HOOFDSTUK VII: DE REIS VAN MAELDUN.

Naast de legenden die zich om groote heldhaftige namen ophoopen en

het karakter van geschiedenis dragen, of althans beweren te dragen,

zijn er vele andere, groote en kleine, die van avonturen vertellen

die zich geheel bewegen in romantische sferen, buiten aardsche ruimte

en tijd. Als een staal er van geef ik hier den korten inhoud van de

"Reis van Maeldun," een zeer merkwaardig en schitterend werk van

verdichting, voorkomend in het handschrift getiteld het "Boek van

de Dun Koe" (omstreeks 1100) en andere oude bronnen, en uitgegeven

met een vertaling (waaraan ik hier de volgende uittreksels ontleen)

door dr. Whitley Stokes in de "Revue Celtique" van 1888 en 1889. Het

is slechts een van de vele dergelijke wonderreizen die men in de oude

Iersche literatuur aantreft, maar men denkt dat het de eerste van

allen en een model voor de anderen is geweest, en het heeft de eer

gehad--in den verkorten en gewijzigden vorm door Joyce gegeven in zijn

"Oude Keltische Verhalen"--de stof te hebben geleverd voor de "Reis

van Maeldune" aan Tennyson, die daarvan een verwonderlijke schepping

heeft gemaakt van rythmus en kleur, een soort allegorie der Iersche

geschiedenis vormend. Men zal aan het slot opmerken dat wij in het

ongewone geval verkeeren dat wij den naam kennen van den auteur van dat

stuk primitieve literatuur, hoewel hij geen aanspraak er op maakt de

"Reis" te hebben samengesteld, maar alleen de gebeurtenissen er van te

hebben "geordend." Jammer genoeg kunnen wij niet zeggen wanneer hij

leefde, maar het verhaal zooals wij het kennen, dateert vermoedelijk

van de negende eeuw. De sfeer er van is zuiver christelijk en het

heeft geen mythologische beteekenis dan voor zoover het leert, dat

de duistere bevelen van waarzeggers moeten worden gehoorzaamd. Geen

avontuur of zelfs bijzonderheid van gewicht is weggelaten in het

volgend overzicht van het verhaal, dat aldus volledig wordt gegeven

omdat de lezer het kan beschouwen als vertegenwoordigend een groot

en belangrijk deel der Iersche legende-literatuur. Behalve de bron

waaruit ik put, de "Revue Celtique," is mij geen andere getrouwe

Engelsche reproductie van dit verwonderlijk verhaal bekend.

De "Reis van Maeldun" begint zooals Iersche verhalen vaak doen,

met ons te vertellen hoe de held ter wereld kwam.

Daar was een beroemd man van de clan der Owens van Aran, genaamd

Ailill van den Rand van den Slag, die zijn koning op een strooptocht

vergezelde naar een ander gebied. Op zekeren nacht kampeerden zij

bij een kerk en een nonnenklooster. Te middernacht zag Ailill, die

zich bij de kerk bevond, een non uit het klooster komen om de klok te

luiden voor het gebed en hij vatte haar bij de hand. In oud-Ierland

werden godsdienstige personen in oorlogstijd niet bijster ontzien

en Ailill ontzag de non niet. Toen zij scheidden, zeide zij tot hem:

"Van welken stam zijt gij en wat is uw naam?" Daarop zeide de held:

"Ailill van den Rand van den Slag is mijn naam en ik ben van de Owens

van Aran, in Thomond."

Niet lang daarna werd Aillil gedood door roovers uit Leix, die de

kerk van Dooclone boven zijn graf verbrandden.

Op zijn tijd werd de non een zoon geboren en zij gaf hem den naam

Maeldun. Hij werd heimelijk gebracht naar haar vriendin, de koningin

van het gebied, en deze bracht Maeldun groot. "Hij was inderdaad

welgemaakt en het is de vraag of er ooit iemand zoo schoon was als

hij. Zoo groeide hij op, totdat hij geschikt was wapens te dragen. Hij

was toen zeer levendig, vroolijk en dartel. Bij het spelen overtrof

hij al zijn makkers in het werpen van ballen, in loopen en springen,

werpen met steenen en narennen van paarden."

