Heidelberg, 8 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Zijt ge ons ver van 't oog, maar nabij voor 't hart, wij vertrouwen, dat
dit bij u te onzen opzichte precies hetzelfde is, en dat nader bericht
van ons u niet onwelkom zal zijn.
Geven wij u eerst een korte beschrijving van de stad, waarin wij thans
vertoeven.
Heidelberg is een der oudste steden van Duitschland, schilderachtig aan
de beide oevers van den Neckar gelegen, in een halven cirkel door hooge,
groene, soms blauwende bergen omgeven, voor een groot deel tegen de
hellingen dier bergen gebouwd, en 't behoort alzoo tot de schoone
steden, waaraan Duitschland zoo rijk is.
Vroeger was 't de hoofdstad van de Paltz, was dit kleine land van eeuw
tot eeuw 't tooneel van oorlog en verwoesting. In den dertigjarigen
oorlog heeft Tilly de stad uitgemoord. Daarna gaf Lodewijk XIV op zijn
terugtocht uit Holland aan zijn wreeden veldheer Mérac bevel: »Verbrand
de Paltz!" Maar al te getrouw werd dit bevel uitgevoerd. Van geheel
Heidelberg bleef alléén één kerk en één huis over. Daarna weder
opgebouwd, werd 't ook in den revolutietijd weer geteisterd.
Thans is Heidelberg met de Paltz bij 't groothertogdom Baden gevoegd.
Vooral in de laatste vijftien jaren is de stad sterk vooruitgegaan.
Vooral tegenwoordig is Heidelberg zeer gezocht door schilders en
kunstenaars, dichters en denkers. En Von Scheffel, de dichter van
Heidelberg, slingerde haar den lauwerkrans om de slapen:
Oud Heidelberg, zoo fijn,
Gij stad, aan eere rijk,
Aan Neckar en aan Rijn,
Geen andere stad is u gelijk!
In deze stad is ook de beroemde universiteit, die vooral 's zomers door
de studenten zeer gezocht wordt. De bekende Kuno Fischer onderwees hier
wijsbegeerte. En de voornaamste van allen is ongetwijfeld Excellenz
Geheimrat, Prof. v. Czerny, de stichter van 't Samariterhaus of het huis
der Samaritanen. Deze man is de eenvoud zelf, een geneesheer bij de
gratie Gods, een man, zooals ik mij Boerhaave zou denken. Een groot deel
van zijn aanzienlijk vermogen heeft hij gegeven voor zijn stichting. En
in deze stichting is nu ook gevestigd het instituut voor kankerlijders,
waaraan tal van groote geleerden zijn verbonden.
Zooals ik u reeds schreef, komen van alle oorden der wereld de
ellendigen hier. Acht dagen achter elkander ben ik nu behandeld
geworden, en elken dag ziet men weer nieuwe gezichten. Gedurende deze
acht dagen ben ik behalve Zondag elken dag ingespoten met enzytol en om
den anderen dag gedurende twintig minuten belicht met Röntgen-stralen.
De inspuiting dient voor de vernieuwing van 't bloed, de bestraling voor
de dooding der ziektekiemen.
De aanvankelijke resultaten zijn, den Heere zij dank, reeds merkbaar.
Van tevoren waren mijn tong en kaak stijf en was er vaak een
dichtzuiging in den mond, alsof zij mij dreigde den adem af te snijden.
Met zorg ging ik 's morgens den dag, met nog grooter zorg 's avonds den
nacht tegemoet, al verzweeg ik mijn vrees zorgvuldig om geen noodelooze
onrust te wekken. Thans is dit reeds anders geworden. Er komt meer
beweging in tong en kaak, en ik gevoel mij gemakkelijker. Natuurlijk is
onze vreugde over dezen aanvankelijken zegen een verheuging met beving,
al dankt al wat in ons is den Heere voor deze overrijke, onverdiende
gunst. Mijne ziekte was tot dusver echter zoo rijk aan kleine
verrassingen en groote teleurstellingen, dat wij ons in onze blijdschap
matigen.
De kuur, die ik thans onderga, duurt drie of vier weken. Mij is
thans evenwel reeds bericht, dat ik van vijf tot acht December een
duurzame bestraling met radium zal ondergaan. Ik word dan dag en nacht
afgezonderd en altijd door bestraald. Dit zal dus de hoofdkuur zijn. Een
heele onderneming. Maar: »huid om huid, al wat een mensch heeft, zal hij
geven voor zijn leven!" Dit doe ik dan ook gaarne, in de stille hope op
den rijken zegen Gods. O, mocht de Heere mij nog eens oprichten! Mocht
ik dan blijvende en dubbele genade van Hem ontvangen! Hoe zou ik dan als
uit de dooden opgestaan. Zijn lof weder Zijn volk vertellen! Het is mij,
alsof ik Hiskia voor mij zie, en alsof ik hem dan na zal zeggen: »De
levende de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal
den kinderen Uwe waarheid bekendmaken!" Als een werkelijke vader hoop
ik dan in 't midden van mijn kinderen te Achteveld te staan, om hen te
wijzen op Hem, Die in Jezus onze Vader is, en Die vaderlijk kastijdt,
maar ook zoo vaderlijk zorgt.
