HOOFDSTUK V. VERHALEN VAN DEN CYCLUS VAN ULSTER.

De vloek van Macha.

Het middelpunt der belangstelling in Iersche legenden verplaatst

zich nu van Tara naar Ulster, en een groot aantal verhalen van

heldendaden concentreeren zich om Conor mac Nessa, den Koning van

Ulster, om Cuchulain, [132], zijn grooten vazal, en de Orde der

Ridders van den Rooden Tak, die haar zetel had in Emain Macha. Wij

hebben reeds vroeger de legende verteld omtrent de stichting van

Emain Macha [133]. Maar Macha, die niet meer een gewone vrouw was,

maar een boven natuurlijk wezen, komt weer naar voren in verband

met de geschiedenis van Ulster in een zeer merkwaardig verhaal, dat

naar men zich voorstelde een verklaring gaf van de vreemde zwakheid

of hulpeloosheid, die somtijds op critieke oogenblikken geacht werd

over de krijgslieden der provincie te komen.

De legende verhaalt, dat een vermogende landbouwer uit Ulster,

Crundchu, de zoon van Agnoman, die op een eenzame plaats tusschen

de heuvels woonde, op zekeren dag in zijn tuin een jonge vrouw vond

van buitengewone schoonheid en schitterend gekleed, die hij nooit

te voren had gezien. Zooals het verhaal luidt was Crundchu een

weduwnaar, wiens vrouw gestorven was na hem vier zonen te hebben

geschonken. De vreemde vrouw ging zonder een woord te spreken

de huiselijke bezigheden verrichten, maakte den maaltijd gereed,

melkte de koe en nam al de plichten eener huisvrouw op zich. Des

nachts legde zij zich naast Crunchu neder, en leefde later met hem

als zijn vrouw, en zij hadden elkander innig lief. Haar naam was

Macha. Op zekeren dag maakte Crundchu zich gereed om naar een groote

jaarmarkt of bijeenkomst der mannen van Ulster te gaan, waar zou worden

feestgevierd, paardenwedrennen en tournooien zouden worden gehouden,

en muziek gemaakt, in één woord, waar men op elke mogelijke wijze

zich zou kunnen vermaken. Macha verzocht haar echtgenoot, thuis te

blijven. Hij bleef echter bij zijn plan. "Beloof mij dan ten minste",

zeide zij, "dat gij in de vergadering niet over mij spreekt, want ik

mag slechts zoolang bij u blijven, als over mij niet wordt gesproken".

De opmerking is gemaakt, dat wij hier in de post-classieke Europeesche

litteratuur voor het eerst het motief zien optreden van de tooverbruid,

die alleen zóólang bij haar sterfelijken minnaar mag vertoeven als

bepaalde voorwaarden worden in acht genomen, zooals deze, dat hij

haar niet mag bespieden of mishandelen, of naar haar herkomst mag

vragen. Crundchu beloofde aan dat verzoek te zullen gehoorzamen en

ging naar het feest. Hier behaalden de twee paarden van den Koning

den éénen prijs na den anderen in de wedrennen, en het volk riep:

"Er is in Ierland geen vlugger span paarden, dan dat van den Koning".

"Ik heb thuis een vrouw", zeide Crundchu, in een oogenblik van

onnadenkendheid, "die harder kan loopen dan deze paarden".

"Grijpt dien man", zeide de koning woedend, "en houdt hem gevangen,

totdat zijn vrouw hier gebracht is, om den wedstrijd te houden".

Daarop gingen boden naar Macha, en zij werd naar de bijeenkomst

gebracht; maar zij was zwanger. De koning beval haar zich voor den

wedstrijd gereed te maken. Zij beriep zich op haar toestand. "Ik

ben op het punt een kind ter wereld te brengen", zeide zij. "Hakt

dan haar man in stukken", zeide de koning tot zijn lijfwacht. Macha

wendde zich tot de omstanders. "Helpt mij", riep zij, "want een

moeder heeft u allen gedragen! Geeft mij slechts een korten tijd

uitstel, totdat ik het kind heb ter wereld gebracht". Maar de koning

en de geheele menigte wilden in hun woeste begeerte naar uitspanning

van geen uitstel weten. "Brengt dan de paarden voor", zeide Macha,

"en omdat gij geen medelijden hebt, zal er een erger schande over

u vallen". Toen hield zij een wedren met de paarden, en overtrof ze

in snelheid, maar nauw had zij den eindpaal bereikt, of zij gaf een

luiden gil, werd door weeën overvallen, en bracht een tweeling ter

wereld. Toen zij echter dien gil gaf, werden alle toeschouwers door

dezelfde smarten overvallen als zij, en hadden zij niet meer kracht

dan een vrouw in barensnood. En Macha voorspelde: "Van dit uur af zal

de schaamte, die gij over mij hebt gebracht, iederen man van Ulster

overvallen. In de uren van uw grootsten nood zult gij zwak en hulpeloos

zijn als een vrouw in barensnood, en dit zal vijf dagen en vier nachten

duren--tot in het negende geslacht zal dien vloek op u rusten." En zoo

geschiedde het; en dit is de reden van de groote zwakheid der mannen

van Ulster, die de krijgslieden der provincie placht te overvallen.

Conor mac Nessa.

De voornaamste gelegenheid, waarbij die zwakheid zich openbaarde,

was toen Maev, de koningin van Connacht, den beroemden strooptocht

deed om het vee van Quelgny te rooven. (_Tain Bo Cuailgné_),

die het onderwerp is van de machtigste vertelling in de Iersche

litteratuur. Wij moeten nu de inleidende geschiedenis verhalen, die

leidt tot dit episch verhaal, en de voornaamste karakters onder de

oogen onzer lezers brengen.

Fachtna de Reus, koning van Ulster, had tot vrouw Nessa, de dochter

van Echid met den Gelen Hiel, en zij schonk hem een zoon, Conor

genaamd. Maar toen Fachtna stierf, volgde Fergus, de zoon van Roy,

zijn halfbroeder, hem op, daar Conor toen nog zeer jong was. Fergus

nu beminde Nessa, en zou met haar gehuwd zijn, maar zij stelde

voorwaarden. "Laat mijn zoon Conor één jaar regeeren," zoo sprak

zij, "zoodat zijn nakomelingen van een koning afstammen, dan zal ik

mijn toestemming geven." Fergus stemde er in toe, en de jeugdige

Conor besteeg den troon. Maar zijn bestuur was zoo verstandig en

voorspoedig, en zijn beslissingen waren zóó uitstekend, dat, zooals

Nessa had voorzien, het volk op het einde van het jaar wilde, dat hij

koning bleef; en Fergus, die meer hield van feestvieren en van jagen

dan van de beslommeringen van het koningschap, was met die regeling

tevreden, en bleef een tijdlang aan het hof van Conor, wel groot,

geëerd en gelukkig, maar niet langer koning.

De roode tak.

In dien tijd viel de grootste glorie van den "Roode Tak" in Ulster;

zij stamden af van Ross den Roode, den koning van Ulster, en hadden

nog bloedverwanten in de zijlijn en bondgenooten, die ten slotte

een soort van krijgszuchtige Orde vormden. De meeste Helden van

den Rooden Tak komen voor in de legendencyclus van Ulster, zoodat

het zijn nut heeft, hier hun namen en bloedverwantschap op te geven,

voordat wij hun daden gaan bespreken. Wij vestigen er de aandacht op,

dat zij gedeeltelijk bovennatuurlijke voorouders hebben. Ross de Roode

toch was gehuwd met een vrouw uit het Volk van Dana, en wel met Maga,

de dochter van Angus Og. [134] Maar tevens had hij als tweede vrouw

een maagd, Roy genaamd. Zijn afstammelingen zijn:

Maga = Ross de Roode = Roy

| |

Fachtna de Reus = Nessa Fergus mac Roy

|

Conor mac Nessa.

