HOOFDSTUK VI: VERHALEN UIT DEN CYCLUS VAN OSSIAN.

De Fianna van Erin.

Evenals de verhalen van den Cyclus van Ulster zich concentreeren om de

heldenfiguur van den hond van Cullan, zoo concentreeren zich die van

den Cyclus van Ossian om de figuur van Finn mac Cumhal [171], wiens

zoon Oisin [172] (of Ossian, zooals Macpherson hem genoemd heeft in de

zoogenaamde vertalingen uit het Galisch, waardoor hij voor het eerst

in de Engelsch sprekende wereld werd ingevoerd) was zoowel een dichter

als een krijgsman, en is de traditioneele vervaardiger van de meeste

dier verhalen. Men meent, dat de gebeurtenissen van den Cyclus van

Ulster hebben plaats gegrepen omstreeks de geboorte van Christus. Die

van den Cyclus van Ossian vielen meestal tijdens de regeering van

Cormac mac Art, die leefde in de derde eeuw na Christus. Gedurende

zijn regeering bereikten de Fianna van Erin, die worden voorgesteld

als een soort van militaire orde, welke hoofdzakelijk bestond uit de

leden van twee Clans, Clan Bascna en Clan Morna, en van wie men meende,

dat zij zich verbonden hadden tot den dienst van den opperkoning en

tot het verdrijven van vreemde invallers, hun hoogsten roem onder

het opperbevel van Finn.

De kroniekschrijvers van het oude Ierland behandelden de geschiedenis

van Finn en de Fianna, in hare voornaamste trekken, als gewone

geschiedenis. Dit kan zeker niet juist zijn. Ierland had geen vreemde

overweldigers gedurende de periode, toen de Fianna geacht werden

gebloeid te hebben, en de verhalen werpen geen spoor van licht op de

werkelijke geschiedenis van het land; zij hebben veel meer betrekking

op een tooverland, dat bevolkt is door bovennatuurlijke wezens,

schoon of verschrikkelijk, dan met een werkelijk deel der aarde,

dat door echte mannen en vrouwen bewoond wordt. De moderne critische

lezer van die verhalen zal spoedig inzien, dat het ijdel zou zijn

te willen zoeken naar eenigen op feiten berustenden grondslag in die

glinsterende luchtspiegeling. Maar die luchtspiegeling werd geschapen

door dichters en vertellers van zoo buitengewone gaven voor die soort

van literatuur, dat zij onmiddellijk een stevig houvast kreeg op de

verbeelding der Iersche en der Schotsche Galiërs.

De Ossian-Cyclus.

De oudste verhalen van dezen cyclus, die nog zijn overgebleven,

worden gevonden in handschriften der elfde en der twaalfde eeuw,

en werden waarschijnlijk enkele eeuwen vroeger samengesteld. Maar de

cyclus bleef krachtig groeien gedurende een periode van duizend jaar,

tot aan het "Lied van Oisin in het Land der Jeugd", van Michael Comyn,

dat omstreeks 1750 werd samengesteld, en dat de lange geschiedenis

der Galische literatuur afsloot. Men schat, [173] dat indien alle

vertellingen en gedichten van den Ossian-Cyclus, die nog zijn

overgebleven, konden worden gedrukt, zij een goede vijf en twintig

deelen van de grootte van dit werk zouden vullen. Bovendien zou een

zeer groot gedeelte van die literatuur, al waren er volstrekt geen

handschriften, gedurende de laatste en de voorafgaande eeuwen kunnen

zijn opgevangen van de lippen van wat dwaselijk een "ongeletterde"

boerenstand in de Hooglanden en in de Galisch sprekende gedeelten

van Ierland is genoemd. Het moet ons zeker wel belang inboezemen,

het karakter eener literatuur te bestudeeren, die in staat is geweest,

zulk een betoovering uit te oefenen.

Verschil met den Cyclus van Ulster.

Laat ons beginnen met de opmerking, dat de lezer zich in een geheel

andere atmosfeer zal vinden dan die waarin de helden van den Cyclus van

Ulster leven en zich bewegen. Alles spreekt van een latere periode,

toen het leven liefelijker en zachter was, toen men meer in steden

en nederzettingen leefde, toen het Volk van Dana duidelijker feëen en

minder godheden waren, toen in de letterkunde de elementen van wonderen

en romantiek de overhand hadden, en de ijzeren snaar van heldenmoed

en zelfopoffering, niet zooveel meer meeklonk. Er is in de Ossian

litteratuur een bewust genot in de woeste natuur, in landschappen,

in het gezang van vogels, de muziek der jacht in de bosschen, in

geheimzinnige en romantische avonturen, wat alles onmiskenbaar spreekt

van een tijd, toen op het vrije leven in de open lucht "onder de groene

boomen" werd terugzien en dat geïdealiseerd werd, maar dat leven niet

meer als regel werd geleefd door hen die het bezingen. Ook is er een

gewichtig verschil in de plaats der handeling. De verhalen van Conor

waren het uitvloeisel van een litteraire beweging, die haar oorsprong

had te midden van de frissche heuvelen of op de sombere door rotsen

omgeven kusten van Ulster. In den Ossian-Cyclus bevinden wij ons in de

binnenlanden van het zuiden van Ierland. Veel van de handeling heeft

plaats te midden der zachte betoovering van het landschap Killarney,

en het verschil tusschen de beide streken weerspiegelt zich in het

ethische karakter der vertellingen.

In den Cyclus van Ulster zal men opmerken, dat hoe buitensporig

men gebruik gemaakt heeft van het bovennatuurlijke element,

de eindbeteekenis van bijna ieder verhaal, het einddoel, waarop

de geheele bovennatuurlijke opzet uitloopt, iets werkelijks en

menschelijks is, iets wat in verband staat met de deugden of de

ondeugden, de hartstochten of de plichten van mannen en vrouwen. Dit

is, in het algemeen gezegd, bij den Ossian-Cyclus niet het geval. De

edeler ader der literatuur schijnt uitgeput te zijn, en wij hebben nu

schoonheid alleen ter wille van de schoonheid, romantiek ter wille der

romantiek, afgrijzen of geheimzinnigheid ter wille van de spanning,

die zij opwekken. De Ossian-verhalen zijn "liefelijke verschijningen,

gezonden om een oogenblik tot sieraad te strekken." Zij missen dat

eigenaardige, dat in de edelste kunst, zoowel als in de edelste

persoonlijkheden wordt gevonden, dat de gave heeft "te waarschuwen,

te troosten, te beheerschen."

De komst van Finn.

Koning Cormac mac Art was ongetwijfeld een historische figuur, wat

misschien meer is dan wij van Conor mac Nessa kunnen beweren. Of er

een werkelijke persoonlijkheid schuilt achter de roemrijke figuur van

zijn grooten legeraanvoerder Finn, is moeilijker te zeggen. Maar het

is voor ons doel niet noodig, ons in dit vraagstuk te verdiepen. Hij

was een schepping van den Keltischen geest in één land en in één

periode van zijn ontwikkeling, en het is hier onze taak, na te gaan,

wat voor soort van karakter de Iersche geest wenschte te idealiseeren

en te dramatiseeren.

Finn stamde, zooals de meeste Iersche helden, gedeeltelijk af van

het Volk van Dana. Zijn moeder, Murna met den Witten Nek, was de

kleindochter van Nuada met de Zilveren Hand, die gehuwd was met

Ethlinn, de dochter van Balor den Fomoriër, die aan Kian den Zonnegod

Lugh gebaard had. De vader van Finn was Cumhal,de zoon van Trenmor. Hij

was het opperhoofd van den Clan Bascna, die met den Clan Morna streed

om de oppermacht over de Fianna, en door dezen werd ten onder gebracht

en gedood in den slag bij Knock. [174]

Onder den Clan Morna was een man, Lia genaamd, heer van Luachar in

Connacht, die de schatmeester der Fianna was, en die den zak met

schatten bewaarde, een zak vervaardigd van de huid van kraanvogels,

en waarin hij tooverwapenen en kostbare juweelen had, die nog

afkomstig waren uit den tijd van het Volk van Dana. En hij werd ook

schatbewaarder van den Clan Morna en bewaarde nog steeds den zak in

Rath Luachar.

