Een van de belangwekkendste en aantrekkelijkste overblijfselen
van Ossiansche literatuur is het "Gesprek der Ouden", _Agallamk na
Senorach_, een lang stuk in verhaaltrant van omstreeks de dertiende
eeuw. Het werd uitgegeven met een vertaling in O'Grady's "Silva
Gadelica". Het is niet zoozeer een vertelling dan wel een verzameling
van vertellingen handig in een mythisch kader geplaatst. Het "Gesprek"
begint met ons Keelta mac Ronan en Oisin zoon van Finn voor te stellen,
elk vergezeld van acht krijgslieden, al wat overbleef van de groote
corporatie der Fianna na den slag van Gowra en de daarop volgende
verstrooiing van de Orde. Een levendige beschrijving wordt ons gegeven
van de grijze oude krijgers, die hun tijd hebben overleefd en voor het
laatst bijeenkomen op de burcht van een vroeger vermaarde aanvoerster
Camha geheeten, en van hun melancholiek gesprek over vervlogen dagen,
totdat ten slotte een langdurig zwijgen intrad.
Keelta ontmoet St. Patrick.
Ten laatste besluiten Keelta en Oisin van elkander te gaan; Oisin,
van wien wij verder weinig hooren, gaat naar den Tooverberg, waar
zijn Danaansche moeder (hier Blai geheeten) woont, terwijl Keelta
over de vlakte van Meath trekt, totdat hij te Drumderg komt, waar hij
St. Patrick en zijn monnikken aantreft. Hoe dit chronologisch mogelijk
is, de schrijver geeft zich geen moeite dat te verklaren en hij toont
geen bekendheid met de legende van Oisin in het Land der Jeugd. "De
geestelijken", aldus het verhaal, "zagen Keelta en zijn troep naderen
en vrees beving hen voor de lange mannen met de groote wolfshonden die
hen vergezelden, want zij waren niet van denzelfden tijd en een met
de geestelijkheid." Patrick besprenkelt daarop de helden met gewijd
water, ten gevolge waarvan legioenen van demonen, die over hen heen
hadden gezworven, vluchten in de heuvels en dalen, en "de geweldige
mannen zetten zich." Na den naam van zijn gast te hebben gevraagd,
zegt Patrick dan dat hij een gunst van hem te verzoeken heeft--hij
wenschte een bron van zuiver water te vinden om het volk van Bregia
en Meath mee te doopen.
De bron van Tradaban.
Keelta, die elke beek en heuvel en sterkte en bosch in het land
kent, neemt daarop Patrick bij de hand en geleidt hem "totdat,"
zooals de schrijver zegt, "zij vlak voor zich een bron zagen,
parelend en doorschijnend helder. De grootte en dikte van de kers en
van de _fothlacht_, of eereprijs, die er bij groeide bracht hen in
verbazing." Toen begon Keelta te vertellen van de vermaardheid en
schoonheden van de plek, en droeg een verrukkelijk gedichtje voor
tot lof er van.
"O, bron van het Strand der twee Vrouwen, schoon is uw kers, weelderig
en vertakt; sedert uw productie ongerept bleef, kan uw beekpunge niet
groeien. Buiten uw oevers kan men uw forellen zien, uw wilde zwijnen
in de wildernis; de herten van uw schoon rots-land, uw gespikkelde
en roodgeborste reeën! Uw eikels en beukenooten alle hangend aan de
takken der boomen; uw visch in wijde mondingen van rivieren; lieflijk
de kleuren van uw kabbelende stroomen, o gij die azuur-getint zijt en
dan weer groen door weerspiegelingen van omringend struikgewas." [180]
St. Patrick en Iersche legende.
Nadat de krijgslieden waren onthaald vraagt Patrick: "Was hij, Finn
mac Cumhal, met wien ge waart, een goed heer?" Keelta prijst Finn's
edel karakter en beschrijft verder in bijzonderheden de heerlijkheden
van zijn huishouding, waarop Patrick zegt:
"Ware het niet dat het vrome leven daaronder lijdt, dat het aanleiding
geeft het gebed te verwaarloozen en gemeenschap met God te verzaken,
wij zouden, al pratend met u, krijgsman, den tijd snel voelen
voorbijgaan!"
Keelta doet een ander verhaal van de Fianna, en Patrick, nu geheel
geboeid door den betooveraar, roept uit: "Geluk en zegen mogen met u
zijn, Keelta! Dit is voor mij een verlichting van geest en gemoed. En
doe ons nu een ander verhaal."
Aldus besluit de inleiding van het "Gesprek." Zooals doorgaans het
geval is bij den aanhef van Iersche vertellingen, kon het moeilijk
beter zijn aangelegd; de toets is zoo licht, en is zulk een gelukkige
mengeling van pathos, poëzie en humor en er is zooveel waardigheid in
het schetsen der voorgestelde menschelijke karakters. De rest van het
stuk bestaat in het tentoonspreiden van een groote massa topographische
en legendaire kennis door Keelta, gevolgd door het onveranderlijke:
"Geluk en zegen mogen met u zijn!" van Patrick.
Zij gaan samen, de krijgsman en de heilige, als Patrick naar Tara
reist, en telkens wanneer Patrick of een ander van het gezelschap een
heuvel, of een sterkte, of een bron ziet, vraagt hij Keelta wat het
is, en Keelta zegt dan den naam en vertelt een Fian-legende om die
te verklaren, en aldus voert de geschiedenis door een massa legenden,
tot dat men een troep uit Tara ontmoet, met den koning aan het hoofd,
die nu de rol van vrager op zich neemt. Het "Gesprek", zooals wij
het nu voor ons hebben, breekt plotseling af, waar het verhaal
hoe de _Lia Fail_ uit Ierland werd gehaald, zal beginnen [181]. De
beteekenis van het "Gesprek" ligt in de verhalen van Keelta en de
gedichten in den loop er van ingevoegd. Er zijn ongeveer een honderdtal
vertellingen, die handelen over strooptochten en veldslagen, minnarijen
en festijnen van de Fians, maar het grootste aantal heeft betrekking op
het verkeer tusschen het Toovervolk en de Fianna. Tusschen de Fianna
en dat volk bestaan voortdurend betrekkingen zoowel van liefde als
van oorlog. Sommige der verhalen zijn zeer uitgebreid en bewerkt in
den verhevensten stijl, waartoe de schrijver in staat was. Een van
de beste is dat van de toover-_Brugh_, of verblijf van Slievenamon,
die Patrick en Keelta toevallig voorbijgaan, en waarvan Keelta de
volgende geschiedenis vertelt.
De Brugh van Slievenamon.
