Heidelberg, 25 November 1913.
_Geliefde gemeente!_
Vanaf 16 November ben ik tot op heden elken dag geregeld behandeld,
behalve Zaterdag 22 November. Op dien dag was 't de Diës der
Universiteit, en ieder Leidenaar weet, wat dit voor een academiestad
beteekent.
Aan den avond van dien dag maakte ik een kleine wandeling naar
Handschuhsheim, dat mij langzamerhand lief is geworden, niet alleen om
zijn schilderachtige ligging maar ook om zijn voortreffelijk kerkelijk
leven. Handschuhsheim is de Sionsburcht van Heidelberg.
Het was een prachtige stille avond. Het gewoel van Oud-Heidelberg lag
ver achter mij. Ik was de eenige wandelaar op de Landstrasse. Rechts
hief de bergketen haar ruige, bultige ruggen omhoog. Links strekte het
Neckardal zich uit. Rondom mij flonkerden de gloeilichtjes als sterren
op aarde. Een oogenblik later begon de klok van Handschuhsheim haar
volle, statige tonen door de bergen en over de vlakte te beieren. Het
zou den volgenden dag nationale boete- en bededag zijn. Deze werd nu
ingeluid.
Toen overviel mij een heimwee naar den ouden tijd, naar den tijd van
Frederik III, van Ursinus en Olevianus, naar den tijd, toen het
waarachtig Christendom in het publieke leven den boventoon voerde. Ik
had juist de woorden gelezen, die Minister Pleijte in onze Tweede Kamer
over de verhouding van den Javaan tot den Islam gesproken had. »Voor
den Javaan is de Islam niet alleen zijn Godsdienst, maar zijn alles!"
Ik dacht toen dadelijk: »Maar is onze verhouding tot het Christendom
een andere?" Neen, de liberalen hebben 't nooit begrepen. Maar met
meer recht dan de Islam voor den Javaan, is het Christendom voor ons
Christenen meer dan een Godsdienst, het is ons alles. Dat was 't voor
een Frederik III en zijn trouwe geestelijke lijfstaffieren. Dit was het
voor de helden, die toen in Nederland in den strijd om 't behoud van het
ware Christendom alles voor alles gaven. Welk een kostelijke tijd, toen
zulke mannen in het publieke leven den toon aangaven!
Helaas, 't werd spoedig anders. Het talent, het genie, de wetenschap,
de kunst werden de goden der eeuw, de cultuur en nog eens de cultuur
werd de Godsdienst van den tijd, uitwendige beschaving ging verre boven
wedergeboorte en bekeering. Pelagius werd wederom de leeraar der volken.
Luther, Calvijn, Augustinus, in naam geëerd, werden in de werkelijkheid
afgedankt. En thans is 't zoover gekomen, dat de ware religie in 't
leven als een onnutte dienstmaagd ter deure is uitgewezen.
Oogenschijnlijk is dit geen verlies. Sinds de mensch den hemel uit 't
oog verloor, begon hij zich immers meer aan de aarde te wijden. En met
welke resultaten? Met recht spreekt men van de wonderen der techniek.
Steden en dorpen breiden zich uit, en worden steeds fraaier.
Achterhoeken zijn er niet meer. Alles krijgt op de een of andere wijze
aansluiting aan 't wereldverkeer. Aan ieder wordt langzamerhand een
plaats ingeruimd aan den welgevulden disch der culturen.
Vooral in een stad als Heidelberg valt voor den mensch der wereld
zooveel te genieten. Concerten, schouwspelen, lezingen van
ongeloofsapostelen, 't is elken avond wat anders, en soms van alles
tegelijk.
Maar in dit schijnbaar schoone levensconcert klinkt één schrikkelijke
wanklank, en dit is de dood! Op de kermis der ijdelheid schrijdt één
boetprediker voort, dien niemand kan keeren: de dood! En ook hij kondigt
in statige, volle tonen zijn komst den menschen aan: in het klokgelui
der zware krankheid....
Ik keerde van mijn wandeling naar huis, en ging voor 't open venster
staan om naar de zilveren tonen der boeteklok te luisteren, en ik dacht,
hoe 't mij nu zou zijn, wanneer ik den Heiland niet kende als mijn
Eén en mijn Al. Nu ben ik in al mijn lijden overgelukkig. Hij heeft
reeds vroeger de boeteklok in mijn ziel doen klinken. Hij heeft Zijn
Middelaarsliefde aan mij geopenbaard, Hij heeft mij laten zien, waarom
ik moet lijden.
Waarom ik moet lijden? O, laat ik 't u zeggen met de dichterlijke
woorden van Carolina Rhiem, die ik afschrijf uit het traktaatje, waarvan
ik reeds een vorig maal melding maakte.
»Wat hebt Gij mij te zeggen,
Mijn Meester daar omhoog?"
Zoo wil ik weder vragen
Tot ik Uw heil versta.
Waarom hebt Gij gestuit
Opnieuw nu mijnen loop?
O, zeg mij toch het antwoord,
Ik wachte stil daarop.
Mijn kind, Ik moest u leiden
Hierheen in deez' woestijn,
Om met u te spreken
Op deze stille plaats.
In al 't verwarde drijven
Der onrust om u heen,
Daar kondet gij mijn stemme
Niet hooren, neen o neen!
Gij waart in gevaren,
Die gij niet hebt vermoed,
En hoordet niet mijn roepen,
Dat zacht u heeft gemaand.
