»Van strak gespannen snaren!" Zóó zou naar den wensch van mijnen
hooggeschatten, lieven, vaderlijken vriend, bij afzonderlijke uitgave,
de titel luiden van zijne brieven, toegezonden aan de »Geref. Kerkbode
van Leiden en omstreken" en bestemd voor de gemeente, die hij zooveel
jaren had gediend en waaraan hij zoo nauw was verbonden.
Naar den vorm literarisch schoon, naar den inhoud veelzeggend!
Deze titel doet ons denken aan een muziekinstrument, welks snaren worden
gewonden tot de hoogste spankracht voor de zuiverheid van den klank en
de fijnheid van toon. _Hij_ koos den titel en drukte ermee uit, wat
lijden hij heeft geleden en aan welk een beproeving hij was onderworpen.
En nu staat het aan _ons_, die, als ik, zoo menigwerf getuigen waren
van zijn lijden, dat onder Gods aanbiddelijk bestel zooveel maanden
achtereen werd uitgerekt; aan ons, die deze brieven lazen of nog zullen
lezen, te beoordeelen, wat soort van liederen op dit veelsnarig
instrument getokkeld werden. En--oordeel zelf--is het te veel gezegd,
als we beweren, dat het zijn zangen »per aspera ad astra", uit de diepte
naar omhoog. »Liederen van den Opgang", teeder aandoenlijk, warm
gemoedelijk; zangen waardoor ons de stille berusting des geloofs, de
onwankelbaarheid der hope en de innigheid der liefde van den waren
Christen tegen ruischen?
Ds. Rudolph was een gevoelsmensch, een man met een vrouwenhart. Het
moge ietwat vreemd klinken in de ooren van allen, die hem slechts in
zijn openbaar leven gekend hebben, hem, die in de gelederen van zijne
politieke tegenstanders vaak met den minder vleienden naam van »De Beul"
genoemd werd, hier te hooren karakteriseeren als een gevoelsmensch, een
man met een vrouwenhart. Doch wie hem meer van naderbij kende en wist,
hoe teeder achter het harnas van dezen strijder het harte klopte, beaamt
het volkomen en stemt het ons gereedelijk toe. Ds. Rudolph kon geen leed
van eenigszins ernstigen aard zien, of hij werd tot weenens toe bewogen.
En juist deze man met het priesterlijke hart en het lichtbewogen gemoed,
die,--had hij niet in het ambt van Dienaar des Woords gestaan,--een
geboren diaken zou zijn geweest, heeft zelf zoo moeten lijden. Hoe vaak
heeft hij in zijn gezonde dagen tegenover zijn huisgenooten de vurige
begeerte uitgesproken, dat de Heere hem voor kanker mocht behoeden. En
zie, wat hij zoozeer vreesde, is hem niet gespaard! Met forsche hand
heeft de kanker hem aangegrepen, den fieren man, die een toonbeeld was
van bloeienden welstand, den breedgeschouderde met zijn fraai gewelfd
voorhoofd, zijn schitterende oogen, die vonken spatten, als hij was
midden in het toernooi met zijn tegenstanders, den trouwen echtgenoot,
der pleegkinderen liefdevollen vader, den man van 't initiatief, immer
van idealen vol. En deze alom terecht gevreesde ziekte heeft hem niet
meer losgelaten. Of zij dit wel ooit doet? Geen pogingen zijn onbeproefd
gelaten, om aan dezen machtigen vijand der menschheid zijn kostbare
prooi te ontrukken. Bezweken voor den sterken aandrang van oprechte
vrienden, die zich voor de noodige geldmiddelen borg stelden, werd de
reis naar Heidelberg ondernomen, naar het wereldberoemde Instituut voor
kankerlijders van Prof. Czerny. Hoe vol hoop trok de patiënt met zijn
echtgenoote, die hem in al zijn lijden een ware hulpe was, daarhenen,
en hoe enthousiast keerde hij na een kuur van 4 weken weder! Wonderen
had hij zien gebeuren! Waarom zou dan ook met hem geen wonder kunnen
geschieden! De Heere is toch de God der wonderen! Wonderlijk is ook de
naam Zijns Heilands! En was hij niet tot nog grootsche taak geroepen?