Maar Maga was tevens gehuwd met den Druïde Cathbad, uit welk huwelijk

drie dochters geboren waren, wier afstammelingen een belangrijke rol

speelden in den legendencyclus van Ulster.

Cathbad = Maga

|

+------------------------------------------+

| | |

Dectera [135] = Lugh Elva = Usna Finchoom = Amorgin

| | |

| +-------+------+ |

| | | | |

Cuchulain Naisi Ainlé Ardan Conall van de

Overwinningen

De geboorte van Cuchulain.

Het was tijdens de regeering van Conor mac Nessa dat de machtigste

held van het Keltische ras, Cuchulain, geboren werd, en dit geschiedde

aldus. Op zekeren dag verdween het meisje Dectera, de dochter van

Cathbad met vijftig jonge meisjes, haar gezellinnen aan het hof van

Conor, en drie jaar lang hielp geen zoeken om haar verblijfplaats

te ontdekken of iets omtrent haar lot gewaar te worden. Eindelijk

daalde op zekeren zomerschen dag een zwerm vogels neer op de akkers

bij Emain Macha en begon den oogst en de vruchten te vernielen. De

koning, met Fergus en anderen van zijn edelen, trok tegen hen uit

met slingers, maar de vogels vlogen slechts een eind ver weg, en

lokten hun vervolgers telkens mede, totdat deze bij den Tooverberg

van Angus aan de Boyne gekomen waren. De nacht daalde neer, en de

koning zond een troep met Fergus weg om de één of andere woning

te zoeken, waar zij zich te slapen konden leggen. Er werd een hut

gevonden, waar zij zich heen begaven om te rusten, maar één van hen,

die er verder op uittrok, bereikte een deftige woning aan de rivier,

en toen hij daar binnentrad, kwam hem een jonge man met een schittend

uiterlijk te gemoet. Bij den vreemdeling was een bekoorlijke vrouw,

zijn echtgenoote, en vijftig meisjes, die den krijgsman uit Ulster met

vreugde begroetten. En hij herkende in deze vrouwen Dectera en haar

gezellinnen, die zij drie jaar gemist hadden, en in den schitterenden

jongeling Lugh met den Langen Arm, den zoon van Ethtinn. Hij ging met

zijn bericht terug naar den koning, die onmiddellijk Dectera naar zich

terug ontbood. Maar zij verzocht een tijd uitstel, onder voorwendsel,

dat zij ziek was en zoo ging de nacht voorbij; maar des morgens werd

in de hut onder de krijgslieden van Ulster een pasgeboren mannelijk

kind gevonden. Het was de gift van Dectera aan Ulster, en met dat

doel had zij hen naar het tooverpaleis aan de Boyne gelokt. Het kind

werd door de krijgslieden mede naar huis genomen en toevertrouwd aan

Finchoom, de zuster van Dectera, die toen haar eigen kind voedde,

en de jongen werd Setanta genoemd. Het gedeelte van Ulster, dat zich

uitstrekt van Dundalk naar het zuiden tot Usna in Meath, welk gedeelte

de Vlakte van Murthemney genoemd wordt, werd als erfdeel aangewezen,

en later was zijn vesting en zijn woonplaats in Dundalk gelegen.

Men verhaalt, dat de Druïde Morann omtrent het jonge kind het

volgende voorspelde: "Zijn lof zal in den mond van alle mannen zijn;

wagenmenners en krijgslieden, koningen en wijzen zullen zijn daden

verhalen; hij zal de liefde van velen winnen. Dit kind zal al het

ons aangedane onrecht wreken; hij zal strijden aan uw waterstroomen,

hij zal al uw twisten beslechten."

De hond van Cullan.

Toen hij oud genoeg was, ging de jonge Setanta naar het hof van Conor

om opgevoed en onderwezen te worden met de andere zonen van vorsten

en hoofden. Nu geschiedde de gebeurtenis, waaraan hij den naam van

Cuchulain ontleende, waarbij hij later bekend zou worden.

Op zekeren namiddag gingen koning Conor en zijn edelen naar een

feest, waarop zij genoodigd waren in de dun van een rijken smid in

Quelgny, Cullan genaamd, waar zij ook voornemens waren den nacht

door te brengen. Setanta zou hen vergezellen, maar toen de stoet

op weg ging, was hij met zijn makkers midden in een balspel bezig,

en daarom verzocht hij den koning zonder hem weg te gaan, zeggende,

dat hij, als het spel was afgeloopen, wel zou volgen. Het koninklijk

gezelschap kwam tegen het aanbreken van den avond op de plaats van

bestemming. Cullan ontving hen gastvrij, en in de groote zaal deden

zij zich te goed aan vleesch en wijn, terwijl de huisheer de poorten

van zijn vesting grendelde en buiten een ontzaglijken en woesten hond

losliet, die iederen nacht de eenzame woning bewaakte, en onder wiens

bescherming Cullan in het minst niet behoefde te vreezen, zelfs voor

den aanval van een leger.

Maar zij hadden niet gedacht aan Setanta! In het midden der

vroolijkheid en der muziek van het feest werd een vreeselijk geluid

gehoord, dat iedereen in een oogenblik deed opvliegen. Het was het

vreeselijk geblaf van de hond van Cullan, die oogenblikkelijk aansloeg,

toen hij een vreemdeling zag naderen. Spoedig veranderde het geluid

in het gehuil van een woesten strijd, maar als allen naar de poorten

stormden, zagen zij in den schijn der lantaarns een jongen man staan,

terwijl de hond dood aan zijn voeten lag. Toen deze namelijk op hem

was aangevlogen, had hij hem bij den strot gegrepen en tegen den

deurpost te pletter geslagen. De krijgslieden droegen den jongen met

vreugde en bewondering naar binnen, maar spoedig eindigde de triomf,

want daar stond hun gastheer, zwijgend en droevig over het lijk van

zijn trouwen vriend, die voor de veiligheid van zijn huis gestorven

was en het nooit meer zou bewaken.

"Geef mij," zoo sprak toen de jonge Setanta, "een jong van dien hond,

o Cullan, en ik zal hem zoo dresseeren, dat hij voor u alles zal zijn,

wat de doode hond was. En geef mij tot dien tijd een schild en een

speer, en ik zal zelf uw huis bewaken; geen hond heeft het ooit beter

bewaakt dan ik doen zal."

En het geheele gezelschap juichte om de edelmoedige gelofte, en

oogenblikkelijk noemden zij den jongeling ter herinnering aan zijn

eersten heldendaad Cuchulain [136], den Hond van Cullan, en bij dien

naam was hij tot aan zijn dood bekend.

Cuchulain neemt de wapenen ter hand.

