Heidelberg, 1 October 1913.
_Geliefde gemeente!_
Uwe liefde en belangstelling kennend, weet ik, dat ik u een genoegen
doe, wanneer ik u door middel van de Kerkbode schrijf, hoe ik thans
vaar.
Laat ik beginnen, u mede te deelen, dat mij thans de volle waarheid
omtrent mijne krankheid is gezegd. Men heeft deze te goeder trouw voor
mij verzwegen. Men vreesde, dat ik mogelijk plotseling door verstikking
kon sterven, wanneer men mij de naakte werkelijkheid openbaarde. IJdele
vrees! Te midden van al mijne zonden en ellenden is 't steeds door
des Heeren dierbare genade de diepste behoefte mijns harten geweest,
in leven en sterven Hem te verheerlijken. Rustig als een kind op den
moederschoot heb ik de tijding aangehoord. Geen oogenblik ben ik sinds
dien geschokt. O, wat is 't toch zalig en heerlijk, te mogen weten, in
leven en sterven het eigendom des Heeren te zijn!
Door den hooggeschatten professor Korteweg, die voor mij doet wat maar
in zijn vermogen is en dien ik daarvoor niet genoeg kan danken, was
mij in overleg met mijn huisdokter uit Amersfoort aangeraden, naar
Heidelberg te gaan, en in het Czerny's Institut für Krebskranken, d. i.
de instelling voor kankerlijders van prof. Czerny, genezing te zoeken.
Zaterdagavond 27 September kwam daarop een vriend bij mij, die mij een
som gelds overhandigde, mij dwong deze aan te nemen, en die mij daardoor
in staat stelde althans voor acht dagen met mijn vrouw naar Heidelberg
te gaan. Ik kon niet anders doen dan dit geschenk aanvaarden, en deed 't
dankbaar.
Zóó zijn wij dan Maandagmorgen 29 September 's morgens half tien uit
Amersfoort vertrokken. Ds. Teerink en mijn vriend en mede-directeur, de
heer Wilbrink, deden mijn vrouw en mij uitgeleide.
Ternauwernood had de trein zich in beweging gesteld, of wij sloten
beiden onze oogen, en begaven ons in stil gebed tot den Heere. Met
stille berusting in Zijnen wil, zonder ijdele hope op een broos leven,
maar doende, wat ik tegenover mijn vrouw, de kinderen en de stichtingen,
waaraan ik hoopte te arbeiden, verplicht ben, ging ik op reis, in 't
stil vertrouwen, dat de God der wonderen en der middelen ook dit middel
nog zegenen kan. Hij doet een afgesnedene zaak op aarde. Niets is Hem te
wonderlijk. Als David te Ziklag sterkte ik mij alzoo in den Heere mijnen
God.
Ongemerkt waren wij spoedig aan de grenzen gekomen, en gingen na 't
douanenonderzoek verder.
O, wat was alles heerlijk rondom ons! Van Keulen tot Mainz spoorden we
langs den Rijn, door een der schoonste deelen van Duitschland. In de
strakke lucht teekende zich ieder blad, iedere lijn, iedere kromming
scherp af. Tegelijk hing over de bergen een zeer dunne nevel. Het was
een feesture der schepping. Het was alsof de natuur al haar weelde over
't aardrijk had uitgegoten. Zij was als een schoone bruid, die met
doorzichtig sluiergaas haar schoonheid nog meer ontdekt dan bedekt.
Aan alle stations was 't vol van uitgaande menschen. En te midden van
dezen bevonden ook wij ons; ik, die 't vonnis des doods in mijn vleesch
droeg, mijn vrouw, wier schoonste uitzichten nagenoeg vernietigd waren.
Toch was ik die gelukkigste van allen. Ik stelde mij voor, wat 't moest
zijn, in mijn geval zonder geloof zulk een reis te moeten maken. En nu
was 't met mij zoo geheel anders. De Heere geeft mij een levend en
krachtig geloof. De schoonheid der schepping deed mij telkens opzien
naar de schoonheid van den hemel, die mij wacht. Van Frankfurt naar
Heidelberg spoorden wij door een heerlijk oord. Ik stond achter in den
trein, en had 't schoonste uitzicht. En nu was 't mij, alsof mijn lieve
God tot mij sprak: »Kind, ook dit is alles voor u en van u!" Wonderbaar,
wonderbaar sterkt mij de Heere. Zwaar is mijne beproeving; maar als de
kinderen Israëls ga ik door 't geloof droogvoets door deze zee. Links en
rechts staan de wateren; maar zij raken ons niet aan.
Half tien 's avonds kwamen wij in Heidelberg aan, en wij waren beiden, o
wonder, nagenoeg nog even frisch als toen wij 's morgens afreden.
Dinsdagmorgen 30 September ben ik dadelijk naar 't Instituut gegaan.
Vreeselijke aanblik! Rondom mij niet anders dan kankerlijders, de een
meer, de ander minder geteekend. Menschen van allerlei taal en tong. En
onder dezen ook wij samen, mijn vrouw en ik; want mijn vrouw vergezelt
mij overal.
Heden, Woensdagmorgen ben ik al dadelijk in behandeling genomen. Moge de
Heere er Zijn onmisbaren zegen op gebieden, en ons nog verblijden door
Zijne groote daden! Wij gaan voort ons te sterken in Hem. Geliefde
gemeente, steun ons met uw gebed in dezen nood en strijd! De Heere zij
met u allen, inzonderheid met de bedroefden en zwaarbeproefden! Richte
Hij ook Ds. Roorda spoedig op, en geve Hij na lijden heerlijk verblijden
in Zijn grooten Naam!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,