Heidelberg, 21 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Zaterdag jl. werd ook hier onder begunstiging van het allermooiste weer
herdenking van den Volkerenslag bij Leipzig gevierd.
's Morgens hing er een dikke nevel; maar tegen tien uur trok de damp
voor de zonnestralen op. Heerlijk gezicht, de ontsluiering der bergen,
der villa's, blinkend in de zonnestralen van den Neckar, schitterend als
kristal! Het geheel was een openbaring van schoonheid, die ge een poos
met groote oogen aanziet, om haar als schilderstuk vast te nagelen in uw
geheugen, en later in sombere dagen als een heerlijk visioen in uw
geheugen terug te roepen.
Natuurlijk had de hoofdviering van 't groote feest te Leipzig zelve
plaats. Daar was de keizer met de bondsvorsten om 't groote »Denkmal" te
onthullen. Geen wonder, dat men vooral hier zooveel werk maakt van de
viering van dit feest. In de velden van Leipzig is de hoeksteen gelegd
van Duitschlands latere grootheid. Een eeuw lang is daarop voortgebouwd,
en 't resultaat is thans te zien. Het eens verdeelde en vernederde
Duitsche volk heeft thans de eerste stem in den raad der volken.
Wel zijn er donkere wolken. Duitschland is gevreesd, maar ook benijd en
gehaat, en 't volk leeft sterk onder den indruk van een komenden oorlog.
»Aber wenn der Krieg kommt", »maar wanneer de oorlog komt", is een
uitdrukking, die nogal eens gebezigd wordt. Ge spreekt met een moeder
over de toekomst van haar zoon. Hoog geeft zij op van haar gespannen
verwachting. Plotseling betrekt haar gelaat. »Aber wenn der Krieg
kommt," en met zorg staart haar blik op haar kind.
In Heidelberg werd 't groote feest zeer kalm gevierd, en wij hebben er
uit den aard der zaak nagenoeg niets van gezien.
Zondagmorgen zijn we ter kerk gegaan, niet in Heidelberg, maar in
Handschuhsheim, een dorp, dat ongeveer een kwartier van Heidelberg ligt,
en dat thans bij de stad is geannexeerd, maar nog geheel dorpsch is
ingericht. Het is een welvarende plaats van ongeveer 4000 inwoners, die
in den reformatietijd een rol van beteekenis speelde. De bevolking leeft
er van wijn- en ooftbouw. Jaarlijks worden er voor honderd duizend
gulden kersen verhandeld, en reeds in Mei komen kooplieden uit Hamburg
hier hunne opkoopen doen. Er is een zeer oude kerk, die vroeger,
gelijk men dat hier noemt, Simultankirche was, d.w.z. door Roomschen
en Protestanten tegelijk gebruikt werd, bijv. 's morgens door de
Protestanten en 's middags door de Roomschen, of omgekeerd. Thans is dit
oude kerkje aan de Roomschen gegeven, en de Evangelischen hebben een
nieuw kerkgebouw gekregen, een prachtwerk in gemoderniseerden Gothischen
stijl.
Daarheen trokken wij Zondagmorgen op, en bij 't binnentreden kwamen we
al dadelijk in de rechte stemming. Welk een prachtkerk! Welk een schoone
ornamentiek! Vlak voor ons zagen we dadelijk 't koor, hemelsblauw met
groote gouden starren. Links en rechts prachtige friesen in kleuren als
van koperdruk.
De kerk was geheel gevuld. Geen gepraat. Geen gefluister zelfs. Alles
was muisstil. Op onze teenen liepen we zoo ver mogelijk naar voren om
een goede plaats te krijgen; en daar zaten we spoedig heel gezellig
midden onder de wijnboeren en boerinnen, allen eenvoudige, maar
welgestelde en zeer intelligente menschen.
Met een prachtig voorspel begon de dienst, en nu zong de gemeente de
Ambrosiaansche berijming van den 75en Psalm, 't »Wij loven U, o God!"
Een oogenblik wist ik niet, waar ik was. Geweldig en toch harmonisch,
machtig en doordringend klonk de zang, waarin de helden-baryton en de
vrouwen-sopraan elkander steunden. En de gedachte vloog mij door de
ziel: »Neen, een volk, dat zóó zingt, kan niet ondergaan".
Middelerwijl had de Pastor zijn plaats ingenomen op 't podium vóór den
preekstoel. De gansche gemeente, die staande gezongen had, bleef staan.
Plechtig las hij haar voor Ps. 118: 14-29. Wanneer ge deze woorden
naleest, zult ge begrijpen, hoe deze voorlezing mij tot in 't diepst der
ziel aangreep.
