van Lerga ter neder lag, het oog gericht op de kampvuren van het
groote leger, dat over hem gekampeerd was en op de flikkering van
hun ontelbare speren, zag hij een grooten en bevalligen krijgsman
uit de menigte komen, die onstuimig naar voren trad, en geen der
troepenafdeelingen, langs welke hij heenging draaide het hoofd
om, om naar hem te zien, of scheen hem zelfs op te merken. Hij
droeg een zilveren opperkleed met goud geborduurd, en een groenen
mantel, vastgemaakt met een zilveren gesp; in één hand hield hij een
zwart schild met een zilveren rand en in de andere twee speren. De
vreemdeling kwam naar Cuchulain toe en sprak vriendelijk en zachtaardig
met hem over zijn langen strijd en zijn voortdurend waken en zijn
pijnlijke wonden, en zeide ten slotte: "Slaap nu, Cuchulain, bij het
graf van Lerga; slaap drie dagen vast door, en gedurende dien tijd
zal ik uw plaats innemen en de wadde verdedigen tegen het leger van
Maev." Daarop zonk Cuchulain in een diepen slaap en in bewusteloosheid,
terwijl de vreemdeling genezende balsems van magische kracht op zijn
wonden legde, zoodat hij hersteld en verfrischt weer ontwaakte, en
gedurende den tijd, dat Cuchulain sliep, verdedigde de vreemdeling de
wadde tegen de vijanden. En Cuchulain wist, dat het zijn vader Lugh
was, die van het volk van Dana was gekomen, om zijn zoon te helpen
in zijn uur van somberheid en wanhoop.
De opoffering van het knapenkorps.
Maar nog steeds lagen de mannen van Ulster hulpeloos ter neer. Nu was
er in Emain Macha een troep van driemaal vijftig knapen, de zonen
van alle opperhoofden der provincies, die daar werden opgevoed in
de wapenen en alle edele kunsten, en dezen stonden niet onder den
vloek van Macha, daar die alleen gold voor de volwassenen. Maar toen
zij hoorden van de vreeselijke moeilijkheden, waarin Cuchulain, hun
speelmakker van niet lang geleden, verkeerde, trokken zij hun lichte
wapenrusting aan, en namen hun wapenen ter hand en trokken ten strijde
voor de eer van Ulster en ter hulp van Cuchulain, onder den jongen
zoon van Conor, Follaman. En Follaman legde de belofte af, dat hij
niet naar Emain zou terug keeren zonder den diadeem van Ailell als
trofee. Driemaal reden zij op het leger van Maev in, en versloegen
driemaal hun eigen aantal, maar tenslotte werden zij overweldigd en
gedood, en niet één ontsnapte levend.
Het bloedbad van Murthemney.
Dit geschiedde terwijl Cuchulain in diepen slaap lag, en toen hij
verfrischt en genezen wakker werd, en hoorde wat geschied was, kwam
zijn woede weer over hem en hij sprong in zijn strijdwagen en reed
woedend om het leger van Maev heen. En de wagen ploegde de aarde
totdat de wagensporen geleken op de wallen van een vesting, en de
zeisen op de wielen grepen en verminkten de lichamen der verzamelde
vijanden, totdat zij als een muur rondom het kamp waren opgehoopt,
en toen Cuchulain in zijn woede schreeuwde, gilden de booze geesten
en spoken in Erin tot antwoord, zoodat de troepen door den schrik en
de verwarring hijgden en heen en weer ijlden en velen door elkanders
wapenen omkwamen, en anderen van schrik en vrees. En dit was het groote
bloedbad van Murthemney, door Cuchulain aangericht om het knapenkorps
van Emania te wreken; honderddertig vorsten uit het leger van Maev
werden toen verslagen, behalve paarden en vrouwen en wolfshonden en
tallooze gewone krijgslieden. Volgens de verhalen streed daar Lugh
mac Ethlinn aan de zijde van zijn zoon.
De Clan Calatin.
Daarna besloten de mannen van Erin, den Clan Calatin [151] één voor
één in een tweegevecht tegen Cuchulain te zenden. Nu was Calatin een
toovenaar, en hij en zijn zeven en twintig zonen vormden als het ware
slechts één wezen, daar de zonen organen van hun vader waren, en wat
één van hen deed, deden allen eveneens. Zij waren allen vergiftig,
zoodat ieder wapen, dat één van hen gebruikte, binnen negen dagen
doodde, die daarmede even was aangeraakt. Toen dit veelvoudige wezen
tegenover Cuchulain stond, wierp iedere hand tegelijkertijd een speer
op hem af, maar Cuchulain ving de acht en twintig speren op zijn
schild, en geen enkele daarvan deed een droppel bloed vloeien. Daarop
trok hij zijn zwaard, om de speren weg te strijken, die steil uit
zijn schild uitstaken, maar terwijl hij dit deed, stortte de Clan
Calatin op hem af en sloeg hem ter neder, waarbij zijn gelaat op de
steenen sloeg. Daarop gaf Cuchulain een luiden schreeuw van nood over
den ongelijken strijd, en één van de ballingen van Ulster, Fiacha,
de zoon van Firaba, die bij het leger van Maev was, en het gevecht
gadesloeg, kon den ellendigen toestand van den kampioen niet langer
aanzien, zoodat hij zijn zwaard trok en met één slag de acht en twintig
handen afsloeg, die het gelaat van Cuchulain op de keisteenen der
wadde duwden. Daarop stond Cuchulain op en hakte den Clan Calatin
in stukken, zoodat geen enkele in leven bleef, om te verhalen wat
Fiacha gedaan had; anders zoude hij met zijn drieduizend volgelingen
uit den Clan Rury door Maev ter dood gebracht zijn.
Ferdia neemt deel aan den strijd.
Cuchulain had nu al de machtigsten der mannen van Maev overwonnen,
behalve hem, die na Fergus het machtigst was, en wel Ferdia,
den zoon van Daman. En daar Ferdia de oude vriend en medeleerling
van Cuchulain was, was hij nooit tegen hem opgetrokken; doch nu
verzocht Maev hem te gaan, maar hij wilde niet. Daarop bood zij hem
haar dochter, Findabair, met de Schoone Wenkbrauwen, tot vrouw aan,
als hij Cuchulain aan de wadde wilde aanvallen, maar ook toen wilde
hij niet. Ten slotte beval zij hem te gaan, daar anders de dichters
en spotschrijvers gedichten op hem zouden maken en hem openlijk tot
schande zouden maken, waarna hij woedend en verdrietig zijn toestemming
gaf en zijn wagenmenner beval zich voor den strijd tegen den volgenden
dag gereed te maken. Toen was er droefheid onder zijn geheele volk,
omdat zij wisten, dat als Cuchulain en hun meester een tweegevecht
aangingen, één van hen niet levend zou terugkeeren.
Zeer vroeg in den morgen reed Ferdia naar de wadde, en legde zich
daar neder op de kussens en huiden van den wagen en sliep totdat
Cuchulain zou komen. Eerst toen het helder dag was, hoorde de
wagenmenner van Ferdia het donderen van den naderenden strijdwagen
van Cuchulain, en wekte hij zijn meester; de beide vrienden zagen
elkander weder aan weerszijden van de wadde. En toen zij elkander
hadden begroet, zeide Cuchulain: "Ferdia, gij hadt niet tegen mij
ten strijde moeten komen. Waren wij niet, toen wij bij Skatha waren,
zijde aan zijde in iederen slag, en in ieder bosch en in iedere
wildernis? Waren wij niet boezemvrienden, trouwe makkers bij feesten
en in de vergadering? Deelden wij niet hetzelfde bed en denzelfden
diepen slaap?" Maar Ferdia antwoordde: "O Cuchulain, gij man der
bewonderenswaardige daden, hoewel wij samen poëzie en wetenschap hebben
bestudeerd, en hoewel ik u onze vriendschapsdaden heb hooren vermelden,
toch zal mijn hand u verwonden. Herinner u onze vriendschap niet,
gij Hond van Ulster, zij zal u niet helpen, zij zal u niet helpen."
Daarna bespraken zij, met welke wapenen zij zouden beginnen te vechten,
en Ferdia herinnerde Cuchulain aan de kunsten van het werpen met
werpspiesen, zooals zij die van Skatha hadden geleerd, en zij kwamen
overeen, daarmede te beginnen. Vooruit en achteruit gonsden de lichte
werpspiesen over de wadde als bijen op een zomerdag, maar toen de
middag was aangebroken, had geen enkel wapen de wapenrusting van den
tegenstander doorboord. Daarop namen zij de zware werpspiesen ter
hand, en nu begon tenslotte bloed te vloeien, immers de ééne kampioen
wondde telkens den anderen. Eindelijk brak het einde van den dag
aan. "Laat ons nu ophouden," zeide Ferdia, en Cuchulain stemde daarin
toe. Daarop wierp ieder van hen zijn wapenen naar zijn wagenmenner,
en de vrienden omhelsden en kusten elkander driemaal, en gingen ter
ruste. Hun paarden werden in dezelfde omheinde plaats geborgen, de
paardenmenners warmden zich aan hetzelfde vuur, en de helden zonden
elkander spijzen en drank en geneeskrachtige kruiden voor hun wonden.
Den volgenden dag begaven zij zich weer naar de wadde, en omdat Ferdia
den vorigen dag de keuze der wapenen gehad had, verzocht hij Cuchulain
nu te kiezen. [152] Cuchulain koos nu de zware speren met breed lemmer,
om van dichtbij te vechten, en daarmede streden zij van hun wagens
af totdat de zon onderging, en menners en paarden afgemat waren en
het lichaam van ieder der helden met wonden was bedekt. Toen eerst
eindigden zij den strijd en wierpen hun wapenen neer. En zij kusten
elkander als te voren, en zooals te voren, deelden zij samen spijs
en drank en sliepen vreedzaam tot aan den morgen.