Toen hij ouder was, en de tijd naderde, waarop hij de wapenen van

den mannelijken leeftijd mocht aannemen, gebeurde het op zekeren

dag, dat hij dicht langs de plaats ging, waar Cathbad de Druïde

enkelen van zijn leerlingen onderwees in de kunst der waarzeggerij

en voorspelling. Een van hen vroeg Cathbad, voor welke soort van

onderneming die dag wel geschikt zou zijn; en Cathbad antwoordde,

na een voorspelling te hebben bestudeerd: "De jongeling, die van

daag de wapenen ter hand zou nemen, zou van alle mannen in Erin

het beroemdst worden om zijn groote heldendaden, maar zijn leven zal

vergankelijk en kort zijn." Cuchulain ging door, alsof hij het niet had

verstaan, en kwam vóór den koning. "Wat wilt gij?" vroeg Conor. "Ik

wil de wapenen van den mannelijken leeftijd ter hand nemen," zeide

Cuchulain. "Het zij zoo," zeide de koning, en hij gaf den jongeling

twee groote speren. Maar Cuchulain schudde ze in zijn hand, en de

staven splinterden en braken. En zoo deed hij met een aantal andere

speren; en de wagens, waarin zij hem plaatsten om daarmede te rijden,

brak hij in stukken door met zijn voeten te stampen, totdat ten slotte

de krijgswagen van den koning zelf en diens twee speren en zwaard aan

den knaap werden gebracht, maar deze kon hij niet breken, al spande

hij zich nog zoo in; daarom kreeg hij die uitrusting in eigendom.

Hoe hij dong naar de hand van Emer.

De jeugdige Cuchulain was nu een zoo schoone en edele jongeling

geworden, dat iedere maagd of vrouw op wie hij de oogen sloeg onder

zijn betoovering kwam, en de mannen van Ulster hem smeekten zich

een vrouw te kiezen. Maar geen van de meisjes bekoorde hem totdat

hij eindelijk de aanvallige maagd Emer zag, de dochter van Forgall,

de heer van Lusca, en hij besloot haar hand te vragen. Daarom beval

hij zijn wagen in te spannen en hij vertrok met Laeg, zijn vriend en

wagenmenner naar Dun Forgall [137].

Toen hij naderbij kwam, was het meisje in gezelschap van haar

gezellinnen, de dochters van de vazallen van Forgall, die zij

onderricht gaf in het borduren, want in die kunst overtrof zij alle

vrouwen. Zij had "de zes gaven der vrouw--de gave der schoonheid,

de gave der stem, de gave van vriendelijk spreken, de gave van het

naaldwerk, de gave der wijsheid en de gave der kuischheid."

Toen zij de paardehoeven hoorde weerklinken en het geratel van den

wagen in de verte, verzocht zij één der meisjes naar de wallen van

de Dun te gaan en haar te vertellen wat zij zag. "Er komt een wagen

aan," zeide het meisje "getrokken door twee paarden met schuddende

koppen, woest en krachtig; het ééne is grijs, het andere zwart. Uit

hun bekken blazen zij vuur, en de aardkluiten, die zij achter zich

opwerpen als zij voorthollen gelijken op een zwerm vogels, die hun

sporen volgen. In den wagen is een donkere, sombere man, de schoonste

van alle mannen uit Erin. Hij is gekleed in een karmozijnrooden mantel

met een gouden gesp, en op zijn rug is een karmozijnrood schild met

een zilveren rand, waarop figuren van dieren zijn gewerkt. Bij hem

zit als wagenmenner een lange, slanke, sproetige man met krullend

rood haar, dat samen gehouden wordt door een haarband van brons, met

gouden platen aan weerszijden van het gelaat. Hij drijft de paarden

aan met een prikkel van rood goud."

Terwijl de wagen kwam aanrijden, ging Emer Cuchulain te gemoet en

groette zij hem. Maar toen hij met zijn liefde bij haar aandrong,

vertelde zij van de macht en de sluwheid van haar vader Forgall,

en van de kracht der kampioenen, die haar bewaakten, opdat zij niet

tegen zijn wil zou huwen. En toen hij nog langer aandrong, zeide zij:

"Ik wil niet huwen vóór mijn zuster Fial die ouder is dan ik. Zij

is hier bij mij--zij munt bijzonder uit in naaldwerk." "Het is niet

Fial, die ik lief heb," zeide Cuchulain. Toen zag hij, terwijl zij

met elkander spraken, de borst van het meisje boven den rand van

haar hemd, en zeide hij: "Schoon is die vlakte, die vlakte van het

schitterende paar." "Niemand komt bij die vlakte," zoo sprak zij,

"die zijn honderden niet heeft verslagen, en gij moet nog beginnen

met uw daden."

Daarop verliet Cuchulain haar, en reed hij terug naar Emain Macha.

Cuchulain in het land van Skatha.

Den volgenden dag overlegde Cuchulain, hoe hij zich voor den oorlog zou

gereed maken en voor de heldendaden, die Emer van hem had geëischt. Nu

had hij gehoord van een geweldige vrouwelijke krijger, Skatha genaamd,

die in het Land der Schaduwen [138] woonde, en die jonge helden,

die bij haar kwamen, schitterende wapenfeiten kon leeren. Daarom

trok Cuchulain verschillende zeeën over om haar te vinden, en hij had

velerlei gevaren te trotseeren, zwarte bosschen en verlaten vlakten

door te trekken, voordat hij berichten kon krijgen van Skatha en

haar Land. Ten slotte kwam hij in de Vlakte van den Tegenspoed,

die hij niet kon oversteken zonder vast te raken in haar bodemlooze

moerassen of kleverige klei, en toen hij bij zich zelf overlegde,

wat hij zou doen, zag hij een jong man op hem afkomen met een gelaat,

dat schitterde als de zon, en wiens blik reeds voldoende was vreugde

en hoop in zijn hart op te wekken. De jonge man gaf hem een wiel en

beval hem dit voor zich uit te rollen over de vlakte, en het overal

te volgen, waar het heenging. Cuchulain bracht dus het wiel aan het

rollen, en terwijl het rolde, schitterde het van het licht, dat als

stralen uitstraalde uit zijn rand, en de hitte daarvan veroorzaakte,

dat er een harde weg door het moeras ontstond, waarover Cuchulain

veilig volgde. Toen hij de Vlakte van den Tegenspoed was doorgetrokken

en aan de wilde dieren van den gevaarlijken Bergpas was ontsnapt, kwam

hij aan de Brug der Sprongen, aan de overzijde waarvan het land van

Skatha gelegen was. Aan deze zijde van de brug vond hij hier een aantal

zonen van de vorsten van Ierland, die daar gekomen waren om wapenfeiten

van Skatha te leeren; zij speelden met ballen op de grasvlakte. En

onder dezen was zijn vriend Ferdia, de zoon van den Firbolg Daman;

deze allen vroegen hem nieuws uit Ierland. Toen hij hun alles had

verteld, vroeg hij Ferdia, hoe hij zou kunnen oversteken naar de dun

van Skatha. De Brug der Sprongen was echter zeer smal en zeer hoog,

en overbrugde een bergkloof, waar diep beneden de golven eener kokende

zee schuimden, waarin men vraatzuchtige monsters kon zien zwemmen.

"Niemand onzer is ooit die brug overgetrokken", zeide Ferdia, "immers

er zijn twee kunstgrepen, die Skatha ons eerst het allerlaatst leert;

één daarvan is de sprong over de brug, de andere is het werpen van de

Gae Bolg. Immers als iemand op het ééne uiteinde van de brug stapt,

gaat het middengedeelte onmiddellijk omhoog en werpt hem terug,

en als hij er op springt, heeft hij kans mis te springen en in het

water te vallen, waar de zeemonsters op hem wachten.

Maar Cuchulain wachtte tot den avond, toen hij van zijn vermoeienis

na de lange reis was bekomen, en trachtte toen de brug over te

trekken. Driemaal rende hij met een aanloop heen, terwijl hij al zijn

krachtten in het werk stelde, en trachtte op het midden te springen,

maar driemaal ging het midden omhoog en wierp hem terug, terwijl

zijn makkers hem bespotten, omdat hij niet wilde wachten op de hulp

van Skatha. Maar bij den vierden sprong, kwam hij juist neer op het

midden van de brug, en met een tweeden sprong was hij er over heen,

en stond hij voor de sterke vesting van Skatha; deze nu verbaasde

zich over zijn moed en zijn kracht en nam hem onder haar leerlingen op.