Zondag hebben we samen gekerkt in de kapel van 't Diaconessenhuis
alhier. We hoorden er een heerlijke preek van ds. Kammerer over Hebr.
10: 19-25. Hij sprak over den geopenden hemel, en waartoe deze roept.
Zijn woord was eenvoudig, vertroostend en zeer getrouw. Bij 't laatste
vers merkte hij op: hierbij zijn wij tegenwoordig in grooten nood. Hoe
kunnen wij zeggen: »houdt u aan de Kerk", wanneer de Kerk de leugen
brengt, 't anti-christendom predikt. Wie kan dit met een goed geweten
doen? Heel de dienst was zeer stichtelijk. Wanneer er gezongen werd,
of Gods Woord gelezen werd, ging heel de gemeente eerbiedig staan.
Ook de voorlezing van den tekst wordt door mannen en vrouwen staande
aangehoord. Heerlijk vond ik ook het gezang. De geestelijke liederen
werden vleugelen, waarop mijn ziel opsteeg tot den Heere. Vooral in 't
slotvers ging ik geheel en al op:
»Herr unser Gott, dich loben wir,
Herr unser Gott, wir danken dir
Die Feier dieser Stunde.
O dir sei unsre Lebenszeit,
Die uns noch übrig is, geweiht
In einem ew'gen Bunde.
Hilf uns kampfen,
Bis zum Sterben,
Dasz als Erben
Zu den Höhen,
Einst wir siegend aufwärts gehen!"
Dat wil zeggen:
Heere onze God, U loven wij,
Heere onze God, wij danken U
De viering van dit uur.
O, U zij onze levenstijd,
Die ons nog rest, gewijd
Tot eeuwigblijvenden bond!
Help ons worst'len,
Tot aan 't sterven,
Opdat we als erven
Tot de hoogten
Overwinnend opwaarts stijgen!
Door alles tezamen waren wij zóó gesterkt, dat wij Maandag den moed
namen, iets van de schoone stad te gaan zien. Wij werden begeleid door
een jeugdige, Christelijke weduwe, die zelve reeds veel ervaren heeft,
met wie wij hier kennis maakten, en die zich aanbood, ons, zoolang wij
hier zouden zijn, als gids te dienen. Onder haar geleide gingen wij naar
't oude Heidelberger slot, waar ook eens Frederik III, de vrome, woonde,
en waarvan de muren en torens nog staan. Welk een schoonheid boven op
één der bergen! Welk een schoonheid, dat oude reuzen-kunstwerk, overal
met goudbruin klimop begroeid, en dan die heerlijke hangende tuinen! Het
was ons, alsof we een oogenblik in een tooverland waren. Vooral toen we
gebracht werden op een plek, van waar we 't gezicht hadden op de stad,
op den Neckar, op de bergen rondom, op de vlakte in de verte. We zagen
alles in de heerlijke herfstbelichting. Subtiele schoonheid! Ik herinner
mij niet ooit zoo iets fraais te hebben aanschouwd. Ik kan 't niet beter
weergeven dan in de woorden van den Heidelberger dichter Von Scheffel:
»Der Himmel hat die Erde geküsset!"
De hemel heeft de aarde gekust!
En hier woonde nu eenmaal Frederik III, de man, die den Catechismus
deed opstellen. In deze tuinen wandelde hij met Olevianus en Ursinus,
en spraken zij tezamen over den eenigen troost in leven en in sterven.
Onwillekeurig denkt men hierbij aan den man, die ook zulk een heerlijk
goed bewoonde. Zijn predikant zeide tot hem: »Mijnheer, dit zijn
de dingen, die ons aan de aarde binden!" »Neen, dominee", was zijn
antwoord, »ditmaal hebt ge 't mis, dit zijn de dingen, die ons naar den
hemel doen verlangen!"
Moge dit ook met ons zóó zijn en blijven, geliefde gemeente!
Laat 't beste dezer aarde ons steeds meer doen verlangen naar 't
Allerbeste! »Zalig zijn zij, die het heimwee hebben; zij komen eenmaal
thuis!" Velen ook uit uw midden zijn ons daarheen reeds voorgegaan.
Vroeg of laat zullen ook wij moeten volgen. Moge 't zijn in dit eeuwig
en zalig Tehuis, waar alle tranen worden afgewischt!
Met vriendelijke groeten van ons beiden,
Uw u liefhebbende oud-leeraar,