Toen de derde dag van den strijd aanbrak, vertoonde Ferdia een boos en
grimmig gelaat, en Cuchulain verweet hem, dat hij tegen zijn makker
ten strijde trok ter wille van een meisje, al was zij ook zoo schoon
als Findabair, die door Maev aan iederen kampioen was aangeboden,
en ook aan Cuchulain zelf, als de wadde daarmee kon worden gewonnen;
maar Ferdia zeide: "Edele Hond, als ik u, na daartoe opgeroepen te
zijn, niet het hoofd had geboden, zou ik mijn woord hebben gebroken,
en zou ik in Rathcroghan geschandvlekt zijn." Het is nu de beurt van
Ferdia, de wapenen te kiezen, en zij maken gebruik van hun "zware,
hard treffende zwaarden," en hoewel zij van elkanders dijen en
schouders groote stukken vleesch hakken, kan geen van beiden zijn
tegenstander overwinnen, en eindelijk maakte de avond een einde aan
den slag. Dien avond gaan zij somber en gedrukt van elkander en er was
geen wisseling van vriendelijke daden, hun wagenmenners en paarden
sliepen afzonderlijk. De hartstocht der strijders was tot grimmigen
ernst gestegen.
De dood van Ferdia.
Op den vierden dag wist Ferdia, dat de strijd zou worden beslist,
en hij wapende zich met bijzondere zorg. Hij droeg over zijn huid een
kleed van gestreepte zijde, omzoomd met gouden loovertjes, en daarover
heen hing een voorschoot van bruin leder. Op zijn buik legde hij een
vlakke steen, zoo groot als een molensteen, en daarover een stevig,
dik ijzeren voorschoot, immers hij vreesde, dat Cuchulain dien dag de
Gae Bolg zou gebruiken. En op zijn hoofd plaatste hij zijn gepluimden
helm, met karbonkels bezet en met email ingelegd, en hij omgorde zich
met zijn zwaard met gouden gevest, en hing aan zijn arm zijn breed
schild met vijftig bronzen knoppen. Zoo stond hij aan de wadde, en
terwijl hij wachtte, wierp hij zijn wapenen in de hoogte en ving ze
weder op en deed een aantal bewonderenswaardige daden, terwijl hij
met zijn machtige wapens speelde zooals een goochelaar met appels
speelt, en Cuchulain zeide, terwijl hij hem gadesloeg tot Laeg, zijn
wagenmenner: "Als ik van daag achteruit deins, verwijt mij dan en
bespot mij en spoor mij tot dapperheid aan, en prijs en bemoedig mij,
als ik mijn plicht doe, want ik zal al mijn moed noodig hebben."
"O Ferdia," zeide Cuchulain, toen zij den strijd zouden beginnen,
"wat zullen heden onze wapens zijn?" Gij moogt van daag kiezen,"
antwoordde Ferdia. "Laten het dan alle zijn," zeide Cuchulain,
en Ferdia werd vreeselijk terneergeslagen, toen hij dit hoorde,
maar hij zeide: "Zoo zij het," en daarop begon het gevecht. Tot aan
den middag streden zij met speren en niemand kon op den ander een
voordeel behalen. Daarop trok Cuchulain zijn zwaard en trachtte Ferdia
over den rand van zijn schild heen te treffen; maar de reus Firbolg
verhinderde dit listig. Driemaal sprong Cuchulain hoog in de lucht
en trachtte Ferdia over zijn schild heen te treffen, maar iederen
keer als hij neerkwam ving Ferdia hem op zijn schild op en wierp hem
als een klein kind in de wadde, en Laeg lachte hem uit, en riep:
Hij werpt u van zich af, zooals een rivier haar schuim weg werpt;
hij vermaalt u, zooals een molensteen een graankorrel fijnmaalt; gij,
kaboutermannetje, noem u nooit meer een krijgsman."
Toen kwam ten slotte bij Cuchulain de woede over hem, en hij zette zich
tot een reus, totdat hij boven Ferdia uitstak, en het licht van een
held schitterde rondom zijn hoofd. De twee waren nauw ineengestrengeld,
terwijl zij ronddraaiden en trappelden en terwijl de booze geesten
en kabouters en de geesten der bergpassen van het lemmer van hun
zwaarden schreeuwden en de wateren der wadde in schrik voor hen weken,
zoodat zij een tijdlang op de droogte streden te midden van de bedding
der rivier. Nu was Cuchulain een oogenblik minder op zijn hoede, en
sloeg Ferdia hem met het scherpe van zijn zwaard, dat diep in zijn
vleesch drong, zoodat de rivier roodgekleurd was van zijn bloed. En
daarna drukte hij Cuchulain hevig, op hem hakkend en hem stootend,
zoodat deze het niet langer kon uithouden en Laeg toeschreeuwde,
hem de Gae Bolg toe te werpen. Toen Ferdia dit hoorde hield hij zijn
schild naar beneden om zich van onderen te dekken, en Cuchulain joeg
zijn speer over den rand van zijn schild en door zijn borstharnas in
zijn borst. En Ferdia hief zijn schild weer op, maar op dat oogenblik
pakte Cuchulain de Gae Bolg met zijn teenen en wierp het naar boven
tegen Ferdia, zoodat het door het ijzeren voorschoot heendrong,
den molensteen, die hem beschermde, in drieën spleet, en diep drong
in zijn lichaam, zoodat iedere scheur en barst in zijn lichaam met
haar weerhaken was gevuld. "Het is genoeg," riep Ferdia, "dit is mijn
dood. Het is erg, Cuchulain, dat ik door uw hand val." Cuchulain greep
hem, terwijl hij viel, en droeg hem in noordelijke richting door de
wadde, opdat hij aan de andere zijde zou sterven, en niet aan die
van de mannen van Erin. Daarna legde hij hem neder, en een flauwte
overviel Cuchulain, en hij viel, toen Laeg uitriep: "Sta op, Cuchulain,
immers het leger van Erin zal ons overvallen. Nu Ferdia is gesneuveld,
zullen zij geen tweegevecht meer toestaan." Maar Cuchulain zeide,
"waarom zou ik weer opstaan, mijn dienaar, nu hij, die daar ter neder
ligt, door mijn hand is gevallen?" en hij viel bewusteloos als dood
ter neder. En het leger van Maev trok de grenzen over naar Ulster
met geschreeuw en met vreugdekreten, onder het werpen van speren en
het zingen van krijgsliederen.
Maar voordat zij de Wadde verlieten, namen zij het lijk van Ferdia
op en legden het in een graf, en bouwden een grafheuvel daarover,
en richtten een steenen pilaar op met zijn naam en afkomst in
Oghamschrift. En sommigen van de vrienden van Cuchulain kwamen uit
Ulster, en droegen dezen naar Murthemney, waar zij hem reinigden en
zijn wonden in de stroomen afwaschten, en zijn bloedverwanten onder het
Volk van Dana wierpen tooverkruiden ter genezing in de rivieren. Maar
hij lag daar, bij voortduring zwak en bedwelmd gedurende verschillende
dagen.
Ulster verheft zich eindelijk.
Sualtam nu, de vader van Cuchulain, had het paard van zijn zoon
genomen, den Schimmel van Maehn, en was weer weggereden om te zien,
of hij op de ééne of andere wijze de mannen van Ulster kon opwekken om
de provincie te verdedigen. En hij ging op weg, voortdurend uitroepend:
"De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd,
de koeien medegenomen!" Doch zij staarden hem wezenloos aan, alsof zij
niet wisten, waarvan hij sprak. Eindelijk kwam hij in Emania, en daar
waren Cathbad de Druïde en koning Conor, met al hun aanzienlijken en
edelen, en Sualtam riep hun luidde toe: "De mannen van Ulster worden
verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen;
en Cuchulain moet alleen de bres van Ulster bezetten tegen de vier
provincies van Erin. Staat op en verdedigt u!" Maar Cathbad zeide
niets anders dan: "Hij is des doods schuldig, die den koning zoo
lastig valt;" en Conor zeide: "Toch is het waar, wat de man zegt";
en de edelen van Ulster schudden het hoofd en mompelden: "Het is
inderdaad waar."
Daarop draaide Sualtam woedend zijn paard om en was op het punt te
vertrekken, toen zijn nek door een beweging van zijn schimmel, viel
tegen den scherpen rand van het schild op zijn rug, waardoor zijn
hoofd werd afgesneden en op den grond viel. Maar toch bleef het zijn
boodschap zelfs toen nog herhalen, en eindelijk liet Conor het op een
pilaar zetten, opdat het rustig zou zijn. Maar toch ging het door met
schreeuwen en vermanen, totdat eindelijk in den verduisterden geest van
den koning de waarheid begon door te dringen, en de verglaasde oogen
der krijgslieden begonnen te glinsteren, en langzaam de betoovering
van den vloek van Macha van hun geesten en lichamen wegtrok. Daarop
rees Conor op en zwoer een krachtigen eed, waarbij hij zeide:
"De hemelen zijn boven, de aarde onder ons, en de zee is om ons
heen; en als de hemelen niet op ons neerstorten, en de aarde niet
opengaapt om ons te verzwelgen en de zee de aarde niet overstroomt,
zal ik zoo zeker als ik leef iedere vrouw naar haar haardstede, en
iedere koe naar haar stal terugvoeren." [153] Zijn Druïde kondigde
af, dat het weer gunstig was, en de koning beval zijn boden in iedere
richting uit te trekken en Ulster te wapen te roepen, en hij noemde
hun zoowel krijgslieden, die reeds lang dood waren, als de levenden,
daar de nevel van den vloek nog niet van zijn hersenen was opgetrokken.