Een jaar en een dag bleef Cuchulain bij Skatha en alle kunstgrepen, die

zij kon onderwijzen, leerde hij gemakkelijk, en het allerlaatste leerde

zij hem het gebruik van de Gae Bolg, en gaf zij hem dat vreeselijke

wapen, dat zij geen kampioen vóór hem wilde schenken, daar zij meende,

dat niemand het waard was. De wijze nu waarop de Gae Bolg gebruikt

werd, was deze, dat zij met den voet werd geworpen, en als zij in het

lichaam van een vijand drong, vulde zij ieder van zijn ledematen en

openingen met haar weerhaken. Terwijl hij bij Skatha verblijf hield

was onder al zijn vrienden zijn grootste vriend en zijn mededinger in

behendigheid en dapperheid, Ferdia, en voordat zij scheidden, deden

zij de gelofte, dat zij elkander zouden helpen zoolang zij leefden.

Cuchulain en Aifa.

Terwijl nu Cuchulain in het Land der Schaduwen was, voerde Skatha

juist oorlog met het volk van Vorstin Aifa, die de meest geweldige

en sterkste was van de vrouwelijke krijgslieden der geheele wereld,

zoodat zelfs Skatha vreesde met haar te strijden. Daarom mengde Skatha

in den drank van Cuchulain, toen zij ten oorlog trok, slaapwekkende

kruiden, opdat hij niet binnen vier en twintig uren zou ontwaken,

zoodat in dien tusschentijd het leger reeds ver op weg zou zijn,

daar zij vreesde, dat hem ongelukken zouden treffen, voordat hij

zijn volle kracht had gekregen. Maar de drank, die bij een ander

man voor een dag en een nacht voldoende zou geweest zijn, hield

Cuchulain slechts één uur in slaap; en toen hij ontwaakte greep hij

zijn wapenen en volgde hij den troep langs de wagensporen, totdat hij

hen had ingehaald. Daarop slaakte Skatha een zucht, omdat zij wist,

dat hij zich niet zou laten weerhouden te strijden.

Toen de legers handgemeen werden, verrichtten Cuchulain en de beide

zonen van Skatha groote wapenfeiten tegen den vijand, en doodden

zij zes der machtigste krijgslieden van Aifa. Daarop zond Aifa een

bode naar Skatha en daagde zij haar uit tot een tweegevecht. Maar

Cuchulain zeide, dat hij tegen de schoone Furie zou strijden in de

plaats van Skatha, en vroeg het allereerst, wat de dingen waren,

die zij het meest op prijs stelde. "Waar Aifa het meest aan gehecht

is," zeide Skatha, "dat zijn haar twee paarden, haar wagen en haar

wagenmenner." Daarop begon het tweegevecht, maar iedere kunst,

die zij kenden, beproefden zij te vergeefs tegen elkander, totdat

eindelijk een slag van Aifa het zwaard van Cuchulain tot aan het

gevest verbrijzelde. Daarop riep Cuchulain: "Zie eens, de wagen en de

paarden van Aifa zijn in den bergpas gevallen." Aifa keek toen om,

waarop Cuchulain op haar losstormde, haar om het middel pakte, over

zijn schouder wierp en naar het kamp van Skatha droeg. Daar wierp hij

haar op den grond en hield zijn mes tegen haar hals. Zij smeekte om

haar leven, en Cuchulain stond dat toe, onder voorwaarde dat zij een

blijvende vrede met Skatha zou sluiten en gijzelaars zou geven voor

de vervulling harer gelofte. Daarin stemde zij toe, en Cuchulain en

zij werden niet alleen vrienden, maar ook geliefden.

De tragedie van Cuchulain en Connla.

Voordat Cuchulain het Land der Schaduwen verliet, gaf hij Aifa een

gouden ring, waarbij hij haar opdroeg, dat als zij hem een zoon zou

schenken, deze zijn vader in Erin moest zoeken, zoodra hij zóó groot

was geworden, dat de ring aan zijn vinger zou passen. En Cuchulain

zeide: "Beveel hem onder _geise_, dat hij zich niet mag bekend maken,

dat hij voor niemand uit den weg mag gaan en nooit een gevecht mag

weigeren. En hij moet den naam Connla dragen."

In later jaren werd verhaald, dat op zekeren dag, toen koning Conor

van Ulster en de edelen van Ulster op een feestelijke bijeenkomst

waren op het Strand der Voetstappen, zij een kleine bronzen boot van

over de zee naar zich toe zagen komen, waarin een jonge knaap zat met

vergulde riemen in de handen. In de boot was een groote hoop steenen,

en telkens deed de knaap één dier steenen in een slinger en wierp dien

naar een vliegende zeevogel met zóó groote handigheid, dat de vogel

levend aan zijn voeten neerviel. En hij gaf nog een aantal andere

wonderlijke voorbeelden van behendigheid. Daarop zeide Conor, toen de

boot dichterbij kwam: "Als de volwassen mannen uit het land van dezen

knaap hier kwamen, zouden zij ons zeker tot poeder vergruizen. Wee

het land, waarin die jongen zal komen."

Toen de knaap aan land kwam, werd een bode, Condery naar hem gezonden

met het bevel te verdwijnen. "Ik zal voor u niet teruggaan" zeide de

knaap, en Condery herhaalde den koning, wat hij gezegd had. Daarop werd

Conall van de Overwinningen tegen hem gezonden, maar de knaap slingerde

een grooten steen naar hem toe, en het gegons en de wind, daardoor

veroorzaakt, sloeg hem ter neder, waarop de knaap op hem sprong en

zijn armen vastbond met de strop van zijn schild. En zoo geschiedde

met verschillende anderen, sommigen werden gebonden, anderen gedood,

maar de knaap tartte de geheele legermacht van Ulster, hem terug te

jagen, en ook wilde hij noch zijn naam noch zijn afkomst mededeelen.

"Ontbied Cuchulain", zeide daarop koning Conor. Er werd nu een bode

naar Dundalk gezonden, waar Cuchulain was met zijn vrouw Emer, en hem

werd bevolen te vechten tegen een vreemden knaap, die Conall van de

Overwinningen niet had kunnen overwinnen. Emer sloeg haar arm om den

hals van Cuchulain. "Ga toch niet", smeekte zij. "Dit moet de zoon

van Aifa zijn. Dood uw eenigen zoon niet". Maar Cuchulain zeide:

