Daarna bevonden zij zich op een zee, dun als mist, die hun boot niet
scheen te kunnen dragen. Zij zagen in de diepten vestingen met daken,
en een mooi land er om heen. Een monsterachtig beest huisde daar in
een boom met kudden vee er om en er onder een gewapend krijgsman. Ten
spijt van den krijgsman strekte het beest nu en dan zijn langen nek
omlaag, greep een van de kudde en verslond het. Zeer bevreesd door
deze zee te zinken zeilden zij er over heen weg.
Het eiland der voorspelling.
Toen zij daar aankwamen vonden zij het water tot hooge rotsen er
om heen en toen zij omlaag keken zagen zij een menigte menschen op
het eiland, die tegen hen schreeuwden: "Zij zijn het, zij zijn het",
totdat zij buiten adem waren. Toen kwam een vrouw die hen van beneden
met groote noten wierp, die zij verzamelden en meenamen. Toen zij
vertrokken hoorden zij de menschen elkander toeschreeuwen: "Waar zijn
ze nu?" "Zij zijn heengegaan." "Dat is niet waar." "Vermoedelijk", zegt
het verhaal, "was er iemand van wien de eilandbewoners een voorspelling
hadden dat hij hun land zou verwoesten en hen er uit verjagen."
Het eiland met het spuitend water.
Hier spoot een groote stroom uit den eenen kant van het eiland en
welfde er over heen als een regenboog, op het strand aan den anderen
kant neerstortend. En toen zij hun speren staken in den stroom
boven hen, haalden zij zooveel zalmen er uit als zij maar wilden en
het eiland was vol van den stank van de zalmen die zij niet konden
meenemen.
Het eiland met de zilveren zuil.
Het volgende wonder dat zij ontmoetten vormt een van de merkwaardigste
en meest fantastische episoden van de reis. Het was een groote
viervlakkige zilveren zuil, uit de zee oprijzend. Elk van de vier
kanten was zoo breed als twee roeislagen van de boot. Er was geen zode
aarde aan den voet, de kolom rees uit den onmetelijken oceaan op en
de top ging schuil in de lucht. Van dien top af werd een groot zilver
net ver weg in zee geworpen en door een maas van dat net zeilden
zij heen. Toen zij dat deden hakte Diuran een stuk van het net
af. "Verniel het niet," zeide Maeldun, "want hetgeen we zien is het
werk van machtige mannen." Diuran zeide: "Ik doe dit ter eere van God's
naam, opdat ons verhaal geloof vinde, en als ik weer in Ierland kom,
zal ik dit stuk zilver op het hooge altaar van Armagh offeren." Het
woog twee-en-een-half ons toen het later in Armagh werd gewogen.
"En toen hoorden zij een stem van den top van gindsche zuil, machtig,
helder en duidelijk. Maar zij kenden de taal niet die zij sprak,
of de woorden die zij uitbracht."
Het eiland met het voetstuk.
Het volgend eiland stond op een voet of voetstuk, dat uit de zee
oprees, en zij konden geen toegang er toe vinden. In het onderste
gedeelte van het voetstuk was een deur, die dicht en gesloten was,
die zij niet konden open krijgen; en zij zeilden weg zonder iemand
te hebben gezien en gesproken.
Het eiland van de vrouwen.
Hier vonden zij den wal van een geweldige burcht, waarin een woning
stond. Zij landden om er naar te kijken en zetten zich op een heuveltje
in de nabijheid. Binnen de burcht zagen zij zeventien meisjes bezig
een groot bad gereed te maken. Weldra daarna kwam een rijk gekleed
ruiter op een renpaard aanzetten, hij steeg af en ging naar binnen,
terwijl een van de meisjes voor het paard zorgde. Toen ging de ruiter
in het bad en zij zagen dat het een vrouw was. Kort daarop kwam een
der meisjes naar buiten en noodigde hen binnen te komen, zeggend:
"De Koningin noodigt u." Ze gingen de burcht binnen en baadden en
zetten zich aan tafel, elke man met een meisje tegenover zich en
Maeldun tegenover de koningin. En Maeldun trouwde met de koningin en
elk der meisjes met een zijner mannen, en toen het nacht werd kreeg
elk een kamer met een baldakijn. Den volgenden morgen maakten zij
zich gereed tot de afreis, maar de koningin wilde niet dat zij zouden
vertrekken en zeide: "Blijft hier, dan zult gij nooit door ouderdom
worden bezocht, maar ten eeuwigen dage blijven zooals gij nu zijt en
wat ge den vorigen nacht hadt, zult ge altijd hebben. En niet langer
van het eene eiland naar het andere zwerven op den oceaan."