Wachtten hem niet de Stichtingen voor Verwaarloosden en Drankzuchtigen
te Achteveld bij Barneveld met kennelijk ongeduld? Hoorde hij niet als
met duidelijk waarneembaren klank de weemoedige stem der ontouderde
kinderen: »Vader Rudolph, kom, kom spoedig. Wij hebben uwe leiding zoo
noodig, waar ons de ouderlijke ontbreekt"? Is het wonder, dat Ds.
Rudolph hoopte, ziende ook op de Almacht Zijns Gods, tot op het laatste
toe?
Voor de 4e maal kwam hij uit Heidelberg terug. De doctoren hadden hem
diets gemaakt, dat hij een katarrh in de keel had en de lucht daarvoor
in Holland beter dan in Heidelberg was. »Ga zoo spoedig mogelijk terug
naar Uw Heimat en als de katarrh over is, kom dan weder, zoo zullen we
de kuur voortzetten!" Zóó werd gesproken. De werkelijkheid was evenwel
geheel anders. Men had alle hoop op herstel moeten opgeven. Trots alle
middelen van wetenschap en kunst, woekerde het proces met door niets te
stuiten kracht voort. Men vreesde voor verbloeding en dan.... weldra het
einde.
Zóó was de naakte werkelijkheid. Wie zou het den lijder aanzeggen?
Aan ondergeteekende viel deze zware opdracht te vervullen. Hadden
deskundigen niet verklaard, dat er groot gevaar voor verstikking
bestond, zoo den patiënt deze vreeselijke tijding werd bekendgemaakt?
Biddend en bevend wordt de gang gemaakt naar het St. Elisabethsgesticht
te Amersfoort. »Heere, voorkom, wat gevreesd wordt, geef de woorden in
de opening mijns monds en den armen lijder kracht van Boven!" Ik schel
aan en treed binnen. Dáár lag hij, de kankerlijder, die reeds sedert
ettelijke maanden tot zwijgen gedoemd was. Allerhartelijkst was de
begroeting met dien vriendelijken glimlach, krullend om de lippen en die
zachte trekken op het gelaat, waarop de stille smart reeds diep haar
sporen afgedrukt had. De vraag werd gedaan, of de hope op beterschap
niet begon te verflauwen, daar er van vooruitgang toch zoo weinig viel
te bespeuren. »Ik heb idee, dat herstel nog zeer goed mogelijk is. Dit
zegt de dokter. Dat mag ik dus aannemen. Maar is 't, dat je 't anders
weet, zeg 't dan. Ik ben bereid om heen te gaan!" Met woorden, dooraderd
van diep medegevoel, wordt nu niets verholen, maar alles gezegd! De
zieke vouwt de handen. Hij is in het gebed. Twee groote tranen worden
aan de gesloten oogen ontperst. 't Is een plechtige, ernstvolle stilte
in dit zieken- en bidvertrek. Onwillekeurig dacht ik aan het woord
der Schrift: »En David sterkte zich in den Heere zijnen God!" Na een
wijle gaan de oogen weer open, de handen laten zich los, de tranen
worden afgewischt, de pen wordt weer opgenomen en met vaste hand
neergeschreven: »Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten,
die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen!" Hier was een strijd
gestreden, hier was een overwinning bevochten!
Daarna ging ik heen, verruimd van gemoed, in het bewustzijn een zwaar,
doch ook een goed werk te hebben verricht.
Menigwerf toefde ik in de krankenkamer en moest getuigen: »Waarlijk, in
dit klaaghuls is het beter dan in het huis der maaltijden." 27 April
kwam ik weder bij hem en vroeg, of hij nog even sterk stond in zijn
geloof en Satan niet trachtte te ontnemen, wat hij meende te bezitten,
waarop hij aanstonds neerschreef: »Ik geniet zoeten vrede, die alle
verstand te boven gaat. Dit staat vast, dat iemand niet vandaag een
Petrus en morgen een Judas is. Dit staat vast, dat God geen God van Ja
en Neen is. Maar Jehova, de Ik zal zijn, Die ik zijn zal."
Nimmer sprak hij eigener beweging van zijn lijden en hoe strakker de
snaren zijner smarten gespannen werden, des te meer melodieus en des
te liefelijker waren de zangen van aanbiddend geloof en roemende
genade voor familie of vrienden, door de schrijfstift aan het papier
toevertrouwd, of in de achtereenvolgende brieven aan zijn gemeente te
Leiden toegezonden.
