Amersfoort, 30 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Na een goede kuur en een voorspoedige reis ben ik verleden week Woensdag
met mijn vrouw te Amersfoort aangekomen. We vonden thuis alles wel, en
ons hart vloeit thans over van dankbaarheid aan den Heere, Die ons in
moeilijke dagen zóó nabij is geweest; van dankbaarheid aan allen, die
met ons hebben medegeleefd, ons hebben verkwikt met hunne brieven, ons
hebben gedacht in hunne gebeden; van dankbaarheid ook aan degenen, die
mij in Heidelberg hebben behandeld. Welk een voortreffelijke geest
heerscht in dat Samariterhaus! De professoren en doctoren zijn er
vaders, zusters, moeders voor de patiënten armen en rijken, geringen
en voornamen worden er met dezelfde welwillendheid behandeld. De naam
»Samariterhaus" vertolkt volkomen wat dit huis is!
Onze terugreis was weer even mooi als de heenreis. De wijnstokken en 't
geboomte op de bergen hadden hun schoonste najaarskleed aangetrokken.
Welk een tinteling van kleuren, waarin het goudbruin de boventoon
voerde! Welke spelingen van het licht! Deze October-maand is wel
inzonderheid de maand der schilders.
Ook hier in Amersfoort is de natuur al weer even schoon. Alléén nu en
dan steekt de stormwind op, die de toppen der boomen geheel ontbladert,
en op de vleugelen van het windgeruisch en 't bladerengeritsel komt een
klaagzang: »Sic transit gloria mundi!" »Zoo gaat de heerlijkheid dezer
wereld voorbij!"
Treffende prediking, die daarin ligt, en die door wijlen Van Oosterzee
in zijn bekende dichtregelen eens zoo aandoenlijk werd vertolkt:
De dood heeft mij een brief geschreven,
Ik las hem op het dorrend blad,
Dat door den stormwind voortgedreven,
Op 't vensterglas heeft post gevat.
Het is nu ongeveer een jaar geleden, dat ik deze dichtregelen 't eerst
las. Het was op mijn studeerkamer te Leiden. De stormwind joeg de
bladeren van de kastanjeboomen in mijn tuin tegen de glazen, en tikkend
vloog 't eene blad na 't andere er tegen op, alsof ze alle mijn aandacht
kwamen vragen. De woonden van dit vers sloegen aan. Een gansch nieuwe
gedachte vatte de teugels op in mijn zieleleven. Hoe zoet de gedachte
van den dood mij ook was, toch had ik steeds zijn dag verre gesteld. Ik
had mij een levensprogram gesteld, dat zou ik eerst rustig afwerken en
dan zou de Heere mij komen oproepen. Nu leerde ik verstaan, dat de Heere
ook mij plotseling uit het midden van mijn werk zou kunnen oproepen,
gelijk Hij reeds zoo velen had gedaan. Ik dacht aan Kruijswijk, den
krachtigen werker, die in weinige dagen midden uit een arbeidzaam leven
en uit het midden van een talrijk gezin werd weggerukt; aan een Oranje,
den hoogbegaafden prediker, die na een langdurige ziekte mede werd
weggenomen. Toen mij geopenbaard werd, wat mij scheelde, dacht ik dan
ook niet anders, of ook tot mij kwam nu de Goddelijke sprake als tot
Hiskia: »Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven".
Hoeveel goeds mij ook van het Czerny'sche Instituut werd gezegd, ik kon
weinig denken, dat ik daar nog genezing zou vinden. Uit plichtsgevoel
ging ik er heen. Op de heenreis dacht ik in den trein telkens aan
Frederik III, Duitschlands keizer, die ongeveer op gelijken leeftijd
dezelfde kwaal kreeg. Slechts een klein gedeelte van 't rijk, waarover
hij den schepter voerde, zag ik. Doch hoe kort heeft hij slechts over 't
groote en krachtige rijk geregeerd. In 1888 stierf zijn vader, Keizer
Wilhelm I. Aller oogen waren gevestigd op den veelbelovenden nieuwen
keizer, wiens naam in 1870 in één adem met dien van een Von Moltke en
een Von Bismarck werd genoemd. Terstond openbaarde zich echter de kwaal.
Geregeerd heeft hij eigenlijk niet. Zijn regeering van twee maanden
was een tijd van zwaar lijden, en in korten tijd werd hij ten grave
gesleept. Indien bij één vorstelijk sterfbed, dan gold wel bij dit: »Sic
transit gloria mundi!" »Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!"