Eens toen Finn en Keelta en vijf andere kampioenen van de Fianna te
Torach, in het noorden, op de jacht waren, joegen zij een mooi ree op
dat voor hen uit vluchtte en dat zij den ganschen dag achterna zetten,
totdat zij tegen den avond den berg van Slievenamon bereikten, toen het
ree plotseling onder de aarde scheen te verdwijnen. Zulk een jacht is,
in de Ossian'sche literatuur, het gewone voorspel van een avontuur in
het Tooverland. De nacht viel nu snel in met zwaren sneeuw en storm,
en zoekend naar een schuilplaats, ontdekte de Fianna in het bosch een
groote verlichte _Brugh_, of woon, waar zij toegang vroegen. Toen zij
binnen kwamen bevonden zij zich in een ruime hal, sterk verlicht,
met acht-en-twintig krijgslieden en evenveel schoone maagden met
blonde haren: een dezer was gezeten op een zetel van kristal en deed
op een harp prachtige muziek hooren. Nadat de Fian-krijgers waren
onthaald op de heerlijkste spijzen en dranken, wordt hun verteld
dat hun gastheeren zijn Donn, zoon van Midir den Trotsche, en zijn
broeder, en dat zij oorlog voeren met de rest van het Danaansche volk
en driemaal jaarlijks slag daarmee te leveren hebben op de vlakte voor
de _Brugh_. In den beginne had elk van de acht-en-twintig duizend
krijgers onder zich. Nu zijn allen verslagen op de aanwezigen na,
en de overlevenden hebben een van hun maagden uitgezonden in de
gedaante van een ree, om de Fianna naar hun paleis te lokken en hulp
te krijgen in den slag die morgen moet worden geleverd. Feitelijk
heeft men hier een variant op het welbekende thema van de bevrijding
van het Tooverland. Finn en zijn metgezellen zijn altijd bereid tot
een gevecht en er volgt een wanhopige slag die van den avond tot den
morgen duurt, want het Tooverheir valt 's nachts aan. De aanvallers
worden teruggeslagen, en verliezen meer dan duizend van hun mannen;
maar Oscar, Dermot en mac Luga worden zwaar gewond. Zij worden door
tooverkruiden genezen en er volgen meer gevechten en avonturen,
totdat, een jaar later, Finn den vijand dwingt vrede te sluiten en
gijzelaars te geven wanneer de Fianna naar de aarde terugkeert en zich
bij hun makkers voegt. Nauwelijks heeft Keelta zijn verhaal geëindigd,
staande op dezelfde plaats waar zij het Tooverpaleis hadden gevonden
in den stormnacht, of men ziet een jong krijgsman naderen. Hij wordt
aldus beschreven: "Een hemd van vorstelijk satijn omsloot zijn huid;
daarover een tuniek van dezelfde stof en een scharlaken mantel met
franje, door een gouden speld op zijn borst bevestigd; in zijn hand
een zwaard met goud gevest en een gouden helm op zijn hoofd." Zeer
kenmerkend voor deze literatuur is behagen in kleur en stoffelijke
praal. Deze schitterende persoonlijkheid blijkt te zijn Donn mac
Midir, een van de achtentwintig die Finn had geholpen, en hij komt
voor zichzelf en zijn volk hulde brengen aan St. Patrick, die voor
den nacht zijn gastvrijheid aanvaardt; want in het "Gesprek" zijn de
betrekkingen tusschen de Kerk en de Tooverwereld zeer hartelijk.
De drie jonge krijgers.
Nergens in de Keltische literatuur komt het behagen in wonderen
en mysterie zoo merkwaardig tot uiting als in het "Gesprek". De
schrijver van dit stuk was een meester in de kunst om, als het ware,
de stevige omlijsting der dingen doorzichtig te maken en laat ons
er door heen schijnsels van een andere wereld zien, met de onze
samenhangend en toch op zich zelf staande, met andere wetten en
kenmerkende eigenschappen. Welke die wetten waren komt men nooit
te weten. De Kelt maakte, althans in Ierland, geen systeem van het
onbekende, maar liet het voor een oogenblik door het ondoorzichtige
van onze aarde heen schijnen en het schijnsel dan verdwijnen voordat
we begrepen wat wij hadden gezien. Daar is bijv. dit incident in
Keelta's beschrijving van de Fianna. Drie jonge krijgers komen bij
Finn dienst nemen, vergezeld van een reusachtigen hond. Zij treffen
een overeenkomst met hem, zeggend welke diensten zij kunnen bewijzen
en welke belooning zij verwachten en stellen als voorwaarde dat zij
afgezonderd van de rest van het heir zullen kampeeren en dat wanneer
het nacht is geen man bij hen zal komen en hen zien zal.
Finn vraagt de reden van dit verbod en die is: van de drie krijgers
moet er elken nacht een sterven en de beide anderen moeten hem bewaken;
daarom wilden zij niet gestoord worden. Een verklaring hiervan wordt
niet gegeven; de schrijver laat ons onder den indruk van het mysterie.
De schoone reuzin.
Daar is, om een ander voorbeeld te kiezen: het verhaal van de
schoone reuzin. Op zekeren dag toen Finn en zijn krijgslieden aan het
middagmaal van de jacht uitrustten, zagen zij een reusachtige gedaante
naderen. Het bleek te zijn een jonge reuzenmaagd, die zeide te heeten
Vivionn (Bebhionn), dochter van Treon, uit het Land der Maagden. De
gouden ringen aan haar vingeren waren zoo dik als het juk van een os
en zij was verblindend schoon. Toen zij haar vergulden, met juweelen
bezetten helm afzette stroomde haar mooi, golvend gouden haar in zeven
maal twintig krullen uit elkaar en Finn riep: "Groote Goden, die wij
aanbidden, Cormac en Ethné en de vrouwen van de Fianna zouden het
een geweldig wonder achten Vivionn, de bloeiende dochter van Treon,
te zien." De maagd verhaalde dat zij tegen haar zin was verloofd met
een minnaar, Aeda geheeten, de zoon van een naburigen koning; dat zij
van een visscher, die door den storm naar haar kust was gedreven, had
vernomen van Finn's macht en edelen aard, en nu was gekomen om zijn
bescherming in te roepen. Terwijl zij sprak merkte de Fianna opeens,
dat een tweede reusachtige gedaante nabij was. Het was een jonge man
met fijne trekken en boven beschrijving schoon, die een rood schild
en een geweldige speer droeg. Zonder iets te zeggen naderde hij en
voordat de verbaasde Fianna hem kon toespreken dreef hij zijn speer
door het lijf der maagd en ging verder. Woedend over deze schending
van zijn bescherming, riep Finn zijn hoofden op om den moordenaar
te achtervolgen en te dooden. Keelta en anderen zetten hem achterna
naar het zeestrand en volgden hem in de branding, maar hij schreed
voort in de zee en een groote galei kwam hem tegemoet en voerde hem
weg naar onbekende streken. Ontmoedigd bij Finn terugkomend, vonden
zij de maagd stervend. Zij verdeelde haar goud en juweelen onder
hen en de Fianna begroef haar onder een grooten heuvel, en richtte
een steenen pilaar op haar graf op met haar naam in Ogham schrift,
op de plaats sedert dier, geheten de Hoogte van de Doode Vrouw.
