Barden-philosophie.
In het begin van ons derde hoofdstuk werd gewezen op het ontbreken
van eenige wereld-mythe of wijsgeerige verklaring van den oorsprong
en de inrichting der dingen in de oudste Keltische literatuur. In
de Galische [202] letterkunde is, voor zoover ik weet, niets dat
zelfs kan worden geacht de oudste Keltische denkbeelden over dat
onderwerp weer te geven. Anders is het met Wales gesteld. Hier
bestond gedurende geruimen tijd een kern van leering die beoogde
althans een deel te omvatten van die oude Druïden-denkbeelden, die,
zooals Caesar ons vertelt, alleen aan de ingewijden werden meegedeeld
en nooit neergeschreven. Deze leering wordt voornamelijk gevonden in
twee deelen getiteld "Barddas", een compilatie saamgesteld door een
bard en geleerde uit Wales, genaamd Llewellyn Sion, van Glamorgan,
uit materiaal in zijn bezit, omstreeks het einde der zestiende eeuw
en, met een vertaling, uitgegeven door J. A. Williams ap Ithel
voor het M.S. Genootschap van Wales. Moderne beoefenaars van het
Keltisch spreken vol minachting over de pretensies van werken als
deze, eenige werkelijke antieke gedachten in zich te bergen. Zoo
schrijft Ivor B. John: "Alle gedachte aan een esoterische barden-leer,
vóór-Christelijke mythische wijsbegeerte omvattende, moet ten eenenmale
worden op zij gezet". En verder: "De onzin over het onderwerp gesproken
is voor een groot deel het gevolg van de oncritische fantasie van
pseudo-oudheidkenners van de zestiende tot de achttiende eeuw". [203]
Toch was de Orde der barden zeker te eeniger tijd in het bezit van
zulk een leer. Die Orde bleef in Wales vrijwel voortdurend bestaan. En
hoewel geen critisch denker met eenige zekerheid een theorie over
vóór-Christelijke leer zou bouwen op een document uit de zestiende
eeuw, lijkt het niet verstandig de mogelijkheid geheel te verwerpen
dat sommige fragmenten van antieke wetenschap nog zoo laat zouden
zijn blijven hangen in barden-overlevering.
In elk geval is "Barddas" een werk van groot wijsgeerig belang,
en zelfs wanneer het niets weergeeft dan een zekere strooming der
Kimbrische gedachte in de zestiende eeuw, is het de aandacht van den
beoefenaar van Keltische dingen niet onwaardig. Het beweert ook niet
zuiver Druïdisch te zijn, want Christelijke personen en episoden uit de
Christelijke geschiedenis komen er veel in voor. Maar nu en dan treft
ons een gedachtengang, die, wat dan ook, stellig niet Christelijk is,
en die getuigt van een zelfstandig wijsgeerig stelsel.
In dit stelsel worden twee primaire wezens aangenomen, God en
Cytrawl, die respectievelijk vertegenwoordigen het beginsel van
kracht die tot leven voert, en dat van verwoesting die tot het niet
leidt. Cythrawl wordt verwezenlijkt in Annwn [204], dat kan worden
weergegeven met Afgrond, of Chaos. In den beginne was er niets dan
God en Annwn. Organisch leven begon met het Woord--God sprak zijn
onuitsprekelijken Naam uit en de "Manred werd gevormd." De "Manred"
was de allereerste stof van het heelal. Zij wordt voorgesteld als
een menigte kleine ondeelbare deeltjes--feitelijk atomen--waarvan
elk een microcosmos is, want in elk is God geheel, terwijl elk
tegelijkertijd een deel is van God, het Geheel. Al het nu bestaande
wordt voorgesteld door drie concentrische cirkels. De binnenste,
waar leven ontspringt uit Annwn, heet "Abred," en is het stadium
van worsteling en evolutie--de strijd tusschen leven en Cytrawl. De
volgende is de cirkel van "Gwynfyd," of Reinheid, waarin het leven
zich openbaart als een reine blijde kracht, die over het booze
heeft getriumfeerd. De laatste en buitenste cirkel heet "Ceugant," of
Oneindigheid. Hier ontbreken alle predikaten en deze cirkel, graphisch
voorgesteld niet door een gesloten lijn, maar door divergeerende
stralen, is bewoond door God alleen.