Na 't gebed beklom hij den kansel, en sprak uit 't lied van Mozes,
Exodus 15: 1-6. De grondgedachte van zijn prediking was: de oorlog is
een groote verwoester, de oorlog is ook een groote opvoeder. Hij is
een groote verwoester. Tot duren prijs heeft Duitschland zijn vrijheid
heroverd. Honderd zestig duizend lijken dekten aan den laatsten avond
van den veldslag den bodem. Maar hij is ook een groote opvoeder. Vóór
de Napoleontische verdrukking rekende men in Duitschland niet meer
met God. In den oorlog, vooral bij dezen veldslag werd het anders.
Vijfhonderd duizend mannen vielen elkander hier aan. Wie zal de
overwinning wegdragen? De evenaar schommelt in 't huisje. Aan het
einde van den slag moet de overwinnaar zeggen: »God heeft mij de zege
gegeven." Moet de overwonnene erkennen: »God heeft over mij gericht
geoefend!"
Rijk is de zegen, dien ik wederom van deze prediking voor mijne ziel heb
weggedragen. Ik ben thans drie weken in behandeling, en 't einde van de
eerste kuur is gekomen. Een geweldige vijand, de doodsvijand huist in
mijn lichaam. Reeds triomfeert hij. Maar nu wordt hij elken dag opnieuw
aangevallen door nieuwe middelen, die de Almachtige heeft gegeven. Wie
zal de overwinning behalen? De overmachtige vijand? Of zijn krachtige
bestrijder? Dit hangt alleen af van 't welbehagen van den Heere Zebaôth.
Als Mozes in den slag tegen Amelek, hef ik dan ook tot Hem gedurig de
hand biddend op. En 't is mij tot zulk een rijken troost te mogen weten,
dat gij en zoowelen als Aäron en Hur mij steunt in dezen geweldigen
strijd.
Wat 't resultaat van de behandeling is, kan ik uit den aard der zaak nu
nog niet mededeelen. Ik sta nog midden in den strijd. Morgen 22 October
hoop ik weer naar Amersfoort te gaan. 20 November moet ik dan terugkomen
naar Heidelberg en er tot 8 December blijven. Eerst dan kan een
voorloopig resultaat worden opgemaakt. Gaarne zou ik u gedurende de vier
weken, dat ik 't vaderland verlaten heb eens opzoeken, om zoovelen als
mogelijk is nog de hand te drukken. Maar mijn lichaam moet volstrekte
rust hebben. De behandeling, die ik onderging, moet na- en doorwerken,
en ik moet mij sterken voor de tweede kuur, die nog krachtiger aanpakt.
Het is en blijft dus biddende wachttijd!
Maar daarom dan ook zoo heerlijke wachttijd!
Meer dan ooit leer ik thans de heerlijke deugden Gods kennen. Zijn
Almacht, die beide de krankheden en de geneesmiddelen schept. Zijn
wijsheid, die den mensch doet zoeken naar de middelen; maar dan ook op
dit gebied bevestigt: »Die zoekt, zal vinden!" O, wanneer ge hier in
deze laboratoria rondkijkt, staat ge verslagen over de wonderen der
schepping. Voorts de Goddelijke heiligheid, die de krankheden gebruikt
om te kastijden en te louteren. Maar ook Zijn rechtvaardigheid. De
Schrift spreekt van een »kauwen der tonge."
Die vreeselijke uitdrukking, ik heb haar eenigemate leeren verstaan,
en 't is mij een diepe behoefte geworden: »Och mocht ik mij toch maar
recht diep verootmoedigen over mijne zonden, waardoor ik mij niet alleen
alle tijdelijke, maar ook alle eeuwige straffen heb waardig gemaakt!"
Maar ook zijne rijke, zijne heerlijke genade, die om de kruis- en
zoenverdiensten van Jezus volkomen vergeeft. En ook die liefelijke
Goddelijke barmhartigheid, waardoor Hij met ontferming bewogen is over
mijne ellende. O, wat heeft ook die Goddelijke barmhartigheid mij
vertroost! Toen ik een kind was, vleide ik wel 't hoofd tegen de
borst mijner moeder, als ik wat van haar begeerde, en o met wat goede
moederoogen zag ze mij dan aan! Maar wat is de moederliefde nog bij
de ontfermingen Gods? O, wat is 't heerlijk, zich in die Goddelijke
barmhartigheid en goedertierenheid in te wikkelen en te schreien: »Och
Heere, erbarm U over mijne ellende."
't Is zoo volkomen waar, wat een Duitsch versje zegt:
Wer glaubt, der ist grosz und reich,
Er hat Gott und Himmelreich!
Wer glaubt, der ist klein und arm,
Und schreit nur: »Gott erbarm!"
Dit is:
Wie gelooft, die is groot en rijk,
Hij heeft God en hemelrijk!
Wie gelooft, die is klein en arm,
Hij roept slechts: »Dat de Heere Zich erbarm!"
»Heere, erbarm U!" Geliefde gemeente, laat dat onze, ook uwe bede
blijven! Laat 't uw bede blijven voor uwen leeraar, die mede zoo zwaar
door des Heeren Hand is bezocht. Laat 't óók uwe bede blijven voor
uw u liefhebbenden oud-leeraar,