Eens tergde hem een trotsche jonge krijgsman, dien hij had verslagen,

omdat hij niets wist van zijn familie en afkomst. Maeldun ging tot

zijn pleegmoeder, de koningin, en zeide: "Ik zal niet eten of drinken

vóór gij mij zegt wie mijn moeder en mijn vader zijn." "Ik ben uw

moeder", zeide de koningin, "want geen vrouw had ooit haar zoon meer

lief dan ik u lief heb". Maar Maeldun drong er op aan alles te weten

en de koningin bracht hem ten slotte tot zijn eigen moeder, de non,

die hem zeide: "Uw vader was Ailill van de Owens van Aran." Toen ging

Maeldun naar zijn eigen familie, die hem goed ontving; en hij nam als

gasten mee zijn drie geliefde pleegbroeders, zonen van den koning en

de koningin die hem hadden groot gebracht.

Een poos later was Maeldun toevallig met een troep jonge krijgslieden

samen, die op het kerkhof van de vernielde kerk van Doocloone steenen

wilden gooien. Maeldun had, terwijl hij een steen oplichtte, den voet

geplant op een verschroeiden en zwarten zandsteen; en een monnik,

Briccne [189] geheeten, die er bij stond, zeide tot hem: "Het ware

beter dat gij den man wreektet die hier verbrand werd, dan steenen

te werpen over zijn verbrande beenderen."

"Wie was dat?" vroeg Maeldun.

"Ailill, uw vader", zeide men hem.

"Wie versloeg hem?", vroeg hij.

"Roovers uit Leix", zeiden zij, "en zij doodden hem op deze plaats."

Toen wierp Maeldun den steen neer, dien hij op het punt stond te

gooien, en sloeg zijn mantel om zich heen en ging naar huis; en hij

vroeg den weg naar Leix. Men zeide hem dat hij daar alleen over zee

kon komen [190].

Op raad van een Druïde bouwde hij zich nu een boot, of visschersboot,

van huiden driemaal over elkaar gewikkeld om een houten geraamte; en

de waarzegger zeide hem ook dat zeventien mannen slechts hem moesten

vergezellen, op welken dag hij moest beginnen met den bouw van de

boot en op welken dag hij zee moest kiezen.

Toen zijn troep gereed was, stak hij van wal en heesch het zeil,

maar hij had nog slechts een korten afstand afgelegd toen zijn drie

pleegbroeders naar de baai kwamen en smeekten hen mee te nemen. "Gaat

naar huis", zeide Maeldun, "want ik mag niet meer meenemen dan ik

nu heb". Maar de drie jongelingen wilden niet van Maeldun scheiden

en zij wierpen zich in zee. Hij keerde om, opdat zij niet zouden

verdrinken en nam hen op in zijn boot. Zooals wij zullen zien,

werden alle gestraft voor deze overtreding, en werd Maeldun tot

zwerven veroordeeld, totdat hij had geboet.

Iersche barden-verhalen munten uit in hun inzet. Zooals gewoonlijk

is in dit geval de _mise-en-scène_ bewonderenswaardig bedacht. Het

nu volgend verhaal vertelt hoe, na op een eiland den man te

hebben gezien die zijn vader doodde, maar niet in staat daar te

landen, Maeldun en zijn gezelschap in volle zee worden gedreven,

en een groot aantal eilanden bezoeken, waarop zij vele vreemde

avonturen hebben. Feitelijk wordt het verhaal een _cento_ (reeks)

van vertellingen en gebeurtenissen, sommige niet zeer belangwekkend,

terwijl in andere, zooals het avontuur van het Eiland met den Zilveren

Pijler, of het Eiland met den Brandenden Muur, of dat waarin de episode

van den arend plaats heeft, het Keltische gevoel voor schoonheid,

fantasie en mysterie op een in de literatuur misschien onovertroffen

wijze tot uitdrukking komt.