Het volgend uittreksel uit "Barddas," waarin de beweerde bardenleering
in catechismusvorm is weergegeven, kan dienen om den gedachtengang
van den schrijver te toonen:
"Vr. Waaruit zijt gij voortgekomen?
"Antw. Ik kwam uit de Groote Wereld en begon bij Annwn.
"Vr. Waar zijt ge nu en hoe kwaamt ge waar ge nu zijt?
"Antw. Ik ben in de Kleine Wereld, waar ik kwam na door den cirkel
van Abred te zijn gegaan, en nu ik een Mensch ben, aan het einde en
de uiterste grenzen er van.
"Vr. Wat waart ge voor dat ge een Mensch werdt, in den cirkel van
Abred?
"Antw. Ik was in Annwn het minst mogelijke dat vatbaar is om te leven,
en het dichtst mogelijke bij volstrekten dood; en ik kwam in elken
vorm en door elken vorm, passend bij een lichaam en leven tot den
menschelijken staat langs den cirkel van Abred, waar mijn toestand
moeilijk en treurig was gedurende de eeuw der eeuwen, van het oogenblik
af dat ik in Annwn van de dooden werd gescheiden, door de genade Gods,
en Zijn groote edelmoedigheid en Zijn onbeperkte en eindelooze liefde.
"Vr. Door hoeveel verschillende vormen gingt ge en wat overkwam u?
"Antw. Door elken vorm die levensvatbaar is, in het water, in den
grond, in de lucht. En ik onderging alle moeilijkheid, alle ontbering,
alle kwaad en alle lijden, en slechts luttel was de goedheid of
Gwynfyd, voordat ik een mensch werd.... Gwynfyd kan niet worden
bereikt zonder alles te zien en te weten, maar het is niet mogelijk
alles te zien of te weten zonder alles te lijden.... En er kan geen
volkomen en volmaakte liefde zijn die niet die dingen voortbrengt,
noodig om te leiden tot de kennis die tot Gwynfyd leidt."
Elk wezen, zoo heet het, zal ten slotte den cirkel van Gwynfyd bereiken
[205].
Er is veel hierin dat ons doet denken aan Gnostische of Oostersche
ideeën. Stellig verschilt het sterk van de Christelijke orthodoxie der
zestiende eeuw. Als een product van den Kimbrischen geest van dien
tijd kan de lezer het nemen voor hetgeen het waard is, zonder zich
te bekommeren hetzij om oudheidkundige theorieën of de wederleggingen
daarvan.
Wenden wij ons nu tot het werkelijk oude werk dat niet philosophisch
is, maar een werk van de verbeelding, door Britsche barden en
vertellers van de Middeneeuwen voortgebracht. Maar alvorens uiteen
te zetten wat wij in deze literatuur zullen vinden, moeten wij een
oogenblik stilstaan bij iets dat we er niet in zullen vinden.
De Arthur-sage.
Bij de meerderheid der moderne lezers, die geen bijzondere studie van
het onderwerp hebben gemaakt, zal, wanneer sprake is van oude Britsche
legenden onvermijdelijk de herinnering opkomen aan de heldenfeiten
van de Arthur-sage; zij zullen denken aan het fabelpaleis te Caerleon
aan de Usk; aan de Ridders van de Tafelronde die op edele avonturen
uit gaan; aan het zoeken naar den Graal; aan de zondige liefde van
Lancelot, bloem der Ridderschap, voor de koningin; aan den laatsten
grooten slag bij de noordzee; aan de reis van Arthur, zwaar gewond
maar onsterflijk, naar het mystieke dal van Avalon. Maar feitelijk
zullen zij in de eigen literatuur van het middeneeuwsche Wales weinig
of niets van dat alles vinden--geen Tafelronde, geen Lancelot, geen
zoeken naar den Graal, geen eiland van Avalon, voordat de bewoners
van Wales daarover uit den vreemde hoorden; en hoewel er inderdaad
een Arthur was in deze literatuur, verschilt hij ten eenenmale van
den Arthur in wat wij nu noemen de Arthur-sage.
Nennius.