Nu de vloek van hen was afgenomen, stroomden de mannen van Ulster
verheugd op de oproeping toe, en iedereen was bezig speren en zwaarden
te slijpen, en de wapenrusting aan te trekken en strijdwagens in
te spannen voor het te velde trekken der mannen van Ulster. Eén
legerafdeeling kwam onder koning Conor en Keltchar, den zoon van
Uthecar Hornskin, uit Emania naar het zuiden en een andere kwam uit
het westen juist op het spoor van het leger van Maev. En de troep
van Conor stootte op honderd zestig man van Erin in Maeth, die een
grooten buit van vrouwelijke gevangenen medevoerden, en zij versloegen
ieder der honderd zestig man en bevrijdden de vrouwen. Daarop trok
Maev met haar leger terug op Connacht, maar toen zij Slemon Midi,
den Heuvel van Slane, in Meath, bereikt hadden, vereenigden zich daar
de troepen uit Ulster en maakten zich gereed slag te leveren. Maev
zond haar boodschapper mac Roth uit, om het leger van Ulster op de
Vlakte van Garach gade te slaan en daaromtrent verslag te doen. Mac
Roth kwam terug met een angstwekkende beschrijving van wat hij gezien
had. Bij den eersten blik zag hij de vlakte overdekt met herten en
andere wilde dieren. Deze waren, zoo verklaart Fergus, uit de bosschen
verjaagd door de naderende troepen der mannen van Ulster. Toen hij
hen den tweeden keer gadesloeg, zag hij een nevel over de valleien,
waar boven de toppen der heuvels als eilanden uitstaken. Uit dien
nevel kwamen donderslagen en bliksemschichten te voorschijn, en een
storm wierp hem bijna ter neder. "Wat beteekent dit?" vraagt Maev,
en Fergus vertelt haar, dat de nevel afkomstig is van de diep ademende
krijgslieden op hun marsch, en het licht de flikkering van hun oogen,
en de donder het geratel hunner strijdwagens en het gekletter hunner
wapenen, als zij ten strijde trokken: "Zij meenen, dat zij dien nooit
zullen bereiken," zegt Fergus. "Wij hebben krijgslieden om hen te
bestrijden," zegt Maev. "Gij zult die noodig hebben," antwoordt Fergus,
"immers in geheel Ierland, ja zelfs in de geheele Westelijke Wereld,
tot aan Griekenland en Scythië en den Toren van Bregon [154] en het
eiland Gades, zijn er geen mannen, die de mannen van Ulster in hun
woede kunnen weerstaan."
Daarop volgt een beschrijving van het uiterlijk en de wapenrusting
van ieder der aanvoerders van de mannen van Ulster.
De slag bij Garach.
De troepen werden handgemeen in de vlakte van Garach in Meath. Fergus,
die een tweehandig zwaard hanteerde, het zwaard dat, naar gezegd werd,
als het in den slag werd gezwaaid kringen maakte als een regenboog,
maaide heele rijen der mannen van Ulster weg met iederen slag [155],
en de grimmige Maev deed driemaal een uitval op het centrum van den
vijand. Fergus werd handgemeen met koning Conor, en raakte hem op zijn
schild met gouden rand, maar Cormac, zijn zoon, smeekte om het leven
van zijn vader. Fergus wendde zich nu tot Conall van de Overwinningen.
"Gij zijt te vurig," zeide Conall, "tegen uw volk en uw ras voor een
wellusteling". [156] Fergus hield toen op, de mannen van Ulster te
dooden, maar in zijn strijdwoede sloeg hij met zijn regenboogzwaard
tusschen de heuvelen, en sloeg de toppen der drie _Maela_ van Meath
af, zoodat zij tot op den huidigen dag platte toppen (mael) hebben.
Cuchulain hoorde in zijn bewusteloosheid het gekraak van de slagen
van Fergus, en toen hij langzaam bijkwam, vroeg hij Laeg, wat dat
beteekende. "Het is het zwaardgekletter van Fergus," zeide Laeg. Toen
sprong hij op en zijn lichaam zette zóó zeer uit, dat zijn omslagen
en zwachtels, die om hem heen gebonden waren, afvlogen, en hij wapende
zich en stortte zich in den strijd. Daar ontmoette hij Fergus. "Draai
u hierheen, Fergus," riep hij uit; "ik zal u wasschen als schuim in
een waterpoel, ik zal over u heen gaan, zooals de staart over de kat
gaat, ik zal u kastijden, zooals een moeder haar kind kastijdt." "Wie
spreekt zoo tot mij?" riep Fergus. "Cuchulain mac Sualtam; en vermijd
mij nu, zooals is afgesproken." [157]
"Dat heb ik beloofd," zeide Fergus, en daarop verdween hij uit het
gevecht, en tegelijk met hem de mannen van Leinster en die van
Munster, terwijl zij Maev met haar zeven zoons en het leger van
Connacht alleen achterlieten.
Het was middag, toen Cuchulain in den strijd kwam; toen de avondzon
scheen tusschen de bladeren der boomen, bestond zijn strijdwagen
slechts uit twee wielen en een handvol gebroken stukken hout, terwijl
het leger van Connacht in volle vlucht was naar de grens. Cuchulain
haalde Maev in, die onder haar wagen kroop en om genade smeekte. "Ik
ben niet gewoon, vrouwen te dooden," zeide Cuchulain, en hij beschermde
haar, totdat zij den Shannon bij Athlone was overgestoken.
Het gevecht der stieren.
Maar de Bruine Stier van Quelgny, die Maev langs een omweg naar
Connacht had gezonden, ontmoette den Stier van Ailell met witte horens
op de Vlakte van Aei, en de twee dieren begonnen te vechten; maar de
Bruine Stier doodde onmiddellijk den anderen, en wierp de stukken over
het land, zoodat deelen er van verstrooid lagen van Rathcroghan tot
aan Tara; daarna holde hij dol voort, totdat hij dood viel, loeiende
en zwart geronnen bloed uitspuwend, op den Bergrug van den Stier,
tusschen Ulster en Iveagh. Ailell en Maev sloten een zevenjarigen
vrede met Ulster, en de mannen van Ulster keerden met roem beladen
naar Emain Macha terug.
Zoo eindigt de "Tain Bo Cuailgné," of de Strooptocht van Vee van
Quelgny; deze is opgenomen in het "Boek van Leinster" in het jaar 1150
door de hand van Finn mac Gorman, Bisschop van Kildore, en op het einde
geschreven: "Gezegend zijn zij, die de 'Tain' letterlijk opzeggen,
zooals zij hier staat, en het niet in een anderen vorm weergeven."
Cuchulain in het tooverland.
Eén der vreemdste verhalen onder de Keltische legenden vermeldt hoe
Cuchulain, toen hij na de jacht in slaap lag tegen een steen van een
pilaar, een droomgezicht had van twee vrouwen uit het Volk van Dana,
die tot hem naderden, met roeden gewapend en hem om beurten zóó hard
sloegen, dat hij zoo goed als dood was, en hij geen hand kon opsteken,
om zich te verdedigen. Den volgenden dag, tot zelfs een jaar daarna,
lag hij doodziek ter neder, en er was niemand, die hem kon genezen.
Daarop kwam een man, dien niemand kende, die hem beval zich naar den
steen van den pilaar te begeven, waar hij het droomgezicht had gezien;
daar kon hij vernemen, wat voor zijn herstel kon worden gedaan. Hij
vond er een vrouw uit het Volk van Dana in een groenen mantel, en
wel één van die, welke hem hadden gekastijd, en deze deelde hem mede,
dat Fand, de Parel der Schoonheid, de vrouw van Mananan den Zeegod,
op hem verliefd was geworden en dat zij met haar echtgenoot Mananan
in onmin leefde; haar rijk werd belegerd door drie demonenkoningen,
tegen wie de hulp van Cuchulain werd ingeroepen, en de prijs voor zijn
hulp zou de liefde van Fand zijn. Daarop werd Laeg, de wagenmenner,
door Cuchulain weggezonden om over Fand en haar boodschap berichten
in te winnen. Hij ging het tooverland binnen, gelegen aan de andere
zijde van een meer, dat hij in een bronzen tooverboot overstak,
en kwam tehuis met een verslag van de onovertrefbare schoonheid
van Fand en de wonderen van het koninkrijk; daarop ging Cuchulain
daarheen. Hier leverde hij in een dichten nevel een gevecht tegen de
booze geesten, die beschreven worden als te gelijken op golven der
zee--ongetwijfeld moeten wij aannemen dat dit de helpers zijn van den
vertoornden echtgenoot Mananan. Daarop bleef hij bij Fand vertoeven,
bij wie hij zich een maand lang in alle genietingen van het Tooverland
verheugde, waarna hij afscheid van haar nam, en een plaats op aarde,
het Strand van den Taxisboom, afsprak, waar zij hem zou kunnen treffen.
Fand, Emer en Cuchulain.
Maar Emer hoorde van de afspraak; maar hoewel zij meestal de tallooze
gevallen van ontrouw van Cuchulain gewoonlijk nog al kalm opnam, kwam
zij bij die gelegenheid aanzetten met vijftig van haar gezellinnen,
met scherpe messen gewapend, om Fand te dooden. Cuchulain en Fand
zien reeds van verre haar wagens, en de gewapende vertoornde vrouwen,
met gouden gespen, die op haar borsten schitterden, en hij maakt
zich gereed, zijn geliefde te beschermen. Hij spreekt Emer aan in
een merkwaardig gedicht, waarin hij de schoonheid, de bekwaamheid
en de magische macht van Fand beschrijft. "Er is niets wat de geest
kan wenschen of zij bezit het." Emer antwoordt: "Inderdaad schijnt
de dame, aan wie gij u vasthecht in geen enkel opzicht beter dan ik,
maar het nieuwe is altijd zoet, en het goed gekende is zuur; gij hebt
al de wijsheid van heden, Cuchulain! Eertijds leefden wij in eere
te zamen en zouden dat nog kunnen doen, als ik genade in uw oogen
kon vinden." "Op mijn eerewoord, dat doet gij, "sprak Cuchulain,
"en dat zal het geval zijn zoolang ik leef."