In de hier volgende bewerking heb ik de verzen, die Joyce aan

het slot van elk avontuur geeft, weggelaten. Zij recapituleeren

slechts het proza-verhaal en worden niet gevonden bij de oudste

handschrift-autoriteiten.

Het eiland van den moordenaar.

Maeldun en zijn bemanning hadden den ganschen dag en den halven

nacht geroeid, toen zij twee kleine naakte eilanden bereikten, met

twee forten er op; men hoorde gewapende mannen twisten. "Blijf op

een afstand van mij", riep een hunner, "want ik ben meer dan gij. Ik

was het die Ailill van den Rand van den Slag doodde en de kerk van

Doocloone boven zijn graf verbrandde en geen bloedverwant heeft zijn

dood op mij gewroken. En gij hebt nooit zoo iets gedaan".

Toen was Maeldun op het punt te landen en German [191] en Diuran

de Rijmer riepen dat God hen geleid had naar de plaats waar zij

wezen wilden. Maar eensklaps stak een sterke wind op en joeg hen

den onmetelijken oceaan op en Maeldun zeide tot zijn pleegbroeders:

"Dit is uw schuld, omdat gij aan boord kwaamt ondanks de woorden van

den Druïde". En zij konden geen antwoord geven, dan alleen door een

poosje te zwijgen.

Het eiland met de mieren.

Zij dreven drie dagen en drie nachten, niet wetend waarheen te roeien,

toen zij, bij het aanbreken van den derden dag het gedruisch van

brekers hoorden en zoodra de zon was opgegaan bereikten zij een

eiland. Hier, voor dat zij konden landen, ontmoetten zij een zwerm

van roofgierige mieren, elk ter grootte van een veulen, die van het

strand en in zee kwamen om hen te bereiken; zij maakten zich dus

spoedig uit de voeten en zagen in drie dagen geen land.

Het eiland met de groote vogels.

Dit was een terrasvormig eiland, geheel door boomen omgeven en met

groote vogels in de boomen. Maeldun landde eerst alleen en doorzocht

het eiland met zorg, zonder iets kwaads te vinden; de overigen volgden

toen en doodden en aten vele van de vogels, terwijl zij andere op

hun boot meenamen.

Het eiland met het woeste beest.

Dit was een groot zandig eiland, er was een beest op als een paard,

maar met pooten als die van een hond. Het vloog op hen aan om hen te

verslinden, maar zij gingen tijdig heen en werden door het beest met

steenen van het strand geworpen toen zij weg roeiden.

Het eiland met de reuzenpaarden.

Een groot vlak eiland; het lot bepaalde dat German en Diuran dat het

eerst zouden onderzoeken. Zij vonden een groote groene renbaan, waarop

de afdrukken waren van paardenhoeven, elk zoo groot als het zeil van

een schip, en er lagen basten van noten van reusachtige afmetingen en

veel buit. Bevreesd scheepten zij zich weer ijlings in en van uit zee

zagen zij een wedren aan den gang en hoorden zij een groote menigte

schreeuwen, het witte of het bruine paard toejuichend, en zij zagen de

reuzenpaarden loopen, vlugger dan de wind. [192] Zij roeiden weg zoo

snel zij konden, meenend dat zij een verzameling demonen hadden gezien.

Het eiland met de steenen deur.

Een volle week ging voorbij en toen ontdekten zij een groot hoog

eiland met een huis op het strand. Een deur met een steenen vleugel

leidde naar de zee en de golven wierpen onophoudelijk zalmen er door

heen in het huis. Maeldun en zijn troep gingen binnen en vonden geen

menschen in het huis; maar een groot bed lag gereed voor het hoofd

aan wien het behoorde en een bed voor telkens drie van zijn mannen,

en spijs en drank naast elk bed. Maldun en zijn troep aten en dronken

hun bekomst en vertrokken toen weer.

Het eiland met de appelen.

