Heidelberg, 3 December 1913.
_Geliefde Gemeente!_
»Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en
gij zult Mij eeren!" »Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst
geef!" In de dagen, die thans achter mij liggen, heeft de Heere deze
heerlijke waarheden wederom op zoo treffende wijze vervuld.
Ik heb moeilijke dagen doorgemaakt. Vooral de dag, waarop ik u verleden
week mijn brief zond, was een gewichtige dag. Op één dag moest ik toen
om 10 uur worden ingespoten en om 11 uur worden belicht, terwijl me om 1
uur twee scherpe tandwortels en één kies moesten worden getrokken.
Ik behoef u niet te zeggen, dat vooral de laatste operatie, in een
pijnlijken mond, dien men ternauwernood kan openen, en waarin de dokter
de tang nauwelijks bewegen kan, terwijl aan de kaak nog altijd een rest
van een kankerknobbel zit, een zeer pijnlijke kunstbewerking is. Van
verdooving kon geen sprake zijn. Ik zag er wel wat tegen op; maar de
noodzakelijkheid legde aan alle innerlijke tegenspraak het zwijgen op.
Voordat ik van huis ging, las ik den 38sten psalm. Helder stelde ik
mij de verootmoedigende waarheid voor den geest, dat alle ellende
't vruchtgevolg der zonde is. Daarop wandelde ik alléén naar 't
Samariterhaus. Mijn vrouw, voor wie de afstand te ver is, gaat in den
regel met de tram. Onderweg stelde ik mij voor oogen, wat de Heiland aan
het kruis heeft geleden, zes uren achteréén, hangende aan een drietal
spijkers. Hij, Onschuldige voor de schuldigen. »Heere", zeide ik in
mijzelven, »daar hebt Gij ook mijne krankheden op U genomen". Deze
overdenking gaf mij rijken troost. Ik leerde mij schamen voor mijn vrees
voor pijn. Welgemoed ging ik 't Samariterhaus binnen, onderging 't één
na 't ander, en kon in de tusschentijden mijn brief aan u voltooien en
verzenden.
Ik zal u geen beschrijving geven van de laatste operatie. De ééne tang
na de andere werd als onbruikbaar terzijde gelegd. Eindelijk lukte de
bewerking. De minuten van pijn waren als een droom voorbij gevlogen; en
mijn ziel jubelde dankende den Heere tegemoet, Die mij zoo krachtig had
gesterkt.
Prof. Werner, de dokter van dienst, eveneens een sympathieke
persoonlijkheid, bijgestaan door een zeer medelijdende zuster, voltooide
't werk. We waren allen even blij, toen de zaak was afgeloopen. Ik kan
deze menschen niet genoeg danken voor hetgeen ook zij voor mij zijn.
Ik had nu veel verlichting gekregen; maar aan het einde der week volgden
weer een paar moeilijke dagen. Ik kreeg gedurig bloeding in den mond met
eenige koorts. Ik leed veel pijn, en moest een paar dagen het bed
houden.
Alzoo nederliggend, hield ik mij bezig met de overdenking van 't lijden
van onzen dierbaren Heiland en volgde ik Hem van Zijn Krib tot Zijn
Kruis. Ik stelde mij den heerlijken Kerstnacht voor oogen, waarin 't
Vleeschgeworden Woord nederlag in de kribbe; ik dacht aan den heerlijken
engelenzang, aan 't bezoek der herders en der wijzen; maar ook wederom
aan de vervolging door Herodes. Neen, 't kindeke Jezus mocht niet spelen
op een der straten van Israël; 't scherpe zwaard dreigde reeds dadelijk
't onschuldige Kind; als een balling moest Hij, nog zóó jong, in den
vreemde zwerven. Op deze wijze ging ik de omwandeling en 't lijden van
den Heiland na. Dan weer stelde ik mij de vreugden des hemels voor: wat
het zijn zal, in de eeuwige rust te zijn, van alle zonde en ellende
ontslagen te zijn! Maar deze rust zal niet zijn als de rust van den
slaap; neen, zij zal wezen en geheel vervuld zijn met den Heiligen
Geest, in de heerlijke extase der heerlijke vreugde. O, met welke
vreugde zullen de zaligen wandelen op de gouden straten van het
hemelsche Jeruzalem, onder de wuivende palmen van 't heerlijk paradijs,
elkander herkennende, elkander leerende kennen, om samen den Heere groot
te maken in den volmaakten lofzang, die als een stemme veler wateren
door de wijde hemelen ruischt! Met welk een blijdschap zullen zij den
verheerlijkten Heiland zelven zien, die voor ons aan 't Kruis heeft
gehangen, en die daar nu de Zijnen rondom Zich verzamelt! Hoe zal Hij
ons dan aanzien? Niet met een blik, zooals Hij Petrus aanzag in de
Kájafaszaal; maar met een oog, waaruit de verzadiging Zijner vreugde
spreekt daarover, dat nu vervuld is, wat Hij bad: »Vader! Ik wil, dat
waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij
Mijne heerlijkheid mogen zien, die Ik bij U had vóór de grondlegging der
wereld." Ja, welk een verzadiging van vreugde zal het voor ons wezen, in
't Vaderhuis te zijn; bij God, den Vader, voor eeuwig thuis te zijn; nu
alle dingen te weten, zonder dat die kennis ons eenige studie kost, en
aan dit volmaakte kennen de stof te ontleenen tot Gods eeuwigen lof en
prijs!
Het was mij goed, alzoo verdrukt te zijn, en in mijn druk zoo tot den
Heere te worden uitgedreven.
En.... Hij gaf met de verdrukking zulk een verrassende uitkomst.
Maandagmorgen voelde ik mij geheel hersteld. De voorbijgaande
ongesteldheid had uitgewoed. En nu voelde ik eerst recht, hoeveel ik
gedurende deze kuur weer was vooruitgegaan.
's Middags maakte ik een bezoek bij Prof. Werner, om met hem over
mijn toestand te spreken. Hij was nu nog meer voldaan dan aan 't einde
der eerste kuur. Niet alleen uitwendig, maar ook inwendig was 't
kankergezwel zelfs gedurende de kuur snel afgenomen. Met de tong, zeide
hij, zou 't iets langzamer gaan, hoewel ook deze aanmerkelijk beter is
geworden. In Januari moet ik, zoo de Heere wil, voor een derde kuur
terugkomen; en wanneer ik daarin even voorspoedig ben als in de beide
eerste, bestaat er welgegronde hope, dat ik Februari of Maart mijn werk
weer mag opvatten.
Mocht dit eens waarheid worden!
Zal ik dan tevergeefs geleden hebben dat zware lijden, dat gevoerd
worden langs dood en graf, wat ik nu heb doorgemaakt?
In 't Badensch kerkelijk gezangboek is een heerlijk vers:
Die Wege sind oft kromm, und doch gerad,
Darauf Du, Herr, die Deinen lässet gehen,
Da plegt oft wunder seltsam aus zu sehen,
Doch triumphiert zuletzt Dein guter Rat!