Murna zocht na de nederlaag en den dood van Cumhal een schuilplaats

in de bosschen van Slieve Bloom, [175] en daar bracht zij een jongen

ter wereld, dien zij Demna noemde. Uit vrees, dat de Clan Morna

hem zou ontdekken en dooden, liet zij hem opvoeden in het dichte

bosch door twee oude vrouwen, en zelf trouwde zij met den koning van

Kerry. Maar toen Demna tot een knaap was opgegroeid werd hij "Finn"

of de Blanke genaamd, om de blankheid van zijn huid en zijn gouden

haren, en onder dien naam was hij later voortdurend bekend. Zijn

eerste daad was, Lia te dooden, die den zak met schatten van de Fianna

had, waarna hij zich van den zak meester maakte. Daarna spoorde hij

zijn oom Crimmal op, die met enkele andere oude mannen, die van de

hoofden van de Clan Bascna in het leven waren gebleven, en aan het

zwaard te Castleknock ontsnapt waren, in groote armoede en zeer

treurig leefden in de schuilhoeken der bosschen van Connacht. Hij

voorzag hen van een gevolg en een lijfwacht uit de jongelingen, die

zijn fortuin volgden, en gaf hun den zak met schatten. Hij zelf ging

uit om poëzie en wetenschap zoo volmaakt mogelijk te leeren van een

ouden wijze en Druïde, Finegas genaamd, die aan de Boyne woonde. Hier

in een poel dier rivier woonde onder de takken van een hazelaar,

waarvan de Noten der Kennis op de rivier vielen, Fintan de Zalm der

Kennis, waarvan het bekend was, dat wie daarvan at alle wijsheid der

eeuwen zou bezitten. Finegas had herhaaldelijk getracht dien zalm

te vangen, maar was daar niet ingeslaagd, totdat Finn gekomen was,

om zijn leerling te worden. Toen ving hij hem op zekeren dag, en gaf

hem Finn, om hem te koken, met het bevel daarvan zelf niet te eten,

maar hem te waarschuwen als hij klaar was. Toen de knaap den zalm

binnenbracht, zag Finegas, dat zijn uiterlijk veranderd was. "Hebt

gij van den zalm gegeten?" vroeg hij. "Neen," antwoordde Finn,

"maar toen ik hem aan het spit omdraaide, brandde ik mijn duim, en

stak dien in mijn mond." "Neem den Zalm der Kennis en eet er van,"

zeide Finegas daarop, "want in u is de voorspelling bewaarheid. En

ga nu heen, want ik kan u niets meer leeren."

Daarna werd Finn even wijs als hij krachtig en dapper was, en men

verhaalt, dat zoo dikwijls hij wenschte te raden, wat zou gebeuren,

of wat op een afstand geschiedde, hij slechts zijn duim in den mond

behoefde te steken, en daarop te bijten, waarna de kennis, die hij

wenschte te verwerven, de zijne zou zijn.

Finn en de booze geest.

In dien tijd was Goll, de zoon van Morna, de aanvoerder der Fianna van

Erin, maar toen Finn den mannelijken leeftijd had bereikt, wilde hij

de plaats van zijn vader Cumhal innemen. Daarom ging hij naar Tara,

en zat hij tijdens de Groote Vergadering, als niemand zijn hand tegen

een ander mocht opheffen binnen het grondgebied van Tara, neder onder

de krijgslieden des konings en de Fianna. Eindelijk merkte de koning

hem als vreemdeling onder hem op, en vroeg hem zijn naam en afkomst te

noemen. "Ik ben Finn, de zoon van Cumhal", zeide hij, "en ik ben hier

gekomen om onder u dienst te nemen, zooals mijn vader gedaan heeft,

o koning." De koning nam hem gaarne op, en Finn legde een eed af,

dat hij hem trouw zou dienen. Niet lang daarna kwam de tijd van het

jaar, waarop Tara verontrust werd door een boozen geest, die tegen het

aanbreken van den nacht kwam en vuurkogels wierp tegen de koninklijke

stad en die in vlam zette, en niemand kon den strijd tegen hem opnemen,

want zoodra hij kwam speelde hij zóó liefelijk op de harp, dat ieder

die het hoorde, in droomen werd gehuld, en alles op aarde vergat, om

naar die muziek te kunnen luisteren. Toen dit Finn was medegedeeld,

ging hij tot den koning en zeide: "Zal ik, als ik den boozen geest

dood, de plaats van mijn vader krijgen, als hoofd der Fianna?" "Ja

zeker," zeide de koning en bij eede verbond hij zich daartoe.

Onder de krijgslieden behoorden ook een oude volgeling van Cumhal,

den vader van Finn, die een tooverspeer bezat met een bronzen kop

en klampen van Arabisch goud. De kop was omhuld door een leeren

foedraal, en zij had de eigenschap, dat als het bloote lemmer tegen

het voorhoofd van iemand gehouden werd, deze een zóó groote kracht en

krijgswoede zou krijgen, dat hij in iederen strijd onoverwinnelijk

zou worden. Fiacha gaf die speer aan Finn, en leerde hem hoe die

te gebruiken, en daarmede wachtte hij de komst af van den boozen

geest op de wallen van Tara. Toen de nacht viel en de nevelen zich

in de wijde vlakte rondom den heuvel begonnen te verzamelen, zag

hij een donkeren vorm snel naar hem toekomen en hoorde hij de tonen

der tooverharp. Maar door de speer tegen zijn voorhoofd te houden,

schudde hij de betoovering van zich af, en het spook vluchtte voor

hem weg naar den Tooverheuvel van Slieve Fuad, en daar haalde Finn

hem in en doodde hem, en bracht zijn hoofd naar Tara terug.

Daarop plaatste koning Cormac Finn voor de Fianna, en beval hen allen,

hem gehoorzaamheid te zweren als hun hoofd of anders ergens anders

dienst te nemen. En het eerst van allen legde Goll mac Morna den eed

af, en daarop volgden al de overigen, en Finn werd het hoofd van de

Fianna van Erin, en regeerde over hen totdat hij stierf.

De voornaamste volgelingen van Finn: Conan mac Lia.

Met de komst van Finn bereikten de Fianna van Erin den hoogsten bloei,

en na zijn dood taande hun roem weer. Want hij regeerde zooals geen

ander aanvoerder ooit had gedaan, zoowel krachtig als verstandig, en

nooit koesterde hij tegen iemand een wrok, maar vergaf iemand gaarne

alle overtredingen behalve trouweloosheid tegen zijn heer. Zoo verhaalt

men, dat Conan, de zoon van den heer van Luachar, die den zak met

schatten in bezit had, en die door Finn bij Rath Luachar was verslagen,

gedurende zeven jaar vogelvrij verklaard en een strooper was, die de

Fians voortdurend lastig viel, en hier een man, daar een hond doodde,

woningen in brand stak en het vee weg voerde. Eindelijk werd hij te

Carn Lewy in Munster in een hoek gedreven, en toen hij zag, dat hij

niet meer kon ontsnappen, sloop hij achter Finn toen deze na een jacht

ter neder zat en sloeg van achteren zijn armen om hem heen, waarbij

hij hem zóó vast hield, dat beweging onmogelijk was. Finn wist, wie

hem zoo vast hield, en zeide: "Wat wilt gij Conan?" Conan antwoordde:

"Ik wil met u een verdrag sluiten, dat ik u trouw zal dienen, want

ik kan uw toorn niet langer ontloopen." Finn lachte daarop en zeide;

"Het zij zoo, Conan, en als gij blijkt trouw en dapper te zijn, zal

ik mijn belofte houden." Conan diende hem daarna dertig jaar lang,

en van al de Fianna was er niemand dapperder en kloeker in den strijd.