Toen zij daar waren gekomen, hadden zij geruimen tijd gereisd,

en voedsel had hun ontbroken en zij waren hongerig. Dit eiland had

steile kanten, waarvan bosschen afhingen; in het voorbijgaan langs de

rotsen brak Maeldun een tak af en hield die in de hand. Drie dagen

en nachten zeilden zij langs de rotsen en vonden geen toegang tot

het eiland, maar tegen dien tijd waren drie appels gegroeid aan het

uiteinde van Maeldun's tak en aan elken appel had de bemanning voor

veertig dagen genoeg.

Het eiland met het wonderbeest.

Dit eiland had een steenen omheining; daarbinnen rende een geweldig

groot dier voortdurend om het eiland heen. En nu en dan ging het naar

den top van het eiland en verrichtte dan een wonderbaarlijk feit: het

draaide zijn lijf voortdurend om in zijn huid, die onbeweeglijk bleef,

soms daarentegen draaide het de huid altijd door om het lijf. Toen het

de mannen zag, snelde het op hen af, maar zij ontkwamen, al wegroeiend

met steenen geworpen. Een van de steenen drong door Maeldun's schild

en bleef zitten in de kiel van de boot.

Het eiland met de bijtende paarden.

Hier waren vele groote beesten op paarden gelijkend, die voortdurend

stukken vleesch uit elkanders lijf scheurden, zoodat het eiland vol

bloed lag. Zij roeiden ijlings weg, en zij waren nu ontmoedigd en

treurig, want zij wisten niet waar zij zich bevonden, of hoe zij den

weg en hulp zouden vinden.

Het eiland met de gloeiende zwijnen.

Zeer moede, hongerig en dorstig kwamen zij aan het tiende eiland,

dat vol boomen was beladen met gouden appels. Onder de boomen liepen

roode beesten, als gloeiende zwijnen, die met hun pooten tegen

de boomen schopten; dan vielen de appels en de beesten verslonden

die. De beesten kwamen alleen 's morgens te voorschijn, als een aantal

vogels het eiland verlieten, en zwommen in zee tot het negende uur,

keerden dan om en zwommen terug tot zonsondergang en aten de appels

den geheelen nacht door.

Maeldun en zijn gezellen landden 's nachts en voelden den bodem

heet onder hun voeten van de gloeiende zwijnen in hun ondergrondsche

holen. Zij verzamelden zooveel appels als zij maar konden, die goed

waren zoowel voor den honger als voor den dorst, laadden die in hun

boot en kozen opnieuw, verfrischt, zee.

Het eiland met de kleine kat.

De appels waren op toen zij hongerig en dorstig het elfde eiland

bereikten. Dit was, als het ware, een hooge witte toren van kalk, die

tot de wolken reikte, en op den wal er om heen stonden groote huizen

wit als sneeuw. Zij traden het grootste er van binnen en vonden er geen

mensch, maar een kleine kat spelend op steenen pilaren, die midden in

het huis waren; zij sprong van den een naar den ander. Zij keek een

beetje naar de Iersche krijgers, maar hield niet op met haar spel. Aan

de wanden van het huis hingen drie rijen voorwerpen: een rij gouden

en zilveren borstspelden en een van gouden en zilveren halskettingen,

elk zoo dik als de hoepel van een vat, en een van groote zwaarden met

gouden en zilveren gevesten. Dekens en schitterende gewaden lagen

in het vertrek, en er was ook een gebraden os en een zijde spek en

overvloed van drank. "Is dit voor ons achtergelaten?", zeide Maeldun

tot de kat. Zij keek hem een oogenblik aan en zette toen haar spel

voort. Toen aten en dronken zij en sliepen en bergden op wat er van

het voedsel overbleef. Den volgenden dag, toen zij zich opmaakten om

het huis te verlaten, nam de jongste van Maeldun's pleegbroeders een

ketting van den wand en hij wilde die meenemen toen de kat eensklaps

"als een vurige pijl door hem heen sprong" en hij viel als een hoop

asch op den grond. Daarop bracht Maeldun, die den diefstal van het

kleinood had verboden, de kat tot bedaren en hing de ketting weer op,

en zij strooiden de asch van den dooden jongeling op het strand en

gingen weer op zee.