Het vroegst vinden wij Arthur vermeld in het werk van den
Britschen geschiedschrijver Nennius, die zijn "Historia Britonum"
omstreeks het jaar 800 schreef. Hij beroept zich op verschillende
bronnen--oude monumenten en geschriften van Brittannië en Ierland
(in verband met het laatste land vermeldt hij de legende van
Partholan), Romeinsche jaarboeken en kronieken van heiligen, in het
bijzonder St. Germanus. Hij geeft een fantastisch verromeinschte en
verchristelijkte voorstelling van de Britsche geschiedenis en laat de
Britten afstammen van Trojaansche en Romeinsche voorouders. Maar zijn
verhaal over Arthur is èn sober èn kort. Arthur, die, volgens Nennius,
in de zesde eeuw leefde, was geen koning; hij was van minder edele
afkomst dan vele andere Britsche hoofden, die hem echter, om zijn
groote talenten als militair _imperator_ of _dux bellorum_, tot hun
leider kozen tegen de Saksers, die hij in twaalf veldslagen versloeg;
de laatste was die bij den Berg Badon. Arthur's ambt was ongetwijfeld
een overblijfsel van de Romeinsche krijgsorganisatie en er is geen
reden aan zijn historisch bestaan te twijfelen, hoe ondoordringbaar
ook de sluier moge zijn, die nu over zijn dapper en vaak zegevierende
vechten voor orde en beschaving in die rampzalige eeuw is uitgebreid.
Geoffrey van Monmouth.
Dan hebben we Geoffrey van Monmouth, bisschop van St. Asaph, die zijn
"Historia Regum Britaniae" in Zuid-Wales schreef, in het begin van de
twaalfde eeuw. Dit werk is een stoute poging om sobere geschiedenis
te maken van een massa mythische of legendaire stof, hoofdzakelijk
geput, zoo men den schrijver gelooven mag, uit een oud boek, door zijn
oom Walter, aartsdeken van Oxford, uit Brittannië meegebracht. Het
vermelden van Brittannië in dit verband is, zooals wij zullen zien,
zeer gewichtig. Geoffrey schreef bepaaldelijk om de daden van Arthur te
herdenken, die nu optreedt als een koning, zoon van Uther Pendragon en
van Igerna, de vrouw van Gorlois Hertog van Cornwallis, tot wie Uther
toegang kreeg in de gedaante van haar echtgenoot door de tooverkunsten
van Merlin. Hij stelt het begin van Arthur's regeering in het jaar 505,
verhaalt van zijn oorlogen tegen de Saksers en zegt dat hij ten slotte
niet alleen geheel Brittannië, maar Ierland, Noorwegen, Gallië en Dacië
veroverde, en met goed gevolg een eisch van de Romeinen, die schatting
en hulde vorderden, weerstond. Hij hield zijn hof te Caerleon aan
de Usk. Terwijl hij op het vasteland was en met Rome strijd voerde,
maakte zijn neef Modred zich meester van de kroon en huwde zijn
vrouw Guanhumara. Hierop keerde Arthur terug en na den verrader te
Winchester te hebben verslagen, doodde hij hem in een laatsten slag
in Cornwallis, waar Arthur zelf zwaar gewond werd (A.D. 542). De
koningin trok zich terug in een klooster te Caerleon. Voor zijn dood
droeg Arthur zijn rijk over op zijn bloedverwant Constantine, en
werd toen op geheimzinnige wijze weggevoerd naar het "eiland Avalon"
om te worden genezen, en "de rest is zwijgen." Arthur's tooverzwaard
"Caliburn" (in de taal van Wales _Caladuwlch_; zie blz. 205, noot)
wordt door Geoffrey vermeld en beschreven als te zijn gemaakt in
Avalon, een woord waarmede een soort van tooverland schijnt te zijn
bedoeld, een Land der Dooden, misschien verwant met het Noorsche
_Valhall_. Eerst in later tijden werd Avalon aangewezen als te zijn
een bestaande plaats in Brittannië (Glastonbury). In het verhaal
van Geoffrey komt niets voor over den Heiligen Graal, of Lancelot,
of de Tafelronde, en behoudens de toespeling op Avalon ontbreekt het
mystieke element van de Arthur-sage. Evenals Nennius wijst Geoffrey de
Britten een fantastischen klassieken oorsprong aan. Zijn zoogenaamde