Zij vertelde toen aan Maeldun, dat zij de moeder was van de zeventien
meisjes die zij gezien hadden en haar gemaal was koning van het eiland
geweest. Hij was nu dood en zij regeerde in zijn plaats. Elken dag
ging zij naar de groote vlakte in het binnenland van het eiland om
recht te spreken en zij keerde dan 's avonds naar de burcht terug.
Zoo bleven zij daar drie wintermaanden, maar toen die om waren leek
het hun dat het drie jaren waren geweest en de mannen kregen er genoeg
van en verlangden naar hun eigen land te vertrekken.
"Wat zullen wij daar vinden, dat beter is dan dit?" zeide Maeldun.
Maar de mannen bleven morren en klagen en ten slotte zeiden zij:
"Groot is de liefde van Maeldun voor deze vrouw. Laat hij alleen
achterblijven als hij dat wil, maar wij willen gaan naar ons eigen
land." Maeldun echter wilde niet achtergelaten worden en op zekeren
dag toen de koningin weg was om recht te spreken scheepten zij zich
in en voeren weg. Zij waren echter nog niet ver toen de koningin
kwam aanrijden met een kluwen touw in de hand, dat zij hun achterna
wierp. Maeldun ving het op en het bleef zich aan zijn hand hechten,
zoodat hij zich niet los kon maken en de koningin, die het andere einde
van het kluwen vasthield, trok hen terug aan land. En zij bleven nog
drie maanden op het eiland.
Nog tweemaal gebeurde hetzelfde en ten slotte beweerden de mannen dat
Maeldun met opzet het kluwen vasthield, zoo groot was zijn liefde voor
de vrouw. Den volgenden keer ving dan ook een ander man het kluwen op,
maar het bleef zich als te voren (bij Maeldun) aan zijn hand hechten;
Diuran kapte daarop de hand af, die met het kluwen in zee viel. "Toen
zij dat zag begon zij te jammeren en te schreeuwen, zoodat men over
het geheele land niets hoorde dan gejammer en geschreeuw". En aldus
ontkwamen zij uit het eiland van de vrouwen.
Het eiland met de roode bessen.
Op dit eiland waren boomen met groote roode bessen, die een
dronkenmakend en slaapwekkend sap gaven. Zij vermengden het met
water om de werking ervan te verzwakken, vulden hun vaten er mee en
zeilden weg.
Het eiland met den arend.
Een groot eiland, met bosschen van eiken en taxis aan den eenen kant,
en aan den anderen een vlakte, waarop kudden schapen, en een klein
meer er in; en zij vonden daar ook een kleine kerk en een fort en
een ouden grijzen geestelijke, alleen door zijn haar gedekt. Maeldun
vroeg hem wie hij was.
"Ik ben de vijftiende van de monniken van St. Brennan van Birr",
zeide hij. "Wij gingen onzen pelgrimstocht op zee maken en zij
stierven allen, behalve ik". Hij liet hun het tafeltje (? kalender)
van den Heiligen Brennan zien en zij knielden er voor en Maeldun kuste
het. Zij bleven daar een seizoen, levende van de schapen op het eiland.
Eens zagen zij uit het zuidwesten iets opdagen wat een wolk scheen te
zijn. Toen het nader kwam echter, zagen zij het wuiven van wieken en
merkten zij dat het een reusachtige vogel was. Hij kwam op het eiland
en zeer moede neerstrijkend op een heuvel bij het meer begon hij de
roode bessen te eten, druiven gelijk, die groeiden op een boomtak,
zoo groot als een volwassen eik, die hij had meegebracht, en het
sap en stukken van de bessen vielen in het meer, al het water rood
kleurend. Vreezend dat hij hen met zijn klauwen zou grijpen en hen
naar zee dragen, verscholen zij zich in de bosschen en hielden zij
den vogel in het oog. Na een poosje evenwel ging Maeldun naar den voet
van den heuvel, maar de vogel deed hem geen kwaad en toen volgden de
anderen behoedzaam achter hun schilden en een hunner plukte bessen
van den tak dien de vogel in zijn klauwen hield, maar hij deed hem
geen kwaad en keek heelemaal niet naar hem. En zij zagen dat hij heel
oud was en zijn pluimage dof en vergaan.