Ieder, die eenigermate met 't openbare leven meeleeft, weet ook, hoe
Ds. Rudolph zich op politiek en sociaal terrein niet onverdienstelijk
heeft bewogen. Als 't er op aankwam, stond hij zijn man. De groote
stadsgehoorzaal te Leiden zou er van kunnen getuigen, hoe hij, als
verdediger der Christelijke beginselen, als kampvechter tegen het
materialistisch Socialisme, niet gering te schatten was. Hij liet
zich niet in een hoek zetten. Hoe kon hij dan in wetenschappelijke
welsprekendheid met heilige verontwaardiging toornen tegen
stofaanbidding en menschvergoding. Dan werd 't niet alleen gehoord, maar
gezien, dan werd 't gevoeld, dat hij leefde uit hoogere beginselen,
dan waarvan het hedendaagsche Socialisme uitgaat. En wat hij in 't
aangezicht van het Socialisme, vertegenwoordigd door zijn uitnemendste
voorstanders in ons land, beleden, bepleit en verdedigd heeft, ziet, dat
heeft hij met het vonnis van den dood in zijn vleesch, op zijn krankbed,
te midden van lijden en smart, in het aangezicht ook van den dood, aller
menschen vijand, op het luisterrijkst bezegeld.
Toen hem alles ontviel, in het midden zijner jaren, in den bloei zijner
manlijke kracht; toen het beeld zijner aardsche idealen tot het
onzichtbare toe verflauwde, toen, toen hield hij alles over: _het_
ideaal, de rotsvaste hoop op een zalig hiernamaals, de zekere wetenschap
van een blijde toekomst.
En op mijn zeggen in de laatste week zijns levens: »Wat zijn de wegen
des Heeren met U toch ondoorgrondelijk!", schreef hij met van groote
zwakte bevende hand neder: »En niettemin keur ik ze goed, ziende op het
heerlijk einde!"
Dat was Rudolph's geloof, rotsvast, steunend alleen op het volbrachte
werk van zijnen Heiland en Koning, Wien te belijden op alle terrein de
lust van zijn leven, het leven _van_ zijn leven was.
Zeg, Marxist, was hier de mensch Rudolph niet meer dan stof?
Zoo ging hij heen, in de volle zekerheid des geloofs, in de hope op een
eeuwig zalig leven.
Als een Christen had hij geleefd, als een Christen gestreden, als een
Christen ook geleden, het daarvoor houdende, dat het lijden dezes
tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die
hem zou geopenbaard worden.
* * * * *
Ds. Roelof Jan Willem Rudolph werd den 20en September 1862 uit
eenvoudige burgerouders te Elst in de Betuwe geboren, bezocht daar
de Openbare Lagere School en ging vervolgens naar het Gymnasium te
Doetinchem, waar zijn uitstekende aanleg al spoedig de opmerkzaamheid
zijner leeraren trok. Hier deed hij met goed gevolg eindexamen, ging
toen naar Utrecht en liet zich daar aan de Universiteit als student in
de Theol. Faculteit inschrijven. Doch hij gevoelde er zich niet thuis.
Wat anders zocht hij en vond dit aan de Vrije Universiteit te Amsterdam,
die pas was opgericht. Daar studeerde hij in de Rechten en in de
Godgeleerdheid. In de eerste Faculteit behaalde hij den graad van
candidaat, zette zijn studiën voort voor het doctoraal, maar kwam--en
dat wel om financiëele redenen--niet tot het afleggen van het examen.
In 1887 werd hij candidaat in de Theologie. Beroepen naar Heinenoord,
diende hij daar niet zonder zegen de Gereformeerde Kerk, toen nog de
Doleerende, van October 1888 tot December 1890. Hier verrees door zijn
onvermoeid streven een Christelijke school, waarvan hij den eersten
steen legde. In de Ned. Herv. Kerk stond toen ds. A. S. Talma, de latere
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in het Ministerie-Heemskerk,
met wien hij over de kerkelijke muren heen een vriendschappelijken
omgang onderhield. Reeds te Heinenoord kwam de lust tot weldoen, waarin
ds. Rudolph en zijn ega M. W. F. Frijlinck zoo zeldzaam harmoniëerden,
op lieflijke wijze tot uiting. Een jeugdige tuberculoselijderes uit een
arm arbeidersgezin werd weken achtereen, tot op haren dood, in de
gastvrije pastorie liefderijk en geheel belangeloos verpleegd.