"Geef mij dan op," zeide Fand daarop. Maar Emer sprak: "Neen, het
is beter dat ik de verlatene ben." "Niet alzoo," zeide Fand, "ik ben
het, die moet heengaan." En de behoefte tot weeklagen overviel Fand,
en haar ziel in haar was groot, want het was voor haar een schande
verlaten te worden en weer regelrecht naar huis terug te keeren;
bovendien was in haar hart een onstuimige liefde voor Cuchulain. [158]
Maar Mananan, de Zoon der Zee, kende haar smart en haar schande
en kwam haar te hulp, terwijl niemand hem zag, dan alleen zij,
en zij verwelkomde hem in een mystiek gezang. "Wilt gij bij mij
terugkeeren?" sprak Mananan, "of wilt gij bij Cuchulain blijven?" "Geen
van u beiden is inderdaad beter of edeler dan de ander," zeide Fand,
"maar ik wil met u medegaan, Mananan, want gij hebt geen andere
gezellin, die u waardig is, terwijl Cuchulain Emer heeft."
Daarom ging zij met Mananan mede, en Cuchulain, die den god niet zag,
vroeg Laeg, wat er geschiedde. Hij antwoordde: "Fand gaat weg met
den Zoon der Zee, daar zij geen genade kon vinden in uw oogen."
Daarop sprong Cuchulain in de lucht en vlood van de plaats weg, en
bleef langen tijd liggen, zonder spijs of drank te willen gebruiken,
totdat de Druïden hem ten slotte een drank van vergetelheid schonken;
en naar verhaald wordt schudde Mananan zijn mantel tusschen Cuchulain
en Fand, opdat zij in der eeuwigheid elkander niet meer zouden
ontmoeten. [159]
De wraak van Maev.
Hoewel Maev na den slag bij Garach met Ulster vrede sloot deed zij
toch de gelofte, dat Cuchulain moest vallen, om al de schande en de
verliezen, die hij over haar en haar provincie had gebracht, en zij
zocht naar een middel, hoe zij zich op hem zou kunnen wreken.
Nu had de vrouw van den toovenaar Calatin, die bij de wadde door
Cuchulain was gedood, na diens dood zes kinderen tegelijk ter wereld
gebracht, en wel drie zoons en drie dochters. Zij waren mismaakt,
monsterachtig leelijk, vergiftig, tot kwaad geboren; en Maev, die
van hen had gehoord, zond hen uit, om de tooverkunst te leeren, niet
alleen die van Ierland maar ook van Alba; en zelfs gingen zij naar
Babylon om geheime wetenschap op te doen, zoodat zij uitgeleerd in
tooverkunsten terugkeerden; daarop liet zij hen op Cuchulain los.
Cuchulain en Blanid.
Cuchulain had, behalve den Clan Calatin, nog andere vijanden, en wel
Erc, den koning van Ierland, den zoon van Cairpre, die door Cuchulain
in den slag was gedood, en Lewy, den zoon van Curoi, den koning van
Munster. [160] Immers de vrouw van Curoi, Blanid, was in liefde voor
Cuchulain ontstoken, en smeekte hem bij haar te komen, en haar weg
te halen uit de dun van Curvi, en een gunstige gelegenheid af te
wachten, om de dun aan te vallen, en wel als hij zag, dat de rivier,
die daaruit stroomde, wit werd. Cuchulain en zijn manschappen wachtten
daarop in een bosch in de nabijheid, totdat Blanid van oordeel was,
dat het geschikte oogenblik was aangebroken, en zij stortte toen in
de rivier de melk van drie koeien. Daarop viel Cuchulain de dun aan,
nam die bij verrassing in, en doodde Curoi, waarna hij de vrouw
wegvoerde. Maar Fercartna, de bard van Curoi, ging met hen mede,
en verraadde zijn bedoelingen niet, totdat hij, toen hij eens in de
onmiddellijke nabijheid stond van Blanid, naast den wand van de klip
van Beara, zijn armen om haar heensloeg, zich met haar van de rots
stortte, op die wijze kwamen zij om, en was Curoi ten opzichte van
zijn vrouw gewroken.
Al die personen werden nu door Maev door middel van geheime
boodschappen, door berispingen en vermaningen tegen Cuchulain opgezet,
en zij wachtten, totdat zij hoorden, dat de vloek van Macha weer
zwaar rustte op de mannen van Ulster, en daarna verzamelden zij een
leger en trokken op naar de Vlakte van Murthemney.
De krankzinnigheid van Cuchulain.
Eerst waren het de kinderen van Calatin, die schrik en gedruktheid
op den geest van Cuchulain wierpen, en zij wisten door de overkapte
distels en de wolfsveeten en waaiende bladeren van het bosch den indruk
te wekken van gewapende bataljons, die tegen Murthemney optrokken,
en Cuchulain meende aan alle kanten den rook van brandende woningen
te zien opstijgen. En twee dagen lang streed hij met de droombeelden,
totdat hij ziek en uitgeput was. Daarop overreedde hem Cathbad en de
mannen van Ulster, om zich terug te trekken in een eenzamen bergpas,
waar vijftig der vorstinnen van Ulster, onder wie ook Niam, de vrouw
van zijn trouwen vriend Conall van de Overwinningen, hem verpleegden,
en Niam dwong hem tot de belofte, dat hij de dun waar hij was niet
zou verlaten, voordat zij hem haar toestemming daartoe gaf.
Maar nog steeds vulden de kinderen van Calatin het land met
oorlogsverschijningen, en rook en vlammen stegen op, en woeste kreten
en jammerklachten, met gesnap en gelach van kabouters, en het geschal
van trompetten en horens werd door den wind aangedragen. En Bave,
de dochter van Calatin, ging den bergpas binnen, en na de gedaante te
hebben aangenomen van een dienstmaagd van Niam, riep zij haar op zijde
en voerde haar tot op een afstand tusschen de bosschen, en legde een
betoovering over haar, zoodat zij verloren raakte en haar weg naar
huis niet meer kon terugvinden. Daarop ging Bave in de gedaante van
Niam naar Cuchulain en riep hem op, om Ulster te bevrijden van de
legers, die het teisterden, en de Morrigan kwam in den vorm van een
groote kraai op de plaats waar Cuchulain met de vrouwen zat en kraste
voortdurend over oorlog en doodslag. Daarop sprong Cuchulain op en
riep Laeg om zijn wagen in te spannen. Maar toen Laeg den Schimmel
van Macha ging halen om hem op te tuigen, vlood het paard van hem weg
en verzette zich, en slechts met de grootste inspanning kon Laeg het
voor den wagen spannen, terwijl groote tranen zwart bloed langs zijn
kop stroomden.
Daarop reed Cuchulain weg, na zich in zijn wapenrusting te hebben
gestoken; en aan iederen kant vervolgden hem gestalten en geluiden
van verschrikking, die zijn geest benevelden, en toen leek het hem
of hij een groote rookwolk verlicht door uitbarstingen van roode
vlammen, boven de wallen van Emain Macha zag, en meende hij, dat hij
het lijk van Emer over de wallen zag slingeren. Maar toen hij aan
zijn dun te Murthemney kwam, was Emer in leven, en zij smeekte hem,
de spookverschijningen uit den weg te gaan, maar hij wilde niet naar
haar luisteren en nam afscheid van haar. Daarna nam hij afscheid
van zijn moeder Dectera, en zij gaf hem een beker wijn te drinken,
maar voordat hij den wijn kon drinken, veranderde deze in bloed, en
hij slingerde dien weg en sprak: "Het einde van mijn leven is nabij,
dezen keer zal ik niet levend uit den strijd terug keeren." En Dectera
en Cathbad smeekten hem, de komst van Conall van de overwinningen af
te wachten, die op reis was, maar hij wilde dat niet.
Het waschmeisje aan de wadde.
Toen hij aan de wadde kwam op de vlakte van Emania, zag hij daar aan
het water iets knielen, dat op een jong meisje geleek, en dat weende
en jammerde, het waschte een hoop bloedige kleeren en krijgswapenen
in het water, en toen het een druipend buis of borststuk uit het
water optilde, zag Cuchulain dat dit hem toebehoorde. Toen zij de
wadde overstaken, verdween zij uit hun gezicht. [161]
Nog eens Clan Calatin.
Na nog eens afscheid genomen te hebben van Conor en de vrouwen in
Emania, ging hij weer naar Murthemney en den vijand. Maar op weg
daarheen zag hij aan de kant van de weg drie oude vrouwen, ieder blind
aan één oog, monsterachtig leelijk en deerniswaardig, zij hadden een
klein vuur van stokjes gestookt, en braadden daarboven een dooden hond
aan een spit van hout. Toen Cuchulain voorbij kwam, riepen zij hem toe,
af te stijgen, bij hen te vertoeven en haar maal te deelen. "Dat zal
ik werkelijk niet doen," zeide hij. "Als wij een groot feest hadden,"
spraken zij, "zoudt gij wel gebleven zijn; het past den aanzienlijke
niet de geringen te minachten." Daarop steeg Cuchulain af, daar hij
niet wilde, dat men hem voor onwellevend hield tegenover ongelukkigen,
en hij nam een stuk van het gebraden vleesch, en at dat op, maar de
hand, waarmede hij het had aangenomen, werd tot aan den schouder
verlamd, zoodat haar vroegere kracht gebroken was. Immers het was
voor Cuchulain _geis_ een haard te naderen, waarop gebraden werd,
en daar voedsel van te nemen, en het was eveneens _geis_ voor hem,
van zijn naamgenoot te eten. [162]
De dood van Cuchulain.
