Waarder (Z.-H.), Mei 1914.
Amersfoort, 23 September 1913.
_Aan de Gereformeerde Kerk te Leiden._
_Geliefde gemeente!_
Door dezen kom ik als oud-collega aan de redactie in de Kerkbode een
plaatsje, dat mij zeker niet zal worden geweigerd, verzoeken, om u
hartelijk dank te zeggen voor de vele bewijzen van belangstelling, op
mijn verjaardag uit uw midden ontvangen, en tegelijk u de inlichtingen
te geven, die door zoovelen gewenscht worden, over mijn lichamelijke en
geestelijke gesteldheid.
Evenalsof ik nog in uw midden in- en uitging, hebben velen mij verrast
met de hartelijkste blijken hunner blijvende, ik zou haast zeggen,
hunner toenemende genegenheid, met hunne vriendelijke troostwoorden
mijne ziel verkwikt. Zwaar is mijn tegenwoordige beproeving, maar te
midden mijner smart kan ik wel weenen van blijdschap en dankbaarheid
voor de groote genade, die de Heere ons schenkt in zoo heerlijke
oefening van de gemeenschap der heiligen. Gaarne antwoordde ik ieder in
't bijzonder. Dit is mij echter onmogelijk. Laat ik dus door dezen aan
allen, die mij zoo innig verblijdden, daarvoor mijn diepgevoelden dank
mogen betuigen.
Wat mijn lichamelijken toestand betreft, deze is ook thans nog niet
zonder bezwaar. Toch heb ik goede hope, dat ik onder des Heeren zegen
op de middelen geheel zal mogen herstellen.
En indien het anders mocht wezen, des Heeren wil, die toch alleen wijs,
goed en heilig is, geschiede.
Toen ik kort geleden dacht, dat mijn leven spoedig zou worden
afgesneden, was de gedachte van sterven mij o zoo zoet. Mijn leven is
met Christus verborgen in God. Door Jezus' dierbaar bloed gewasschen, de
zaligheid te mogen ingaan, naar huis te gaan, waarheen mijn hart dorst
als 't hert naar de stroomen, van alle zonden en ellenden voor eeuwig
ontslagen te zijn, den Heere te zien, in Zijne heerlijkheid te mogen
deelen, alzóó ontbonden te zijn en met Christus te wezen, het is en
blijft mij verreweg het beste.
Doch op aarde kan nog een werk gedaan worden, dat in den hemel niet
kan worden verricht. In den hemel zijn geen ellendigen, die nog
moeten worden terechtgebracht. Alleen op aarde kan, ook aan de
diepst gezonkenen, 't dierbaar Evangelie des kruises worden gebracht.
Ik heb mij voorgesteld dit werk thans te beginnen onder voogdij-
en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en
drankzuchtigen. Het is altijd één der idealen van mijn leven geweest,
zulk werk te mogen doen. En 't was mij zeker een pijnlijke gedachte,
toen ik mij een oogenblik voorstelde, dat ik in 't midden mijner jaren
en terwijl ik dit werk stond aan te vangen, door den dood uit het leven
zou worden weggerukt. Daarom begeer ik zeer, dat de Heere nog dagen tot
mijne levensdagen wil voegen. En ik verzoek dringend, dat allen blijven
bidden en smeeken, dat de Heere mij nog ettelijke jaren wil sparen.
Maar ik verzoek er uitdrukkelijk bij, dat aan de bede steeds worde
toegevoegd: »Heere, Uw wil geschiede!" Wat de Heere doet, is wèl gedaan,
hoe 't ook ga. Zeker, donker, diep en ondoorgrondelijk zijn menigmalen
de wegen Gods. Maar wat wij nu niet verstaan, zullen wij nadezen
verstaan. Hoe moeielijk was 't gansche leven van Jeremia? Werd een
Johannes de Dooper niet in het midden zijner jaren weggenomen? Moest een
Paulus niet betuigen: »Ik sterf alle dagen!" Voor 't vleesch is dit
alles onbegrijpelijk; maar bij het licht des Heiligen Geestes wordt
Gods grootheid juist in deze diepe leidingen 't best gezien. Daarom,
geliefden, vragen wij dan maar veel genade, dat onze wil verslonden moge
wezen in des Heeren wil!
En wanneer 't den Heere mag behagen, mij te herstellen, en mij, geheel
genezen, aan mijn grooten arbeid te geven, o hoe zal ik dan Zijn Naam
loven voor deze pijnlijke maar kostelijke inleiding tot mijn werk. Deze
zware beproeving heeft mij nader tot den Heere gebracht; alleen nabij
Hem is 't goed, is 't zalig en heerlijk; als Elia voor Zijn aangezicht
staande, staan wij met macht en gezag om des Heeren werk te doen.
En hiermede, geliefde gemeente, heb ik u een blik in mijn zieleleven
gegeven. Ik deed dit, omdat ik weet, hoe aangenaam het u is, te hooren
van de genade, die de Heere aan een beproefden mede-zondaar schenkt; en
omdat ik weet, dat ook dit schrijven aan velen beproefden in uw midden
tot vertroosting kan zijn. Stelle de Heere 't daartoe nog ten zegen, en
verblijde Hij ons door Zijne groote daden!
In Christus uw u liefhebbende oud-leeraar,