"Houd op vrouw! Al was het Connla zelf, toch zou ik hem dooden voor

de eer van Ulster", waarop hij beval zijn wagen in te spannen en naar

het strand ging. Daar vond hij den knaap bezig met het heen en weer

slingeren van zijn wapens, terwijl hij daarmede wonderlijke dingen

deed. "Uw spel is alleraardigst, mijn jongen", sprak Cuchulain: "wie

zijt gij en waar komt gij vandaan?" "Dat mag ik niet bekend maken",

zeide de knaap. "Dan moet gij sterven" antwoordde Cuchulain. "Het

zij zoo," zeide de knaap, en daarop vochten zij een tijdlang met

zwaarden, totdat de knaap sierlijk een lok van het haar van Cuchulain

afsneed. "Ik heb genoeg van dat kinderspel," zeide Cuchulain, en

zij worstelden met elkander, maar de knaap ging op een rotsblok

staan en stond zoo stevig dat Cuchulain hem niet kon verwrikken, en

in die hardnekkige worsteling, drongen de twee voeten van den knaap

diep in den steen en veroorzaakten de afdrukken, waaraan de naam van

Strand der Voetstappen is ontleend. Eindelijk vielen beiden in zee,

en Cuchulain was op het punt te verdrinken, toen hij zich in eens de

Gae Bolg herinnerde, en dat wapen tegen den knaap slingerde, zoodat

zijn buik openscheurde. "Dit heeft Skatha mij nooit geleerd," riep de

knaap. "Wee mij, ik ben gewond". Cuchulain keek naar hem en zag den

ring aan zijn vinger. "Het is waar," zeide hij, en hij nam den knaap

op en droeg hem naar het strand en legde hem neer voor Conor en de

edelen van Ulster. "Hier is mijn zoon voor u, mannen van Ulster",

zeide hij. En de knaap zeide: "Dat is waar, en als ik vijf jaar

onder u had mogen opgroeien, zoudt gij de wereld aan iederen kant

om u heen veroveren, en zelfs zoover als Rome regeeren. Maar nu dit

niet het geval is, wijs mij de beroemde krijgslieden aan, die hier

zijn, opdat ik hen leere kennen en vóór mijn dood afscheid van hen

moge nemen." Daarop werden zij één voor één naar hem toegebracht,

en hij kuste hen, nam afscheid van zijn vader en stierf; en de mannen

van Ulster dolven zijn graf en richtten onder groot rouwbeklag zijn

grafzuil op. Dit was de eenige zoon, die Cuchulain ooit had, en dien

zoon doodde hij zelf.

Dit verhaal, zooals wij het hier hebben gegeven, dagteekent van de

negende eeuw, en wordt gevonden in het "Gele Boek van Lecan". Er zijn

verschillende Galische lezingen daarvan in poëzie en proza. Het is

één van de oudste in de litteratuur voorkomende behandelingen van het

sinds dien zoo goed bekende onderwerp van den dood van een heldhaftigen

zoon door zijn vader. De Perzische lezing van het verhaal van Sohrab

en Rustum is in de Engelsche litteratuur bekend geworden door het

schoone gedicht van Matthew Arnold.

Bij de Iersche lezing zal de lezer hebben opgemerkt, dat de vader

eenig vermoeden heeft van de identiteit van zijn tegenstander, maar

hij vecht met hem onder den prikkel van dat hartstochtelijke gevoel

van trouw en verknochtheid aan zijn vorst en zijn land, wat de meest

op den voorgrond tredende karaktertrek is van Cuchulain.

Wij hebben om de geschiedenis van Aifa en haar zoon te voltooien, op

de gebeurtenissen vooruitgeloopen, en keeren weer tot ons onderwerp

terug en hervatten den draad van ons verhaal.

De eerste strooptocht van Cuchulain.

Na een jaar en een dag in de oorlogskunst geoefend te zijn onder

Skatha, keerde Cuchulain naar Erin terug, vol verlangen zijn kloekheid

op de proef te doen stellen en Emer als vrouw te winnen. Daarom beval

hij zijn wagen te doen aanspannen, en reed weg, om een strooptocht te

maken naar de stroomen en de moerassen van Connacht, immers tusschen

Connacht en Ulster was voortdurend strijd langs de grenzen.

En eerst reed hij naar den Witten Steenhoop, die op den hoogsten

der Bergen van Mourne zijn, en overzag hij het land van Ulster, dat

zich lachend in de zonneschijn ver onder hem uitstrekte, en beval hij

zijn wagenmenner, hem den naam te noemen van iederen heuvel, iedere

vlakte en iedere dun, die hij zag. Daarna in zuidelijke richting

ziende keek hij over de vlakten van Bregia, en de wagenmenner wees

hem Tara en Teltin aan en Brugh na Bogna en de groote dun van de

zonen van Nechtan. "Zijn dat," zoo vroeg Cuchulain, "die zoons

van Nechtan, van wie verhaald wordt, dat door hun hand meer van de

mannen van Ulster gevallen zijn dan nog thans op aarde leven?" "Het

zijn dezelfde," zeide de wagenmenner. "Laat ons dan daarheen rijden,"

zeide Cuchulain. Zoo reed de wagenmenner zeer tegen zijn zin naar de

vesting van de zonen van Nechtan, en daar zagen zij op de grasvlakte

ervoor een steenen pilaar, en daaromheen een bronzen band waarop

teekens in Oghamschrift waren aangebracht. Cuchulain las deze en het

hield in, dat iedereen, die op den leeftijd was om wapenen te dragen,

en naar die vlakte zou komen, het tot _geis_ zou beschouwen, om weg te

gaan zonder één der bewoners van de dun tot een tweegevecht te hebben

uitgedaagd. Daarop sloeg Cuchulain zijn armen om den steen heen, en

na dien heen en weer te hebben geslingerd, lichte hij hem ten laatste

uit den grond en wierp hem met den bronzen band er bij, in de rivier,

die dichtbij stroomde. "Ongetwijfeld," sprak de wagenmenner, "zoekt

gij een gewelddadigen dood, en nu zult gij dien zonder verwijl vinden."

Daarop kwam Foill, de zoon van Nechtan uit de dun, en hij was

ontstemd, toen hij Cuchulain bemerkte, dien hij slechts voor een

knaap aanzag. Maar Cuchulain vroeg hem, zijn wapenen te halen,

"want ik dood geen wagenmenners, of boden of ongewapende mannen," en

Foill ging de dun binnen. "Gij kunt hem niet dooden," zeide daarop

de wagenmenner, "want door tooverkrachten is hij onkwetsbaar voor

de punt of den scherpen kant van eenig zwaard." Maar Cuchulain deed

in zijn slinger een bal van gehard ijzer, en toen Foill verscheen,

wierp hij dien tegen hem aan, zoodat hij zijn voorhoofd raakte en

recht door zijn hersens en zijn schedel heenging; en Cuchulain nam

zijn hoofd en bond dit aan den rand van zijn wagen. En andere zoons

van Nechtan, die naar buiten traden, bevocht hij en doodde hen door

zwaard en speer; daarna stak hij de dun in brand, verliet die toen

zij in lichte laaie vlam stond en reed opgetogen weg. Op weg zag hij

een troep wilde zwanen, en zestien van deze bracht hij levend naar

beneden met zijn slinger, en bond ze aan den wagen, en toen hij een

kudde wilde herten zag, die zijn paarden niet konden inhalen, steeg

hij af en joeg ze te voet na, totdat hij twee groote herten ving,

die hij met riemen en touwen bevestigde aan den wagen.

Maar te Emain Macha kwam een verspieder van koning Conor naar binnen

loopen om hem nieuws te brengen. "Let op, één enkele wagen nadert

snel over de vlakte; wilde witte vogels fladderen er om heen en wilde

herten zijn er aan vastgebonden; hij is overal bedekt met de bloedige

hoofden van vijanden." En Conor keek uit, om te zien, wie naderde,

en hij zag dat Cuchulain woedend van strijdlust was en ieder dien hij

ontmoette zou willen dooden; daarom beval hij, dat een troep vrouwen

uit Emain Macha naar buiten zoude gaan om hem te gemoet te treden, en

na haar kleeren te hebben uitgetrokken, naakt op zijn weg zouden gaan

staan. Dit deden zij, en toen de knaap hen zag, boog hij uit schaamte

zijn hoofd op den rand van den wagen. Daarop grepen de mannen van Conor

hem oogenblikkelijk vast en dompelden hem in een kuip koud water, die

gereed was gezet, maar het water begon over hem te koken en de duigen

en de hoepels van den kuip barstten uit elkander. Dit herhaalden zij

voortdurend, totdat zijn woede hem ten slotte verliet, en hij zijn

vroegere gedaante weder hernam. Daarna kleedden zij hem in nieuwe

kleeren en noodigden hem uit tot het feest in de feestzaal des konings.