In dit verhaal vindt men naast het geheimzinnige element, dat der
schoonheid. Deze vereeniging komt vaak voor in dit tijdperk der
Keltische literatuur; en hieraan is het misschien te danken dat, hoewel
deze verhalen van nergens schijnen te komen en nergens heen te leiden,
maar zich bewegen in een droomwereld waar geen jacht is of hij schijnt
te eindigen in het Tooverland en geen gevecht dat eenig verband houdt
met aardsche nooden of doeleinden, waar al wat wezenlijk is geneigd
is zich op te lossen in een tooverlicht en van gedaante verandert
als een ochtendnevel, zij toch in het geheugen blijven hangen, met
die steeds werkende bekoring die ze gedurende vele eeuwen in leven
heeft gehouden aan den haard van den Galischen boer.
St. Patrick, Oisin en Keelta.
Alvorens van het "Gesprek" af te stappen moet een ander belangrijk
punt worden vermeld in verband er mee. Voor het gewone publiek zijn
vermoedelijk de meest bekende dingen in Ossian'sche literatuur--ik
heb hiermede natuurlijk op het oog de echte Keltische poëzie onder
dien naam, niet den pseudo-Ossian van Macpherson--die dialogen waarin
de heidensche en de christelijke idealen tegenover elkander worden
gesteld, vaak in een geest van luimige overdrijving, of van satire. De
vroegste van die stukken worden gevonden in het manuscript geheeten
"Het boek van den Deken van Lismore", waarin James Macgregor, Deken van
Lismore in Argyllshire, eenigen tijd vóór het jaar 1518, neerschreef
al wat hij zich kon herinneren of op het spoor komen van traditioneele
Galische poëzie in zijn tijd. Het valt op te merken dat tot op die
periode en, trouwens, lang daarna Schotsen en IerschKeltisch eén taal
en een literatuur vormden, waarvan de groote geschreven monumenten
in Ierland waren, al behoorden zij evenzeer aan den Kelt van de
Hooglanden, en de twee takken van het Keltisch hadden een volstrekt
gemeenschappelijken voorraad van dichterlijke overlevering. Deze
Oisin-en-Patrick dialogen worden in grooten getale gevonden zoowel
in Ierland als in de Hooglanden, hoewel, zooals ik zeide, "Het boek
van den Deken van Lismore" het eerste thans bestaande geschrift is,
waarin ze zijn opgeteekend. Welk verband bestaat er dan tusschen
deze dialogen en de Keelta-en-Patrick dialogen waarmede wij kennis
maken in het "Gesprek." De vragen welke inderdaad het oudst waren,
waar zij respectievelijk ontstonden en welke strooming van gedachte of
gevoel elk vertegenwoordigde, vormen een letterkundig probleem van het
grootste gewicht, zooals Alfred Nutt heeft aangetoond; en een dat geen
criticus tot hiertoe heeft getracht op te lossen, of zelfs--tenzij
heel kort geleden--aan de orde te stellen. Want hoewel deze beide
pogingen om, in fantastischen en artistieken vorm, de voeling
tusschen heidendom en Christendom voor te stellen bijna identisch
zijn in bewerking en omlijsting, behalve dat de eene in verzen is,
de ander in proza, verschillen zij toch sterk in hun opvatting.
In de Oisin-dialogen [182] is veel ruwe scherts en onrijpe theologie,
meer overeenkomstig die van een Engelsch mysteriespel dan eenig mij
bekend Keltisch geschrift. St. Patrick is, zooals Nutt opmerkt,
in deze balladen "een knorrige en domme dweper die het vervelend
eentonig steeds heeft over de verdoemenis van Finn en zijn makkers;
een hardvochtig meester voor den armen ouden blinden reus dien hij
voedsel misgunt en tegen wien hij minne streken uithaalt om hem
door angst tot het Christendom te drijven". Nu bevat het "Gesprek"
hiervan niets. Keelta wordt Christen met heel zijn hart en volkomen
overgave en aan de vrienden en metgezellen van zijn jeugd wordt
verlossing niet ontzegd. Zelfs verzekert Patrick Keelta van de
verlossing van verscheidene hunner, o.a. van Finn zelf. Een van het
Danaansche volk, die bard is geweest bij de Fianna, bracht Patrick
in verrukking met zijn zangen. Brogan, de schrijver dien St. Patrick
gebruikt om de Fian-legenden op te teekenen zegt: "Indien er muziek
is in den hemel, waarom zou ze niet op aarde zijn? Daarom is het ook
niet goed de zangen van de minstreels te weren". Patrick antwoordde:
"Zoo iets zeg ik dan ook niet" en inderdaad den minstreel wordt de
hemel beloofd voor zijn kunst.
Aldus zijn de aangename verhoudingen die in het "Gesprek"
overheerschend zijn, tusschen de vertegenwoordigers der twee
tijdperken. Keelta vertegenwoordigt al wat hoffelijk, waardig,
edelmoedig en dapper is in het heidendom, en Patrick al wat
liefderijk en beminnelijk is in het Christendom; en in plaats dat
de twee tijdperken in heftig antagonisme tegenover elkander staan
en door een niet te overbruggen kloof zijn gescheiden, blijken al de
schoonste trekken in elk met elkander overeen te stemmen en elkander
aan te vullen.
Verhalen van Dermot.
Een aantal eigenaardige legenden hebben tot middelpunt Dermot O' Dyna,
die vermeld is als een van Finn mac Cumhal's bekendste volgelingen. Hij
zou kunnen worden beschreven als een soort Galische Adonis, een
type van schoonheid en aantrekkelijkheid, de held van tallooze
liefde-verhalen; en, evenals Adonis, werd zijn dood veroorzaakt door
een wild zwijn.
De ever van Ben Bulben.
De ever was geen gewoon beest. Ziehier de geschiedenis van zijn
afkomst: Donn, de vader van Dermot, gaf het kind aan Angus Og om het
groot te brengen in zijn paleis aan de Boyne. Zijn moeder, die Donn
ontrouw was, baarde een ander kind, waarvan Roc, de opzichter van
Angus, de vader was. Eens, toen het kind van den opzichter tusschen
de knieën van Donn liep om aan sommige honden te ontkomen die op den
vloer van de hal vochten drukte Donn het zoo tusschen zijn knieën dat
het onmiddellijk werd gedood en hij wierp toen het lijkje den honden
toe. Toen de opzichter zijn kind dood vond en (met behulp van Finn)
de oorzaak ontdekte, haalde hij de staf van een Druïde en sloeg er het
lijk mee, waarop, in plaats van het doode kind, een groot wild zwijn
verrees, zonder ooren of staart; en hij sprak tot het beest: "Ik draag
u op Dermot O' Dyna den dood te brengen"; en het beest holde de hal
uit en zwierf rond in de bosschen van Ben Bulben in het graafschap
Sligo tot de tijd kwam dat zijn bestemming zou worden vervuld.
Maar Dermot groeide op tot een prachtigen jongeling, onvermoeid op
de jacht, onversaagd in den oorlog, geliefd door al zijn makkers van
de Fianna, waarbij hij zich voegde zoodra hij daartoe den leeftijd had.
Hoe Dermot de liefde-vlek kreeg.