Zoo moest Ik »halt" gebieden,
En nu door deze smart
Uit het gewoel u trekken
Heel na aan mijn hart.
Nu zie Mij eens in d'oogen
En ga niet weder weg.
Geloof nu Mijne liefde
En hoor naar Mijn Woord!
Buig u nu geduldig
Ook onder Mijne tucht,
Opdat Ik u kan reiken
Des Geestes zoete vrucht!
* * *
Nu heb ik U verstaan,
Mijn Meester en mijn Vriend,
En wil verheugd U danken
Dat Gij zoo trouw 't meendet.
Nu wil ik in de stilte
Bij U ter schole gaan
En U in Uwe schoonheid,
Mijn Koning, gadeslaan!
O ja, mijn beproeving is een ware woestijn voor mij. Maar de woestijn,
de plaats der eenzaamheid en des doods, is ook de plaats, waar de
hemel zich helder boven ons hoofd welft, waar we met den Heere en met
onszelven alléén zijn, waar 't oog naar boven en naar binnen geslagen
wordt. De woestijn is de tempel, waar de tollenaar zijn bede opzendt
tot zijn God, waar de Heere Zich in al Zijn lieflijkheid aan de ziel
openbaart, waar Hij de hope in de ziele verlevendigt op 't hemelsche
Kanaän, waar niemand zegt: »ik ben krank!" O, heerlijke woestijn, waar
de Heere alzoo de wolk- en vuurkolom zijner bijzondere tegenwoordigheid
uitbreidt over de ziel. Ik ben overgelukkig, en ook uit mijn hart klinkt
de lofzang tot dien Heere: »Gij hebt mij meer vreugde in mijn hart
gegeven dan ten tijde wanneer hunlieder koren en most vermenigvuldigd
zijn!"
Met groote blijdschap gingen we dan ook Zondagmorgen naar 't bedehuis.
Ditmaal gingen we weer naar de kapel van het Diaconessenhuis, waar de
bekende pastor Samuel Keller uit Freiburg zou preeken. Hij is hier
gekomen om evangelische voordrachten te houden. Zondagsavonds zou
hij spreken over »die Heimkehr Gottes," Maandag over »den omgang met
mijzelven," Dinsdag over »vrije liefde en werkelijk huwelijk," Woensdag
over »moderne oplossingen van het sexueele vraagstuk," Donderdag »over
den inzet der ziel," en Vrijdagavond »over de toekomst van het
Christendom." Daarbij houdt hij echter elken dag een bijbellezing, en
preekt Zondagmorgen in de kapel.
Tot mijn leedwezen kan ik de avondvoordrachten niet bijwonen. Ik ga nog
steeds gestadig en krachtig vooruit. Natuurlijk verschilt de ééne dag
zeer van den anderen. Maar tot roem van des Heeren wonderbare goedheid
mag ik U mededeelen, dat ik mij steeds krachtiger ga gevoelen. Toch mag
ik mij nog niet wagen aan drukke avondbijeenkomsten, waar drie à vier
duizend menschen samenkomen.
Daarom verheugde 't mij temeer, dat ik hem Zondagmorgen mocht hooren.
Welk een verschijning! Een man, als uit een rots gehouwen, met grijzen
haardos, waarvan blijkbaar nog niet één haar is uitgevallen, een blozend
gelaat, een stem van metaal.
Hij nam tot tekst Openb. 2: 2-5.
Er bestaat een boetedag-gevaar, zoo begon hij. Het gevaar, dat we
vandaag de massieve, grove volkszonden hekelen, onszelven als farizeërs
oprichten in onze banken, en van onze hoogte op dit gespuis neerzien. In
dat gevaar mogen wij ons niet begeven. Wij hebben gezondigd, en moeten
schuldenaren worden; daarom koos ik dezen tekst. Wij moeten ons door den
Heere laten berispen; maar mogen ons eerst door Hem laten prijzen. »Ik
weet uwe werken," zegt de Heere. De wereld neemt van onze Christelijke
werken op allerlei gebied geen notitie. Het is ons genoeg, dat de Heere
zegt: »Ik weet!"
Máár.... één groot ding heeft de Heere tegen ons, dat wij onze eerste
liefde hebben verlaten. De Heere gaf u een lentetijd; de lente ging;
maar de zomer kwam niet. In plaats van den berg van 't Christelijk leven
te bestijgen, hebt ge u neergezet op de mistbank uwer bekeering. Waarom
wilt gij ook van niets hooren dan van bekeering, en zegt dan voldaan:
»deze heb ik, en meer heb ik niet noodig!" Maar zóó zijt ge verachterd
in de genade!
Op die wijze ging hij voort. Ik kan U niet alles uitschrijven, daar mijn
brief anders te lang wordt. 't Was een krachtig woord, dat de harten en
gewetens aangreep.
Jammer, dat de Hollanders, die hier zijn, over 't gemeen 't Duitsch niet
machtig zijn, en de prediking niet kunnen volgen. Er zijn er hier nu wel
een vijftien. We vullen de halve wachtkamer.
Ik ben ook nog niet zoover, dat ik voor hen kan preeken. Over een uur
worden mij twee scherpe kiezen getrokken, die mij in 't spreken zeer
belemmeren. Misschien dat 't dan beter wordt. Ik moet thans eindigen, om
mij weer onder behandeling te stellen. Blijft ons gedenken voor den
Troon der Genade bij Hem, die wonderlijk is van raad en groot van daad.
Weest tezamen den Heere bevolen van
uw u liefhebbenden oud-leeraar,