geschiedenis is volmaakt waardeloos als een vermelding van feiten,
maar is een ware mijn gebleken voor dichters en kroniekschrijvers en
haar komt de eer toe de stof te hebben geleverd voor het vroegste
Engelsche tragisch drama "Gorboduc" en voor Shakespeare's "King
Lear"; en de auteur kan worden aangemerkt als de vader--althans
van den quasi-historischen kant beschouwd--van de Arthur-sage, die
hij samenstelde gedeeltelijk uit verhalen van den historischen _dux
bellorum_ van Nennius, gedeeltelijk uit poëtische uitbreidingen daarvan
gemaakt in Bretagne door afstammelingen van ballingen uit Wales,
van welke er vele daarheen vluchtten juist toen Arthur oorlog voerde
tegen de heidensche Saksers. Het boek van Geoffrey had een verbazend
succes. Het werd al spoedig in het Fransch vertaald door Wace, die
"Li Romans de Brut" schreef omstreeks 1155, met bijzonderheden uit
Bretagner bronnen er bijgevoegd, en uit het Fransch van Wace vertaald
in het Angel-Saksisch door Layamon, die aldus Malory's bewerkingen van
latere Fransche proza-verhalen vóór was. Met uitzondering van enkele
geleerden die vruchteloos protesteerden, twijfelde niemand aan de
zuiver historische waarde, en het had de belangrijke uitwerking aan
de vroegere Britsche geschiedenis een nieuwe waardigheid te geven
in de schatting van vastelands- en Engelsche vorsten. Op den troon
van Arthur te zitten werd op zich zelf als een glorie beschouwd,
door monarchen uit het geslacht der Plantagenets, die geen droppel
van Arthur's of van eenig Britsch bloed in de aderen hadden.
De sage in Bretagne: Marie de France.
Nu iets over de bronnen van Bretagne. Jammer genoeg, geen regel
van de oude literatuur van Bretagne is tot ons gekomen en voor
de kennis daarvan moeten wij afgaan op hetgeen daarover voorkomt
in het werk van Fransche schrijvers. Een van de eersten dezer is
de Anglo-Normandische dichteres die zich Marie de France noemt en
die omstreeks 1150 en daarna schreef. Zij dichtte o.a. een aantal
"Lais," of verhalen, die zij uitdrukkelijk en herhaaldelijk zegt te
zijn vertaald of bewerkt naar bronnen van Bretagne. Soms beweert zij
het oorspronkelijke precies te hebben weergegeven:
"Les contes que jo sai verais (que je sais vrais)
Dunt li Bretun unt fait les lais
Vos conterai assez briefment;
Et cief (sauf) di cest coumencement
Selunc la lettre è l' escriture."
Feitelijk wordt in de verhalen weinig over Arthur gezegd, maar de
gebeurtenissen er in vallen in zijn tijd--_en cet temps tint Artus la
terre_--en de toespelingen, o.a. een vermelding van de Tafelronde,
wijzen klaarblijkelijk er op dat het onderwerp algemeen bekend was
onder hen voor wie deze "Lais" van Bretagne bestemd waren. Lancelot
wordt niet genoemd, maar er is een "Lai" over zekeren Lanval, die
door Arthur's koningin wordt bemind, maar die haar afwijst omdat hij
een tooveres tot minnares heeft in het "isle d'Avalon." Gawain wordt
genoemd en een episode wordt verteld in den "Lai de Chevrefoil"
van Tristan en Isolde, over wier dienstmaagd "Brangien" zoodanig
wordt gesproken, dat de toehoorders blijkbaar wisten welke rol
zij had gespeeld in Isolde's huwelijksnacht. Om kort te gaan, wij
hebben hier het bewijs dat zich in Bretagne een wijd verbreide en
goed ontwikkelde massa ridderlegenden om de persoon van Arthur had
opgehoopt. Zoo welbekend zijn de legenden, dat bloote toespelingen op
personen en episoden daarin evengoed begrepen worden als verwijzingen
naar Tennyson's "Idylls" het bij ons zouden zijn in onzen tijd. De
"Lais" van Marie de France wijzen derhalve sterk op Bretagne als de
ware bakermat van de Arthur-sage, van haar riddelijken en romantischen
kant. Zij maken echter geen melding van den Graal.
Chrestien de Troyes.