Hij heette Dermot van de Liefde-Vlek en een eigenaardige en mooie
volksmythe door dr. Douglas Hyde [183] opgeteekend vertelt hoe hij
aan die benaming kwam. Op zekeren dag was hij met drie makkers,
Goll, Conan, en Oscar, op de jacht, en laat in den avond zochten zij
een rustplaats. Zij vonden weldra een hut, waarin zich bevonden een
oude man, een jong meisje, een hamel en een kat. Hier vroegen zij
gastvrijheid en deze werd hun geschonken. Maar, zooals gewoonlijk in
deze mythen, het was een huis van mysterie.
Toen zij gingen zitten om te eten, stond de hamel op en klom op
tafel. Een na den ander van de Fianna trachtte hem er af te gooien,
maar het dier schudde hen van zich af op den vloer. Goli slaagde er ten
slotte in het van de tafel te smijten maar ook hem was het eindelijk
de baas en het kreeg hen allen onder zijn voeten. Toen gelastte de
oude man de kat den hamel weg te brengen en vast te binden en zij
deed dat zonder moeite. De vier kampioenen wilden, diep beschaamd, de
hut dadelijk verlaten; maar de oude man maakte hun duidelijk dat hun
goede naam niet had geleden--de hamel waarmede zij hadden gevochten,
was de Wereld, en de kat was de macht die de wereld zelf zou vernielen,
namelijk de Dood.
Toen het nacht was begaven de vier helden zich ter ruste in een
groote kamer en het jonge meisje kwam in dezelfde kamer slapen; en
het heet dat haar schoonheid de muren van de kamer bestraalde als
een kaars. Een na den ander van de Fianna ging naar haar bed, maar
zij weerde allen af. "Ik behoorde u eenmaal toe", zeide zij tot elk,
"en zal dat nimmer weer doen". Dermot kwam het laatst. "O, Dermot",
zeide zij, "ook u gaf ik mij eenmaal, en ik kan dat nooit weer doen,
want ik ben Jeugd; maar kom hier en ik zal u zoo teekenen, dat geen
vrouw u ooit kan zien zonder u te beminnen". Toen raakte zij zijn
voorhoofd aan en liet de Liefde-Vlek daar; en dat wekte de liefde
der vrouwen voor hem zoolang hij leefde.
De vervolging van den harden knecht.
De vervolging van den Gilla Dacar is een ander Fian-verhaal waarin
Dermot een hoofdrol speelt. De Fianna, zoo luidt de geschiedenis,
was op zekeren dag op de jacht op de heuvels en door de bosschen van
Munster en terwijl Finn en zijn kapiteins op een heuvelrug stonden te
luisteren naar het blaffen der honden en de tonen van den jachthoorn
uit het donkere bosch onder hen, zagen zij een kolossalen, leelijken,
wanstaltigen boer naderen, die een groote grof gebouwde merrie bij
den halster voort trok. Hij gaf te kennen dat hij bij Finn in dienst
wenschte te treden. Men noemde hem, zoo zeide hij, Gilla Dacar (de
harde Gilly) omdat hij de stugste knecht was van wien ooit een heer
diensten en gehoorzaamheid kreeg. Ondanks dat weinig belovend begin,
nam Finn, wiens beginsel was nooit eenig verzoeker af te wijzen,
hem in zijn dienst; en de Fianna begon nu hun ruwen makker tot
mikpunt van allerlei grove grappen te maken, die daarmee eindigden
dat dertien hunner, o.a. Conan de Kale, allen het paard van den Gilla
Dacar bestegen. De nieuweling klaagde hierop dat men hem voor den gek
hield en hij schuifelde in groot misnoegen weg totdat hij over den
heuvelrug was, toen stroopte hij zijn kleeren op en liep in westelijke
richting, sneller dan de wind in Maart, naar het zeestrand in het
graafschap Kerry. Het paard, dat tot dusverre met hangende ooren had
stil gestaan terwijl de dertien berijders het te vergeefs afrosten om
het aan het loopen te brengen, wierp nu opeens den kop omhoog en rende
in een woest galop zijn meester achterna. De Fianna liep mee, zoo goed
als het ging onder het lachen, terwijl Conan, verschrikt en woedend,
hen uitschold, omdat zij hem en zijn makkers niet ter hulp kwamen. Ten
slotte werd de zaak ernstig. De Gilla Dacar sprong in zee en de merrie
volgde hem met haar dertien berijders en nog een die er in geslaagd was
haar bij den staart vast te houden juist toen zij het strand verliet;
en allen verdwenen weldra in het fabelland van het Westen.
Dermot bij de bron.
Finn en de rest der Fianna berieden nu met elkander wat zij zouden
doen, en zij kwamen ten slotte overeen een schip uit te rusten en
hun makkers te gaan zoeken. Na vele dagen reizens bereikten zij een
eiland door steile rotsen beveiligd. Als de vlugste van den troep, werd
Dermot O'Dyna gezonden om ze te beklimmen en, zoo hij kon, een middel
te vinden om de rest van den troep naar boven te helpen. Toen hij op
den top kwam bevond hij zich in een heerlijk land vol vogelgezang
en bijengegons en beekjesgemurmel, maar zonder teeken van te zijn
bewoond. Een donker bosch ingaand, kwam hij spoedig aan een bron,
waarbij een vreemd bewerkte drinkhoorn hing. Toen hij dien vulde om
er uit te drinken kwam er uit de bron een dof, dreigend gemompel,
maar hij had te veel dorst, om zich daaraan te storen, en hij dronk
volop. Kort daarop kwam een gewapend krijgsman door het bosch, die hem
heftige verwijten deed, omdat hij uit zijn bron had gedronken. Toen
vochten de Ridder van de Bron en Dermot den geheelen namiddag met
elkander, zonder dat de een den ander de baas kon worden; toen het
avond werd sprong de ridder eensklaps in de bron en verdween. Den
volgenden dag gebeurde hetzelfde; op den derden dag echter, sloeg
Dermot, toen de ridder den sprong wilde doen, de armen om hem heen,
en beiden gingen samen in de diepte.
De verlossing uit het Tooverland.