Des middags kwamen twee arenden uit het zuidwesten en streken neer
voor den grooten vogel en na een poos te hebben uitgerust begonnen zij
de insecten weg te pikken, waarvan het op zijn kaken, oogen en ooren
wemelde. Zij gingen daarmee voort tot 's avonds, toen aten alle drie
nu van de bessen. Den volgenden dag, toen het groote beest geheel was
gereinigd, sprong het in het meer en begonnen de twee arenden hem weer
te pikken en te reinigen. Tot den derden dag bleef de groote vogel
zijn veeren gladstrijken en zijn vleugels schudden en zijn veeren
werden glanzig en dik, en toen, zich hoog in de lucht verheffend,
vloog het driemaal het eiland rond en terug naar het verblijf vanwaar
hij was gekomen, en zijn vlucht was nu vlug en krachtig; zoodat het
hun duidelijk werd dat dit was geweest zijn vernieuwing van ouderdom
tot jeugd, overeenkomstig de woorden van den profeet: _Uw jeugd is
vernieuwd als die van den adelaar._ [197]
Toen zeide Diuran: "Laat ons in dit meer baden en ons verjongen waar
de vogel verjongd werd." "Neen," zeide een der anderen, "want de vogel
heeft zijn venijn daarin achter gelaten". Maar Diuran sprong er in en
dronk van het water. Van dat oogenblik af, bleven zijn oogen zoolang
hij leefde sterk en helder, geen tand viel uit zijn kaak, geen haar
van zijn hoofd en hij wist nooit wat ziekte of gebrekkigheid was.
Hierop namen zij afscheid van den kluizenaar en begaven zij zich
andermaal op zee.
Het eiland met de lachende menschen.
Hier zagen zij een groot aantal mannen die aanhoudend lachten
en speelden. Zij lootten met elkaar wie zou landen en het eiland
onderzoeken en het lot viel op Maeldun's pleegbroeder. Maar toen
hij den voet er op zette, begon hij met de anderen te lachen en te
spelen en hij kon niet ophouden en wilde ook niet teruggaan tot zijn
makkers. Zij lieten hem dus achter en gingen heen. [198]
Het eiland met den wal van vlammen.
Zij kwamen nu in het gezicht van een eiland dat niet groot was en het
had een wal van vlammen die voortdurend een kring er om vormden. Er
was een opening in een deel van den wal en wanneer zij die opening
tegenover zich kregen, zagen zij het geheele eiland er door heen
en zij zagen de bewoners, mannen en vrouwen, vele en schoone, die
versierde gewaden droegen, met gouden vaten in de handen. En de
feestmuziek die zij maakten drong tot de ooren der reizigers. Zij
vertoefden daar geruimen tijd, sloegen dit wonder gade, "en zij vonden
het verrukkelijk te aanschouwen."
Het eiland van den monnik van Tory.
In de verte tusschen de golven zagen zij wat zij voor een witten
vogel op het water hielden. Naderbij komend merkten zij dat het een
oud man was, met zijn grijs haar tot eenige bedekking; hij knielde
telkens ootmoedig op een breede rots.
"Van Torach [199] ben ik hier gekomen", zeide hij, "en het is daar
dat ik werd grootgebracht. Ik was daar kok in het klooster en ik
placht het voedsel van de kerk voor mijzelf te verkoopen, zoodat ik
ten slotte groote schatten had aan kleeding en koperen vaten en goed
gebonden boeken en al wat de mensch begeert. Groot was mijn trots en
mijn aanmatiging.
"Eens toen ik een graf dolf om een lijfeigene te begraven die op het
eiland was gebracht, klonk een stem van beneden, waar een heilig man
begraven lag, die sprak: "Leg niet het lijk van een zondaar op mij,
een heilig vroom persoon!"
Na een woordenwisseling begroef de monnik het lijk ergens anders
en hem werd een eeuwigdurende belooning daarvoor beloofd. Niet lang
daarna ging hij op zee met een boot, waarin al zijn schatten waren
bijeengebracht, vermoedelijk met het plan met zijn buit van het eiland
te vluchten. Een sterke wind dreef hem ver in zee en toen hij geen land
meer zag, hield de boot op een zekere plaats stil. Hij zag dicht bij
zich een man (engel) op een golf zitten. "Waar gaat ge heen?" zeide
de man. "Op een prettige reis, ik kijk nu uit", zeide de monnik. "Ge
zoudt het niet prettig vinden, als ge wist wat om u heen is", zeide de
man. "Zoover als ge zien kunt zijt ge door een troep demonen omringd,
wegens uw hebzucht en trots, en diefstal en andere slechte daden. Uw
boot heeft stil gehouden en zal ook niet verdergaan tenzij gij mij
gehoorzaamt, en de vlammen van de hel zullen u bereiken."