Cuchulain vond het leger van zijn vijanden bij Slieve Fuad, ten zuiden
van Armagh, en woedend reed hij tegen hen in, de "donderkunst" op
hen toepassend, totdat de vlakte met hun dooden bezaaid was. Daarop
naderde hem een hekeldichter, daartoe door Lewy aangezet, die hem
om zijn speer vroeg. [163] "Daar hebt ge hem," zeide Cuchulain,
en wierp die met zóó groote kracht tegen hem aan, dat zij dwars
door hem heenging en nog bovendien negen man doodde. "Een koning
zal door die speer vallen," zeiden de zonen van Calatin tot Lewy,
en Lewy greep haar en wierp haar naar Cuchulain, maar zij trof Laeg,
den koning der wagenmenners, zoodat zijn ingewanden op de kussens
van den wagen vielen, en hij nam afscheid van zijn meester en stierf.
Daarop vroeg een tweede hekeldichter om de speer, maar Cuchulain zeide:
"Ik behoef niet meer dan één verzoek per dag in te willigen." Maar
de hekeldichter sprak: "Dan zal ik Ulster om uw verzuim beschimpen,"
en Cuchulain wierp hem toen evenals te voren de speer toe, en nu greep
Erc haar, die haar terugwierp, waardoor de schimmel van Macha doodelijk
getroffen werd. Cuchulain trok de speer uit de zijde van het paard,
en zij namen afscheid van elkander, en de schimmel galoppeerde weg,
met het halve juk aan den nek.
En ten derden male slingerde Cuchulain zijn speer naar een
hekeldichter, en Lewy pakte die weer en slingerde haar terug, en
zij trof Cuchulain zelf, en zijn ingewanden vielen in den wagen,
en het overgebleven paard de Zwarte Sainglend, brak los en liet hem
in den steek.
"Ik zou zoo gaarne naar dien kant van het meer gaan om te drinken,"
sprak Cuchulain, die wist, dat zijn einde nabij was, en zij lieten hem
gaan, toen hij beloofd had weer tot hen te zullen terugkeeren. Daarop
nam hij zijn ingewanden bijeen, stak ze in zijn lichaam en ging
naar den kant van het meer, en dronk, en baadde, en keerde terug
om te sterven. Er was in de nabijheid een groote steenen pilaar,
die ten westen van het meer stond, en hij ging daarheen, en sloeg
zijn gordelriem daaromheen en om zijn borst, opdat hij staande zou
kunnen sterven, en niet neerliggend; en zijn bloed vloeide in een
kleinen stroom in het meer, en een otter kwam buiten het meer en
likte het op. En de vijandelijke troepen verzamelden zich rondom,
maar durfden hem niet te naderen, terwijl het leven nog in hem was,
en het licht van den held straalde boven zijn voorhoofd. Daarop kwam
de Schimmel van Macha, om hem te beschermen, en verstrooide zijn
vijanden door te bijten en te schoppen.
En daarna kwam een kraai, die zich op zijn schouder neerzette. Toen
Lewy dit zag, kwam hij nader, haalde het haar van Cuchulain naar één
kant over diens schouder, en sloeg met zijn zwaard het hoofd af; en het
zwaard viel uit de hand van Cuchulain en sloeg de hand van Lewy af, in
zijn val. Als wraak daarvoor namen zij de hand van Cuchulain, en zij
droegen het hoofd en de hand naar het zuiden naar Tara en begroeven
die daar, en richtten daarover een hoogte op. Maar Conall van de
Overwinningen, die zich, toen hij het bericht van den oorlog kreeg,
naar Cuchulain's zijde spoedde, ontmoette den Schimmel van Macha,
die stroomde van bloed, en samen gingen zij naar den oever van het
meer en zagen hem daar zonder hoofd en aan den pilaar gebonden, en
het paard kwam nader en legde zijn kop op Cuchulains borst. Conall
reed naar het zuiden om Cuchulain te wreken, en hij ontmoette Lewy
bij de rivier de Liffey, en omdat Lewy maar één hand had, bond Conall
één van zijn handen achter zijn rug, en zij vochten den halven dag,
maar geen van beiden behaalde de overwinning.
Daarop kwam het paard van Conall, de Rood-gespikkelde, en beet een
stuk uit de zijde van Lewy, en Conall doodde hem, nam zijn hoofd,
en keerde naar Emain Macha terug. Maar er werd geen feestelijken
intocht gehouden, toen zij de stad binnentrokken, want Cuchulain,
de Hond van Ulster, leefde niet meer.
Het terugwinnen van de Tain.
De geschiedenis van de "Tain" of de Strooptocht om den Bruinen
Stier van Quelgny was volgens de overlevering door niemand anders
geschreven dan door Fergus mac Roy, maar het groote lied was langen
tijd verloren. Men meende, dat het in Oghamletters geschreven was op
houten stokken, die een bard, die ze in bezit had, medegenomen had
naar Italië, vanwaar zij nooit terugkwamen.
Het terug winnen van de "Tain" is het onderwerp van een aantal
legenden, die door Sir S. Ferguson in zijn "liederen van Westelijk
Wales" zijn bijeengebracht in een gedicht, dat getuigt van een zoo
helder inzicht in de geest der Galische mythen, dat wij het bij het
weergeven van dit merkwaardig en schoone verhaal zooveel mogelijk
op den voet zullen volgen. Het verhaal luidt, dat Sanchan Torpest,
de voornaamste bard van Ierland, eens op een feest na het verlies
van de "Tain" door den opperkoning Guary gehoond werd met het feit,
dat hij niet in staat was het meest beroemde en het schitterendste
der Galische gedichten voor te dragen. Dit tastte den bard in zijn
eer, en hij besloot te trachten de verloren schat te herwinnen. Wijd
en zijd door Erin en door Alba zocht hij naar sporen van het lied,
maar hij kon niets anders dan verspreide stukken vinden. Hij zou zelfs
door tooverkunsten den geest van Fergus hebben opgeroepen, om hem het
lied te leeren, zelfs ten koste van zijn eigen leven--want dat zou,
naar het schijnt, de prijs geweest zijn, die voor de tusschenkomst
en de hulp van den doode geëischt werd--maar de plaats, waar Fergus
was begraven en waar de tooverformulieren moesten worden opgezegd,
kon niet worden ontdekt. Eindelijk zond Sanchan zijn zoon Murgen met
diens jongeren broeder Eimena op reis naar Italië, om te trachten,
daar het lot te ontdekken van het op stokken geschreven boek.
Beiden reisden nu in oostelijke en in westelijke richting over Erin,
totdat Murgen na een langen tocht bij Loch Eïn niet verder kon. Zijn
broeder ging toen alleen verder, na hem te hebben opgedragen, bij
een rechtopstaande steen op zijn terugkomst te wachten.
Toen zag Murgen op de plaats waar hij leunde beneden aan de hoeken
van den steenen pilaar letters in Oghamschrift. "Het is," zeide hij,
"een grafsteen, en die strepen bevatten waarschijnlijk den naam van den
één of anderen krijgsman; kon ik de teekens maar ontcijferen." Letter
na letter spelde hij, totdat hij ontdekte, dat het opschrift luidde:
_"Hier is Fergus, de Zoon van Roy begraven."_ Hoewel nu Murgen
wist, welke straf er op stond, deed hij toch een beroep op Fergus,
om medelijden te hebben met de droefheid van een zoon, en beloofde,
als hij de "Tain" kon terugkrijgen, zijn leven te zullen offeren,
zijn bloedverwanten en vrienden en de maagd, die hij liefhad, in den
steek te zullen laten, opdat zijn vader niet zou worden beschimpt. Maar
Fergus gaf geen teeken, en daarom deed hij op andere wijze nog eens
een beroep op Fergus, en zeide: "Fergus, vrouwenliefde laat u nu
onverschillig, voor kinderliefde, menschelijk instincten, zijt gij
ongevoelig; maar als gij dan niet ter wille der liefde ontwaakt, doe
het dan terwille van den zang. Gij waart de eerste, die de Galiërs
de dichtkunst hebt gegeven; zij hebben tegenwoordig hun schoonste
gaven verloren, doch laat het lied de eenige schat zijn, die hun in
hun geboorteland is overgebleven."
Fergus stond op; met hem stak ook een nevel op, zóó dik, dat toen
Eimena terugkeerde, hij die nevel niet kon doorboren. Den geheelen
nacht echter hoorde Murgen de liefelijke stem weerklinken, en hoorde
hij het lied van de "Tain". Bezield keerde hij naar Sancha terug;
driemaal werd het geheele lied voorgedragen, totdat Murgen zijn
trouwe geliefde opzocht en haar mededeelde, hoe hij zijn leven en
zijn liefde voor haar had opgeofferd. De diep bedroefde maagd zegt
hem, dat de onsterfelijke roem, dien de zanger deelachtig wordt,
niet opweegt tegen één traan der geliefde.
Daarop zegt Sanchan, dat twee gouden bekers het loon zullen zijn
van Murgen, als hij de woorden en de melodie van _Tain-Bo-Cueilgne_
regel voor regel kan voordragen.
En zoo zong Murgen het heerlijke lied, door Fergus vervaardigd, over
de mannen van Ulster en over Cuchulain en Conall van de Overwinningen
en over Cuchulains makker Ferdia. Doch zie, daar kwam onder heftige
donderslagen _Fergus, de Zoon van Roy_ de zaal binnen, en eischte van
den harpspeler het geëischte loon op. Plotseling veranderde Murgen in
een stuk klei. "Leg hem," zoo sprak Fergus, "op zijn lijkbaar naast
mij, nooit zal een inhalige koning mij meer bespotten; slaven zullen
Sanchan voor den gek houden; maar omdat de maagd voor haar droevig
lot dient getroost te worden, komt haar het duur gekochte loon,
de beide gouden bekers, toe.