Dermot bevond zich nu, na een oogenblik van duisternis en
bewusteloosheid, in het Tooverland. Een man met een waardig uiterlijk
deed hem bijkomen en bracht hem naar het kasteel van een machtig
koning, waar hij gastvrij werd onthaald. Men beduidde hem dat de
diensten van een kampioen als hij noodig waren om strijd te voeren
tegen een mededingend monarch. Het is hetzelfde motief dat men vindt in
de avonturen van Cuchulain met Fand en dat zoo dikwijls in Keltische
tooververhalen opduikt. Finn en zijn makkers, ziende dat Dermot niet
tot hen terugkeerde, bereikten den top der klippen en na door het
bosch te zijn getrokken, kwamen zij aan een groot hol, dat hen ten
slotte voerde naar hetzelfde land waar Dermot was aangekomen. Ook
vernamen zij dat daar waren de veertien mannen der Fianna, die met
de merrie van den Harden Gilly waren meegevoerd. Hij was natuurlijk
de koning die hun diensten noodig had en die dit middel had bedacht
om een dertigtal van den bloem der Iersche krijgslieden tot zich te
lokken. Finn en zijn mannen gaan met de grootste opgewektheid ten
strijde en vernietigen den vijand als kaf; Oscar doodt den zoon
van den mededingenden monarch (die de Koning van "Griekenland"
is geheeten). Finn verwerft de liefde van zijn dochter, Tasha met
de Blanke Armen, en het verhaal besluit met een aardige mengeling
van vroolijkheid en mysterie. "Welke belooning verlangt ge voor uw
goede diensten?" vraagt de Tooverkoning aan Finn. "Gij waart vroeger
in mijn dienst," antwoordt Finn, "en ik herinner me niet u eenige
belooning te hebben gegeven. Laat de eene dienst tegenover de andere
staan." "Daar zal ik nooit in toestemmen," roept Conan de Kale. "Zal
ik geen vergoeding krijgen voor het wegvoeren op uw wilde merrie en
over de zee?" "Wat verlangt ge?" vraagt de Tooverkoning. "Geen goud
of bezittingen," antwoordt Conan, "maar mijn eer heeft geleden en
laat deze voldoening krijgen. Zet tien van uw mooiste vrouwen op de
wilde merrie, o koning, en laat uw eigen vrouw haar bij den staart
vasthouden, en laat hen naar Eria worden overgebracht, op dezelfde
wijze als wij hierheen werden gesleept, en ik zal den smaad, dien wij
ondergingen, voldoende geboet achten." Daarop glimlachte de koning, en
zich tot Finn wendend zeide hij: "O Finn, aanschouw uw mannen." Finn
keerde zich om, om naar hen te kijken, maar toen hij weer omkeek was
het tooneel veranderd--de Tooverkoning en zijn heir en de geheele
Tooverwereld waren verdwenen en hij bevond zich met zijn metgezellen
en de schoonarmige Tasha, staande op den oever van de kleine baai in
Kerry, van waaruit de Harde Gilly en de merrie in zee waren gegaan
en zijn mannen hadden weggevoerd. En toen maakten allen zich blijde
op naar het groote vaste kamp der Fianna op den Heuvel van Allen,
om het bruilofsfeest van Finn en Tasha te vieren.
De invloed van het Christendom op de ontwikkeling der Iersche
literatuur.
Dit verhaal met zijn boeiende mengeling van humor, fantasie, tooverij
en wilde liefde, kan worden beschouwd als een typisch staal van de
Fian-legenden op hun best. Vergeleken met de Conoriaansche legenden
wijzen zij, zooals ik heb aangeduid, op een eigenaardig gebrek
aan eenig heroïsch of ernstig element. Deze edeler stemming stierf
uit, naarmate het Christendom meer veld won, dat zich voor bepaalde
godsdienstige doeleinden meester maakte van den ernstiger verhevener
kant van den Keltischen geest, aan de wereldsche literatuur alleen
de elementen van het wonderbaarlijke en romantische overlatend. Zoo
volkomen geschiedde dit, dat terwijl de Finn-legenden tot op heden zijn
blijven leven onder de Galisch sprekende bevolking en een onderwerp
van letterkundige behandeling waren zoolang het Galisch nog werd
geschreven, de vroegere cyclus bijna geheel uit de volksherinnering
verloren ging, of alleen gebrekkig bleef leven; en zonder de eerste
handschriften, waarin de verhalen gelukkig zijn bewaard gebleven, zou
zulk een werk als de "Tain Bo Cuailgné"--ongetwijfeld het grootste
dat de Keltische geest ooit in de literatuur voortbracht--thans
onherroepelijk verloren zijn.
De verhalen van Deirdre en Grania.
Niets kan het onderscheid tusschen de beide cyclen beter toelichten
dan een vergelijking van het Deirdre-verhaal met dat hetwelk wij
nu moeten behandelen--het verhaal van Dermot en Grania. Dit laatste
klinkt van een zeker standpunt beschouwd als een echo van het eerste,
zoo groot is de overeenkomst tusschen beiden in de intrige. Daar
hebt ge de volgende geschiedenis in geraamte: "Een schoone maagd
is verloofd met een befaamd en machtig minnaar, veel ouder dan zij
zelf. Zij wendt zich van hem af om een jonger minnaar te zoeken en
vestigt haar keus op een van zijn volgelingen, een dappere en schoone
jongeling, dien zij, hoewel tegen zijn zin, overreedt met haar te
vluchten. Na aan de vervolging te zijn ontkomen, vestigen zij zich
voor een poos op een afstand van den bedrogen minnaar, die zijn tijd
afwacht, totdat hij ten slotte onder den schijn eener verraderlijke
verzoening, den dood van zijn jongeren medeminnaar weet te bewerken
en hij de vrouw weer in zijn macht krijgt". Vroeg men een beoefenaar
van Keltische legenden naar bovenstaand overzicht te luisteren en
te zeggen op welk verhaal het sloeg, hij zou zeker antwoorden dat
het moet zijn of het verhaal van de Vervolging van Dermot en Grania,
of dat van het Lot der Zonen van Usna; maar welk van de beide zou hij
bepaald onmogelijk kunnen zeggen. Toch zijn de beide verhalen in toon
en karakter hemelsbreed verschillend.
Grania en Dermot.
In het Fian-verhaal is Grania de dochter van Cormac mac Art,
Opperkoning van Ierland. Zij is verloofd met Finn mac Cumhal, dien
we in dezen tijd hebben te beschouwen als een oud en in den oorlog
vergrijsd, maar nog machtig krijgsman. De beroemde hoofdlieden der
Fianna komen allen te Tara bijeen voor het bruiloftsfeest, en als zij
aan het maal zijn gezeten, laat Grania haar blikken over hen gaan
en vraagt hun namen aan haar vader's Druïde, Dara. "Het is vreemd"
zegt zij, "dat Finn mij niet voor Oisin vroeg, in plaats van voor
zich zelf. "Oisin zou u niet durven nemen," zegt Dara. Na de ronde
te hebben gedaan door het gezelschap, vraagt Grania: "Wie is die man
met de vlek op zijn voorhoofd, met de lieflijke stem, krullend donker
haar en blozende wangen?" "Dat is Dermot O'Dyna," antwoordt de Druïde,
"met de witte tanden, helder gelaat, de beste minnaar van vrouwen
en maagden in de geheele wereld." Nu bereidt Grania een slaapdrank,
dien zij door haar vrouwelijke bediende in een beker laat rondgaan
bij den koning, bij Finn en het geheele gezelschap, met uitzondering
van de hoofden der Fianna. Als de drank zijn werking heeft verricht,
gaat zij tot Oisin. "Wilt ge dat ik u minne, Oisin?" vraagt zij. "Dat
wil ik niet," zegt Oisin, "en ook geen andere vrouw die met Finn
verloofd is." Grania, die heel goed wist wat Oisin's antwoord zou zijn,
wendt zich nu tot Dermot, op wien zij het in werkelijkheid begrepen
had. Eerst weigert hij iets met haar te maken te hebben. "Ik leg u
de verplichting (_geise_) op, o Dermot, mij hedenavond uit Tara te
voeren." "Dat is een slechte verplichting," zegt Dermot, "en waarom
legt ge mij die op en niet aan de koningszonen die aan deze tafel
zijn gezeten?" Grania verklaart dan dat zij Dermot altijd heeft lief
gehad sedert zij hem, jaren tevoren van uit haar zonnig prieel, zag
deelnemen aan een grooten werpwedstrijd, op de weide te Tara, en dien
winnen. Dermot, nog altijd zeer onwillig, bepleit Finn's verdiensten en
voert bovendien aan dat Finn de sleutels der koninklijke vesting heeft,
zoodat zij die 's nachts niet kunnen verlaten. "In mijn priëel is een
geheime poort," zegt Grania. "Ik ben onder _geise_ niet door een poort
te gaan," antwoordt Dermot, nog worstelend tegen zijn noodlot. Grania
wil niets van deze uitvluchten weten--men heeft haar gezegd dat elke
Fian-krijgsman over een palissade kan springen met behulp van zijn
speer als polsstok; en zij gaat alles in gereedheid brengen voor haar
schaking. In groote verlegenheid wendt Dermot zich tot Oisin, Keelta,
Oscar en de anderen, om te weten wat hij moet doen. Allen heeten hem
zijn _geise_ na te komen--de verplichting die Grania hem had opgelegd
om haar te helpen--en met tranen neemt hij afscheid van hen.