Hij naderde de boot en legde zijn hand op den arm van den vluchteling,
die beloofde hem te gehoorzamen.
"Werp in zee", sprak hij, "al de schatten die in uw boot zijn."
"Het is jammer," zeide de monnik, "dat zij verloren zouden gaan."
"Zij zullen volstrekt niet verloren gaan. Er zal iemand zijn, dien
ge daarmee zult helpen."
Daarop wierp de monnik alles in zee, op een kleinen houten beker
na, en hij smeet riemen en roer weg. De man gaf hem een voorraad
wei en zeven koeken en gelastte hem te blijven daar waar zijn boot
zou stil houden. De wind en de golven dreven hem hier en daar, tot
dat ten slotte de boot tot rust kwam op de rots waar de zwervers
hem vonden. Er was daar niets dan de kale rots, maar gedachtig aan
hetgeen hem was gelast, stapte hij op een smallen uitstekenden rand,
die door de golven werd omspoeld, en de boot verliet hem onmiddellijk
en de rots werd breeder voor hem. Daar bleef hij zeven jaren, gevoed
door otters die hem zalm brachten uit de zee en zelfs brandend hout om
ze te koken en zijn beker werd dagelijks met goeden drank gevuld. "En
geen vocht, of hitte, of koude deert mij op deze plaats."
Op het middaguur werd wonderbaarlijk voedsel voor de geheele bemanning
gebracht, en toen zeide de oude tot hen:
"Ge zult allen uw land bereiken, en de man die uw vader doodde, o
Maeldun, ge zult hem vinden in een burcht voor u. En dood hem niet,
maar vergeef hem; omdat God u van vele groote gevaren heeft gered,
en ook gij mannen zijt die den dood verdient."
Toen zeiden zij hem vaarwel en gingen hun gewonen weg.
Het eiland met den valk.
Dit is niet bewoond en er zijn alleen kudden schapen en ossen. Zij
landen daar en eten hun bekomst, en een van hen ziet een grooten
valk. "Deze valk," zegt hij, "gelijkt op de valken van Ierland." "Houd
hem in het oog," zegt Maeldun, "en zie hoe hij van ons gaat." Hij
vloog naar het zuidoosten en zij roeiden hem den geheelen dag na
totdat het avond werd.
De thuiskomst.
Toen het nacht werd kregen zij een land in het gezicht als Ierland;
en weldra bereikten zij een klein eiland, waar zij met hun prauw
strandden. Het was het eiland waar de man woonde die Ailill had gedood.
Zij gingen naar de burcht op het eiland en hoorden daar binnen mannen
met elkander praten, terwijl zij aan den maaltijd zaten. Een man zeide:
"Het zou ons slecht bekomen, als we nu Maeldun ontmoetten."
"Die Maeldun is verdronken," zeide een ander.
"Misschien is hij het die u van nacht uit den slaap zal wekken,"
zeide een derde.
"Wat zouden wij doen, als hij nu kwam?" zeide een vierde.
"Dat is niet moeilijk te beantwoorden," zeide hun hoofd. "Hartelijk
zou hij worden verwelkomd als hij kwam, want hij heeft langen tijd
in groote moeilijkheden verkeerd."
Toen sloeg Maeldun met den houten klopper op de deur. "Wie is
daar?" vroeg de deurwachter.
"Maeldun is hier," zeide hij.
Zij traden in vrede het huis binnen en hartelijk werden zij verwelkomd
en zij werden in nieuwe gewaden gedost. En toen deden zij het verhaal
van al de wonderen, die God hun had laten zien, overeenkomstig de
woorden van den "heiligen dichter," die zeide, _Haec olim meminisse
juvabit_ [200].
Toen ging Maeldun naar zijn eigen huis en familie en Diuran de Rijmer
nam het stuk zilver mee, dat hij had gehakt uit het net van de zuil
en legde het neer op het hoog altaar van Armagh in triumf en gejuich
over de wonderen die God aan hen had verricht. En zij vertelden nog
eens de geschiedenis van al hun wedervaren, al de wonderen die zij
hadden gezien te land en te zee, en de gevaren die zij hadden geloopen.
Het verhaal eindigt met de volgende woorden:
"Aed de Blonde (Aed Finn [201]), de voornaamste wijze van Ierland,
bewerkte dit verhaal zooals het hier geschreven staat; en hij deed
aldus tot genot voor den geest, en voor de menschen in Ierland na hem."