Het eiland met de zwarte en witte schapen.

Dit werd door een metalen staketsel in tweeën verdeeld: aan den

eenen kant was een kudde zwarte, aan den anderen kant een kudde

witte schapen. Tusschen beiden was een groote man die beide kudden

verzorgde en soms bracht hij een wit schaap onder de zwarte, in welk

geval het onmiddellijk zwart werd, of een zwart schaap onder de witte,

dat dan dadelijk wit werd. [193] Bij wijze van proef wierp Maeldun

een geschilden witten stok aan den kant der zwarte schapen. Hij werd

dadelijk zwart, waarop zij verschrikt de plaats verlieten, zonder

te landen.

Het eiland met het reuzenvee.

Een groot en uitgestrekt eiland met een kudde groote zwijnen. Zij

doodden een klein varken en braadden het ter plaatse, omdat het te

groot was om aan boord te nemen. Het eiland verhief zich tot een

zeer hoogen berg en Druan en German gingen van den top er van het

land bekijken. Op weg daarheen vonden zij een breede rivier. Om de

diepte van het water te peilen dompelde German het handvat van zijn

speer er in, dat dadelijk als door vloeibaar vuur werd verteerd. Aan

den anderen oever was een groote man die een kudde bewaakte van wat

ossen leken te zijn. Hij riep hun toe de kalveren niet te storen,

zij gingen dus niet verder en zeilden snel weg.

Het eiland met den molen.

Hier vonden zij een groote, somber uitziende molen, waarin een

reusachtige molenaar koren maalde. "De helft van het graan van uw

land," zeide hij, "wordt hier gemalen. Hier komt om te worden vermalen

al wat de menschen elkander niet gunnen". Zwaar en talrijk waren de

ladingen die zij er heen zagen gaan en al wat in den molen was gemalen

werd naar het westen weggevoerd. Zij kruisten zich en vertrokken.

Het eiland met de zwarte rouwdragers.

Een eiland vol zwarte menschen die voortdurend schreiden

en jammerden. Een van de twee nog overgebleven pleegbroeders van

Maeldun landde er, werd onmiddellijk zwart en begon te schreien als de

overigen. Twee anderen gingen hem halen; hun trof hetzelfde lot. Toen

gingen weer anderen, de hoofden met doeken omwonden, opdat zij het

land niet zouden zien en de lucht niet inademen, en zij grepen de twee

vermisten en voerden die met geweld mee, maar niet den pleegbroeder. De

twee geredden konden hun gedrag alleen verklaren door te zeggen dat

zij moesten doen, zooals zij anderen om zich heen zagen doen.

Het eiland met de vier heggen.

Vier heggen van goud, zilver, koper en kristal verdeelden dat eiland in

vier deelen: in het eene waren koningen, in het andere koninginnen,

in het derde krijgslieden, in het vierde jonge maagden. Toen zij

landden gaf een maagd hun voedsel, dat op kaas geleek en dat ieder

man smaakte zooals hij dat wenschte, en een bedwelmenden drank, die

hen drie dagen in slaap bracht. Toen zij ontwaakten waren zij op hun

boot in zee, en van het eiland en zijn bewoners was niets te zien.

Het eiland met de glazen brug.

Hier komen wij tot een van de uitvoerigst beschreven en

schilderachtigste van al de reisgebeurtenissen. Op het eiland dat zij

nu bereikten was een sterkte met een metalen deur en een glazen brug

leidde er heen. Toen zij over de brug wilden gaan, wierp deze hen

terug. [194] Een vrouw kwam uit de sterkte met een emmer in de hand,

zij lichtte een glazen plaat van de brug, liet haar emmer neer in

het water er onder en keerde naar de sterkte terug. Zij sloegen op

den metalen slagboom voor hen om toegang te krijgen, maar het geluid

door het metaal voortgebracht deed hen tot den volgenden morgen in

slaap vallen. Dit herhaalde zich driemaal en de vrouw hield telkens

een ironische toespraak over Maeldun. Den vierden dag echter kwam

zij hun tegemoet over de brug, met een witten mantel om, een gouden

band om het haar, zilveren sandalen aan de rose voeten en een hemd

van zeer dunne zijde op het lijf.