Ten slotte en bovenal hebben wij het werk van den Franschen dichter
Chrestien de Troyes, die in 1165, evenals Marie de France, "Lais"
uit Bretagne begon te vertalen en die feitelijk de Arthur-sage in de
poëtische literatuur van Europa bracht en er de voornaamste trekken
en haar karakter aan gaf. Hij schreef een "Tristan" (nu verloren
gegaan). Hij (zoo niet Walter Map) bracht Lancelot van het Meer in het
verhaal; hij schreef een _Conte del Graal_, waarin voor het eerst de
Graal-legende en Perceval voorkomen, al liet hij het verhaal onvoltooid
en al vertelt hij ons niet wat de "Graal" werkelijk was [206]. Hij
schreef ook een lang _conte d'aventure_, getiteld "Erec," bevattende
de geschiedenis van Geraint en Enid. Dit zijn de vroegste gedichten
die wij bezitten, waarin de Arthur van de ridderlegende sterk op den
voorgrond treedt. Welke waren de bronnen van Chrestien? Ongetwijfeld
voor een groot deel uit Bretagne. Troyes ligt in Champagne, dat in 1019
door Eudes, Graaf van Blois, met Blois was vereenigd en weer na een
periode van scheiding er mee was hereenigd, door Graaf Theobald van
Blois in 1128. Maria, Gravin van Champagne, was de beschermvrouw van
Chrestien. En er waren nauwe banden tusschen de heerschende vorsten
van Blois en Bretagne. Alain II, een Hertog van Bretagne, had in de
tiende eeuw een zuster van den Graaf van Blois gehuwd en in het eerste
vierde gedeelte van de dertiende eeuw huwde Jean I van Bretagne Blanche
van Champagne, terwijl hun dochter Alix in 1254 Jean de Chastillon,
Graaf van Blois, huwde. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat door
minstreels die hun meesters uit Bretagne aan het hof van Blois volgen,
van het midden der tiende eeuw af, een groot aantal "Lais" en legenden
uit Bretagne hun weg vonden tot de Fransche literatuur in de elfde,
twaalfde en dertiende eeuwen. Maar het is ook zeker dat de legenden
van Bretagne zelf sterk onder Fransche invloeden waren geraakt en
dat wij aan de _Matière de France_, zooals die door middeneeuwsche
schrijvers werd genoemd [207]--i.e. de legenden van Karel de Groote en
zijn Paladynen--de Tafelronde verschuldigd zijn en de riddergebruiken
toegeschreven aan Arthur's hof te Caerleon aan de Usk.
Bleheris.
Men moet niet vergeten (iets waarop miss Jessie L. Weston met nadruk
heeft gewezen in haar onwaardeerbare studies over de Arthur-sage)
dat Gautier van Denain, de eerste van de voortzetters of omwerkers
van Chrestien de Troyes, als zijn bron voor de verhalen van Gawain
zekeren Bleheris noemt, een dichter "geboren en opgegroeid in
Wales." Men houdt dezen vergeten bard voor identiek met _famosus
ille fabulator, Bledhericus_, vermeld door Giraldus Cambrensis, en
met den Bréris, dien Thomas van Bretagne aanhaalt als een autoriteit
voor de Tristan-geschiedenis.
Conclusie betreffende den oorsprong van de Arthur-sage.
Bij gebrek evenwel aan eenige inlichting omtrent den tijd waarin
Bleheris schreef, of wat hij precies schreef, moet dunkt mij, de
meening stand houden, dat de Arthur-sage, zooals wij die nu hebben,
niet uit Wales en zelfs niet alleen uit Bretagne afkomstig is. De
ballingen uit Wales, die omstreeks de zesde eeuw een deel van Bretagne
koloniseerden, moeten vele verhalen van den historischen Arthur
hebben meegebracht. Zij moeten ook hebben meegebracht legenden van de
Keltische godheid Artaius, een god voor wien in Frankrijk altaren zijn
gevonden. Deze personages gingen ten slotte in elkaar over, evenals in
Ierland de christelijke St. Brigit samenviel met de heidensche godin
Brigindo [208]. Wij krijgen aldus een mythische figuur, die iets van
de goddelijke hoogheid verbindt met een bepaalde woonplaats op aarde
en een plaats in de geschiedenis. Aldus onstond een Arthur-sage, die
in haar Bretagner vorm (niet in haar Wales-vorm) zeer verrijkt was
met materiaal geput uit de legenden van Karel de Groote en zijn pairs,
terwijl zij èn in Bretagne èn in Wales een centrum werd, waarom heen
zich een massa onzeker legende-materiaal groepeerde, betrekking hebbend
op allerlei Keltische personages, menschelijke en goddelijke. Chrestien
de Troyes, naar materiaal uit Bretagne werkende, gaf haar ten slotte
den vorm waarin zij de wereld veroverde en waarin zij in de twaalfde
en dertiende eeuwen werd wat de Faust-legende in later tijden was:
het erkend voertuig voor de idealen en de verlangens van een tijdperk.
