Het eiland onder de zee. [196]

Daarna bevonden zij zich op een zee, dun als mist, die hun boot niet

scheen te kunnen dragen. Zij zagen in de diepten vestingen met daken,

en een mooi land er om heen. Een monsterachtig beest huisde daar in

een boom met kudden vee er om en er onder een gewapend krijgsman. Ten

spijt van den krijgsman strekte het beest nu en dan zijn langen nek

omlaag, greep een van de kudde en verslond het. Zeer bevreesd door

deze zee te zinken zeilden zij er over heen weg.

Het eiland der voorspelling.

Toen zij daar aankwamen vonden zij het water tot hooge rotsen er

om heen en toen zij omlaag keken zagen zij een menigte menschen op

het eiland, die tegen hen schreeuwden: "Zij zijn het, zij zijn het",

totdat zij buiten adem waren. Toen kwam een vrouw die hen van beneden

met groote noten wierp, die zij verzamelden en meenamen. Toen zij

vertrokken hoorden zij de menschen elkander toeschreeuwen: "Waar zijn

ze nu?" "Zij zijn heengegaan." "Dat is niet waar." "Vermoedelijk", zegt

het verhaal, "was er iemand van wien de eilandbewoners een voorspelling

hadden dat hij hun land zou verwoesten en hen er uit verjagen."

Het eiland met het spuitend water.

Hier spoot een groote stroom uit den eenen kant van het eiland en

welfde er over heen als een regenboog, op het strand aan den anderen

kant neerstortend. En toen zij hun speren staken in den stroom

boven hen, haalden zij zooveel zalmen er uit als zij maar wilden en

het eiland was vol van den stank van de zalmen die zij niet konden

meenemen.

Het eiland met de zilveren zuil.

Het volgende wonder dat zij ontmoetten vormt een van de merkwaardigste

en meest fantastische episoden van de reis. Het was een groote

viervlakkige zilveren zuil, uit de zee oprijzend. Elk van de vier

kanten was zoo breed als twee roeislagen van de boot. Er was geen zode

aarde aan den voet, de kolom rees uit den onmetelijken oceaan op en

de top ging schuil in de lucht. Van dien top af werd een groot zilver

net ver weg in zee geworpen en door een maas van dat net zeilden

zij heen. Toen zij dat deden hakte Diuran een stuk van het net

af. "Verniel het niet," zeide Maeldun, "want hetgeen we zien is het

werk van machtige mannen." Diuran zeide: "Ik doe dit ter eere van God's

naam, opdat ons verhaal geloof vinde, en als ik weer in Ierland kom,

zal ik dit stuk zilver op het hooge altaar van Armagh offeren." Het

woog twee-en-een-half ons toen het later in Armagh werd gewogen.

"En toen hoorden zij een stem van den top van gindsche zuil, machtig,

helder en duidelijk. Maar zij kenden de taal niet die zij sprak,

of de woorden die zij uitbracht."

Het eiland met het voetstuk.

Het volgend eiland stond op een voet of voetstuk, dat uit de zee

oprees, en zij konden geen toegang er toe vinden. In het onderste

gedeelte van het voetstuk was een deur, die dicht en gesloten was,

die zij niet konden open krijgen; en zij zeilden weg zonder iemand

te hebben gezien en gesproken.

Het eiland van de vrouwen.

Hier vonden zij den wal van een geweldige burcht, waarin een woning

stond. Zij landden om er naar te kijken en zetten zich op een heuveltje

in de nabijheid. Binnen de burcht zagen zij zeventien meisjes bezig

een groot bad gereed te maken. Weldra daarna kwam een rijk gekleed

ruiter op een renpaard aanzetten, hij steeg af en ging naar binnen,

terwijl een van de meisjes voor het paard zorgde. Toen ging de ruiter

in het bad en zij zagen dat het een vrouw was. Kort daarop kwam een

der meisjes naar buiten en noodigde hen binnen te komen, zeggend:

"De Koningin noodigt u." Ze gingen de burcht binnen en baadden en

zetten zich aan tafel, elke man met een meisje tegenover zich en

Maeldun tegenover de koningin. En Maeldun trouwde met de koningin en

elk der meisjes met een zijner mannen, en toen het nacht werd kreeg

elk een kamer met een baldakijn. Den volgenden morgen maakten zij

zich gereed tot de afreis, maar de koningin wilde niet dat zij zouden

vertrekken en zeide: "Blijft hier, dan zult gij nooit door ouderdom

worden bezocht, maar ten eeuwigen dage blijven zooals gij nu zijt en

wat ge den vorigen nacht hadt, zult ge altijd hebben. En niet langer

van het eene eiland naar het andere zwerven op den oceaan."