Buiten het prieel gekomen smeekte hij Grania andermaal terug te
keeren. "Ik zal zeker niet terug gaan," zegt Grania, "of van u
scheiden voordat de dood ons scheidt." "Dan, vooruit, o Grania",
zegt Dermot. Na een mijl te hebben afgelegd zegt Grania: "Ik ben
heusch moede, o kleinzoon van Dyna." "Het is het geschikte oogenblik
om moede te zijn", zegt Dermot, die een laatste poging doet om uit de
klem te raken, "en nu weer naar uw huishouding terug te gaan, want ik
verklaar als echt krijgsman dat ik in der eeuwigheid niet u of een
andere vrouw zal dragen." "Dat is niet noodig," zegt Grania en zij
wijst hem aan waar hij paarden en een wagen vinden kan, en Dermot,
zich ten slotte in het onvermijdelijke schikkend, spant de paarden
in en zij slaan den weg in naar de wadde van Luan aan de Shannon. [184]
De vervolging.
Den volgenden dag begeeft Finn, ziedend van woede, zich met zijn
krijgers op weg en volgt hun spoor. Hij spoort elke stopplaats op,
en vindt de steenen hut die Dermot voor hen maakte als schuilplaats,
en het bed van biezen, en de overblijfselen van het maal dat zij hadden
gegeten. En telkens vindt hij een stuk brood, of rauwe zalm--waardoor
Dermot Finn op een fijne manier doet weten dat hij de rechten van zijn
heer heeft geëerbiedigd en Grania als een zuster heeft behandeld. Maar
deze kieschheid van Dermot is heelemaal niet naar den zin van Grania,
en zij geeft hem haar wenschen te kennen op een wijze die merkwaardig
overeenkomt met een episode in het verhaal van Tristan en Isolde van
Bretagne, zooals dat door Heinrich von Freiberg wordt gedaan. Zij
gaan door een natte plek en Grania wordt met water bespat. Zij wendt
zich tot haar metgezel: "Gij zijt een geweldig krijgsman, o Dermot,
in den slag, bij belegeringen en rooftochten, toch komt het mij voor
dat deze waterdroppel meer durf heeft dan gij." Deze wenk dat hij zich
op een te eerbiedigen afstand hield, werd door Dermot begrepen. De
teerling is nu geworpen en voortaan zal hij Finn en zijn vroegere
makkers nooit meer ontmoeten dan met gevelde speer.
Het verhaal verliest nu veel van de oorspronkelijkheid en bekoring
van het begin en somt een beetje droog een aantal episoden op, waarin
Dermot door de Fianna wordt aangevallen of belegerd, en zich en zijn
gezellen redt door wonderen van stoutheid of handigheid, of door middel
van de tooverkunsten van zijn pleegvader, Angus Og. Zij worden over
geheel Ierland achterna gezet en de dolmens in dat land worden door
het volk met hen in verband gebracht, daar zij in de overleveringen
van de boeren "Bedden van Dermot en Grania" worden genoemd.
Het karakter van Grania is steeds met groote consequentie
geteekend. Zij is geen heldhaftige vrouw--zij heeft niet de eenvoudige,
vurige aandriften en onwankelbare toewijding van een Deirdre. Deze
laatste is veel primitiever. Grania is een merkwaardig modern
en wat men noemen zou "hysterisch" type--eigenzinnig, ongedurig,
hartstochtelijk, maar vol vrouwelijke bekoring.
Dermot en Finn sluiten vrede.
Na zestien jaar vogelvrij te zijn verklaard, wordt ten slotte voor
Dermot vrede verkregen, door tusschenkomst van Angus, met Koning
Cormac en met Finn. Dermot krijgt het hem toekomend vaderlijk erfdeel,
de Cantred van Dyna, en andere landen in het verre Westen, en Cormac
geeft Finn een andere zijner dochters. "Geruimen tijd bleven zij
vreedzaam bij elkander, en men zeide dat geen man, toen levend, rijker
was aan goud en zilver, kudden schapen en runderen dan Dermot O'Dyna,
ook geen die meer buit maakte." [185] Grania baart Dermot vier zonen
en een dochter.
Maar Grania is niet tevreden voordat "de twee eerste mannen in Erin,
namelijk Cormac zoon van Art en Finn zoon van Cumhal" in haar huis
zijn onthaald. "En wie weet," voegt zij er bij, "of onze dochter dan
niet een geschikten echtgenoot zou vinden?" Dermot geeft een beetje
angstig toe; de Koning en Finn nemen de uitnoodiging aan en zij en
hun gevolg worden een jaar lang in Rath Grania ontvangen.
Finn's wraak.
Op zekeren nacht, tegen het eind van jaar, wordt Dermot uit zijn
slaap gewekt door het blaffen van een hond. Hij schrikt op, "zoodat
Grania hem vast hield en haar armen om hem heen sloeg en vroeg wat hij
gezien had." Het is het geluid van een hond", zegt Dermot, "en het is
vreemd dat ik dat in den nacht hoor." "De Goden mogen u beschermen,"
zegt Grania; "dat is het Danaanschvolk, dat u verontrust. Ga weer
liggen." Maar driemaal maakt het hondengeblaf hem wakker en 's morgens
trekt hij gewapend met zwaard en slinger op, gevolgd door zijn hond,
om te zien wat er gaande is.