De sage in Wales.
Uit het vasteland en in het bijzonder uit Bretagne, kwam
de geschiedenis van Arthur gewijzigd en verheerlijkt in Wales
terug. Wijlen dr. Heinrich Zimmer merkt in een van zijn schitterende
studies over het onderwerp op, dat "er in de literatuur van Wales
stellige getuigenis is, dat vorst Rhys ap Tewdwr uit Zuid-Wales, die
in Bretagne was geweest, van daar in 1070 naar Wales de wetenschap
van Arthur's Tafelronde meebracht, waar die natuurlijk tot hiertoe
onbekend was" [209] En men weet dat vele edelen uit Bretagne de banier
van Willem de Veroveraar naar Engeland volgden [210]. Zij die de sage
in Wales invoerden vonden daar echter al een aanzienlijke massa stof
over Arthur van een geheel verschillend karakter. Behalve de tradities
van den historischen Arthur, den _dux bellorum_ van Nennius, was er de
Keltische godheid Artaius. Het is vermoedelijk een herinnering aan die
godheid die wij onder den naam Arthur aantreffen in het eenige echte
Arthur-verhaal in Wales dat wij bezitten, de geschiedenis van Kilhwch
en Olwen in de "Mabinogion." Veel van de Arthur-sage aan Chrestien en
andere schrijvers van het vasteland ontleend, werd in Wales vertaald en
bewerkt, evenals in andere Europeesche landen, maar feitelijk maakte
zij later en geringer indruk in Wales dan bijna overal elders. Zij
kwam in botsing met bestaande tradities daar, zoowel historische als
mythologische; zij bevatte veel dat den geest daar geheel vreemd
was en zij bleef daar altijd iets van een ander land dat niet was
geassimileerd. In Ierland drong zij in het geheel niet door.
Natuurlijk maken deze weinige inleidende opmerkingen er geen aanspraak
op een bespreking van de Arthur-sage te zijn--een uitgebreid onderwerp
met tallooze vertakkingen, historische, mythologische, mystieke en wat
niet al--maar beoogen zij alleen de betrekking tusschen die sage en
de echte Keltische literatuur aan te wijzen en te verklaren waarom
wij daarvan zoo weinig zullen hooren in de volgende mededeelingen
over Kimbrische mythen en legenden. Zij was een groote geestelijke
mythe die, ontstaan uit de vroeger beschreven bronnen, het geheele
vasteland veroverde zooals de held er van werd ondersteld dat met
de wapens te hebben gedaan, maar zij kan niet worden beschouwd als
een bijzonder bezit van het Keltische ras, ook komt zij niet voor in
eenige Keltische taal, tenzij vertaald, of bewerkt.
Galische en Kimbrische legenden.
De mythen en legenden van het Keltische ras, die tot ons zijn gekomen
in de taal van Wales zijn in sommige opzichten van een ander karakter
dan die welke wij in het Galisch bezitten. Het materiaal van Wales is
lang niet zoo rijk, ook niet zoo oud. De verhalen van de "Mabinogion"
zijn in hoofdzaak geput uit het veertiend' eeuwsch handschrift. "Het
Roode Boek van Hergest." Een er van, het verhaal van Taliesin, kwam
uit een andere bron, een manuscript van de zestiende eeuw. De vier
oudste verhalen in de "Mabinogion" worden door de geleerden ondersteld
hun tegenwoordigen vorm te hebben aangenomen in de tiende of elfde
eeuw, terwijl verscheidene Iersche verhalen, zooals de geschiedenis
van Etain en Midir of de Dood van Conary, tot de zevende of achtste
eeuw teruggaan. Men zal zich herinneren dat de geschiedenis van den
inval van Partholan aan Nennius bekend was, die omstreeks het jaar
800 schreef. Zooals daarom te verwachten was, zijn de mythologische
elementen in de verhalen uit Wales doorgaans veel verwarder en
moeilijker te ontcijferen dan in de vroegere Iersche verhalen. Het
mythische is van minder belang, de geschiedenis van meer belang
geworden; het is den bard minder er om te doen een gewijden tekst
te overleveren dan het hof van een vorst afleiding te bezorgen. Wij
moeten ook in het oog houden dat de invloed van de continentale
ridderverhalen in de verhalen van Wales duidelijk merkbaar is en hen
feitelijk eventueel geheel gaat beheerschen.