Conan mac Morna.

Er was nog een andere Conan, en wel mac Morna, die zwaar en kaal was,

en lomp in mannelijke oefeningen, maar wiens tong bitter en gemeen was;

er werd geen edele of dappere daad verricht, die niet door Conan den

Kale belachelijk werd gemaakt of naar beneden gehaald. Men verhaalt,

dat hij langs zijn rug en zijn kruis de vacht van een zwart schaap

droeg in plaats van de huid van een man, en dit kwam op de volgende

wijze voor den dag. Op zekeren dag, toen Conan met enkele anderen van

den Fianna in het bosch op jacht was kwamen zij bij een statige dun

met witte muren, met gedekt gekleurd riet en zij traden naar binnen,

om daar gastvrijheid te zoeken. Maar toen zij binnen gekomen waren,

vonden zij er niemand, alleen een groote ledige zaal met pilaren van

cederhout en zijden behangsels, zooals men die vindt in de zaal van

een rijken edele. In het midden der zaal was een tafel, gedekt met

een rijken voorraad zwijnenvleesch en wild, en een groot vat van

taxishout, vol met rooden wijn, en bekers van goud en zilver. Zij

zetten zich dus vroolijk neder om te eten en te drinken, daar zij na

de jacht hongerig waren, en zij spraken en lachten luide rondom de

tafel. Maar één van hen sprong na korten tijd overeind met een kreet

van vrees en verbazing, en allen keken om en zagen voor hun oogen,

dat de met tapijten behangen muren veranderden in ruwe houten balken,

en de zoldering in gewoon, roetachtig stroo, zooals men dat vindt in de

hut van een veehoeder. Hieruit bleek het, dat zij door een betoovering

van het toovervolk waren gevangen, en allen sprongen overeind en

spoedden zich naar den uitgang, die niet langer hoog en statig was,

maar verminderd was tot de grootte van een vossegat--behalve Conan de

Kale, die gulzig de lekkere spijzen op de tafel verslond en nergens

anders op lette. Nu schreeuwden zij hem toe, en toen de laatste van hen

naar buiten trad, trachtte hij op te staan en te volgen, maar hij bleek

vastgeplakt aan zijn stoel, zoodat hij zich niet kon bewegen. Daarom

holden twee der Fianna, toen zij zagen in welke moeilijkheid hij

verkeerde, terug, pakten hem bij de armen en trokken zoo hard zij

konden en bij het wegrukken bleef het grootste deel van zijn kleeding

en van zijn huid aan den stoel hechten. Niet wetend wat anders met

hem te doen in zijn pijnlijken toestand, sloegen zij toen op zijn rug

wat zij het dichtst in hun bereik vonden, namelijk de huid van een

zwart schaap dat zij namen van de kudde van een boer in de nabijheid,

en deze groeide daaraan vast en Conan droeg die tot hij stierf.

Hoewel Conan een lafaard was en hij zich zelden in een gevecht waagde

met de Fianna, viel toch eens, aldus luidt het verhaal, een sterk

man door zijn hand. Dat was op den dag van den grooten veldslag met

de rooversbende op den Slachting-heuvel in Kerry [176]. Want Liagan,

een van de roovers, ging voor den troep staan en daagde den dapperste

der Fians uit tot een tweegevecht en de Fians duwden spottend Conan

naar voren. Toen hij verscheen, begon Liagan te lachen, want hij

had meer kracht dan geest, en hij zeide: "Het is dwaas dat ge komt,

gij armzalige oude man." En toen Conan nog nader bij kwam hief Liagan

woest zijn hand op, en Conan zeide: "Voorwaar ge loopt meer gevaar

van den man achter, dan van den man voor u." Liagan keek om en op dat

oogenblik sloeg Conan hem het hoofd af, toen wierp hij zijn zwaard

weg en liep naar de gelederen der lachende Fians. Maar Finn was zeer

vertoornd, omdat hij de overwinning had behaald door een list.

Dermot O'Dyna.

En een van de voornaamste vrienden van Finn was Dermot van de

Liefde-Vlek. Hij was zoo schoon en edel van aanblik, dat geen vrouw

hem liefde kon weigeren, en men zegt dat hij nooit van moeheid afwist

en dat zijn stap even licht was aan het eind van den langsten dag

van strijd of jacht, als aan het begin. Tusschen hem en Finn bestond

warme genegenheid, tot op den dag dat Finn, toen een oud man, Grania,

dochter van Cormac den Opperkoning, zou huwen; maar Grania deed Dermot

bij de gewijde verordeningen van de ridderschap van Fian beloven in

haar bruiloftsnacht met haar te vluchten, hetgeen hij, zeer tegen

zijn wil, deed en wat hem het leven kostte. Maar Grania ging terug tot

Finn en toen de Fianna haar zag, werd door het heele kamp in bitteren

spot gelachen, want zij zouden niet een van de vingers van den doode

hebben gegeven voor twintig levenden als Grania.

Keelta mac Ronan en Oisin.

Een ander van Finn's hoofdmannen was Keelta mac Ronan, een van zijn

opzichters en zoowel krachtig krijgsman als welsprekend voordrager

van verhalen en gedichten. En daar was Oisin, de zoon van Finn,

de grootste dichter der Kelten, over wien later meer.

Oscar.

Oisin had een zoon, Oscar genaamd, van alle Fians de geweldigste

krijger. In zijn eersten slag doodde hij drie koningen en in

zijn onstuimigheid doodde hij ook bij ongeluk zijn eigen vriend en

medeleerling Linné. Zijn vrouw was de schoone Aideen, die van verdriet

stierf na Oscar's dood in den slag van Gowra en Oisin begroef haar op

Ben Edar (Howth) en richtte op haar graf de groote dolmen op, die men

daar nu nog vindt. Oscar treedt in deze literatuur op als een type

van harde kracht, met een hart "als van gedraaid hoorn in een schede

van staal", een karakter even zuiver voor den oorlog geschapen als

een zwaard of speer.

Geena mac Luga.

Een ander van Finn's sterke mannen was Geena, de zoon van Luga; zijn

moeder was de krijgshaftige dochter van Finn en zijn vader na verwant

aan haar vader. Hij was opgevoed door een vrouw die den naam droeg van

Schoone Mane, die velen van de Fianna had groot gebracht. Toen de tijd

om de wapens te dragen voor hem gekomen was, verscheen hij voor Finn

en legde den eed van trouw af en Finn stelde hem aan tot kapitein over

een afdeeling. Maar mac Luga bleek lui en zelfzuchtig te zijn, steeds

snoevend op zich zelf en zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapens,

nooit zijn mannen oefenend in de jacht op hert of everzwijn en hij

placht zijn honden en dienstknechten te slaan. Ten slotte begaf zich

de geheele afdeeling van de Fians onder hem tot Finn, te Loch Lena, in

Killarney, en daar dienden zij hun beklag tegen mac Luga in, zeggend:

"Kies nu, o Finn, of ge ons wilt hebben of den zoon van Luga alleen."

Toen liet Finn mac Luga bij zich komen en ondervroeg hem, maar mac Luga

kon niets afdoende zeggen over de reden waarom de Fianna niets met hem

te maken wilde hebben. Toen leerde Finn hem de dingen die pasten voor

een jongeling van edele geboorte en een aanvoerder, en zij waren deze:

Leerstellingen van de Fianna.