Op den berg van Ben Bulben in Sligo ontmoet hij Finn met een
jachtgezelschap van de Fianna. Zij zijn nu evenwel niet op de jacht,
maar worden opgejaagd; want zij hebben het betooverd wild zwijn zonder
ooren of staart, het Everzwijn van Ben Bulben, doen ontwaken, dat dien
morgen dertig hunner heeft gedood. "En gij, maak u uit de voeten," zegt
Finn, wel wetend dat Dermot nimmer voor een gevaar zal terugdeinzen;
"want gij zijt onder _geise_ geen zwijn te jagen." "Hoe zoo?" zegt
Dermot en Finn vertelt hem de onheilspellende geschiedenis van den
dood van het opzichterskind en zijn herleving in de gedaante van
dit zwijn en zijn opdracht van wraak. "Op mijn woord," sprak Dermot,
"het is om mij te dooden dat gij deze jacht zijt begonnen, o Finn;
en indien het mijn lot is dat ik hier zal sterven, heb ik nu niet de
macht het te ontgaan."
Het beest verschijnt op den berg en Dermot laat den hond op hem los,
maar de hond vlucht verschrikt. Dan slingert Dermot een steen, die
het zwijn precies in het midden van zijn voorhoofd raakt, maar het
den huid zelfs niet schramt. Het beest is nu vlak bij hem en Dermot
slaat het met zijn zwaard, maar het wapen vliegt in twee stukken en
niet éen borstel van het zwijn is afgesneden. Bij den aanval op het
zwijn valt Dermot er over heen en wordt een eindje gedragen, zich
aan den rug vasthoudend; ten slotte echter schudt het zwijn hem af
op den grond en hem "heftig met buitengewone kracht bespringend,"
rijt het Dermot's ingewanden uit zijn lijf, terwijl Dermot, die het
gevest van zijn zwaard nog in de hand heeft, het beest de hersens
inslaat, zoodat het dood naast hem neer valt.
Dood van Dermot.
Dan komt de onverzoenlijke Finn nader en bukt zich over Dermot in
zijn doodsstrijd. "Het behaagt mij wel u in dezen toestand te zien,
o Dermot," zegt hij, "en ik zou willen dat alle vrouwen in Ierland
u nu zagen; want uw uitnemende schoonheid is in leelijkheid en uw
prachtige gestalte in mismaaktheid verkeerd." Dermot herinnert Finn
er aan, hoe hij hem eens van een doodelijk gevaar redde toen hij in
het huis van Derc tijdens een feest werd aangevallen, en smeekt dat
hij hem zal genezen met een dronk waters uit zijn handen, want Finn
heeft het tooververmogen een gewonde gezond te maken met een dronk
bronwater in zijn beide handen opgehaald. "Hier is geen bron," zegt
Finn. "Dat is niet waar," zegt Dermot, "want negen schreden van u af
is de beste bron van zuiver water in de wereld." Ten slotte gaat Finn,
op verzoek van Oscar en de Fianna en na herinnering aan de vele daden
in vroeger dagen door Dermot om zijnent wil gedaan, naar de bron,
maar voordat hij het water bij Dermot brengt, laat hij het door zijn
vingers vallen. Hij gaat nogeens en andermaal laat hij het water
vallen, "al denkend over Grania", en Dermot slaakt een zucht van
angst als hij dat ziet. Oisin verklaart dan dat als Finn het water
niet aanstonds brengt, hij of Finn den berg niet levend zal verlaten
en Finn gaat nog eens naar de bron, maar het is nu te laat; Dermot is
dood voordat de genezende dronk zijn lippen kan bereiken. Dan neemt
Finn Dermot's hond, de hoofden der Fianna leggen hun mantels over den
doode en zij keeren terug naar Rath Grania. Grania, den hond ziende
die door Finn wordt geleid, begrijpt wat er gebeurd is en valt in
zwijm op den wal van de Rath. Als zij tot bewustzijn is teruggekeerd
geeft Oisin haar de hond, tegen den zin van Finn, en de Fianna trekt
af, haar met haar smart alleen latend. Als de menschen van Grania's
huishouding naar buiten gaan om het lijk van Dermot binnen te halen
vinden zij daar Angus Og en zijn troep van het Volk van Dana, die,
na drie vreeselijke, smartelijke kreten te hebben aangeheven, het lijk
op een vergulde baar wegdragen en Angus verklaart, dat hoewel hij den
doode niet weer levend kan maken, "ik zal een ziel in hem brengen,
zoodat hij elken dag met mij kan spreken."
Grania's einde.
Bij een verhaal als dit behoort voor den modernen smaak een romantisch
en sentimenteel besluit; en dat is dan ook daaraan gegeven toen
dr. P. W. Joyce het over vertelde in zijn "Old Celtic Romances," even
als dat geschiedde met het verhaal van Deirdre, door bijna elk modern
auteur, die het behandelde [186]. Maar de Celtische verteller voelde
het anders. Het verhaal van Deirdre's einde is vreeselijk wreed,
dat van Grania cynisch en spottend; geen van beiden is ook maar in
het minst sentimenteel. Grania is in den beginne woedend op Finn en
zendt haar zonen buitenslands om wapenfeiten te leeren, zoodat zij
zich op hem zouden kunnen wreken wanneer de tijd daar is. Maar Finn,
geslepen en vooruitziende als hij in dit verhaal wordt voorgesteld,
weet dit gevaar af te wenden. Als de tragedie op Ben Bulben in Grania's
wuft gemoed een beetje is begonnen te verflauwen, begeeft hij zich
tot haar en hoewel aanvankelijk met verachting en verontwaardiging
behandeld, vrijt hij naar haar zoo kiesch en met zooveel teederheid,
dat hij haar ten slotte weet te overreden [187] en hij voert haar
als bruid terug naar den Heuvel van Allen. Als de Fianna het paar zoo
teeder ziet naderen, barsten zij uit in gelach en spottende kreten,
"zoodat Grania beschaamd het hoofd liet zinken." "Wij vertrouwen, o
Finn," roept Oisin, "dat gij voortaan Grania wel zult houden." Aldus
maakte Grania vrede tusschen Finn en haar zonen en zij bleef bij Finn
als zijn vrouw tot op zijn dood.
Twee stroomingen van Fian-legenden.
Men zal opgemerkt hebben dat in deze legende Finn niet als een
sympathieke figuur optreedt. Al onze belangstelling is voor Dermot. Van
dit standpunt bezien is het verhaal typisch voor een zekere klasse
van Fian-vertellingen. Zooals er twee mededingende stammen waren in
de Fian-organisatie--de Clan Bascna en de Clan Morna--die soms om de
oppermacht slaags raakten, zoo zijn er twee stroomingen van legenden,
die respectievelijk uit de eene of de andere van die bronnen schijnen
te komen; in een ervan wordt Finn verheerlijkt, terwijl hij in de
andere wordt verkleind ten gunste van Goll mac Morna, of een anderen
held met wien hij in botsing komt.
Einde van de Fianna.
De geschiedenis van het einde der Fianna wordt verteld in een
aantal stukken, sommige in proza, andere in verzen, alle echter
daarin overeenstemmend, dat zij deze gebeurtenis als een stuk zuivere
geschiedenis weergeven, zonder iets van de bovennatuurlijke en mystieke
atmosfeer, waarin bijna al de Fian-legenden zijn gedompeld.