Voor 's keizers ziekte was toen geen middel bekend.
Maar zie, na dien tijd heeft de Heere in de wetenschap de ontdekking
der therapeutische Röntgenbehandeling gegeven, waardoor sommige
kankerziekten met vrucht worden bestreden. Zou de Heere ook mij daardoor
nog willen herstellen? Een oogenblik opende zich als in de verte een
deurtje, en blikte de hope mij even aan. In alle kerken in Nederland
werd gebeden, werd vurig gebeden. En zie, de God der wonderen en der
middelen heeft aanvankelijk rijken zegen geschonken. De nawerking en
doorwerking is thans boven verwachting goed. Mijn vrouw en ik kunnen
geen woorden vinden om den Heere voor dezen aanvankelijken wonderbaren
zegen te danken, waar de Heere aan kleinen schenkt, wat Hij vroeger aan
grooten heeft onthouden.
Natuurlijk weet ik zeer goed, dat ook nu nog allerlei complicaties
kunnen intreden, en dan is 't in weinig dagen of maanden afgeloopen.
Maar ook dan geen nood! Mijn leven is in des Heeren Hand en daarin
volkomen veilig. Zijn Vaderhand voert mij dan in de heerlijkheid,
waarvan geen »sic transit gloria", »zoo gaat de heerlijkheid voorbij",
kan worden gezegd.
Naar die heerlijkheid wijst mij ook wederom 't dorrend blad. Zie 't aan,
in zijn schoone goudbruine kleur!
Al 't vergankelijke is gelijkenis van 't onvergankelijke. Het zienlijke
is niet blijvend, 't onzienlijke blijft eeuwig; maar daarom is 't
zienlijke niet waardeloos. Integendeel, al 't zienlijke heeft de roeping
om naar boven, naar de onzienlijke dingen te wijzen. Vooral van de
heerlijke dingen dezer aarde, van 't licht, van de kleuren, van de
bloemen, van de edelgesteenten gaat een sprake uit, die ons toeroept:
»Sursum corda!" »De harten naar boven!" Daar is het eeuwige licht! Daar
zijn de wuivende palmen! De straten van goud! De perelen poorten! De
blinkende kleuren!
Nog eens, zie 't aan, 't afgevallen blad in zijn schoone goudbruine
kleur!
Het goud is de kleur der glorie, der heerlijkheid, der hemelen.
Het bruin is rood met zwart gemengd. Het rood, de kleur der liefde. Het
zwart, de kleur van den dood. Het bruin spreekt van een liefde tot den
dood.
Het goudbruin wijst naar boven, naar de heerlijkheid, naar de eeuwige
liefde. En ditzelfde blad, dat ons de vergankelijkheid predikt, wijst
ons in zijn vergaan nog naar boven, naar de onvergankelijke
heerlijkheid en liefde in de onzienlijke wereld.
O wat schoone symboliek is er toch in de schepping Gods!
Daarvan heeft de Heere ook gebruik gemaakt bij de instelling des
Heiligen Avondmaals.
Den eersten Zondag, dat wij hier waren, waren wij in de gelegenheid
daaraan deel te nemen, en niet gaarne laat ik dit voorbijgaan. Het
Heilig Avondmaal is mij altijd de liefste plek op aarde geweest. Dan zeg
ik altijd bij mij zelven: »Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus
liegt niet!" Hij heeft alles volbracht. Hij heeft al de Schriften
vervuld. Hij heeft de volkomen zaligheid verworven. En tot teeken en
zegel daarvan schenkt Hij mij nu dit brood, als teeken en zegel van Zijn
verbroken vleesch; den drinkbeker, als teeken en zegel van Zijn vergoten
bloed. O, welke onderpanden van heerlijke liefde, van liefde tot in den
dood, van eeuwige liefde aan gansch onwaardigen. Neen, Gods Woord liegt
niet! Neen, Jezus liegt niet. En meer dan door een engelverschijning of
hemelstem word ik dan door deze eenvoudige teekenen gesterkt in mijn
Christelijk geloof, dat mij zulk een rijken troost doet genieten.
O, waar zal ik beginnen, waar zal ik eindigen, om des Heeren lof groot
te maken? Ik zou den 116en psalm wel willen uitjubelen!
Geliefde gemeente, geve ons de Heere, dat we in een dankstond nog eens
Zijn Naam samen mogen grootmaken!