"Ik heet u welkom, o Maeldun," zeide zij en zij verwelkomde elk

van de bemanning bij zijn eigen naam. Toen nam ze hen mede naar het

groote huis, wees den hoofdman een bed aan, en verder een bed voor

telkens drie man. Zij gaf hun overvloed van spijs en drank, alles

uit haar eenen emmer, en elk man vond daarin wat hij begeerde. Toen

zij was heengegaan, vroegen zij Maeldun of zij de maagd voor hem

zouden trachten te winnen. "Hoe zou het u kwaad kunnen met haar

te spreken?" zeide Maeldun. Zij doen aldus en zij antwoordt: "Ik

weet niet, en heb ook nooit geweten wat zonde is." Dit herhaalt

zij tweemaal. "Morgen," zegt zij ten slotte, "zult gij antwoord

hebben." Maar als de morgen komt, bevinden zij zich wederom op zee

zonder een spoor van eiland, of sterkte, of vrouw.

Het eiland met de schreeuwende vogels.

Zij hooren van verre groot geschreeuw en zingen, als van psalmen,

en na een dag en nacht roeien komen zij eindelijk aan een eiland,

vol met zwarte, bruine en gespikkelde vogels, die alle schreeuwen en

praten. Zij zeilen weg zonder te landen.

Het eiland van den kluizenaar.

Hier vonden zij een boschrijk eiland vol met vogels, en er was slechts

éen man, die geen andere bekleeding had dan zijn haar. Zij vroegen hem

naar zijn land en afkomst. Hij antwoordde dat hij uit Ierland afkomstig

was en zee gekozen had [195] met een zode van zijn geboorteland

onder zijn voeten. God had de zode in een eiland veranderd, er elk

jaar een voet breedte en een boom aan toevoegend. De vogels waren

al zijn familie en zij blijven daar allen tot den dag des oordeels,

door engelen wonderbaarlijk gevoed. Hij onthaalde hen drie nachten,

toen zeilden zij weg.

Het eiland met de wonderfontein.

Dit eiland heeft een gouden wal en een zachten witten grond, dons

gelijk. Zij vonden daar weer een kluizenaar, alleen in zijn haar

gekleed. Er was een fontein, die Vrijdag en Woensdag wei of water,

Zondag en op verjaardagen van martelaren melk, op verjaardagen van

de Apostelen, Maria en Johannes den Dooper en op de dagen van hoog

water ale en wijn geeft.

Het eiland met de smidse.

Toen zij dit naderden, hoorden zij uit de verte als het ware het

geraas van een geweldige smidse en hoorden zij menschen over hen

zelf spreken. "Het schijnen kleine jongens", zeide een, "ginds, in

een kleine trog". Zij roeiden haastig weg, maar wendden de boot niet,

om niet den schijn op zich te laden van te vluchten; maar een poosje

daarna kwam een reusachtige smid uit de smederij, die in zijn tang

een groot blok gloeiend ijzer hield, dat hij hun achterna wierp,

en de geheele zee er om heen kookte, toen het achter hun boot viel.

De zee van zuiver glas.

Hierop roeiden zij totdat zij op een zee kwamen, die op groen glas

geleek. Zoo zuiver was het dat de steenen en het zand der zee duidelijk

er door heen zichtbaar waren; en zij zagen geen monsters of beesten

bij de klippen, maar alleen de schoone kiezels en het groene zand. Zij

voeren een groot deel van den dag op die zee en groot was haar glans

en haar schoonheid.

Keltische Mythen en Legenden · 第 18 / 29 题