Zij vertelde toen aan Maeldun, dat zij de moeder was van de zeventien

meisjes die zij gezien hadden en haar gemaal was koning van het eiland

geweest. Hij was nu dood en zij regeerde in zijn plaats. Elken dag

ging zij naar de groote vlakte in het binnenland van het eiland om

recht te spreken en zij keerde dan 's avonds naar de burcht terug.

Zoo bleven zij daar drie wintermaanden, maar toen die om waren leek

het hun dat het drie jaren waren geweest en de mannen kregen er genoeg

van en verlangden naar hun eigen land te vertrekken.

"Wat zullen wij daar vinden, dat beter is dan dit?" zeide Maeldun.

Maar de mannen bleven morren en klagen en ten slotte zeiden zij:

"Groot is de liefde van Maeldun voor deze vrouw. Laat hij alleen

achterblijven als hij dat wil, maar wij willen gaan naar ons eigen

land." Maeldun echter wilde niet achtergelaten worden en op zekeren

dag toen de koningin weg was om recht te spreken scheepten zij zich

in en voeren weg. Zij waren echter nog niet ver toen de koningin

kwam aanrijden met een kluwen touw in de hand, dat zij hun achterna

wierp. Maeldun ving het op en het bleef zich aan zijn hand hechten,

zoodat hij zich niet los kon maken en de koningin, die het andere einde

van het kluwen vasthield, trok hen terug aan land. En zij bleven nog

drie maanden op het eiland.

Nog tweemaal gebeurde hetzelfde en ten slotte beweerden de mannen dat

Maeldun met opzet het kluwen vasthield, zoo groot was zijn liefde voor

de vrouw. Den volgenden keer ving dan ook een ander man het kluwen op,

maar het bleef zich als te voren (bij Maeldun) aan zijn hand hechten;

Diuran kapte daarop de hand af, die met het kluwen in zee viel. "Toen

zij dat zag begon zij te jammeren en te schreeuwen, zoodat men over

het geheele land niets hoorde dan gejammer en geschreeuw". En aldus

ontkwamen zij uit het eiland van de vrouwen.

Het eiland met de roode bessen.

Op dit eiland waren boomen met groote roode bessen, die een

dronkenmakend en slaapwekkend sap gaven. Zij vermengden het met

water om de werking ervan te verzwakken, vulden hun vaten er mee en

zeilden weg.

Het eiland met den arend.

Een groot eiland, met bosschen van eiken en taxis aan den eenen kant,

en aan den anderen een vlakte, waarop kudden schapen, en een klein

meer er in; en zij vonden daar ook een kleine kerk en een fort en

een ouden grijzen geestelijke, alleen door zijn haar gedekt. Maeldun

vroeg hem wie hij was.

"Ik ben de vijftiende van de monniken van St. Brennan van Birr",

zeide hij. "Wij gingen onzen pelgrimstocht op zee maken en zij

stierven allen, behalve ik". Hij liet hun het tafeltje (? kalender)

van den Heiligen Brennan zien en zij knielden er voor en Maeldun kuste

het. Zij bleven daar een seizoen, levende van de schapen op het eiland.

Eens zagen zij uit het zuidwesten iets opdagen wat een wolk scheen te

zijn. Toen het nader kwam echter, zagen zij het wuiven van wieken en

merkten zij dat het een reusachtige vogel was. Hij kwam op het eiland

en zeer moede neerstrijkend op een heuvel bij het meer begon hij de

roode bessen te eten, druiven gelijk, die groeiden op een boomtak,

zoo groot als een volwassen eik, die hij had meegebracht, en het

sap en stukken van de bessen vielen in het meer, al het water rood

kleurend. Vreezend dat hij hen met zijn klauwen zou grijpen en hen

naar zee dragen, verscholen zij zich in de bosschen en hielden zij

den vogel in het oog. Na een poosje evenwel ging Maeldun naar den voet

van den heuvel, maar de vogel deed hem geen kwaad en toen volgden de

anderen behoedzaam achter hun schilden en een hunner plukte bessen

van den tak dien de vogel in zijn klauwen hield, maar hij deed hem

geen kwaad en keek heelemaal niet naar hem. En zij zagen dat hij heel

oud was en zijn pluimage dof en vergaan.

