R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 14 October 1913.

_Geliefde gemeente!_

Voorzooveel mij dit mogelijk zal zijn, voldoe ik gaarne aan 't verzoek,

dat tot mij kwam, met 't zenden mijner brieven aan de Kerkbode door te

gaan.

Veel zou ik u nog kunnen schrijven over de merkwaardige stad, waar wij

thans vertoeven, en de heerlijke landstreek, waarvan zij het middelpunt

vormt. Ditmaal bepaal ik mij echter tot de Universiteit.

De stad telt ongeveer 50000 inwoners, aan de Universiteit zijn in den

regel ongeveer 2200 studenten ingeschreven; het spreekt van zelf, dat

bij zoodanige verhouding de Universiteit de zon dezer stad is, helaas,

door de aan de hoogescholen heerschende zeden, ook haar moeras.

De meest beroemde mannen zijn in den loop der eeuwen aan haar verbonden

geweest.

Van de velen noem ik slechts de meest bekenden, de Godgeleerden:

Reuchlin, Coccejus, Hitzig, Umbreit, Ullmann, Rothe, de juristen:

Pufendorff, Bluntschli, Windscheid, de wijsgeeren: Hegel, Fischer,

Zeller. Namen, die aan alle Nederlandsche studenten overbekend zijn.

Geen hoogeschool heeft ongetwijfeld zulk een veelbewogen geschiedenis

achter zich als deze. Zij heeft in sterke mate de toepassing ondervonden

van de heerschappij van 't territoriale stelsel, waarvan de grondregel

is: »Wie heer is van 't land, zet den Godsdienst naar zijn hand!" Was

de overheid Luthersch, dan was de universiteit 't ook; was zij

Gereformeerd, de hoogeschool evenzoo.

Na den dood van Calvijn, onder Frederik III, was Heidelberg om haar

Gereformeerde universiteit het Genève van Duitschland. Spoedig daarop

kwam de hoogeschool door verandering van vorstenhuizen in handen der

Jezuïeten. De prachtige universitaire bibliotheek, die de kostbaarste

handschriften bevatte, werd zelfs naar Rome gevoerd. Tegenwoordig is

de regeering protestantsch-evangelisch-liberaal met een gemoedelijk

godsdienstig tintje, de universiteit is 't in hoofdzaak ook.

Thans zijn in de theologische faculteit ruim 80, in de juridische

ruim 580, de medische ruim 550, de philosophische ruim 610 en de

natuurwetenschappelijke ruim 380 ingeschreven. Met de philosophische

staat dus de medische faculteit bovenaan.

De laatste telt hier tal van klinieken, die nagenoeg alle huis aan huis,

soms paleis aan paleis, naast elkander liggen. Vandaar elken morgen die

treurige optocht van allerlei lijders, armen en rijken, geringen en

voornamen, sommigen in landauers, anderen op krukken of tusschen

bloedverwanten of vrienden gesteund, in éénzelfde straat.

Toen wij ons de eerste maal als vreemdelingen, die hier hulp moesten

komen zoeken, onder deze ellendigen bevonden, was 't ons een oogenblik,

alsof wij door den grond zouden gaan. Spoedig stonden wij echter voor

het Instituut van Czerny. Daar lazen wij den naam: »Samariterhaus!" of

huis van Samaritanen. En ik kan u niet zeggen, welken troost wij beiden

uit dezen naam ontvingen. Alzoo dachten wij: Wat de professoren en

doctoren hier ook belijden, deze naam zegt ons, door welke gedachte zij

worden geleid, deze naam zegt ons, dat zij althans wetenschappelijk

en ambtelijk worden geinspireerd door den Geest van den medelijdenden

Hoogepriester, Die eenmaal de heerlijke gelijkenis van den barmhartigen

Samaritaan sprak. De Heere zond ons dezen naam als een lichtende ster op

ons zoo moeilijk en donker pad.

Meer echter nog dan door den schoonen naam van dit huis zijn wij

vertroost geworden door de heerlijke mededeeling, dat in zoovele

gezinnen en gemeenten onze nood in 't gebed wordt gedacht. Juist wanneer

de ziel veel van den Heere geniet, heeft zij in donkeren weg de diepste

behoefte aan de sympathie van 't volk van God. Al is men dan in den

vreemde, men voelt zich lid van 't groote gezin van Gods Huis, waarin 't

eene lid met 't andere medelijdt. Voorbede is wel de heerlijkste uiting

van dit medeleven. O, wat is 't ons groot, dat wij waardig geacht

worden, door 't volk van God voor den Troon der genade te worden

gedacht! En die gebeden zullen verhoord worden! Des Heeren Naam is

Ontfermer, is Hoorder der gebeden, en zooals Zijn Naam is, is Zijn

Wezen. Hetzij ik gespaard worde, hetzij ik worde weggenomen, de Heere

zal het wèl maken.

Heerlijke wetenschap!

Schijnbaar, voor 't oog der wereld, voor 't vleeschelijk gevoel is mijn

lot tragisch. Met de grootste idealen ging ik 't leven in; maar nu eens

door eigen zonde en schuld, dan weer door zware Goddelijke beproeving,

zonk mijn schip in den regel vlak voor de haven. Het was, alsof de Heere

ook aan mij bevestigde, wat Hij tot Baruch sprak: »Wat Ik gebouwd heb,

breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit!"