Toen op het einde van '90 Leidens Doleerende Kerk hem riep, meende
hij voor deze roeping niet te mogen bedanken, hoewel het hem verre van
gemakkelijk viel na zoo korten tijd zijn eerste standplaats te verlaten.
De snoeren waren gevallen in lieflijke plaatsen.
Op den eersten Zondag van Dec. 1890 vertoond hij zich met een predikatie
over Gen. 1: 1 aan zijn nieuwe gemeente, die hij ruim 21 jaren heeft
mogen dienen. Leiden met zijn beroemde Universiteit, de kweekplaats van
onderscheidene wetenschappen; Leiden, de vermaarde Sleutelstad, had al
de liefde van zijn hart. Hoe sterk kwam dat altijd uit, als de kalender
3 October aangaf en Rudolph den kansel beklom om zijn hoorders te doen
inleven in die wel oude, maar nooit verouderde geschiedenis van de
belegering en het ontzet van Leiden, wat ieder geboren Leidenaar telken
jare opnieuw met versche belangstelling aanhoort. Dan was Rudolph Geus
met de Geuzen, dan deed hij in liefde ontvlammen voor Oranje, dan begon
het oog te schitteren en trilde de stem van vurige verontwaardiging over
de Spaansche tirannie en den duldeloozen gewetensdwang, dan jubelde hij
met dank aan den Heere voor de ongedachte verlossing. Dan was Rudolph
welsprekend.
Bekend, geliefd en geëerd was hij bovenal om zijn hulpvaardigheid.
Wie naar een betrekking stond; wie op de eene of andere wijze in
verlegenheid zat, vond aan de pastorie van Ds. R. altijd een geopende
deur, een belangstellend hart en een luisterend oor. Hij stond ieder te
woord en menigeen is door hem geholpen of voortgeholpen. Hij was een
vriend van armen en verdrukten. Menig treffend staaltje zou daarvan
kunnen worden bijgebracht. Op zekeren keer kwam hij ongezocht in de
schamele woning van een fabrieksarbeider met talrijk gezin op eene van
de achtergrachten in Leiden. Het noodige schoeisel ontbrak daar geheel.
Hij bedacht zich niet lang. Spoedig waren de schoenen gehaald, voor elk
der kinderen een paar. »Maar Dominee", was de vraag van de vrouw des
huizes, »weet Ge wel, dat ik Roomsch ben?" »Daar vraag ik immers niet
naar, ik zie dat Gij het noodig hebt", luidde het antwoord van den
vriendelijken weldoener.
Was de kinderzegen hem door den Heere onthouden, zonder kinderen
scheen zijn levenspad te eenzaam en koud. In Leiden nam hij, met volle
bewilliging zijner echtgenoote, die hierin volkomen gelijk met hem
dacht, twee kinderen, jongens, tot zich, die beide hunne moeder in de
allereerste dagen der jeugd moesten missen. De een heeft reeds den
leeftijd van 21 jaar bereikt, terwijl de ander 12 jaar oud is.
Als prediker muntte hij nu juist niet uit door schitterende kanselgaven,
al wil dit daarom allerminst zeggen, dat hij de gave der welsprekendheid
geheel miste. Tekstverband en -zin kwamen altijd uitmuntend tot hun
recht. Van een eenzijdig-voorwerpelijke prediking was hij een vijand.
Dikwerf gaf hij in een afzonderlijke toepassing leiding aan de
eenvoudige zielen.
Goed kenner van de oude talen, bewoog hij zich gemakkelijk en gaarne
op het veld van Schriftverklaring. Van zijne hand verscheen, in
samenwerking met Ds. Renkema, een populair en practisch werk over »De
Gelijkenissen onzes Heeren Jezus Christus". In 1900 kwam van hem uit:
»Abraham, de vader der Geloovigen, voorgesteld in 13 meditaties".
Behalve zijn »Kardiphonia"--stemmen uit 't hart--een drietal preeken,
waarmee hij van zijn Leidsche gemeente afscheid nam en onderscheidene
kleinere geschriften, zijn vooral bekend: »Het Hedendaagsch Socialisme"
en »Het Diaconaat" (in vereeniging met Prof. Biesterveld en Dr. J. van
Lonkhuizen).