Na den dood van Cormac mac Art werd zijn zoon Cairbry Opperkoning van
Ierland. Hij had een schoone dochter genaamd _Sgeimh Solais_ (Licht van
Schoonheid) die ten huwelijk werd gevraagd door een zoon van den Koning
der Decies. Tot het huwelijk werd besloten en de Fianna eischte een
losgeld of schatting van twintig baren goud, wat hun, naar men zegt,
in den regel bij zulke gelegenheden werd betaald. Naar het schijnt
was de Fianna nu een bijzondere macht in den Staat geworden, en een
drukkende macht, die zware schattingen en lastige privilegiën eischte
van koningen en onderkoningen in geheel Ierland. Cairbry besloot haar
er onder te krijgen en hij meende nu een goede gelegenheid daartoe
te hebben. Hij weigerde daarom betaling van het losgeld en riep
al de koningen der provincies op hem tegen de Fianna te helpen; de
hoofdtroep daarvan kwam onmiddellijk in opstand voor hetgeen zij hun
rechten achtten. Nu brak de oude veete tusschen Clan Bascna en Clan
Morna opnieuw uit; laatstgenoemde koos de zijde van den Opperkoning,
terwijl Clan Bascna, bijgestaan door den Koning van Munster en zijn
troepen, die alleen hun zijde kozen, tegen Cairbry optrok.
De slag van Gowra.
Dat alles klinkt zeer zakelijk en waarschijnlijk, maar hoeveel
werkelijkheid daarin steekt is zeer moeilijk te zeggen. De beslissende
slag van den oorlog, die nu volgde, had plaats te Gowra (Gabhra),
waarvan de naam is overgebleven is in Garristown, graafschap
Dublin. Toen de tegenstanders in slagorde waren geschaard, knielden
zij alvorens elkander aan te vallen en kusten zij Erin's gewijden
grond. Het verhaal van den slag in de lezingen en verzen, waarvan
een is gedrukt in de Verhandelingen van het Ossian'sch Genootschap,
en een tweede mooiere in Campbell's "De Fians" [188] wordt geacht
door Oisin te zijn gedaan aan St. Patrick. Hij legt groot gewicht op
de heldendaden van zijn zoon Oscar:
"Mijn zoon spoedde zijn vaart
Door de strijdscharen van Tara
Als een havik schiet door een vogel-vlucht,
Of een rotsblok wentlend een bergrug af."
De dood van Oscar.
Het was een strijd op leven en dood en de slachting was aan beide
zijden geweldig. Alleen oude mannen en knapen, zegt men, bleven in Erin
over na dat gevecht. De Fianna werd bijna geheel uitgeroeid en Oscar
kwam om. Hij en de Koning van Ierland, Cairbry, vochten met elkander
en de een doodde den ander. Terwijl Oscar nog adem haalt, al was er op
zijn lijf geen hand breedte meer zonder een wond, vond zijn vader hem:
"Ik vond hem liggend, mijn eigen zoon,
Op zijn linker elboog, het schild aan de zij;
Zijn rechter hand omknelde het zwaard,
Door zijn kolder vloeide het bloed.
"Oscar blikte naar mij op--
Wee was mij dat gezicht!
Hij strekte beide' armen naar mij uit,
Trachtend op te rijzen en mij te gemoeten.
"Ik greep de hand van mijn zoon
En zette mij aan zijn linker zij;
En sinds ik daar zat bij hem,
Kon niets op aarde meer mij deren."
Wanneer Finn (in de Schotsche lezing) om zijn kleinzoon komt treuren,
roept hij uit:
"Wee, dat niet ik het was die viel
In den slag van het kaal zonnig Gavra.
En dat gij schreedt rechts en links
Voor de Fians uit, Oscar.
Maar Oscar antwoordt:
"Waart gij de gevallene
In den slag van het kaal zonnig Gavra.
Niet één zucht, rechts noch links,
Zou om u gehoord zijn van Oscar.
"Niemand wist ooit
Sloeg in mijn borst een hart van vleesch,
Dan wel een van kronkelend hoorn
En daar over een schede van staal.
"Maar het huilen der doggen naast mij,
En de weeklacht der oude helden,
En het beurlings weenen der vrouwen,
Dat kwelt mij het hart."
Oscar sterft na de goden te hebben gedankt voor zijn vader's redding,
Oisin en Keelta lichten hem op een baar van speren en dragen hem weg
onder zijn banier "De Vreeselijke Schoof", om te worden begraven op
het veld waarop hij stierf en waar een groote groene grafheuvel nog
zijn naam draagt. Finn neemt geen deel aan den slag. Men zegt dat
hij later "met een schip" kwam om het slagveld te overzien en dat
hij schreide om Oscar, iets dat hij nog slechts eenmaal te voren had
gedaan, om zijn hond Bran, dien hij zelf bij ongeluk doodde. Misschien
is de vermelding van het schip een aanwijzing, dat hij toen niet meer
tot de levenden behoorde en de aarde weer kwam bezoeken van uit het
overzeesche rijk des Doods.
Er is in dit verhaal van den slag van Gowra een melancholieke
grootschheid, die daaraan een bijzondere plaats geeft in de
Ossian'sche literatuur. Het is een passende lijkzang voor een
legendair tijdvak. Campbell vertelt ons dat de Schotsche boertjes
en schaapherders gewoon waren hun mutsen af te zetten als zij het
opzegden. Hij voegt er een zonderling en roerend brok modern folklore
bij, dat daarmee in verband staat. Twee mannen, zoo heet het, waren
's nachts uit, waarschijnlijk om schapen te stelen, of voor een andere
roofexpeditie, en onder het gaan vertelden zij Fian-verhalen, toen zij
twee reusachtige schimachtige gedaanten zagen die met elkander spraken
over het dal heen. Een van de verschijningen zeide tot de andere:
"Ziet ge dien man daar beneden? Ik was bij de tweede gevechtslijn
op den dag van Gowra en deze man daar weet alles daarvan beter dan
ik zelf".
Het einde van Finn.
Wat Finn zelf aangaat, het is zonderling dat in al wat er bestaat
van de Ossian'sche literatuur geen volledig verhaal van zijn
dood voorkomt. In de dichterlijke legenden wordt er van gewaagd
en schrijvers van annalen bepalen zelfs den datum er van, maar de
berichten komen niet overeen en dat geldt ook van de data. Noch van de
schrijvers van annalen, noch van de dichters kan over het onderwerp
helder licht worden verkregen. Finn schijnt te zijn opgelost in den
toovernevel, die zoovele van zijn daden bij zijn leven omgeeft. Maar
volgens een volkoverlevering stierven hij en zijn groote metgezellen
Oscar en Keelta en Oisin en de rest nooit, maar worden zij, evenals
Keizer Barbarossa, vastgehouden in een betooverd hol, waar zij den
bepaalden tijd afwachten om roemrijk weer te verschijnen en hun land
te verlossen van tirannie en onrecht.