Doch het meisje wilde van die bekers niets weten en liet ze in den
oceaan werpen, ver uit het gezicht en de herinnering, en zij voegde
er de vervloeking aan toe, dat de _Tain-Bo_ met die bekers zou te
gronde gaan, alsof die nooit was teruggevonden.
En zoo geschiedde het, dat het lied, dat eens ten koste van een zóó
hoogen prijs was teruggevonden, bijna geheel is verloren gegaan,
voordat het zelfs eenmaal volledig was gezongen.
De spookwagen van Cuchulain.
Cuchulain komt weer op indrukwekkende wijze ten tooneele in een
latere legende van Christelijken oorsprong, die gevonden is in het
"Boek der vale koe," uit de twaalfde eeuw. Het verhaal luidt, dat hij
door St. Patrick uit de Hel is opgeroepen, om de waarheden van het
Christendom en de afgrijselijkheid der verdoemenis te bewijzen aan
den heidenschen vorst, Laery mac Neill, den koning van Ierland. Laery
staat met St. Benen, een metgezel van St. Patrick op de Vlakte van mac
Indoc, als een ijzige stormvlaag hen bijna van de voeten rukt. Het is
de wind van de Hel, nadat deze voor Cuchulain geopend is, zoo verklaart
Benen. Daarop bedekt een dichte nevel de vlakte, en dadelijk wordt
een groote tooverwagen met galoppeerende paarden, een schimmel en
een zwart paard, door den nevel heen zichtbaar. Daarin zijn de beide
beroemde personen Cuchulain en zijn wagenmenner gezeten, reusachtige
figuren, gewapend met al den glans van den Galischen krijgsman.
Daarna spreekt Cuchulain met Laery, en dringt er bij hem op aan, "in
God en den Heiligen Patrick te gelooven, want het is niet een booze
geest, die tot u gekomen is, maar Chuchulain de zoon van Sualtam." Om
zijn identiteit te bewijzen, verhaalt hij zijn beroemde krijgsdaden en
eindigt met een droevige beschrijving van zijn tegenwoordige toestand:
Hoeveel droefheid ik ook geleden heb,
O Laery, te land en ter zee--
Eén enkele nacht was nog veel erger,
Als de booze geest toornig was!
Hoe groot mijn heldenmoed ook was,
Hoe stevig ook mijn zwaard,
De duivel drukte mij met één vinger neder
In de roode houtskool!"
Hij eindigt met St. Patrick te smeeken hem den hemel te doen beërven
en de legende verteld dat zijn bede werd verhoord en dat Laery tot
het Geloof kwam.
Dood van Conor mac Nessa.
Ook om den dood van den heer van Cuchulain, Conor, den koning van
Ulster, hebben zich Christelijke denkbeelden gegroepeerd. Hij stierf
op de volgende wijze. Hij had een onrechtvaardigen en wreeden aanval
gedaan op Mesgedra, den koning van Leinster, bij welke gelegenheid
die vorst den dood vond door de hand van Conall van de Overwinningen
[164]. Conall nam de hersenen uit het hoofd van den dooden koning en
vermengde die met klei, om een slingersteen te vervaardigen--welke
"hersenballen", zooals zij genoemd worden, beschouwd worden als de
doodelijkste werptuigen. Die bal werd bewaard in de schatkamer van
den koning te Emain Macha, waar de kampioen van Connacht, Ket, de zoon
van Maga, dien op zekeren dag vond, toen hij vermomd op buit uitging
door Ulster. Ket nam hem weg, en hield hem voortdurend bij zich. Niet
lang daarna roofden de mannen van Connacht vee uit Ulster en de mannen
van Ulster, haalden hen onder aanvoering van Conor in bij een wadde
in Westmeath die nog Athnurchar (de wadde van den geworpen Slinger)
heet. Een slag was op handen, en een aantal dames van Connacht kwamen
aan den oever van de rivier om de beroemde krijgslieden van Ulster
te zien, en vooral Conor, den statigsten man van zijn tijd. Conor was
ook bereid zich te vertoonen, en daar hij niet anders dan vrouwen zag
aan den anderen oever, kwam hij dicht bij haar; maar Ket, die in een
hinderlaag op de loer lag, stond nu op en slingerde den hersenbal naar
Conor en trof hem midden op het voorhoofd. Conor viel neer, en werd
door zijn op de vlucht gejaagde volgelingen meegevoerd. Toen zij hem
naar Emain Macha nog levend thuis hadden gebracht, verklaarde zijn
geneesheer Fingen, dat hij moest sterven, als de bal uit zijn hoofd
werd gehaald; deze werd daarom met gouddraad vastgenaaid, en den koning
werd geraden zich te onthouden van paardrijden en van alle heftige
inspanning en gemoedsbeweging, opdat hij er geen hinder van zou hebben.
Zeven jaar later zag Conor, dat de zon des middags werd verduisterd,
en hij liet zijn Druïde komen, om hem de beteekenis van dit voorteeken
te verklaren. De Druïde vertelt hem in een magische geestverrukking
van een heuvel in een ver afgelegen land, waarop drie kruisen staan,
aan elk waarvan een menschelijk gedaante was vastgespijkerd, en één
van hen is als de Onsterfelijken. "Is hij een boosdoener?" vraagt
Conor daarop. "Neen," zegt de Druïde, "maar de Zoon van den levenden
God," en hij verhaalt de koning de geschiedenis van den dood van
Christus. Conor barst in woede los, en na zijn zwaard getrokken
te hebben, hakt hij op de eikeboomen in het heilige boschje los,
en riep hij uit: "Zoo zou ik zijn vijanden behandelen," maar door de
opwinding en inspanning barstte de hersenbal uit zijn hoofd en hij valt
dood neer. En zoo is de wraak van Mesgedra vervuld. Met Conor en met
Cuchulain is de glorie van de Rooden Tak en de overmacht van Ulster
verdwenen. De volgende cyclus van Iersche legenden, die van Ossian,
voert weer verschillende karakters ten tooneele, een omgeving van
een andere natuurgesteldheid en geheel verschillende levensidealen.
Ket en het everzwijn van mac Datho.
Ket, de kampioen van Connacht, wiens voornaamste krijgsdaad het
verwonden van koning Conor te Ardnurchar was, komt ook voor in een
zeer dramatisch verhaal, dat tot titel draagt "Het voorsnijden van het
everzwijn van mac Datho". De geschiedenis luidt aldus: Er woonde eens
in de provincie Leinster een rijk, gastvrij heer, Mesroda genoemd,
de zoon van Datho. Hij had twee bezittingen; en wel een hond, die
harder liep dan eenige andere hond of eenig ander wild dier in Erin
en een everzwijn, dat het mooiste en grootste was dat ooit door iemand
was gezien.
De faam van dien hond was over het geheele land verspreid, en groot was
het aantal vorsten en edelen, die hem wilden bezitten. Zoo kwam het,
dat Conor, de koning van Ulster en Maev, de koningin van Connacht,
boden naar mac Datho zonden met de vraag, hun den hond te verkoopen,
en beide boden kwamen denzelfden dag aan de dun van mac Datho. De bode
uit Connacht zeide: "Wij zullen u in ruil voor den hond zeshonderd
melkkoeien geven en een wagen met twee paarden, de beste, die in
Connacht te vinden zijn, en een jaar later zult gij nog eens hetzelfde
krijgen." En de bode van koning Conor zeide: "Wij zullen niet minder
dan Connacht geven en daarbij de vriendschap en het bondgenootschap met
Ulster, en dat is meer voor u waard dan de vriendschap van Connacht.
Daarop verzonk Mesroda mac Datho in diepe stilte, en drie dagen lang
weigerde hij te eten en te drinken, en des nachts kon hij niet slapen,
maar woelde onrustig op zijn bed heen en weer. Zijn vrouw zag in
welken toestand hij was, en sprak tot hem: "Gij hebt lang gevast,
Mesroda, hoewel er overvloed van goed voedsel naast u staat, en des
nachts draait gij uw gelaat tegen den muur, en ik weet zeer goed,
dat gij niet slaapt. Wat is de reden van uw onrust?"
"Er is een spreuk," antwoordde mac Datho, die luidt: "Vertrouw een
knecht geen geld, en een vrouw geen geheim."
"Wanneer zou een man met een vrouw spreken," antwoordde zijn vrouw,
"als hij het niet doet, als hij in moeilijkheden verkeerd? Wat uw
geest niet kan oplossen, kan misschien die van een ander doen."
Daarop vertelde mac Datho zijn vrouw van het verzoek om zijn hond
zoowel van Ulster als van Connacht op hetzelfde oogenblik. "En wien
van beiden ik het weiger, die zal mijn vee wegrooven en mijn mannen
dooden."
"Hoor dan naar mijn raad," zeide de vrouw. "Geef hem aan beiden,
en laten zij hem komen halen, en als er geplunderd moet worden, laat
hen dan liever elkander plunderen; maar in geen geval moogt gij den
hond houden."
Mac Datho volgde dien wijzen raad, en noodigde de mannen van Ulster en
Connacht uit op een groot feest op denzelfden dag, onder mededeeling,
dat zij den hond daarna konden krijgen.