"Zoon van Luga, indien krijgsdienst uw doel is, houd u dan rustig in

de huishouding van een groot man, wees flink in een moeilijk geval.

"Sla uw hond niet als hij geen schuld heeft; klaag uw vrouw niet aan

tenzij ge zeker zijt van haar schuld.

"Laat u in het gevecht niet in met een potsenmaker, want o mac Luga,

hij is slechts een dwaas.

"Gisp niemand die een degelijken naam heeft; meng u niet in een twist;

bemoei u niet met een dolleman, of een slecht mensch.

"Bewaar twee derden van uw vriendelijkheid voor vrouwen en voor hen

die op den grond kruipen (kleine kinderen) en voor dichters, en wees

niet heftig tegen den gemeenen man.

"Voer geen blufferige taal en zeg ook niet dat ge niet wilt toegeven

wat billijk is; het is schandelijk te boud te spreken tenzij het

doenlijk is aan uw woorden kracht bij te zetten.

"Verzaak uw heer niet zoolang ge leeft; laat noch voor goud noch voor

andere belooning in de wereld iemand in den steek dien ge u verbonden

hebt te zullen beschermen.

"Spreek tegen een hoofd geen kwaad van zijn volk, want dat is geen

werk voor iemand van goede afkomst."

"Wees geen verklikker, of kwaadspreker; wees geen babbelaar of overijld

vitzuchtig. Haal u geen strijd aan, al zijt ge nog zulk een goed man."

"Wees geen kroeglooper, bedil oude menschen niet, bemoei u niet met

den minderen man."

"Wees vrijgevig met uw kost; kies geen vrek tot vertrouwd vriend."

"Dring u niet op bij een hoofd en geef hem ook geen aanleiding kwaad

van u te spreken."

"Blijf uw zaak getrouw; leg uw wapens niet af voordat de harde kamp

met zijn wapengeschitter is afgeloopen."

"Wees eer bereid te geven dan te weigeren en laat vriendelijkheid

voorgaan, O zoon van Luga."

En de zoon van Luga, zoo staat geschreven, nam deze raadgevingen ter

harte en gaf zijn verkeerde gewoonten op, en hij werd een van Finn's

beste mannen.

Karakter van Finn.

Dergelijke dingen prentte Finn ook al zijn volgelingen in en de

besten dezer werden als hij zelf in dapperheid, vriendelijkheid en

edelmoedigheid. Elk hunner was de goede naam zijner makkers meer waard

dan zijn eigen en elk placht te zeggen dat in edele eigenschappen

geen man op de geheele wereld waard was naast Finn te worden gesteld.

Men zeide van hem dat "hij goud weg gaf als waren het bladen uit het

bosch en zilver als ware het schuim der zee"; en dat wat hij ook aan

eenig man had geschonken, hij dat nooit als wapen tegen hem gebruikte,

wanneer hij later twist met hem kreeg.

De dichter Oisin bezong hem eens tot St. Patrick, als volgt:

Dit is wat Finn's oor een vreugde was--

Als de veldslag raasde', als aan 't maal men genoot,

Als door 't bergdal weerklonk zijner doggen gebas,

Als de zwarte lijster in Letter Lee floot.

Als knersend schuurde' over 't strand het grind

Bij het zeewaarts sleepen van zijn oorlogsboot,

Als zijn speren doorgierde de morgenwind,

Als des meistreels mond hem zijn tooverzang bood.

Eischen van de Fianna.

Ten tijde van Finn werd niemand ooit tot de Fianna van Erin toegelaten

tenzij hij aan vele zware proeven van zijn voortreffelijkheid kon

voldoen. Hij moest vertrouwd zijn met de Twaalf Dichtboeken en zelf

bedreven zijn in het maken van gedichten in het rijm en metrum van de

meesters der Keltische poëzie. Daarna werd hij tot aan zijn middel in

den grond begraven en moest hij, met een schild en een hazelaarstok

zich aldus verdedigen tegen negen krijgslieden, die speren naar hem

wierpen; werd hij gewond, dan werd hij niet toegelaten. Daarna werd

zijn haar in vlechten gescheiden en werd hij door de Fians door het

bosch achterna gezet. Werd hij ingehaald, of indien een haarvlecht

los ging, of een droge stok onder zijn voet kraakte, dan werd hij

niet toegelaten. Hij moest in staat zijn over een lat te springen

ter hoogte van zijn voorhoofd en in volle vaart te loopen onder een

ter hoogte van zijn knie, en hij moest in staat zijn al loopend een

doorn uit zijn voet te halen, zonder zijn vaart te verminderen. Hij

mocht als hij huwde geen bruidschat aannemen.

Keelta en St. Patrick.

Men zeide dat een van de Fians, namelijk Keelta, hoog bejaard werd en

St. Patrick zag, door wien hij gedoopt werd in het geloof van Christus

en wien hij verhalen deed van Finn en zijn mannen, die de schrijver

van Patrick opteekende. En eens vroeg Patrick hem hoe het kwam dat

de Fianna zoo machtig werd en roemrijk dat geheel Ierland hun daden

bezong gelijk het sedert dien steeds heeft gedaan. Keelta antwoordde:

"Waarheid was in onze harten en kracht in onze armen en wat we zeiden

dat volbrachten wij."

Dat werd ook van Keelta verteld nadat hij St. Patrick had gezien en

het Geloof had aangenomen. Eens was hij bij Leyney, in Connacht, waar

het Toovervolk van de Duma-Hoogte elk jaar geducht placht te worden

verontrust en geplunderd door roovers van over de zee. Zij riepen

Keelta ter hulpe en door zijn raad en dapperheid werden de roovers

overwonnen en verdreven, maar Keelta werd zwaar gewond. Toen vroeg

Keelta Owen, den ziener van het Toovervolk, hem te voorspellen hoe lang

hij nog had te leven, want hij was reeds een zeer oud man. Owen zeide:

"Het zal over zeventien jaar zijn, o Keelta die gunstig bekend zijt,

dat ge zult vallen bij den poel van Tara, en dat zal de geheele

huishouding des konings smarten." "Datzelfde voorspelde mij mijn

hoofd en heer, mijn leider en liefhebbend beschermer, Finn," sprak

Keelta. "En welke belooning zult ge mij nu geven omdat ik u verloste

van de zwaarste ramp, die u ooit trof?" "Een groote belooning,"

zeide het Toovervolk, "namelijk jeugd, want door onze macht zult

ge weer een jong man worden met al de kracht en levendigheid van

uw bloeitijd." "Neen," zeide Keelta, "dat verhoede God dat ik een

gedaante zou aannemen door betoovering, of eenige andere dan die mijn

Schepper, de ware en roemrijke God, mij schonk." En het Toovervolk

zeide: "Dat is de taal van een waar krijgsman en held en wat ge zegt

is juist." En zij heelden zijn wonden en alle lichaamskwalen en hij

wenschte hun zegen en zege en ging zijns weegs.

De geboorte van Oisin.

Eens, toen Finn met zijn makkers en honden van de jacht terugkeerde

naar hun burcht op den Heuvel van Allen, kwam een mooi jong hert

opdagen, de jacht snelde het achterna terwijl het den weg insloeg

die naar hun huis leidde. Weldra bleven al de vervolgers ver achter,

op Finn zelf na en zijn twee honden Bran en Skolawn. Nu waren deze

honden van een vreemd ras; want Tyren, zuster van Murna, Finn's

moeder, was in een hond veranderd geworden door de betoovering van

een vrouw van het Toovervolk, die Tyren's echtgenoot Ullan beminde;

en de twee honden van Finn waren de kinderen van Tyren, haar in die

gedaante geboren. Van alle honden in Ierland waren zij de beste en

Finn had ze zeer lief, zoodat, naar men zegt, hij slechts tweemaal

in zijn leven schreide en eens was toen Bran stierf.