Toen ik de laatste maal op Achteveld was, waren de gebouwen der

stichting nagenoeg gereed, en was juist de vlag op mijn woning

geheschen, ten teeken dat ook deze onder de kap was. Maar ook nu scheen

't weer te zullen worden: »En Mozes zag het land van verre!"

Toch klaag ik allerminst, dan alleen over mijn zonde en schuld, maar

roem in het welbehagen Gods. Midden door mijne zonde en ellende loopt de

blinkende weg van Gods vrije en trouwhoudende genade. Juist door mijne

beproevingen bracht de Heere mij steeds nader tot Zich. Evenals bij de

Emmausgangers is de Heere met Zijn Genade en Geest bij mij tegenwoordig.

Ja in den zevenmaal heeter gestookten beproevingsoven doet de Heere Zijn

heerlijke aanwezigheid des te duidelijker merken. Daarom gloeit ook mijn

hart somwijlen van liefde voor het Vleeschgeworden Woord, dat Zijn

liefdewonderen tot onze verlossing wrocht, en mij het zegel van Zijn

Geest wilde schenken.

Nu geniet ik, wat ik reeds van mijn kindsheid af heb begeerd. Zoo ver

mijn heugenis reikt, heeft de vraag mij beziggehouden: »Wat is er toch

achter deze zienlijke wereld?" Opgegroeid in een moderne omgeving, kreeg

ik voor den honger mijner ziel slechts steenen voor brood, zoodat ik

reeds als kind soms der wanhoop nabij was. Maar de Heere waakte. Door

Zijn voorzienig bestel op een Christelijke kostschool gekomen, maakte ik

daar kennis met Bunyan, en kreeg ik het eerste licht voor mijn ziel.

Student geworden, ging ik dan ook zoo spoedig mogelijk naar de Vrije

Universiteit, hopende, dat daar de kathedraal van het Christelijk denken

mij zou worden ontsloten. En mijn verwachting werd wel overtroffen, maar

niet teleurgesteld.

Helaas, dat hart en geweten geen gelijken tred hielden met toenemend

Christelijk weten. Gelukkig, dat ik Romeinen VII leerde kennen. En de

Heere zette Zijn arbeid voort. Door des Heeren heiligende genade gaan

hart en geweten met Christelijk weten hand aan hand. En dit doet mij

soms met heimwee naar boven zien. »Want wij zien nu door een spiegel

in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot

aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook

ik gekend ben".

Niettemin begeer ik ook vurig hier des Heeren werk nog te mogen doen.

Immers: »En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste

van deze is de liefde". Ook op aarde zijn wij geen weezen. Het geloof

blijft, het geloof, dat zulk een vaste grond is der dingen, die men

hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. De hope blijft, de

liefelijke hope, die zich reeds van tevoren in de toekomende dingen

verblijdt. En de liefde blijft, de liefde, die de voorsmaak is van de

zaligheid en heerlijkheid des hemels.

Die liefde doet mij innig wenschen, nog eens, als uit de dooden

opgestaan, velen ten zegen te mogen zijn. Daarom, geliefde gemeente,

ga voort met uw bidden, pleiten, smeeken, waarvoor ik u zeer dank!

Verblijde de Heere ons nog door Zijne groote daden.

Op dit oogenblik is mijn toestand stationair, misschien in langzamen

vooruitgang. Voor 't eerst heb ik gisteren en vandaag andere dan

vloeibare spijzen kunnen gebruiken. Evenals de tuberculosebehandeling

schijnt echter ook deze zeer langzaam te gaan. Vele patiënten moeten

zelfs drie à vier maal terugkomen. Maar de uitkomsten zijn bij sommigen

dan ook verrassend. Verleden week zag ik een grijsaard, die juist van

den hoogleeraar terugkwam. Zijn hals was zóó gekerfd, alsof deze eenige

malen was afgesneden geweest. Zijn stem was nog heesch. Maar de wonden

waren geheel genezen. De hoogleeraar had hem juist voor geheel genezen

verklaard van zwaar kankerlijden. Met van vreugde stralende oogen kwam

hij aan de arm zijner dochter de wachtzaal binnen, met heesche stem

roepende: »genezen, genezen!" Natuurlijk feliciteerde ik hem zeer

hartelijk. Den volgenden dag ontmoette mijn vrouw hen op straat, terwijl

zij vol blijdschap naar den trein en huiswaarts togen. Zij hielden mijn

vrouw nog staande, spraken haar moed in en besloten: »Einen schönen

Grüsz für Ihren Mann!" Een hartelijken groet voor uw man! Dat wij

eenmaal deelgenooten ook voor deze vreugde mogen vinden! Verheerlijke

de Heere daartoe aan ons Zijne barmhartigheid! Moge Hij diezelfde

goedertierenheid ook bewijzen aan ds. Roorda! Verheuge de Heere ook u,

naar de mate Hij u nu beproeft!

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

Van strak gespannen snaren · 第 11 / 56 题