdschap werd door hetgeen
de dappere Engelschman erop liet volgen, weer getemperd. Vooral
Kysagotami hief smeekend haar handen op.
Maar Lord Lister sprak met een opgeruimden glimlach:
„Nu wij hebben gezien, dat het terrein veilig is, er is geen enkele
reden, langer te dralen. Dus: Voorwaarts, naar den schat van den Siwa!”
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE ROOF VAN DEN SCHAT.
De pagode van Nyagrodha lag in diepe rust. Het was nacht. Het maanlicht
bescheen de grootsche lijnen van den tempel, dezen in reusachtigen
schaduw op den bodem afteekenend.
Uit het dichte oerwoud klonk een geheimzinnig gekraak en geritsel. Dit
werd steeds sterker en eindelijk kwamen twee ruiters uit het
struikgewas te voorschijn. Toen zij het plein voor den tempel hadden
bereikt, stegen zij af en bonden hun paarden aan boomstammen vast.
„Dat is zeer gunstig! Die oude vriend helpt ons bij ons werk,” sprak
Lord Lister, naar de maan wijzend.
Heinde en ver was geen levend wezen te bespeuren. De beide vrienden
liepen daarom, zonder eenige voorzichtigheid in acht te nemen, over het
door de maan beschenen open plein naar den ingang der pagode. De
ervaringen van den vorigen nacht hadden hun geleerd, dat zij slechts
door de deur den tempel konden binnenkomen.
Zij hadden uit hun zadeltasschen allerlei werktuigen meegenomen. Een
breekijzer werd tegen het slot van de deur gezet en doffe slagen
weerklonken.
Op dit oogenblik dook uit de duisternis een witte gedaante op. Het was
een tot aan de tanden gewapende Indiër.
Lenig als een kat sloop hij tot aan den hoek van den tempel, om te
kunnen zien, wat daar gebeurde.
Zijn zwarte oogen vonkelden onder de witte kap van zijn burnous. Het
donkerbruine gezicht was verwrongen van woede; zoodat de witte tanden
tusschen de smalle lippen schitterden.
Hij hurkte tot op den grond neer, en plotseling legde hij zijn geweer
aan dat rijk met paarlemoer en edelsteenen was versierd. Een schot
knalde en rakelings vloog de kogel langs Charly’s hoofd.
Op hetzelfde oogenblik staakten de beide vrienden hun werk, bliksemsnel
hun geweren opnemend.
Lord Lister had den verraderlijken witten burnous gezien en was hem
nagesneld, maar de Indiër was reeds in het donkere struikgewas achter
den tempel gevlucht.
„Hallo! Een vroolijke jacht!” riep Lister tot zijn vriend, en samen
snelden zij den vluchteling na.
De Indiër scheen echter verdwenen te zijn.
Plotseling zag Lord Lister naast een dikken boomstam iets wits
verschijnen. Hij wilde voorwaarts snellen, toen opnieuw een schot
weerklonk. In hetzelfde oogenblik had hij zich plat op den grond
geworpen en de kogel floot over hem heen, zonder schade aan te richten.
Hij snelde voorwaarts, maar daar knalde achter hem een schot.
Een tweede Indiër, die binnen in den tempel had gewaakt, was op het
gerucht naar buiten gekomen en had zijn geweer op den
dichtstbijstaanden Charly afgeschoten. Ook deze kogel miste zijn doel.
Charly keerde zich snel om en zag de gestalte nog in het kreupelhout
verdwijnen. Hij wijdde nu weer zijn geheele aandacht aan zijn vriend en
snelde toe om dezen de behulpzame hand te bieden.
Lord Lister was onbevreesd vooruitgedrongen en had den Indiër, die op
hem had geschoten, gegrepen. Als een ijzeren schroef omklemde zijn
vuist den hals van den kleurling. Deze greep in zijn gordel en haalde
daaruit een lang, Indisch mes te voorschijn om dat zijn vijand in de
borst te stooten.
Het was een vreeselijke worsteling.
De oogen puilden den Indiër uit het hoofd en schuim stond op zijn
lippen. Hij had zijn rechterarm vrij gekregen en wilde toestooten. In
het laatste oogenblik echter gelukte het Lord Lister, de hand, welke
het mes vasthield, beet te pakken. Hij ontwrong het zijn tegenstander
en slingerde het ver weg. Daarop liet hij zijn vuist met vreeselijke
kracht op den schedel van den Indiër neerdalen.
Een doffe kreet en de getroffene viel aan zijn voeten neer.
Intusschen was Charly op het tooneel van den strijd aangekomen en hielp
nu zijn vriend, den bewusteloozen Indiër te binden.
De wapenen, welke deze in den gordel droeg, evenals zijn geweer, namen
zij hem af en daarna sleepten zij den man den tempel binnen.
„Al heeft hij ons ook willen vermoorden, daarmee deed hij eigenlijk
niet meer dan zijn plicht en hij heeft niet verdiend om hier misschien
door wilde dieren te worden verscheurd,” sprak de Lord tot zijn vriend.
„Waar zou de tweede kerel gebleven zijn?” vroeg Charly.
„Die zal zich wel uit de voeten, hebben gemaakt, toen hij zag, dat het
met zijn kameraad slecht afliep.”