Ten laatste, toen de jacht een heuvelrug afging, zag Finn dat het hert

stil hield en ging liggen, terwijl de twee honden er om heen begonnen

te spelen en gezicht en lijf te likken. Hij gelastte toen dat niemand

het dier zou kwaad doen en het volgde hen naar den Heuvel van Allen,

onder het gaan met de honden spelend.

Denzelfden nacht werd Finn wakker en zag bij zijn bed de schoonste

vrouw staan, die hij ooit had aanschouwd.

"Ik ben Saba, o Finn," sprak ze, "en ik was het jonge hert dat ge

heden achterna zette. Omdat ik mijn liefde niet wilde geven aan den

Druïde van het Toovervolk, de Donkere geheeten, deed hij mij door

zijn tooverkunst die gedaante aannemen, en ik heb die de drie laatste

jaren gedragen. Maar een van zijn slaven, die medelijden met mij had,

openbaarde mij eens, dat indien ik uw grooten Heuvel van Allen kon

bereiken, o Finn, ik veilig zou zijn voor alle betooveringen, en dat

ik mijn natuurlijke gedaante terug zou krijgen. Maar ik vreesde door

uw honden in stukken te worden gescheurd, of door uw jagers te worden

gewond, totdat ik mij ten laatste liet inhalen door u alleen en Bran en

Skolawn, die menschenaard hebben en mij geen kwaad zouden doen." "Vrees

niet, jonge maagd," zeide Finn, "wij, de Fianna, zijn vrij en onze

gast-vrienden zijn vrij; er is niemand die u hier dwang zal aandoen."

Zoo bleef dan Saba bij Finn en hij maakte haar tot zijn vrouw; en

zoo vurig was zijn liefde voor haar, dat hij noch in den strijd,

noch in de jacht eenig behagen vond en maanden lang niet van haar

zijde week. Zij beminde hem even vurig en hun vreugde in elkander

was als die der Onsterflijken in het Land der Jeugd. Maar eindelijk

kreeg Finn bericht, dat de oorlogsschepen van de Noormannen in de

baai van Dublin waren en hij riep zijn helden ten strijde op. "Want,"

zoo sprak hij tot Saba, "de mannen van Erin geven ons schatting en

gastvrijheid om hen te verdedigen tegen den vreemdeling, en het zou

schande zijn die van hen aan te nemen en niet te geven dat waartoe wij

ons van onzen kant hebben verbonden." En hij riep in herinnering dat

groote woord van Goll mac Morna, toen zij eens hard bestookt werden

door een machtig heir. "Een man," zeide Goll, "overleeft zich zelf,

niet zijn eer."

Zeven dagen bleef Finn weg en hij verdreef de Noormannen van de kusten

van Erin. Maar den achtsten dag keerde hij terug en toen hij zijn

verblijf binnentrad zag hij droefheid in de oogen zijner mannen en

van hun schoon vrouwenvolk en Saba was niet op den wal zijn terugkomst

verbeidend. Hij verzocht hun dus hem te vertellen wat er gebeurd was

en zij zeiden:

"Terwijl gij, onze vader en heer, ver weg waart en den vreemdeling

versloegt en Saba steeds naar u uitkeek over den heuvelweg, zagen

wij op zekeren dag iemand naderen die op u scheen te gelijken, met

Bran en Skolawn aan uw hielen. En we schenen ook te hooren de tonen

van den jachthoorn van Fian. Toen spoedde zich Saba naar de groote

poort en wij konden haar niet tegenhouden, zooveel haast had zij

de spookverschijning te bereiken. Maar toen zij die naderde, bleef

zij stil staan en deed een luiden en bitteren kreet hooren, en uw

schijnbeeld sloeg haar met een hazelaarroede en ziet, er was daar geen

vrouw meer, maar een hert. Toen maakten deze honden daar jacht op en

telkens als het opnieuw de poort van de burcht trachtte te bereiken,

keerden zij terug. Wij grepen nu allen zooveel wapens als waarop

wij de hand konden leggen en snelden naar buiten om den toovenaar

weg te jagen, maar toen wij ter plaatse kwamen was er niets te zien,

wel hoorden wij nog het geluid van vluchtende voeten en hondengeblaf,

en de een dacht dat het van dezen, de ander dat het van een anderen

kant kwam totdat ten laatste het rumoer wegstierf en alles stil

werd. Wat wij konden doen, o Finn, dat deden wij; Saba is weg."

Toen sloeg Finn zich op de borst, maar hij sprak geen woord en hij

ging naar zijn eigen vertrek. Niemand zag hem dien dag nog, of den dag

daarna. Toen kwam hij te voorschijn en leidde de aangelegenheden van de

Fianna als van ouds, maar nog zeven jaren daarna bleef hij naar Saba

zoeken in elk afgelegen dal en donker woud en spelonk van Ierland en

hij wilde geen andere honden meenemen dan Bran en Skolawn. Ten slotte

liet hij alle hoop varen haar terug te vinden en ging hij als van

ouds jagen. Eens, toen hij de jacht volgde op Ben Bulban, in Sligo,

hoorde hij het muzikaal geblaf der honden eensklaps in woest grommen

en keffen overgaan, alsof zij met een of ander beest aan het vechten

waren, en ijlings toesnellend zagen hij en zijn mannen, onder een

grooten boom, een naakten jongen met lang haar, en de honden om hem

wilden hem beetpakken, maar Bran en Skolawn vochten met hen en hielden

hen tegen. En de knaap was groot en welgemaakt en toen de helden

opdaagden, keek hij onverschrokken naar hen, zich niet bekommerend

om het gevecht der honden aan zijn voeten. De Fians joegen de honden

weg en namen den knaap mee naar huis, en Finn was heel stil en zag

steeds vorschend naar het gelaat van den knaap. Na een wijle kon hij

zich verstaanbaar maken en dit was het verhaal dat hij deed:

Hij had geen vader gekend, en geen moeder dan een vriendelijke

dienstmaagd, waarmede hij leefde in een zeer groen en bekoorlijk dal

aan alle kanten ingesloten door torenhooge rotsen, die niet konden

worden beklommen, of door diepe kloven in den grond. Des zomers

leefde hij van vruchten en dergelijken en des winters werd voorraad

van levensmiddelen voor hem neergelegd in een hol. En soms kwam een

lange man, met een donker gezicht, die zijn moeder toesprak, nu eens

teeder, dan weer luid dreigend, maar zij deinsde altijd in vrees

terug en de man ging toornig heen. Eindelijk kwam er een dag dat de

donkere man heel lang met zijn moeder sprak in alle tonen van smeken,

van teederheid en van woede, maar zij bleef steeds op een afstand

van hem en gaf slechts teekenen van vrees en afschuw. Toen kwam de

donkere man ten laatste naderbij en sloeg haar met een hazelaarroede;

daarna keerde hij zich om en ging zijns weegs, maar ditmaal volgde

zij hem, steeds omkijkend naar haar zoon onder weeklachten. En hij,

toen hij wilde volgen, was niet in staat een vin te verroeren, en

schreeuwend van woede en jammer, viel hij op den grond neer en hij

verloor het bewustzijn. Toen hij tot zichzelf kwam bevond hij zich

aan den bergkant op Ben Bulban, waar hij eenige dagen bleef, zoekend

naar dat groen en verborgen dal, dat hij nimmer terug vond. En eenigen

tijd later vonden hem de honden; maar niemand weet wat er geworden

is van de dienstmaagd zijn moeder en van den Donkeren Druide.

Finn gaf hem den naam Oisin (Klein Hert) en hij werd een befaamd

krijgsman, maar veel meer beroemd werd hij door de zangen en verhalen

die hij maakte; zoodat van alle dingen die nu worden verteld over de

Fianna van Erin, de menschen plegen te zeggen: "Aldus zong de bard

Oisin, zoon van Finn."