Zoo kwamen dan op den vastgestelden dag Conor van Ulster, en Maev,
met hun gevolg van vorsten en aanzienlijken bijeen in de dun
van mac Datho. Daar zagen zij een groot feest aangericht, en mac
Datho had als hoofdgerecht zijn beroemd everzwijn laten dooden,
een dier van ontzaglijke grootte. De vraag kwam toen ter sprake,
wien de eervolle taak zou worden opgedragen, het voor te snijden,
en Bricriu van de Vergiftigde Tong stelde in overeenstemming met zijn
strijdlustigen aard voor, dat de krijgslieden van Ulster en Connacht
hun voornaamste krijgsdaden zouden vergelijken, en het voorsnijden van
het everzwijn zouden opdragen aan hem, die zich het verdienstelijkst
had gemaakt bij de gevechten, die steeds aan de grens van beide
provincies werden geleverd. Na veel heen en weer praten en na veel
beleedigingen gaat Ket, de zoon van Maga, over het everzwijn staan,
met het mes in de hand, en daagt ieder der edelen van Ulster uit, hun
dappere daden met de zijne te vergelijken. Een voor een staan zij op,
Cuscrid de zoon van Conor, Keltchar, Moonremur, Laery de Zegevierder,
en anderen--Cuchulain komt in dit verhaal niet ten tooneele--en bij
ieder verhaal weet Ket de ééne of andere prikkelende mededeeling te
doen van een ontmoeting, waarbij hij het er beter heeft afgebracht
dan zij, en één voor één zetten zij zich beschaamd en zwijgend ter
neder. Eindelijk wordt een kreet van welkom gehoord aan de deur der
zaal en de mannen van Ulster heffen een gejubel aan. Conall van de
Overwinningen is ten tooneele verschenen. Hij stapt naar het everzwijn,
en Ket en zij groeten elkander met ridderlijke hoffelijkheid.
"En nu, welkom, O Conall, man van het ijzeren hart en het vurige bloed;
scherp als het glanzende ijs, altijd overwinnend opperhoofd; heil u,
machtige zoon van Finnchoom!" sprak Ket.
En Conall zeide: "Heil u, Ket, bloem der helden, heer der wagens,
een stormende zee in den slag; een krachtige stier vol majesteit;
heil u, zoon van Maga!"
"En nu," vervolgde Conall, "sta op van uw plaats bij het everzwijn,
en maak plaats voor mij."
"Waarom!" antwoordde Ket.
"Zoekt gij met mij te strijden?" zeide Conall. "Gij zult uw zin
hebben. Bij de goden van mijn volk zweer ik, dat ik sedert ik voor
het eerst de wapenen ter hand nam, nooit één dag heb doorleefd, dat
ik niet een man uit Connacht doodde, noch één nacht, dat ik niet een
strooptocht tegen hen ondernam, en nooit heb ik geslapen, zonder het
hoofd van een man uit Connacht onder mijn knie gehad te hebben."
"Ik geef toe," zeide daarop Ket, "dat gij een beter krijgsman zijt
dan ik, en ik sta u het everzwijn af. Maar als mijn broeder Anluan
hier was, zou hij iedere oorlogsdaad van u het hoofd bieden, en het
is treurig en een schande, dat hij niet hier is."
"Anluan is hier," riep Conall uit, en daarbij wierp hij uit zijn
gordelriem het hoofd van Anluan, en smeet het in het gezicht van Ket.
Daarop sprongen allen op en er ontstond een woest geschreeuw en
rumoer en de zwaarden vlogen van zelf uit de scheeden, en de slag
woedde in de zaal van mac Datho. Spoedig vlogen de troepen uit de
deuren van de dun en sloegen en doodden elkander in het open veld,
totdat de troepen van Connacht op de vlucht gejaagd waren. De hond
van mac Datho volgde den wagen van koning Ailell van Connacht totdat
de wagenmenner zijn kop afsloeg, zoodat de oorzaak van den strijd
door geen van beide partijen werd gewonnen, en mac Datho wel zijn
hond verloor, maar zijn landen en zijn leven redde.
De dood van Ket.
De dood van Ket wordt verhaald in de "Geschiedenis van Ierland" door
Keating. Toen hij van een strooptocht in Ulster terugkeerde, werd
hij overvallen door Conall op een plaats, de wadde van Ket genoemd,
en zij vochten lang en wanhopig. Ten slotte werd Ket verslagen, maar
Conall van de Overwinningen was er niet beter aan toe, en lag ter
neder op het punt van dood te bloeden, toen een andere kampioen van
Connacht, Beälcu [165] genaamd, hem vond liggen. "Dood mij," zeide
Conall tot hem, "opdat men niet kan zeggen, dat ik viel door één man
uit Connacht." Maar Beälchu zeide: "Ik zal iemand niet dooden, die op
het punt is te sterven, maar ik zal u naar huis brengen, en genezen,
en zoodra gij uw kracht hebt teruggekregen, zult gij met mij in een
tweegevecht strijden." Daarop legde Beälchu Conall op een draagbaar,
en bracht hem naar huis, en liet hem verzorgen, totdat zijn wonden
genezen waren. Maar toen de drie zonen van Beälchu zagen, hoe sterk
de de kampioen van Ulster was in zijn volle kracht, besloten zij hem
te vermoorden, voordat het gevecht zou plaats hebben. Doch door een
krijgslist wist Conall te bewerken, dat zij in plaats daarvan hun
eigen vader doodden; en daarna ging hij als overwinnaar zooals hij
gewoon was, naar Ulster, terwijl hij de hoofden der drie zonen medenam.
De dood van Maev.
Ook het verhaal van den dood van koningin Maev is door Keating
bewaard gebleven. Toen Fergus mac Roy door Ailell gedood was door een
speerworp, terwijl hij met Maev in een meer baadde, en toen Ailell
door Conall gedood was, trok zich Maev terug naar een eiland [166] in
Loch Ryve, waar zij gewoon was iederen morgen te baden in een vijver
dicht bij de landingsplaats. Toen Forbay, de zoon van Conor mac Nessa,
die gewoonte van de koningin had ontdekt, vond hij op zekeren dag
het middel, onopgemerkt naar den vijver toe te gaan en den afstand te
meten van den vijver tot aan den oever van het vasteland. Daarna ging
hij terug naar Emania, waar hij den zoo gemeten afstand uitzette,
en na een appel op een stok te hebben geplaatst wierp hij daar met
een slinger voortdurend naar, totdat hij zóó goed op dien afstand had
leeren mikken, dat hij nooit meer zijn doel miste. Daarop zag hij op
zekeren dag, na een gunstige gelegenheid aan de oevers van Loch Ryve
te hebben afgewacht, Maev het water instappen, en na een kogel in zijn
slinger te hebben geworpen, mikte hij zóó juist op haar, dat hij haar
in het midden van het voorhoofd trof en zij dood ter neder stortte.
Naar verhaald wordt, had de dappere en krijgszuchtige koningin
acht en tachtig jaar in Connacht geregeerd. Zij is een treffend
voorbeeld van de soort vrouwen, die de Galische barden zoo gaarne
schilderen. Bescheidenheid en zachtheid waren volstrekt niet haar
gewone karaktertrekken, maar eer een onstuimige, overvloeiende
levenslust. Men vindt tallooze voorbeelden van oorlogvoerende vrouwen
zooals Skatha en Aifa, en men herinnert zich de Gallische vrouwen, met
haar krachtige sneeuwwitte armen, die het zoo gevaarlijk is te tarten,
van wie de classieke schrijvers ons verhalen. De Gallische barden,
die in zoo menig opzicht de voorloopers waren van de denkbeelden der
ridderromantiek, plaatsten de vrouwen niet op een andere lijn dan
de mannen. Vrouwen werden beoordeeld en behandeld als mannen, noch
als slavinnen, noch als godinnen, en wij weten, dat zij zelfs nog in
historische tijden met de mannen ten strijde trokken, een gebruik,
dat eerst in de zesde eeuw eindigde.
Fergus mac Leda en het volk der dwergen.
Van die verhalen van den Cyclus van Ulster, die niet gegroepeerd zijn
om de figuur van Cuchulain, is één der meest merkwaardige dat van
Fergus mac Leda en den Koning van het volk der dwergen. In dit verhaal
treedt Fergus op als koning van Ulster, maar daar hij een bondgenoot
was van Conor mac Nessa, en bij den Strooptocht van Quelgny wordt
voorgesteld als Conor in den oorlog te volgen, moeten wij besluiten,
dat hij in werkelijkheid een onderkoning was, zooals Cuchulain of
Owen van Ferney.
Het verhaal opent te Faylinn, of het Land en het Volk der dwergen,
een ras van Kaboutermannetjes, die een aardige periode voorstellen
van menschelijke instellingen op verkleinde schaal, maar die (evenals
dwergen in de literatuur der primitieve rassen meestal worden gedacht)
begiftigd zijn met toovermacht. Jubdan [167], de koning van Faylinn,
bluft, als hij bij een feest zich ruim aan wijn heeft te goed gedaan,
op de grootheid van zijn macht en de onoverwinnelijkheid van zijn
gewapende troepen--behoort daartoe niet ook de sterke man Glower,
die er om beroemd is dat hij met één slag van zijn bijl een distel
kon afhakken? Maar Eisirt,de bard van den koning, heeft iets hooren
verluiden van een reuzenvolk aan de overzijde der zee, in een land,
Ulster genoemd, van wie één man een geheel bataljon van het Volk der
dwergen kan vernietigen, en onvoorzichtig geeft hij daaromtrent den
pochenden vorst een wenk. Onmiddellijk wordt hij om zijn vermetelheid
in de gevangenis geworpen, en alleen vrijgelaten onder voorwaarde,
dat hij dadelijk naar het land dier machtige mannen zal gaan, en de
bewijzen zal leveren van de waarheid van zijn ongeloofelijk verhaal.