Als journalist was hij niet zonder verdienste. Van meer dan één week- en
dagblad was hij achtereenvolgens redacteur of medewerker.
Het Christelijk onderwijs in al zijn vertakkingen had de liefde van zijn
hart. Als President der Geref. Schoolvereeniging gaf hij mede den stoot
tot de oprichting der Geref. M. U. L. O. School op de Hooglandsche
Kerkgracht te Leiden. Zijn ideaal om in de Sleutelstad te stichten een
hospitium voor Christelijke Indologen, heeft hij niet kunnen bereiken,
maar toch was de oprichting van het Indisch Comité, dat in het belang
van Indologen van Christelijke belijdenis werkzaam is, eene zaak van
niet geringe beteekenis.
Op de meerdere vergaderingen werden de adviezen van den Jurist-theoloog
op hoogen prijs gesteld. Meermalen telde de Generale Synode hem onder
hare gedeputeerden.
Eén van zijn vurigste wenschen heeft hij niet mogen vervuld zien om
n.l. als lid van de 2e Kamer zijn volk te vertegenwoordigen in 's lands
Raadzaal. De nederlaag in Ede in 1909, in niet geringe mate toegebracht
door de heftige bestrijding van velen, die met hem in het Geloof
stoelden op denzelfden wortel, bleef hem nog lang een schrijnende wonde.
Het liefst zweeg hij daarvan.
Door de Kinderwetten was de mogelijkheid geopend om ook van Christelijke
zijde meer dan tevoren te arbeiden in het belang van hen, die Ds.
R. gaarne kenschetste met den naam van »sociale schipbreukelingen".
Zoo rijpte bij hem het denkbeeld, dat tenslotte belichaamd is in
de Stichtingen te Achteveld, ééne voor ontouderde of verwaarloosde
kinderen, en ééne voor landloopers, drankzuchtigen, ontslagen gevangenen
en dergelijken. Hij werd benoemd tot Predikant-Directeur dier
Stichtingen. Dat was een événement in zijn leven. 2 October 1912 preekte
hij Afscheid in de kerk op de Hooigracht, »een biddend afscheid" (zie
»Kardiphonia III"), en bepaalde zijne gemeente bij Hand. 20 vs. 32-38,
»het slot van 't teeder afscheid van Paulus van de ouderlingen van
Efeze." Hierin vond hij »de wijze aangegeven, zooals hij 't liefst van
zijne gemeente wilde scheiden:
het oog naar boven,
de hand op 't hart,
de knieën gebogen,
met tranen in de oogen, die van onverbreekbare banden getuigen".
Hoe moeilijk het hem ook viel den herderstaf in zijn geliefde gemeente
neer te leggen en emeritaat aan te vragen, niet jeugdig vuur en groot
enthousiasme gaf hij zich aan de voorbereidende maatregelen voor den
nieuwen werkkring, in de vaste overtuiging, dat de Heere hem daartoe
riep. Maar: »de mensch wikt, God beschikt!" Zal de naam van ds. Rudolph
in de wordingshistorie dezer Stichtingen immer met eere en groote
erkentelijkheid genoemd worden, tot zijnen eigenlijken arbeid heeft hij
niet mogen ingaan. Als een Mozes van den ouden dag moest hij blijven
vóór den Jordaan van het zoozeer gewenschte land. En hierin te hebben
kunnen berusten, gelijk herhaaldelijk op zoo treffende wijze uit deze
brieven blijkt, wat was het anders dan de lieflijk geurende bloem van
zijn groot geloof in de absolute Souvereiniteit zijns Gods, die nooit
antwoordt van Zijn daden?
Zeker, ook Rudolph had zijn gebreken. Zelf zou hij de eerste zijn om dit
te erkennen. Financier is hij nooit geweest, wellicht zou hij het ook
nimmer geworden zijn. Hij gaf soms meer dan hij bezat. Doch waar is het
licht, dat geen schaduw heeft?
Zondag 10 Mei j.l. werd hij uit zijn lijden verlost en op den dag der
ruste ging hij, zacht en kalm, met den glans van zoeten vrede op het
vermagerd gelaat, de eeuwige ruste van het hemelsche Kanaän in.