Cuchulain wint de hand van Emer.

Den volgenden dag ging hij naar de dun van Forgall den Sluwe, den vader

van Emer en hij deed "den Zalmsprong van den held", dien hij van Skatha

had geleerd, over de wallen van de dun. Daarna vielen de machtige

mannen van Forgall op hem aan, en hij bracht slechts drie slagen toe,

en iedere slag doodde acht man, en Forgall zelf viel dood neer, toen

hij van den wal der dun afviel, om aan Cuchulain te ontkomen. Daarop

voerde hij Emer mede en haar pleegzuster en twee ladingen goud en

zilver. Maar buiten de dun zette de zuster van Forgall een troep

tegen hem aan, en zijn strijdwoede overviel hem weer, en vreeselijk

waren de slagen, die hij toebracht, zoodat de Glondath stroomde van

het bloed en het gras van Crofot tot een bloederige modder vertrapt

werd. Bij iedere stroom van Olbiny tot de Boyne versloeg hij honderd

man; en zoo won hij de hand van Emer gelijk zij dit verlangd had,

en bracht hij haar naar Emain Macha en maakte haar tot zijn vrouw,

en zij scheidden niet meer vóór zijn dood.

Cuchulain Kampioen van Erin.

Een opperhoofd van Ulster, Bricciu van de Vergiftigde Tong genaamd, gaf

eens een feest, waartoe hij koning Conor en alle helden van den Rooden

Tak uitnoodigde, en daar hij er altijd behagen in schepte, om strijd

te verwekken onder de mannen en vrouwen, liet hij de helden onderling

twisten over de vraag, wie de Kampioen van het land van Erin was. Ten

slotte werd vastgesteld, dat het kampioenschap moest worden toegekend

aan één van de drie: Cuchulain, Conall van de Overwinningen en Laery de

Overwinnaar. Om tusschen die drie te beslissen werd een booze geest,

De Verschrikkelijke, uit een meer opgeroepen, in welks diepte hij

huisde. Hij stelde de helden de volgende proef van hun moed voor. Ieder

van hen mocht van daag zijn hoofd afhakken, onder voorwaarde, dat hij,

die aanspraak maakte op het kampioenschap, morgen zijn eigen hoofd op

het blok zou leggen. Conall en Laery wilden de proef niet aanvaarden,

maar Cuchulain nam die aan, en na een tooverformulier over zijn zwaard

te hebben uitgesproken, snijdt hij het hoofd van den boozen geest af,

die onmiddellijk opstond en in het meer sprong na het bloedende hoofd

in één hand en zijn bijl in de andere te hebben genomen.

Den volgenden dag kwam hij weer terug, gezond en wel, om de vervulling

van de afspraak te eischen. Cuchulain legde bedrukt doch onverschrokken

zijn hoofd op het blok. "Strek uw nek uit, boosaard," riep de booze

geest; "hij is voor mij te kort, om hem te treffen." Cuchulain doet,

zooals hem bevolen wordt. De booze geest zwaait zijn bijl driemaal

over zijn slachtoffer, slaat met een plof de bijl op het blok en

beveelt daarop Cuchulain, die ongedeerd is, op te staan, als Kampioen

van Ierland en zijn dapperste man.

Deirdre en de Zonen van Usna.

Wij moeten thans terugkomen op een verhaal, waarin Cuchulain een

rol speelt. Het is het voornaamste der inleidende verhalen van den

Veeroof van Quelgny.

Zooals verhaald wordt, was er onder de hoofden van Ulster een zekere

Felim, zoon van Dall, die op zekeren dag een groot festijn voor den

koning aanrichtte. En de koning kwam met zijn Druïde Cathbad en met

Fergus mac Roy en een aantal helden van den Rooden Tak, en terwijl zij

feestvierden onder het gebruik van gebraden vleesch en tarwekoeken

en Griekschen wijn, kwam een bode uit de vrouwenvertrekken Felim

mededeelen, dat zijn vrouw hem juist een dochter had geschonken. Daarom

dronken de hoofden en krijgslieden de gezondheid van het jonge

kind, en de koning verzocht Cathbad, te waarzeggen op de wijze der

Druïden en te voorspellen, wat de toekomst voor het kind in den schoot

had. Cathbad keek naar de sterren en trok den horoskoop van het kind,

en was zeer ontroerd; ten slotte zeide hij: "Het kind zal de schoonste

zijn onder de vrouwen van Erin, en zal met een koning huwen, maar om

haar zullen dood en verderf over de Provincie Ulster komen." Daarop

wilden de krijgslieden haar onmiddellijk doen ter dood brengen,

maar Conor verbood dit. "Ik zal den vloek afwenden," zoo sprak hij,

"want zij zal geen vreemden koning huwen, maar als zij volwassen is,

zal ik haar tot vrouw nemen:" Daarom liet hij het kind wegnemen, en

vertrouwde hij het toe als zijn voedster Levarcam, en zij noemde het

kind Deirdre. Conor beval Levarcam, dat het kind in een sterke dun in

de eenzaamheid van een groot bosch zou worden opgevoed, en dat geen

jongman haar zou zien of zij een jongeling zou aanschouwen, voordat

zij op den leeftijd gekomen was, dat de koning haar kon huwen. En

daar verbleef zij, zonder iemand anders te zien dan de voedster

en Cathbad, en somtijds den koning, die nu oud begon te worden,

en somtijds de dun bezocht, om te zien, dat alles daar in orde was,

en dat zijn bevelen werden opgevolgd.

Op zekeren dag, toen de tijd voor het huwelijk van Deirdre en Conor

naderde, keken Deirdre en Levarcam over de wallen van hun dun. Het was

winter, een heftige sneeuwstorm had 's nachts gewoed, en in de stille,

vriezende lucht stonden de boomen in zilver gehuld, en de grasvlakte

vóór de dun was een kleed van onafgebroken wit, behalve dat op één

plek een der bedienden een kalf had geslacht waarvan het bloed op de

sneeuw lag. Toen nu Deirdre naar buiten keek, daalde een raaf af van

een nabijstaande boom en begon het bloed op te likken. "Ach voedster,"

riep Deirdre plotseling uit, "ik zou eer dan den koning een man

kunnen liefhebben, met haar zoo zwart als de vleugels van de raaf,

en met kaken, rood gekleurd als bloed, en met een huid zoo wit als

sneeuw." "Gij hebt iemand uit de omgeving van Conor geschilderd,"

zeide de voedster. "Wie is het?" vroeg Deirdre. "Het is Naisi, de

zoon van Usna, [139] één der Kampioenen van den Rooden Tak," zeide de

voedster. Daarop smeekte Deirdre Levarcam, haar in de gelegenheid te

stellen, met Naisi te spreken; en daar de oude vrouw Deirdre liefhad

en niet wenschte, dat zij met een ouden koning zoude huwen, stemde

zij er eindelijk in toe. Deirdre smeekte Naisi haar voor Conor te

redden, maar hij wilde niet, totdat hij ten slotte gewonnen werd door

haar smeekingen en haar schoonheid, en hij beloofde dat zij de zijne

zou zijn. Daarop kwam hij op zekeren nacht heimelijk met zijn twee

broeders, Ardan en Ainlé, en voerde hij Deirdre met Levarcam weg,

zij ontkwamen aan de vervolging des konings en gingen scheep naar

Schotland, waar Naisi dienst nam onder den koning der Picten. Doch

hier konden zij niet blijven, immers de koning kreeg Deirdre te zien,

en zou haar van Naisi hebben weggenomen, maar Naisi en zijn broeders

ontsnapten en vestigden zich in de eenzaamheid van den Bergpas Etive

aan het meer, en woonden daar in het woeste bosch van de jacht en de

visscherij, zonder met iemand in aanraking te komen dan met elkander

en hun bedienden.