Des middags kwamen twee arenden uit het zuidwesten en streken neer

voor den grooten vogel en na een poos te hebben uitgerust begonnen zij

de insecten weg te pikken, waarvan het op zijn kaken, oogen en ooren

wemelde. Zij gingen daarmee voort tot 's avonds, toen aten alle drie

nu van de bessen. Den volgenden dag, toen het groote beest geheel was

gereinigd, sprong het in het meer en begonnen de twee arenden hem weer

te pikken en te reinigen. Tot den derden dag bleef de groote vogel

zijn veeren gladstrijken en zijn vleugels schudden en zijn veeren

werden glanzig en dik, en toen, zich hoog in de lucht verheffend,

vloog het driemaal het eiland rond en terug naar het verblijf vanwaar

hij was gekomen, en zijn vlucht was nu vlug en krachtig; zoodat het

hun duidelijk werd dat dit was geweest zijn vernieuwing van ouderdom

tot jeugd, overeenkomstig de woorden van den profeet: _Uw jeugd is

vernieuwd als die van den adelaar._ [197]

Toen zeide Diuran: "Laat ons in dit meer baden en ons verjongen waar

de vogel verjongd werd." "Neen," zeide een der anderen, "want de vogel

heeft zijn venijn daarin achter gelaten". Maar Diuran sprong er in en

dronk van het water. Van dat oogenblik af, bleven zijn oogen zoolang

hij leefde sterk en helder, geen tand viel uit zijn kaak, geen haar

van zijn hoofd en hij wist nooit wat ziekte of gebrekkigheid was.

Hierop namen zij afscheid van den kluizenaar en begaven zij zich

andermaal op zee.

Het eiland met de lachende menschen.

Hier zagen zij een groot aantal mannen die aanhoudend lachten

en speelden. Zij lootten met elkaar wie zou landen en het eiland

onderzoeken en het lot viel op Maeldun's pleegbroeder. Maar toen

hij den voet er op zette, begon hij met de anderen te lachen en te

spelen en hij kon niet ophouden en wilde ook niet teruggaan tot zijn

makkers. Zij lieten hem dus achter en gingen heen. [198]

Het eiland met den wal van vlammen.

Zij kwamen nu in het gezicht van een eiland dat niet groot was en het

had een wal van vlammen die voortdurend een kring er om vormden. Er

was een opening in een deel van den wal en wanneer zij die opening

tegenover zich kregen, zagen zij het geheele eiland er door heen

en zij zagen de bewoners, mannen en vrouwen, vele en schoone, die

versierde gewaden droegen, met gouden vaten in de handen. En de

feestmuziek die zij maakten drong tot de ooren der reizigers. Zij

vertoefden daar geruimen tijd, sloegen dit wonder gade, "en zij vonden

het verrukkelijk te aanschouwen."

Het eiland van den monnik van Tory.

In de verte tusschen de golven zagen zij wat zij voor een witten

vogel op het water hielden. Naderbij komend merkten zij dat het een

oud man was, met zijn grijs haar tot eenige bedekking; hij knielde

telkens ootmoedig op een breede rots.

"Van Torach [199] ben ik hier gekomen", zeide hij, "en het is daar

dat ik werd grootgebracht. Ik was daar kok in het klooster en ik

placht het voedsel van de kerk voor mijzelf te verkoopen, zoodat ik

ten slotte groote schatten had aan kleeding en koperen vaten en goed

gebonden boeken en al wat de mensch begeert. Groot was mijn trots en

mijn aanmatiging.

"Eens toen ik een graf dolf om een lijfeigene te begraven die op het

eiland was gebracht, klonk een stem van beneden, waar een heilig man

begraven lag, die sprak: "Leg niet het lijk van een zondaar op mij,

een heilig vroom persoon!"

Na een woordenwisseling begroef de monnik het lijk ergens anders

en hem werd een eeuwigdurende belooning daarvoor beloofd. Niet lang

daarna ging hij op zee met een boot, waarin al zijn schatten waren

bijeengebracht, vermoedelijk met het plan met zijn buit van het eiland

te vluchten. Een sterke wind dreef hem ver in zee en toen hij geen land

meer zag, hield de boot op een zekere plaats stil. Hij zag dicht bij

zich een man (engel) op een golf zitten. "Waar gaat ge heen?" zeide

de man. "Op een prettige reis, ik kijk nu uit", zeide de monnik. "Ge

zoudt het niet prettig vinden, als ge wist wat om u heen is", zeide de

man. "Zoover als ge zien kunt zijt ge door een troep demonen omringd,

wegens uw hebzucht en trots, en diefstal en andere slechte daden. Uw

boot heeft stil gehouden en zal ook niet verdergaan tenzij gij mij

gehoorzaamt, en de vlammen van de hel zullen u bereiken."