Oisin en Niam.

Het geschiedde dat op een neveligen zomermorgen toen Finn en Oisin

met vele metgezellen jaagden aan de oevers van Loch Lena, zij een

jonge maagd op hen af zagen komen, zeldzaam schoon, een sneeuwwit ros

berijdend. Zij droeg het gewaad eener koningin, op het hoofd een gouden

kroon en een donkerbruine zijden mantel, met rood gouden sterren bezet,

viel om haar heen en sleepte op den grond. De hoeven van haar paard

waren met zilver beslagen en op zijn hoofd wuifden gouden manen. Toen

zij naderbij kwam, zeide zij tot Finn: "Van heel ver ben ik gekomen

en nu heb ik u eindelijk gevonden, Finn, zoon van Cumhal."

Toen zeide Finn: "Wat is uw land en van welken stam zijt gij, jonge

maagd, en wat wenscht ge van mij?"

"Mijn naam", sprak zij, "is Niam met het Gouden Haar. Ik ben de dochter

van den koning van het Land der Jeugd en wat mij hier heeft gebracht

is liefde tot uw zoon Oisin." Daarop wendde zij zich tot Oisin en zij

sprak tot hem met de stem van iemand die nooit iets vroeg of het werd

haar toegestaan.

"Wilt ge met mij gaan, Oisin, naar het land mijns vaders?"

En Oisin zeide: "Ik ben bereid, en tot het eind der wereld"; want de

betoovering had zoo machtig gewerkt, dat hij om niets op aarde meer

gaf, dan om de liefde te hebben van Niam met het Hoofd van Goud.

Toen vertelde de jonge maagd van het land over de zee, waarheen zij

haar minnaar had geroepen en terwijl zij sprak viel een droomerige

stilte over alle dingen, geen paard schudde zijn toom, geen hond

blafte, geen windzuchtje deed de bladen der boomen bewegen voordat zij

had geëindigd. En wat zij zeide scheen liefelijker en wonderbaarlijker

terwijl zij het uitsprak, dan wat zij zich later konden herinneren

ooit te hebben gehoord, maar voor zoover zij zich konden herinneren

was het als volgt:

"Verheven boven alle droomen, schooner

Dan ooit uw oogen zagen is het land.

Daar draagt de vruchtboom heel het jaar zijn vrucht,

En heel het jaar staat bloeiend daar de bloem.

"Daar druipt de woudboom van den wilden honig;

Nooit wordt de vloed van mede' en wijn er schaars.

Hij die daar woont kent pijn of ziekte niet,

Dood en verval genaakt hem nimmermeer.

"Hij wordt het feest niet zat, de jacht niet moe,

Nooit zal muziek verstommen in de hal;

Goud en kleinoden van het Land der Jeugd

Verduistren wat een mensen ooit droomde aan glans.

"Gij zult er paarden van den wonder-stam

En honden hebben sneller dan de wind;

U volgen honderd eedlen in den strijd

En honderd maagden zingen u in slaap.

"Uw voorhoofd zal een kroon der hoogste macht

Uw zijde dragen tooverkrachtig zwaard,

Heer zult gij zijn van heel het Land der Jeugd

En heer van Niam met het Hoofd van Goud."

Toen het tooverlied ophield zagen de Fians Oisin het tooverros

bestijgen en de jonge maagd omvatten, en voordat zij zich

konden verroeren of spreken, wendde zij het paard en trok aan den

rinkelenden teugel, en door de boschvlakte spoedden zij zich, zooals

een lichtstraal over het land schiet wanneer wolken over de zon heen

trekken; en nimmer kreeg de Fianna Oisin, zoon van Finn, op aarde

wederom te zien.

Wat hem later wedervoer echter is bekend. Vreemd als zijn geboorte

was ook zijn einde, want hij zag wonderen van het Land der Jeugd

met sterflijke oogen en beleefde het die met sterflijke lippen te

kunnen vertellen.

De reis naar het tooverland.

Toen het witte ros met zijn berijders de zee bereikte, liep het luchtig

over de golven en weldra verdwenen de groene wouden en voorgebergten

van Erin uit het gezicht. En nu scheen de zon met kracht en de

berijders gingen door een gouden nevel, waarbij Oisin alle bewustheid

verloor van waar hij was en of hij zee of land onder de hoeven van

zijn paard had. Maar soms verschenen hun vreemde gezichten in den

mist, want torens en poorten van paleizen doemden op en verdwenen

en eens snelde hen een ree zonder horens voorbij nagezet door een

witten hond met een rood oor; en later zagen zij een jonge maagd op

een bruin ros voorbijrijden, die een gouden appel in de hand hield,

en vlak achter haar volgde een jonge ruiter op een wit ros, met een

purperen mantel op zijn rug hangend en een zwaard met goud gevest

in de hand. En Oisin zou de prinses hebben gevraagd wie en wat deze

verschijningen waren, maar Niam verzocht hem niets te vragen en

te doen alsof hij niet lette op eenig spooksel dat zij zouden zien

voordat zij in het Land der Jeugd waren gekomen.

Oisin's terugkomst.

Het verhaal meldt verder hoe Oisin verschillende avonturen beleefde

in het Land der Jeugd, o.a. de bevrijding van een gevangen prinses

van een reus van Fomor. Maar ten slotte, na een verblijf van wat hem

drie weken leek in het Land der Jeugd, was hij verzadigd van geneugten

van allerlei aard en verlangde hij zijn geboorteland weer te bezoeken

en zijn oude kameraden weer te zien. Hij beloofde daarna terug te

keeren en Niam gaf hem het witte tooverros, dat hem over de zee naar

het tooverland had gebracht, maar maande hem aan om wanneer hij weer

in het land van Erin was gekomen, niet af te stijgen en den aardschen

grond niet met zijn voeten aan te raken, anders zou de terugkeer naar

het Land der Jeugd hem voor altijd zijn afgesneden. Toen maakte Oisin

zich op en stak andermaal den mystieken oceaan over, zoodat hij zich

ten slotte bevond aan de westkust van Ierland. Hier gekomen, sloeg

hij dadelijk den weg in naar den Heuvel van Allen, waar Finn gewoon

was te legeren, maar door de bosschen trekkend, verwonderde het hem

dat hij niets merkte van de jagers van Finn en hij verbaasde zich

over de kleine gestalte van de menschen die hij den grond zag bebouwen.

Ten laatste, komend van het boschpad op de groote vlakte waar de Heuvel

Allen placht te verrijzen, breed en groen, met zijn wal die vele

woningen met witte muren omsloot en het groote hooge gebouw in het

midden, zag hij alleen groene hoogten begroeid met weelderig onkruid

en doornstruiken en koeien weidden er. Toen beving hem een vreemd

afgrijzen en hij dacht dat een of andere betoovering van het Tooverland

zijn oogen met valsche vizioenen misleidde. Hij strekte de armen uit

en riep de namen Finn en Oscar, maar niemand antwoordde, en hij dacht

dat de honden hem misschien zouden hooren, hij riep derhalve Bran en

Skolawn en spitste de ooren om het flauwste geritsel of gefluister

op te vangen van de wereld, waarvan de aanblik hem werd onthouden,

maar hij hoorde slechts den wind in de doornen zuchten. Toen reed hij

ontsteld van de plek, met het gezicht gekeerd naar de oostelijke zee,

want het was zijn plan Ierland dwars door te trekken en van het eene

eind tot het andere, om aan zijn betoovering te ontkomen.

De betoovering verbroken.