Zoo vertrekt hij dus; en op een schoonen dag vinden dan ook koning
Fergus en zijn edelen aan de poort van hun dun een nietig kereltje,
prachtig uitgedost in de kleederen van een koninklijken bard, die
toegang vraagt. Hij wordt daar binnen gedragen op de hand van Aeda,
den dwerg en bard van den koning, en nadat hij het hof heeft bekoord
door zijn verstandige en geestige gezegden, na een rijke belooning
te hebben ontvangen, die hij dadelijk verdeelt onder de dichters en
andere hovelingen van Ulster, keert hij weer naar huis terug, waarbij
hij als gast den dwerg Aeda medeneemt, voor wien het volk der dwergen
vlucht als ware hij een reus uit "Fomoria," hoewel de gemiddelde
mannen van Ulster, zooals Eisirt uitlegt, hem als een kind kunnen
dragen. Jubdan is nu overtuigd, maar Eisirt stelt hem onder _geise_,
den band der ridderlijkheid waaraan geen Iersch opperhoofd zich kan
onttrekken zonder schande te ondervinden, om evenals Eisirt gedaan
heeft, naar het paleis van Fergus te gaan en de pap van den koning
te proeven. Nadat Jubdan Aeda gezien heeft, is hij zeer ongerust,
maar hij maakt zich gereed te gaan, en verzoekt Bebo, zijn vrouw,
hem te vergezellen. "Gij deedt een slechte daad," zoo sprak zij,
"toen gij Eisirt liet gevangen nemen; maar er is ongetwijfeld niemand
onder de zon, die u naar rede kan laten luisteren."
Zoo vertrekken zij dan, en het tooverpaard van Jubdan draagt hen
over de zee, totdat zij Ulster bereiken en tegen middernacht staan
zij voor het paleis van den koning. "Laat ons de pap eten, zooals
wij verplicht zijn," zegt Bebo, en vóór het aanbreken van den dag
weer vertrekken". Zij dringen heimelijk naar binnen en vinden den
pot met pap, tot welks rand Jubdan alleen maar kan reiken als hij
boven op zijn paard gaat staan. Toen hij zich voorover boog om de
pap te bereiken, verliest hij het evenwicht en valt in den pot. Hij
blijft in de dikke pap vastzitten, en de waschmeiden van Fergus
vinden hem bij het aanbreken van den dag, terwijl de trouwe Bebo
luide weeklaagt. Zij dragen hem naar Fergus, die verbaasd is, dat
hij een andere dwerg, en dat wel met een vrouwelijke dwerg in zijn
paleis vindt. Hij ontvangt hen gastvrij, maar weigert elk verzoek om
ze te laten terugkeeren. Het verhaal deelt nu in een geest, Rabelais
waardig, verschillende avonturen mede, waarin Bebo betrokken is, en
geeft een aardig gedicht weer, dat door Jubdan zou zijn uitgesproken
in den vorm van raadgevingen aan de vrouw die in het paleis van Fergus
belast is met de bezorging van het vuur, omtrent de voordeelen van het
branden van verschillende soorten hout. Hier volgen enkele uittreksels:
"Verbrand niet den zoeten appelboom met neerhangende takken,
met witte bloesems, naar wiens sierlijken kruin iedereen de
hand uitstrekt."
"Verbrand niet den edelen wilg, het onfeilbare sieraad der
gedichten; bijen drinken van zijn bloesems, allen verheugen
zich in de sierlijke tent."
"Den fijnen, luchtige boom der Druïden, met zijn bessen, dien
moet gij branden; maar vermijd den zachten boom, verbrand
niet den slanken hazelaar."
"Verbrand niet den esschenboom met zijn zwarte kop--hout,
dat het wiel aandrijft, dat den ruiter zijn zweep verschaft;
de esschenhouten speer is de maatstok van den strijd."
Eindelijk kwamen de dwergen in groote menigte om te verzoeken,
Jubdan los te laten. Toen de koning dit weigerde, bezochten zij
het land met verschillende rampen. Zoo sneden zij de korenaren af;
lieten de kalveren alle koeien droog zuigen, bezoedelden de bronnen
en dergelijke; maar Fergus was verstokt. In hun hoedanigheid van
aardgoden, _dei terreni_, beloven zij te zullen zorgen, dat de
vlakten vóór het paleis van Fergus ieder jaar dik met koren zullen
staan, zonder dat zij behoeven te ploegen of te zaaien, maar alles
is vergeefs. Eindelijk stemt Fergus er in toe, Jubdan uit te leveren
tegen de beste zijner tooverschatten, waarop Jubdan ze één voor een
opsomt--de ketel, die nooit leeg wordt, de harp, die vanzelf speelt,
en ten slotte maakt hij melding van een paar waterschoenen, waarmede
ieder, die ze aantrekt even goed over of onder het water kan loopen
als op het droge. Fergus kiest de schoenen en Jubdan wordt losgelaten.
De misvorming van Fergus.
Maar het is voor een sterveling moeilijk, het van de tooverwereld te
winnen--een trek van verborgen moedwil is in toovergiften geborgen,
en dit bleek ook nu weder. Fergus had er nooit genoeg van, de diepten
der meren en rivieren van Ierland te onderzoeken; maar op zekeren
dag kwam hij in Loch Rury een vreeselijk monster tegen, de _Muirdris_
of het rivierpaard, dat dit meer bewoonde, en dat hij nauwelijks kon
ontkomen door naar den oever te ontvluchten. Door den schrik bij
die ontmoeting was zijn gezicht geheel scheefgetrokken; maar daar
een misvormd man in Ierland niet kon regeeren, stelden zijn koningen
en edelen onder verschillende voorwendsels, alles in het werk, alle
spiegels uit het paleis verwijderd te houden, en zorgden zij er voor,
dat hij geen kennis kreeg van den toestand, waarin hij verkeerde. Op
zekeren dag echter wierp hij een roede naar een dienstmeid wegens de
eene of andere nalatigheid, waarop de meid verontwaardigd uitriep:
"Het ware beter voor u, Fergus, als gij u wreektet op het rivierpaard,
dat uw gezicht heeft verdraaid, dan dappere daden tegenover vrouwen
te verrichten!" Fergus beval hem een spiegel te brengen, en bekeek
zich daarin. "Het is waar", zeide hij, "dit heeft het rivierpaard
van Loch Rury gedaan."
De dood van Fergus.
Daarop trok Fergus de tooverschoenen aan, nam zijn zwaard in de
hand en ging naar Loch Rury. Een geheelen dag en nacht bleef hij
onder de golven buiten het gezicht, maar al de mannen van Ulster,
die aan den oever stonden, zagen het meer koken en rood worden door
zijn bloed. Toen bij het aanbreken van den dageraad ook de lucht rood
werd, verrees hij--en in zijn hand hield hij den kop van Muirdris. De
misvorming was verdwenen! Op zijn bevallig gelaat had iedere trek weer
symmetrisch zijn plaats ingenomen; en allen die hem zagen ontdekten
weer in zijn geheele gezicht de koninklijke rust, breed en kalm. Hij
glimlachte, wierp de tropee op den oever, en sprak "mannen van Ulster,
ik heb overwonnen"! daarna verzonk hij in de diepte.
Dit schoone verhaal is door Standish Hayes O'Grady in zijn "Silva
Gadelica" uitgegeven. De luimige behandeling van het tooverelement
in de geschiedenis zou er op wijzen, dat het behoort tot een latere
periode der Iersche legenden, maar het tragische en edele slot wijst
er onmiskenbaar op, dat het paste in de bardenliteratuur van Ulster,
en het valt binnen dezelfde orde van denkbeelden, als de verhalen
van Cuchulain, en is zelfs misschien uit dezelfde periode afkomstig.
Beteekenis van Iersche plaatsnamen.
Voordat wij met dezen uitgebreiden cyclus van legendenliteratuur
eindigen, willen wij nog even wijzen op datgene, wat misschien de
aandacht van enkele lezers heeft getrokken--hoezeer de voornaamste
karakters en episodes genoemd zijn in de nog overgebleven plaatsnamen
van het land. [168] Dit geldt in het algemeen voor Iersche legenden,
maar vooral voor den cyclus van Ulster. Getrouw hebben die namen,
gedurende vele eeuwen van duisternis en vergetelheid, gewezen op
de verborgen schatten van helden-romantiek, die de arbeid van onze
dagen nu aan het licht brengt. De naam van de kleine stad Ardee,
brengt ons, [169] zooals wij gezien hebben, den tragischen dood in
herinnering van Ferdia door toedoen van zijn trouwsten makker, den
edelsten held van Wales. De puinhoopen van Dun Baruch, waar Fergus
op het verraderlijke festijn was genoodigd, zien nog neer op de
wateren van Moyle, waarover Naisi en Deirdre hun tragisch lot tegemoet
gingen. Ardnurchar, de Heuvel van den Geslingerden Steen, in Westmeath,
[170] brengt ons de geschiedenis van den fieren monarch voor den geest,
de menigte toeschouwende vrouwen, en den zich bukkenden vijand met
het doodelijke werptuig, dat de wraak van Mesgedra droeg. De naam
Armagh, of Ard Macha, de Heuvel van Macha, bewaart de herinnering aan
de tooverbruid en haar heldenoffer, terwijl nog steeds de graswal
zichtbaar is, waar de oorlogsgodin in de oudere legende met de
pen van haar speld den omtrek uitzette, toen zij de koninklijke
vesting Ulster stichtte. Wij zouden nog een aantal bladzijden met
die voorbeelden kunnen vullen. Misschien zijn in geen ander modern
land plaatsnamen zóó zeer verbonden met bepaalde legenden als in
Ierland. Poëzie en mythen zijn daar nog altijd nauw verbonden met
den grond van het land--een feit, waarin een bron van opvoeding en
bezieling der edelste soort voor de hand ligt, als wij maar in staat
waren die te zien en de kunst verstonden, daarvan gebruik te maken.