Galische en continentale romantiek.
In vele opzichten liep de Iersche Kelt vooruit op de ideeën in die
verhalen. De voorname hoofschheid die vijanden elkander betoonden
[211], de zonderlinge trots die een krijgsman verbood partij te trekken
van den hulpeloozen toestand van een gewond tegenstander [212],
de overdreven vormelijkheid waarmede de plichten of voorschriften
behoorende bij ieders kaste of stand werden in acht genomen [213]--deze
geheele sfeer van gedachten en gevoelens die ons zoo vreemd zou
voorkomen, indien wij een voorbeeld er van aantroffen in de klassieke
literatuur, zou zeer gewoon en natuurlijk lijken in continentale
verhalen van de twaalfde en latere eeuwen. Eeuwen vroeger was die
een kenmerkende trek in de Galische literatuur. Toch ontbreekt in de
Iersche verhalen, hetzij Ultoniaansche of Ossian'sche, dat element,
dat sedert dien als het meest belangrijke motief in een romantisch
verhaal werd beschouwd, zoo goed als geheel. Dat is het element der
liefde, of liever der vrouwenvereering. De continentale verteller
begreep dat hij niets vermocht zonder dit motief van handeling. Maar
de "beminde" van den Engelschen, Franschen, of Duitschen ridder,
wier kleuren hij droeg, om wier gunst hij ongekende ontberingen en
gevaren verduurde, komt niet voor in de Galische literatuur. Het zou
den Ierschen Kelt ongerijmd hebben toegeschenen, de intrige van een
ernstig verhaal te laten draaien om de soort van hartstocht, die de
middeneeuwsche Dulcinea haar trouwen ridder wist in te boezemen. In de
twee beroemdste en populairste Galische verhalen van minne, dat van
Deirdre, en "De Vervolging van Dermot en Grania," zijn het de vrouwen
die de mannen trachten te winnen en de mannen gaan zeer ongaarne
er toe over te begaan wat zij weten te zijn: de dwaasheid hun toe
te geven. Deze romantische ridderlijke soort van liefde nu, die de
vrouw tot een godin idealiseerde en den dienst zijner dame voor den
ridder tot een heiligen plicht maakte, is, hoewel zij in Wales nimmer
zoo in aanzien kwam als in continentale en Engelsche verhalen, toch
daar duidelijk waarneembaar. Wij kunnen die vervolgen in "Kilhwch en
Olwen," betrekkelijk een oud verhaal. Zij komt duidelijk uit in latere
verhalen, als "Peredur" en "De Vrouw van de Bron." Het is een teeken
in welke mate de literatuur van Wales, vergeleken bij de Iersche,
haar zuiver Keltischen geest had verloren en vreemde invloeden had
ondergaan--ik zeg natuurlijk niet tot haar schade.
Galische en Kimbrische mythologie: Nudd.
De oudste verhalen van Wales, die welke geheeten zijn "De vier takken
van de Mabinogi" [214] zijn het rijkst aan mythologische elementen,
maar deze komen in meer of min herkenbaren vorm voor in bijna
alle middeneeuwsche verhalen, en zelfs, na vele veranderingen,
bij Malory. Wij kunnen duidelijk zekere mythologische figuren
onderscheiden, aan alle Keltische geschriften gemeen. Zoo vinden
wij bijv. een personage genaamd Nudd of Lludd, blijkbaar een
zonnegodheid. Een tempel stammend uit Romeinsche tijden en hem
toegewijd onder den naam van Nodens, is ontdekt te Lydney, aan de
Severn. Op een bronzen bord, dicht bij de plek gevonden, is een
voorstelling van den god. Hij is omgeven door een stralenkrans
en vergezeld door vliegende geesten en door Tritons. Dat doet ons
denken aan de Danaansche godheden en hun nauwe betrekking tot de zee;
en wanneer wij vinden dat in legenden van Wales een epitheton met
Nudd is verbonden, beteekenend "met de zilveren hand" (hoewel geen
bestaande legende van Wales de beteekenis van dat epitheton vertelt),
valt het ons niet moeilijk dezen Nudd een te verklaren met Nuada met
de zilveren hand, die de Dananen aanvoerde in den slag van Moytura
[215]. Onder zijn naam Lludd had hij, zegt men, een tempel op de
plaats van St. Paul te Londen, waarvan de ingang, volgens Geoffrey
van Monmouth, in de taal van Bretagne _Parth Lludd_ werd geheeten,
wat de Saksers vertaalden met _Ludes Geat_, ons tegenwoordig Ludgate.