Maar toen hij dicht bij de oostelijke zee kwam en zich nu bevond op

de plek geheeten het Dal van de Lysters [177], zag hij op een veld

op den heuvelkant een aantal mannen, die een grooten rolsteen van hun

beploegd land trachtten te wentelen, en een opzichter die hun bevelen

gaf. Hij reed op hen af met het voornemen hun te vragen naar Finn en

de Fianna. Toen hij naderde hielden allen met hun werk op om hem aan te

staren, want hij leek hun een bode van het Toovervolk of een engel uit

den hemel. Hij was langer en forscher dan de mannen die zij kenden, met

staalblauwe oogen en gebruinde blozende wangen; in zijn mond als het

ware rijen paarlen en blond haar krulde onder den helmrand uit. En toen

Oisin naar hun nietige gestalten keek, door arbeid en zorg gekromd,

en naar den steen dien zij met moeite uit zijn bedding trachtte te

lichten, werd hij door medelijden bezield en hij dacht bij zichzelf:

"Zóó waren zelfs niet de lijfeigenen van Erin toen ik ging naar het

Land der Jeugd" en hij bukte van uit zijn zadel om hen te helpen. Hij

zette zijn hand tegen den steen en met een geweldigen ruk lichtte hij

hem op en liet hem van den heuvel rollen. En de mannen juichten hem

in verbazing toe; maar weldra ging hun gejuich over in kreten van

schrik en verslagenheid, en zij vluchtten, elkander verdringend en

omver gooiend in hun haast om weg te komen van de vreeselijke plek,

want een verschrikkelijk wonder had plaats gehad. Oisin's zadelriem

was gebroken terwijl hij den steen had opgelicht en hij viel met

het hoofd voor op den grond. Oogenblikkelijk daarna was het witte

ros uit hun oogen verdwenen als een kring van mist en dat wat zwak

en waggelend van den grond oprees was geen jeugdig krijgsman, maar

een hoogbejaard man, met witten baard en uitgedroogd, die tastend de

handen uitstrekte en zwak en bitter kreunde. En zijn donkerroode mantel

en geel zijden tuniek waren nu slechts grove eigengesponnen stof met

een gordel van hennep bevestigd en het zwaard met goud gevest was

een ruwe eiken stok, zooals bedelaars dragen, die de wegen afloopen

van het eene boerenhuis naar het andere.

Toen het volk zag, dat het gericht dat voltrokken was niet hun gold,

kwam het terug en vond den ouden man voorover liggen op den grond,

het gezicht in de armen verborgen. Zij lichtten hem op en vroegen wie

hij was en wat hem was overkomen. Oisin keek met doffen blik om zich en

zeide toen: "Ik was Oisin, de zoon van Finn, en ik bid u, zeg mij waar

hij woont, want zijn burcht op den Heuvel van Allen is nu een wildernis

en ik heb hem niet gezien of zijn jachthoorn gehoord van de westelijke

tot de oostelijke zee". Toen keken de mannen elkander en Oisin vreemd

aan, en de opzichter vroeg: "Welken Finn bedoelt gij, want daar zijn

velen van dien naam in Erin?" Oisin zeide: "Natuurlijk Finn mac Cumhal

mac Trenmor, hoofdman van de Fianna van Erin". Toen zeide de opzichter:

"Gij zijt gek, oude man, en ge hebt ons gek gemaakt, dat we u hielden

voor een jongeling, zooals wij straks deden. Maar wij althans zijn

nu weer bij ons verstand, en wij weten dat Finn zoon van Cumhal en

zijn geheel geslacht al drie honderd jaren dood zijn. In den slag

van Gowra viel Oscar, zoon van Oisin, en Finn in den slag van Brea,

zooals de geschiedschrijvers ons vertellen, en de liederen van Oisin,

van wien niemand weet hoe hij gestorven is, worden op groote lui's

feesten door onze harpspelers gezongen. Maar nu is de Talkenn [178],

Patrick, in Ierland gekomen en heeft ons gepreekt van den Eenigen

God en van Christus zijn Zoon, door wier macht een einde is gemaakt

aan die vroegere tijden en gebruiken; en Finn en zijn Fianna, met hun

festijnen en jachten en krijgs- en minnezangen, worden niet zoo bij

ons geëerd als de monnikken en de maagden van den Heiligen Patrick

en de psalmen en gebeden die dagelijks opgaan om ons te reinigen van

zonden en ons te redden van het vuur van het laatste oordeel". Maar

Oisin antwoordde, slechts half hoorend en nog minder begrijpend wat

tegen hem was gezegd: "Indien uw God Finn en Oscar heeft gedood,

zou ik zeggen dat God een sterk man is". Toen gingen zij allen tegen

hem te keer en sommigen namen steenen op, maar de opzichter verzocht

hen hem met rust te laten totdat de Talkenn met hem had gesproken en

totdat hij zou gelasten wat met hem zou geschieden.

Oisin en Patrick.

Zij brachten hem aldus bij Patrick, die hem vriendelijk en gastvrij

behandelde en hij vertelde Patrick alles wat hem was wedervaren. Maar

Patrick gelastte zijn schrijvers alles nauwkeurig op te teekenen,

opdat de herinnering aan de helden die Oisin had gekend, en aan het

vroolijke en vrije leven dat zij hadden geleid in de bosschen en dalen

en wildernissen van Erin, nimmer door de menschen zou worden vergeten.

Deze merkwaardige legende is alleen bekend door het moderne

Iersch gedicht, omstreeks 1750 door Michael Comyn geschreven,

een gedicht dat de zwanenzang van de Iersche literatuur kan worden

genoemd. Ongetwijfeld bediende Comyn zich van vroeger overleverde

stof; maar hoewel de oude gedichten van Ossian ons vertellen van de

verlenging van Oisin's leven, zoodat hij St. Patrick kon ontmoeten en

hem verhalen doen van de Fianna, zijn de episoden van Niam's liefde en

het verblijf in het Land der Jeugd ons alleen bekend uit het gedicht

van Michael Comyn.

Het betooverde hol.

Dit verhaal, dat ik put uit S. H. O'Grady's uitgave in "Silva

Gadelica", meldt dat Finn eens een groote jacht hield in het district

Corann, in Noordelijk Connacht, waarover zekere Conaran heerschte,

een heer van het volk van Dana. Vertoornd over het binnendringen der

Fianna in zijn jachtgebied, zond hij zijn drie dochters, toovenaressen,

om wraak te nemen op de stervelingen.

Finn, zoo luidt het verhaal, en Conan de Kale, met Finn's twee

lievelingshonden, sloegen de jacht gade van den top van den heuvel

van Keshcorran en luisterden naar het geschreeuw van de opjagers,

de hoornstooten en het hondengeblaf, toen zij, op den heuvel loopend,

kwamen aan de opening van een groot hol, waarvoor drie tooverkollen

waren gezeten met een boos en terugstootend uiterlijk. Zij hadden om

drie kromme stokken van hulst naar links strengen draad gewonden en

waren daarmede aan het spinnen toen Finn met zijn gevolg kwam. Om hen

meer van nabij te zien, naderden de krijgslieden, toen zij zich opeens

verstrikt vonden in strengen van het draad dat de tooverkollen over de

plek hadden gesponnen als de web van een spin en doodelijke flauwte en

beving kwam over hen, zoodat zij zonder moeite door de tooverkollen

konden worden vastgebonden en in de donkere schuilhoeken van het hol

gebracht. Toen kwamen anderen van de jacht naar Finn zoeken. Allen

wedervoer hetzelfde--zij verloren al hun kracht en dapperheid bij de

aanraking van het betooverde draad, en werden gekneveld en het hol

binnengedragen, totdat de geheele partij gebonden lag, terwijl de

honden buiten blaften en huilden.