Nù, ook Rudolph heeft geen leed meer van uitgestelde hoop en
teleurgestelde verwachting, en van al wat tot deze aarde en dit leven
behoorde, is hij verlost. Zijn werk volgt hem na en hij rust uit van
zijn arbeid niet in ledig-zijn, maar in hemelsch zalig doen.
Was zijn stoffelijk omhulsel op Woensdag 13 Mei van uit Amersfoort
per trein naar Leiden overgebracht en geplaatst in het midden vóór den
kansel van de Geref. Kerk op de Oude Vest, den dag daarop werd het onder
de grootste belangstelling op de Begraafplaats van de Groenesteeg aan de
schoot der aarde toevertrouwd. Vooraf werd in genoemde kerk, die tot in
alle hoeken gevuld was, een korte samenkomst gehouden. Ds. Kouwenhoven,
de oudste pastor loci, ging daarbij voor in het uitspreken van een rede
aan de hand van Psalm 90 vs. 3: »Gij doet den mensch wederkeeren tot
verbrijzeling en zegt: Keert weder, gij menschenkinderen!" Het was een
aandoenlijke plechtigheid. Menige traan werd weggepinkt!
Bij de geopende groeve werden goede woorden gehoord. Ds. Thomas sprak
namens den Raad van de Geref. Kerk van Leiden, ds. Impeta van Katwijk
namens de classis Leiden, ds. Teerink van Amersfoort gewaagde van zijne
bezoeken aan den kranke; ds. Van der Munnik uit Leeuwarden, voerde het
woord namens Deputaten van de Generale Synode voor de Zending onder de
Heidenen en Mohammedanen; de heer Boddaeus, notaris te Schiedam, sprak
als Voorzitter van het Bestuur der Kinderstichting; de heer Mekking
van Gorinchem, namens het Bestuur van de Jan-Pieter-Adolfvereeniging;
ds. Breukelaar van Zaandam, herdacht den overledene als Bestuurslid
van het Chr. Comité voor Indië; dr. Dupont van Ermelo, van de Geref.
Drankbestrijding; ds. Meijnen van Dordrecht, van de Vereeniging »De
Tuin"; ds. Heidema van Heinenoord, bracht in herinnering het 2-jarig
verblijf van den overledene in zijn eerste gemeente en ten slotte de
heer Vros, hoofd eener Chr. School te Leiden, sprekend namens de Geref.
Schoolvereeniging. En nòg waren er meer sprekers, o.a. van de Indologen
en van »Polyhymnia", bovendien de heer Wilbrink, Landbouw-Directeur
van de genoemde stichtingen, en ondergeteekende. Doch de lange duur
van het toeven op de begraafplaats maakte het gewenscht aan de droeve
plechtigheid een einde te maken, te meer daar ook de weduwe en de
hoogbejaarde vader van den overledene mede tegenwoordig waren.
Veel is daar gesproken, en had de gestorvene het kunnen hooren,
ongetwijfeld zou hij gezegd hebben: »Te veel eer voor mij!" Maar de
grondtoon bij alle sprekers was: dank aan den Heere, die ds. R. tot
zooveel en zoo velerlei arbeid geroepen en hem in zijn laatste
levensjaar met zoo groote genade begiftigd had.
Waarlijk, het was een droeve en toch goede dag. Zij de gedachtenis dezes
rechtvaardigen nog tot rijken zegen!
Was het de wensch van den overledene, dat ondergeteekende, die gedurende
een twintigtal jaren door hechte en innige banden van vriendschap aan
hem verbonden was en nimmer hoopt te vergeten, wat hij naast God aan ds.
Rudolph te danken heeft, de zorg voor de uitgave dezer Brieven op zich
nemen zou, met liefde heeft hij er bijdezen aan voldaan.
Mogen deze brieven een blijvenden troost bieden voor de diepbedroefde
weduwe zulk een man, voor den ouden vader zulk een zoon, voor de
pleegkinderen zulk een vader, voor de gemeente zulk een Herder en
Leeraar, voor allen, die hem lief waren, zulk een vriend gehad te hebben
en mogen ze, waar ze door dezen herdruk de wijde wereld ingaan, voor
velen nog in dagen van druk en beproeving, tot rijken zegen gesteld
worden! Gode alleen de eer!