En de jaren gingen voorbij en Conor liet niets van zich hooren, maar

toch vergat hij niet, en zijn spionnen hielden hem van alles op de

hoogte wat Naisi en Deirdre overkwam. Eindelijk, van oordeel zijnde,

dat Naisi en zijn broeders de eenzaamheid moede zouden zijn, zond hij

den boezemvriend van Naisi, Fergus, den zoon van Roy naar hem toe,

met het verzoek, of zij wilden terugkeeren, met de belofte er bij,

dat alles zou vergeven zijn. Fergus ging blijde op weg, en met vreugde

hoorden Naisi en zijn broeders de boodschap, maar Deirdre voorzag, dat

er ongelukken uit zouden voortvloeien, en had Fergus het liefst alleen

naar huis gezonden. Maar Naisi berispte haar om haar twijfelingen en

booze vermoedens, en deed haar opmerken, dat zij onder de bescherming

van Fergus waren, wiens bescherming geen koning in Ierland zoude

durven schenden; en ten slotte maakten zij zich op om te gaan.

Toen zij in Ierland landden ontmoetten zij daar Baruch, één der

helden van den Rooden Tak, wiens dun in de onmiddellijke nabijheid was

gelegen, en deze noodigde Fergus uit op een feest dat hij dien avond

voor hem had bereid. "Ik kan niet blijven", zeide Fergus, "want ik moet

Deirdre en de zonen van Usna veilig naar Emain Macha geleiden". "Toch",

zeide Baruch, "moet gij van avond bij mij blijven, want het is voor

u een _geis_, een feest te weigeren". Deirdre smeekte hem, hem niet

te verlaten, maar Fergus werd door het feest aangelokt, en durfde de

_geis_ niet te verbreken, en hij beval zijn zoons Illan den Blonde

en Buino den Roode, in zijn plaats de zorg voor het gezelschap op

zich te nemen, en hij zelf ging mede met Baruch.

Zoo kwam het gezelschap te Emain Macha, en werd ondergebracht in het

Huis van den Rooden Tak, maar Conor ontving hen niet. Na het avondmaal,

toen hij stevig en stil zat te drinken, zond hij een bode om Levarcam

voor zich te voeren. "Hoe gaat het met de zonen van Usna?" vroeg hij

haar. "Dat gaat goed", zeide zij. Gij hebt de drie dapperste kampioenen

van Ulster aan uw hof. De koning, die die drie heeft, behoeft geen

vijand te vreezen." "Hoe gaat het met Deirdre?", vroeg hij. "Zij is

gezond", zeide de voedster, "maar zij heeft vele jaren in de woestenij

geleefd, en zware arbeid en zorg hebben haar zeer veranderd--er is

slechts weinig van haar oude schoonheid overgebleven, O koning". Maar

na korten tijd ontbood hij één van zijn dienaren, Trendorn genaamd

en beval hem te gaan naar het Huis van den Rooden Tak en na te gaan,

wie er was en wat zij deden. Maar toen Trendorn daar aankwam was de

plaats gegrendeld en afgesloten tegen den nacht, zoodat hij niet kon

worden toegelaten; eindelijk klom hij op een ladder en keek door een

hoog venster naar binnen. En daar zag hij de broeders van Naisi en de

zoons van Fergus, die aan het praten waren en hun wapenen poetsten,

of zich voor den slaap gereed maakten, en daar zat Naisi met een

schaakbord voor zich, terwijl hij schaakspeelde met de schoonste

vrouw, die hij ooit had gezien. Maar terwijl hij in bewondering het

edele paar gadesloeg, werd hij plotseling ontdekt door één van hen,

die een kreet slaakte, terwijl hij naar het venster wees. En Naisi

keek op en zag het, en een schaakstuk van het bord nemende, slingerde

hij het naar het gelaat van den spion, waardoor bij dezen een oog werd

uitgestooten. Daarna klom Trendorn haastig de ladder af, en ging met

zijn bloedig gelaat naar den koning. "Ik heb ze gezien," riep hij,

"ik heb de schoonste vrouw der wereld gezien, en als Naisi mijn oog

niet had uitgeworpen, zou ik nu nog naar haar kijken."

Daarop stond Conor op en riep zijn lijfwacht en beval hen de

zonen van Usna vóór hem te brengen, omdat zij zijn bode hadden

verminkt. En de lijfwacht ging; maar eerst ging Buino, de zoon

van Fergus, met zijn gevolg hen tegemoet, en dreef hen met de punt

van het zwaard terug; Naisi en Deirdre bleven rustig doorgaan met

schaakspelen. "Immers," zeide Naisi, "het is niet gepast, dat wij

zouden trachten ons te verdedigen, terwijl wij onder de bescherming

staan van de zonen van Fergus." Maar Conor ging naar Buino, en kocht

hem door een rijke schenking aan land om, de hem gegeven opdracht

in den steek te laten. Daarop nam Illan de verdediging op zich van

het Huis van den Rooden Tak, maar de twee zoons van Conor doodden

hem. Doch toen namen ten slotte Naisi en zijn broeders hun wapenen

op en stortten zich te midden der vijanden, waarbij het aantal van

hen, die sneuvelden aanzienlijk was. Toen smeekte Conor den Druïde

Cathbad, een tooverbezwering over hen uit te spreken, tenzij zij

zouden wegtrekken en niet de vijanden der provincie zouden worden,

en hij beloofde hun geen kwaad te zullen doen als zij levend gevangen

genomen zouden worden. Daarop riep Cathbad een meer van slijk op, dat

zich bij de voeten der zoons van Usna bevond, en zij konden hun voeten

daar niet van wegtrekken en Naisi greep Deirdre en plaatste haar op

zijn schouder, want het scheen alsof zij in het slijk zonken. Daarop

grepen hen de lijfwacht en de dienaren van Conor en bonden hen,

waarna zij voor den koning werden geleid. En de koning liet man

voor man voorkomen om de zoons van Usna te dooden doch niemand wilde

gehoorzamen, totdat ten slotte Owen, de zoon van Duracht en vorst van

Ferney kwam, het zwaard van Naisi greep, en met één zwaai de hoofden

van alle drie af sloeg; zoo stierven zij.

Nu maakte Conor zich met geweld van Deirdre meester, en een jaar

lang leefde zij met hem in het paleis te Emain Macha, maar gedurende

al dien tijd lachte zij geen enkele maal. Ten slotte zeide Conor:

"Wat haat gij, Deirdre, het meest op aarde?" En zij antwoordde: "U

zelf en Owen den zoon van Duracht," en Owen stond er bij. "Dan zult

gij eenjaar lang naar Owen gaan," zeide Conor. Maar toen Deirdre den

wagen achter Owen besteeg, hield zij haar oogen op den grond gericht,

daar zij hen, die haar zoo kwelden, niet wilde zien; en Conor zeide, om

haar te tergen: "Deirdre, uw blik tusschen mij en Owen is die van een

ooi tusschen twee rammen." Daarop sprong Deirdre op, en na hals over

kop uit den wagen gesprongen te zijn, stootte zij haar hoofd tegen een

steen en viel dood. En men verhaalt, dat er, toen zij haar begroeven,

uit haar graf en uit dat van Naisi twee taxisboomen groeiden, waarvan

de toppen, toen zij tot vollen wasdom waren gekomen, tot elkander

naderden over het dak der groote kerk van Armagh, en samengroeiden,

zoodat niemand ze kon scheiden.

De Opstand van Fergus.