Llyr en Manawyddan.
Zoo kunnen wij, wanneer wij een mythologische persoon aantreffen
Llyr geheeten, met een zoon genaamd Manawyddan, die een voorname rol
speelt in legenden van Wales, hen veilig in verband brengen met den
Ierschen Lir en zijn zoon Mananan, goden van de zee. Llyr-cester,
nu Leicester, was een centrum van den eeredienst van Llyr.
Llew Llaw Gyffes.
Ten slotte kunnen wij wijzen op een figuur in de "Mabinogi" (in de
vertelling getiteld "Math zoon van Mathowny"). De naam er van wordt
gegeven als Llew Llaw Gyffes, wat de verteller uit Wales vertolkt met
"De leeuw met de vaste hand," en een verhaal, dat hier later volgt,
wordt gedaan om den naam te verklaren. Maar wanneer wij zien dat deze
held eigenschappen vertoont die er op wijzen dat hij een zonnegodheid
is, zoo bijv. een verbazend snelle groei van kind tot man, en wanneer
wij bovendien van professor Rhys vernemen dat Gyffes oorspronkelijk
beteekende, niet "vast" of "zeker," maar "lang" [216], dan wordt het
duidelijk, dat wij hier een flauwe en afgebroken herinnering hebben
aan de godheid die de Galen noemden Lugh met den langen arm [217],
_Lugh Lamh Fada_. De verkeerd begrepen naam bleef leven en om het
misverstand zette zich legendaire stof, die bij het volk rond ging,
tot een nieuw verhaal vast.
Men zou deze overeenstemmingen nog verder in bijzonderheden kunnen
aantoonen. Hier kunnen wij volstaan met er op te wijzen als bewijs
voor den gemeenschappelijken oorsprong van de Galische en Kimbrische
mythologie [218]. In beide literaturen hebben wij denzelfden kring
van mythologische ideeën. Maar in Wales zijn die moeilijker te
onderscheiden; de figuren en hun bloedverwantschap in den Olympus van
Wales zijn minder nauwkeurig omschreven, wisselender. Het is alsof een
aantal verschillende stammen, wat oorspronkelijk dezelfde concepties
waren, onder verschillende namen belichaamden en verschillende legenden
er om heen weefden. De bardenliteratuur, zooals wij die nu kennen,
getuigt nu eens van het op den voorgrond treden van een, dan eens
van een ander dezer stam-vereeringen. Eenheid te brengen in deze
wisselende voorstellingen is ten eenenmale onmogelijk; toch kunnen
we iets doen om den lezer een draad te geven in het doolhof.
De geslachten van Don en van Llyr.
Twee groote goddelijke geslachten of familiën kunnen worden
onderscheiden--dat van Don, een moeder-godin (vertegenwoordigend de
Galische Dana), wier echtgenoot is Beli, de Iersche Bilé, god van
den Dood, en wier afstammelingen zijn de Kinderen van het Licht;
en dat van Llyr, de Galische Lir, die hier vertegenwoordigt, niet
een Danaansche godheid, maar iets meer overeenkomend met de Iersche
Fomoriërs. Evenals in het geval van de Iersche mythe, zijn de twee
familiën door onderling huwelijk verbonden--Penardun, een dochter van
Don, is gehuwd met Llyr. Don zelf heeft een broeder, Math, wiens naam
beteekent rijkdom of schat (verg. het Grieksch Pluton, _plautos_)
en zij stammen af van een niet scherp gekarakteriseerde figuur,
Mathonwy geheeten.