„Dat zou onaangename gevolgen voor ons kunnen hebben.”
„Hoe meen je dat?”
„Als hij den geheelen volksstam, en vooral de priesters, ervan in
kennis stelt, zijn wij verloren.”
„Maar Charly, hoe zal hij zoo gauw hulp kunnen doen aanrukken? Als de
menschen komen, zijn wij allang met den schat in veiligheid.”
Beide vrienden hadden intusschen den omtrek van den tempel nog eens
afgezocht, zonder een spoor van den tweeden wachter te kunnen
ontdekken. Daarom keerden zij nu in het gebouw terug om den schat te
zoeken.
De pagode, die boogvormig was opgetrokken, bevatte een zwaar gouden
beeld van den God Siwa. Dit is de derde God van de Indiërs.
Voor dit gouden beeld stond een steenen offeraltaar.
„Drommels! Zou ons werk voor niet zijn geweest? Hier is toch geen schat
verborgen. Dien braven kerel daar, die van massief goud schijnt te zijn
gemaakt, zullen wij nauwelijks van zijn plaats kunnen krijgen, laat
staan, dat wij hem zouden kunnen meenemen.”
„Edward, als wij den bewaker eens vroegen....”
„Dan zou hij ons toch niets verraden,” viel Lord Lister zijn vriend in
de rede.
Onderzoekend keek hij den Indiër, die geboeid op den grond lag, aan. De
man was intusschen weer tot bewustzijn gekomen.
Raffles dacht even na en sprak toen:
„Nu, wij kunnen het probeeren.”
Den geboeide naderend, sprak hij:
„Wil je ons vertellen, waar gij den schat van de weduwe van den Radja
hebt verborgen?”
Een vijandige blik schoot uit de oogen van den geboeide en knarsend
beet hij op zijn tanden.
Charly en Raffles wisselden snel een blik van verstandhouding. De
laatste greep het lange, Indische mes, waarmee de kleurling hem zooeven
bijna had gedood, zette het den gevangene op de borst en sprak:
„Als je mij nu de plek niet noemt, stoot ik toe.”
Het gelaat van den Indiër was verwrongen van woede.
„Hond, stoot toe! Nooit zal je mij een bekentenis ontlokken, die den
heiligen Siwa zou kunnen kwetsen!”
Lister legde het mes neer en sprak in het Engelsch:
„Wij moeten ons zelf helpen, als wij het doel willen bereiken. Kom,
Charly, wij willen eens zien, of deze Oude heer den schat niet bezit.”
Bij die woorden wees hij glimlachend op het zittend godenbeeld.
Samen beproefden zij nu het zware beeld op zij te duwen.
Toen de geboeide Indiër zag wat de beide vrienden gingen doen,
ontsnapte een kreet van woede aan zijn lippen.
„Roovers, wilt gij met uw vervloekte vingers van het heiligdom
afblijven? De groote Siwa zal u straffen!”
„Daarin zou hij gelijk kunnen hebben,” lachte Raffles, „want als dit
gouden heerschap omvalt, zou het ons een paar ribben kunnen kosten.”
De kreet van woede van den Indiër had den beiden vrienden bewezen, dat
zij op het goede spoor waren en dapper zetten zij hun werk voort. Het
beeld was wel buitengewoon zwaar, maar eindelijk gelukte het toch om
het van de plaats te krijgen.
Toen men het afgodsbeeld ongeveer voor een derde van zijn steenen
voetstuk had geschoven, vertoonde zich daarin een klep, die door middel
van een ijzeren ring opgelicht kon worden. Dit was echter onmogelijk,
zoolang het zware beeld, al was het ook gedeeltelijk, er op stond. Er
bleef hun dus niets over dan het geheel te verwijderen.
Het gelukte den beiden vrienden eindelijk met vereende krachten om het
afgodsbeeld van zijn voetstuk te krijgen. Toen het echter vrij in de
lucht zweefde, begon het te wankelen. Charly moest op zij springen en
met een geweldigen plof sloeg het beeld tegen den muur.
Toen de Indiër het beeld van zijn heiligen God Siwa zag neervallen,
stiet hij een kreet van ontzetting uit. Hij dacht, dat nu de toorn van
den God den tempel en de schenders van het heiligdom zou verpletteren.
Maar niets van dien aard geschiedde.
Slechts de uitgestrekte arm van den God was bij den val afgebroken en
op den vloer gevallen.
John Raffles had den afgebroken arm opgeraapt en oplettend bekeken. Hij
zag duidelijk, dat het beeld werkelijk van massief goud was. Lachend
boog hij voor het afgodsbeeld en sprak:
„Wij danken u, groote Siwa, dat gij ons uw gouden arm hebt geschonken.
Het hoofd was ons liever geweest, want dat heeft meer waarde— — —aan
goud! Maar we moeten tevreden zijn.”
Bij die woorden stopte hij den gouden arm in een zak, die was
meegebracht om den schat te vervoeren.
Charly had intusschen het afgodsbeeld nauwkeuriger bekeken en sprak tot
zijn vriend:
„Edward, ik geloof, dat het hoofd van den braven heer niet slechts meer
waarde heeft door den grooteren voorraad goud, maar dat hij ook nog een
kostbaarder schat verbergt. Kijk eens, welke gloed uit dat oog
straalt.”