Nu grepen de heksen hun scherpe, breed gegroefde harde zwaarden en

waren op het punt om de gevangenen aan te vallen en hen te dooden,

maar eerst keken zij bij de opening van het hol rond, om te zien of

er ook een achterblijver was op wien zij nog niet de hand hadden

gelegd. Op dat oogenblik kwam Goll mac Morna, "de woedende leeuw,

de aanval-toorts, de grootzielige", aanzetten, en er volgde een

wanhopig gevecht, dat daarmee eindigde dat Goll twee der tooverkollen

in tweeën kliefde en dat hij de derde, Irnan geheeten, bedwong en

knevelde. Toen hij op het punt stond haar te dooden, smeekte zij

om genade--"Voorzeker, het ware beter voor u de geheele Fianna

te hebben"--en hij schonk haar het leven op voorwaarde dat zij de

gevangenen zou verlossen.

Zij gingen het hol binnen en eén voor eén werden de gevangenen los

gemaakt, te beginnen met den dichter Fergus Truelips en de "mannen

der wetenschap", en allen gingen op den heuvel zitten om weer bij te

komen, terwijl Fergus een loflied zong ter eere van den redder Goll;

en Irnan verdween.

Weldra naderde hun een monster, een toornige furie, met vurige,

met bloed beloopen oogen, een wijde muil met brokkelige slagtanden,

nagels als die van een wild dier en gewapend als een krijgsman. Zij

legde Finn de _geise_ op haar zijn mannen in tweegevecht te geven,

totdat zij er genoeg van had. Het was niemand anders dan de derde

zuster Irnan, die door Goll was gespaard. Te vergeefs verzocht Finn

Oisin, Oscar, Keelta en de andere voornaamste krijgers van de Fianna

tegen haar te vechten; allen verklaarden zich niet daartoe in staat,

na de slechte behandeling en den smaad die zij hadden ondergaan. Ten

slotte, toen Finn zelf op het punt stond tegen Irnan op te treden,

zeide Goll: "O Finn, het betaamt u niet met een oud wijf te vechten"

en voor den tweeden keer trok hij zijn zwaard tegen deze afschuwelijke

vijandin. Ten slotte, na een wanhopig gevecht, doorboorde hij haar

schild en haar hart, zoodat het lemmet aan den anderen kant uitstak,

en zij viel dood neer. Toen legde de Fianna de burcht van Conaran in

de asch en nam alle schatten daar in bezit, terwijl Finn aan Goll zijn

eigen dochter gaf, Keva met de Blanke Huid, en terwijl zij de burcht

als een hoop gloeiende sintels achterlieten, keerden zij terug naar

den Heuvel van Allen.

De jacht van Slievegallion.

Deze mooie geschiedenis, die in dichtvorm is gegeven als zijnde verteld

door Oisin, in de Handelingen van het Ossian'sch Genootschap, verhaalt

dat Cullan de Smid (hier voorgesteld als een Danaansche godheid),

die op of bij de bergen woonde van Slievegallion, in het graafschap

Armagh, twee dochters had, Ainé en Milucra, die beiden Finn mac

Cumhal beminden. Zij waren jaloersch van elkander; en toen Ainé zich

eens liet ontvallen dat zij nimmer een man met grijs haar zou willen

hebben, zag Milucra de kans schoon Finn's liefde voor zich alleen te

winnen. Zij verzamelde haar vrienden onder de Danaans, om het kleine

grijze meer dat ligt op den top van Slievegallion en zij betooverden

het water er van.

Deze inleiding, draagt, zooals kan worden opgemerkt, sterke sporen

van later aan het oorspronkelijk verhaal te zijn toegevoegd in een

tijdperk van mindere ontwikkeling, of door een minder denkende klasse

in wier handen de legende was gekomen. De werkelijke beteekenis van

de gedaanteverwisseling, die daarin wordt verhaald, is waarschijnlijk

veel dieper.

De geschiedenis vertelt verder dat kort daarna Finn's honden, Bran en

Skolawn, een hert opjoegen bij den Heuvel van Allen en het noordwaarts

dreven totdat de jacht eindigde op den top van Slievegallion, een berg

die, evenals Slievenamon [179] in het zuiden, in het oude Ierland een

waar brandpunt was van Danaansche tooverkunst en legenden. Finn volgde

de honden alleen, totdat het jonge hert op een bergrug verdween. Er

naar zoekend, kwam Finn eindelijk bij het kleine meer op den bergtop

en zag aan den oever er van een vrouw, wonderbaarlijk schoon, die daar

zat te jammeren en te schreien. Finn vroeg waarom zij zoo bedroefd

was. Zij zeide dat een gouden ring, waaraan zij veel waarde hechtte,

van haar vinger in het meer was gevallen, en zij legde Finn als _geise_

op dat hij in het meer zou springen en den ring voor haar zoeken.

Finn deed aldus, en na in elken schuilhoek van het meer te hebben

gedoken, vond hij den ring, en alvorens hij uit het water kwam, gaf

hij dien aan de vrouw. Onmiddellijk daarop sprong zij in het meer

en verdween. Finn vermoedde toen, dat een of andere betoovering op

hem werd bewerkt, en weldra wist hij wat het was, want toen hij op

het droge stapte viel hij van louter zwakte neer en toen hij weer

opstond was hij een waggelende, zwakke en oude man, met sneeuwwit

haar en uitgedroogd, zoodat zelfs zijn trouwe honden hem niet kenden,

maar om het meer liepen zoekend naar hun verloren meester.

Inmiddels werd Finn vermist in zijn paleis op den Heuvel van Allen en

weldra begaf zich een troep op het spoor waarop men hem het hert had

zien jagen. Zij zochten aan het meer op Slievegallion en vonden daar

een ellendigen en verlamden ouden man, dien zij ondervroegen, maar

die niets anders kon doen dan zich op de borst slaan en jammeren. Ten

laatste wenkte de oude man Keelta naderbij te komen, fluisterde hem

zwakjes eenige woorden in het oor, en ziet, het was Finn zelf! Toen

de kreten van verbazing en gejammer der Fianna ophielden, fluisterde

Finn Keelta het verhaal van zijn betoovering toe en hij zeide dat

de bewerker er van moest zijn de dochter van Cullan de Smid, die

woonde in den tooverheuvel van Slievegallion. De Fianna, Finn op

een baar dragend, begaf zich onmiddellijk naar den heuvel en begon

met kracht te graven. Drie dagen en nachten achtereen groeven zij in

den Tooverheuvel en drongen ten slotte in de binnenste wijkplaatsen;

plotseling stond een jonge maagd voor hen, die een drinkbeker van

rood goud in de hand hield. Hij werd aan Finn gegeven, die er uit

dronk en aanstonds kreeg hij zijn gedaante en zijn schoonheid weer,

maar zijn haar bleef nog wit als zilver. Ook dit zou door een anderen

dronk in zijn vroegeren staat zijn gebracht, maar Finn liet het blijven

zooals het was en zilverwit bleef zijn haar tot den dag van zijn dood.

Op dit verhaal is een zeer treffend, allegorisch drama gebouwd, "De

Maske van Finn", door Standish O'Grady, die, ongetwijfeld terecht,

de geschiedenis opvat als symboliseerend het verwerven van wijsheid

en verstand door lijden. Een leider van mannen moet afdalen tot het

meer van tranen en zwakheid en wanhoop kennen, alvorens zijn geest

hen kan gebruiken tot groote doeleinden.

Er is een antiek grafmonument op den bergtop dat de boeren van

het district nog houden--of hielden in de dagen voor de Openbare

Lagere scholen--voor het verblijf van de "Heks van het Meer", en een

eigenaardig pad, dat nooit door menschelijke voeten is afgesleten

en dat van het rotsgraf voert naar het meer, wordt toegeschreven aan

het heen en weer gaan van dat bovennatuurlijk wezen.

Keltische Mythen en Legenden · 第 16 / 29 题