Hij naderde de boot en legde zijn hand op den arm van den vluchteling,

die beloofde hem te gehoorzamen.

"Werp in zee", sprak hij, "al de schatten die in uw boot zijn."

"Het is jammer," zeide de monnik, "dat zij verloren zouden gaan."

"Zij zullen volstrekt niet verloren gaan. Er zal iemand zijn, dien

ge daarmee zult helpen."

Daarop wierp de monnik alles in zee, op een kleinen houten beker

na, en hij smeet riemen en roer weg. De man gaf hem een voorraad

wei en zeven koeken en gelastte hem te blijven daar waar zijn boot

zou stil houden. De wind en de golven dreven hem hier en daar, tot

dat ten slotte de boot tot rust kwam op de rots waar de zwervers

hem vonden. Er was daar niets dan de kale rots, maar gedachtig aan

hetgeen hem was gelast, stapte hij op een smallen uitstekenden rand,

die door de golven werd omspoeld, en de boot verliet hem onmiddellijk

en de rots werd breeder voor hem. Daar bleef hij zeven jaren, gevoed

door otters die hem zalm brachten uit de zee en zelfs brandend hout om

ze te koken en zijn beker werd dagelijks met goeden drank gevuld. "En

geen vocht, of hitte, of koude deert mij op deze plaats."

Op het middaguur werd wonderbaarlijk voedsel voor de geheele bemanning

gebracht, en toen zeide de oude tot hen:

"Ge zult allen uw land bereiken, en de man die uw vader doodde, o

Maeldun, ge zult hem vinden in een burcht voor u. En dood hem niet,

maar vergeef hem; omdat God u van vele groote gevaren heeft gered,

en ook gij mannen zijt die den dood verdient."

Toen zeiden zij hem vaarwel en gingen hun gewonen weg.

Het eiland met den valk.

Dit is niet bewoond en er zijn alleen kudden schapen en ossen. Zij

landen daar en eten hun bekomst, en een van hen ziet een grooten

valk. "Deze valk," zegt hij, "gelijkt op de valken van Ierland." "Houd

hem in het oog," zegt Maeldun, "en zie hoe hij van ons gaat." Hij

vloog naar het zuidoosten en zij roeiden hem den geheelen dag na

totdat het avond werd.

De thuiskomst.

Toen het nacht werd kregen zij een land in het gezicht als Ierland;

en weldra bereikten zij een klein eiland, waar zij met hun prauw

strandden. Het was het eiland waar de man woonde die Ailill had gedood.

Zij gingen naar de burcht op het eiland en hoorden daar binnen mannen

met elkander praten, terwijl zij aan den maaltijd zaten. Een man zeide:

"Het zou ons slecht bekomen, als we nu Maeldun ontmoetten."

"Die Maeldun is verdronken," zeide een ander.

"Misschien is hij het die u van nacht uit den slaap zal wekken,"

zeide een derde.

"Wat zouden wij doen, als hij nu kwam?" zeide een vierde.

"Dat is niet moeilijk te beantwoorden," zeide hun hoofd. "Hartelijk

zou hij worden verwelkomd als hij kwam, want hij heeft langen tijd

in groote moeilijkheden verkeerd."

Toen sloeg Maeldun met den houten klopper op de deur. "Wie is

daar?" vroeg de deurwachter.

"Maeldun is hier," zeide hij.

Zij traden in vrede het huis binnen en hartelijk werden zij verwelkomd

en zij werden in nieuwe gewaden gedost. En toen deden zij het verhaal

van al de wonderen, die God hun had laten zien, overeenkomstig de

woorden van den "heiligen dichter," die zeide, _Haec olim meminisse

juvabit_ [200].

Toen ging Maeldun naar zijn eigen huis en familie en Diuran de Rijmer

nam het stuk zilver mee, dat hij had gehakt uit het net van de zuil

en legde het neer op het hoog altaar van Armagh in triumf en gejuich

over de wonderen die God aan hen had verricht. En zij vertelden nog

eens de geschiedenis van al hun wedervaren, al de wonderen die zij

hadden gezien te land en te zee, en de gevaren die zij hadden geloopen.

Het verhaal eindigt met de volgende woorden:

"Aed de Blonde (Aed Finn [201]), de voornaamste wijze van Ierland,

bewerkte dit verhaal zooals het hier geschreven staat; en hij deed

aldus tot genot voor den geest, en voor de menschen in Ierland na hem."

Keltische Mythen en Legenden · 第 19 / 29 题