Toen Fergus mac Roy in Emain Macha terugkeerde na het feest, waartoe

Baruch hem had uitgenoodigd, en tot de ontdekking kwam, dat de zoons

van Usna gedood waren, en één van zijn eigen zoons dood was, terwijl

de andere een verrader was geworden, barste hij tegen Conor los in een

storm van woede en in vloeken, en zwoer dat hij zich te vuur en te

zwaard op hem zou wreken. En hij ging regelrecht naar Connacht toe,

om dienst te nemen bij Ailell en Maev, die koning en koningin van

dat land waren.

Koningin Maev.

Maar hoewel Ailell koning was, was Maev inderdaad de heerscheres,

en beval alles zooals zij wilde, en nam elken echtgenoot, dien zij

wilde, en zond die naar eigen wil terug; want zij was zoo onstuimig

en krachtig als een godin van den oorlog, en kende geen andere wet

dan haar eigen wil. Zij was, naar verhaald wordt, lang van gestalte,

had een lang, bleek gelaat en een rijkdom van haar, zoo geel als rijp

koren. Toen Fergus bij haar kwam in haar paleis te Rathcroghan, in

Roscommon, schonk zij hem haar liefde, zooals zij die aan velen vóór

hem had geschonken, en samen overlegden zij, hoe zij de provincie

Ulster konden aanvallen en verwoesten.

De Bruine Stier van Quelgny.

Het geschiedde nu, dat Maev een vermaarden rooden stier bezat met een

wit voorhoofd en witte horens, Finnbenach genaamd, en op zekeren dag,

toen zij en Ailell hun wederzijdsche bezittingen optelden en tegen

elkaar opwogen, hoonde hij haar, omdat de Finnbenach niet wilde blijven

in de handen van een vrouw, maar zich had gehecht aan de kudde van

Ailell. Daarom ging Maev geërgerd naar haar rentmeester, mac Roth,

en vroeg hem, of er ergens in Erin een stier was, zoo prachtig als de

Finnbenach. "Ja zeker," zeide de rentmeester, "er is er een--want de

Bruine Stier van Quelgny, die aan Dara, den zoon van Fachtna behoort,

is het prachtigste dier in Ierland." En daarna was het voor Maev alsof

zij geen kudden groot- of kleinvee had, die iets waard waren, zoolang

zij niet den Bruinen Stier van Quelgny in haar bezit had. Maar deze

was in Ulster en de bewoners van Ulster wisten, welk een schat zij

bezaten, en Maev wist, dat zij den stier niet zouden afstaan zonder er

om te vechten. Daarom besloten zij en Fergus en Ailell een strooptocht

tegen Ulster te ondernemen om het bezit van den Bruinen Stier en zoo

met de provincie in oorlog te komen, immers Fergus verlangde zich te

wreken en Maev verlangde te strijden, roem te behalen en den stier

te verkrijgen, terwijl Ailell Maev genoegen wilde doen.

Laat ons hier de opmerking maken, dat die strijd om den stier, die het

schijnbare onderwerp van het belangrijkste der Keltische legenden is,

de "Tain Bo Cuailgné", een diepere beteekenis heeft dan oppervlakkig

lijkt. Hierin is een oud stuk Arische mythologie vastgelegd. De Bruine

Stier is het Keltische tegenstuk van de Hindoe lucht-godheid, Indra,

die in de Hindoemythen wordt voorgesteld als een machtige stier, wiens

loeien is als de Donder, en die de regenvlagen loslaat "als koeien,

die naar de weiden stroomen." Het optrekken der vijanden uit het Westen

(Connacht), om den stier te grijpen is een zinnebeeld van het invallen

van den Nacht. De stier wordt verdedigd door den zonnegod Cuchulain,

die echter ten slotte overwonnen wordt, waarna de stier voor één

jaargetijde wordt gevangen. De beide dieren in de Keltische legende

vertegenwoordigen de lucht in verschillende gedaanten. Zij werden met

een pracht en een omhaal van woorden beschreven, die bewijzen, dat het

geen gewone dieren zijn. Eertijds waren zij, zoo luidt het verhaal,

zwijnenhoeders van het Volk van Dana. Zij waren eerst veranderd in twee

raven, dan in twee zeemonsters, twee krijgslieden, twee booze geesten,

twee wormen, en ten slotte in twee koeien [140]. Van den Bruinen Stier

wordt verteld, dat hij een rug had, breed genoeg voor vijftig kinderen,

om er op te spelen; als hij boos is op zijn bewaarder, stampt hij den

man dertig voet in den grond; hij wordt vergeleken met een zeegolf,

een beer, een draak, een leeuw, terwijl de schrijver voorstellingen

van zijn kracht en woestheid ophoopt. Wij hebben dus niet te doen

met een gewonen strooptocht om vee, maar met een mythe, waarvan de

trekken te herkennen zijn onder de voorstelling daaraan gegeven door

de gloeiende verbeeldingskracht van den onbekenden Keltischen held,

die de "Tain" vervaardigde, hoewel de nauwkeurige beteekenis van

iedere bijzonderheid moeilijk te ontdekken is.

De eerste poging van Maev, om in het bezit te komen van den stier,

bestond hierin dat zij een gezantschap naar Dara zond, om hem een

jaar ter leen te vragen, waarbij zij als belooning vijftig vaarzen

aanbood en zich verbond den stier terug te geven, en als Dara zich in

Connacht wilde vestigen, kon hij daar evenveel land krijgen, als hij

nu in Ulster bezat, en een wagen die driemaal zeven _Cumals_ [141]

waard was, en bovendien de bescherming en de vriendschap van Maev.

Eerst was Dara zeer verheugd met dat vooruitzicht, maar hem werden

verhalen overgebracht, wat de boden van Maev hadden gezegd, en hoe

zij verklaard hadden, dat als de stier niet vrijwillig gegeven werd,

hij met geweld zou genomen worden; daarom zond hij een weigerend en

uittartend antwoord. "Het was bekend", zeide Maev, "dat de stier

niet op eerlijke wijze zou worden afgestaan; daarom zal ik er mij

op oneerlijke wijze van meester maken". En daarom zond zij boden in

iedere richting, om haar troepen voor den rooftocht te ontbieden.

De Troepen van Koningin Maev.

En daar kwamen alle machtige mannen uit Connacht--eerst de zeven

Mainés, de zoons van Ailell en Maev, ieder met zijn gevolg, en Ket en

Anluan, de zonen van Maga, met drie duizend gewapende mannen, en de

geelharige Ferdia, met zijn troep Firbolgs, ontstuimige reuzen, die

zich verheugden in den oorlog en in krachtige ale. En daar kwamen ook

de bondgenooten van Maev, een troep mannen uit Leinster, die zóózeer

de overige overtroffen in vaardigheid in den strijd, dat zij onder

de troepen van Connacht werden verdeeld, opdat zij geen gevaar voor

den troep zouden opleveren; eindelijk Cormac, de zoon van Conor,

met Fergus mac Roy en andere ballingen uit Ulster, die tegen Conor

in opstand waren gekomen om zijn verraad jegens de zonen van Usna.

Ulster onder den Vloek.

Maar voordat de troep zich op weg begaf naar Ulster, zond Maev haar

spionnen in het land, om haar mede te deelen, welke voorbereidselen

daar werden gemaakt. En de spionnen brachten een wonderlijk verhaal

terug, dat het hart van Maev verheugde, immers zij vertelden,

dat de Zwakte der bewoners van Ulster [142] over de provincie was

verspreid. Koning Conor lag in angst te Emain Macha, en zijn zoon

Cuscrid in zijn eilandvesting, terwijl Owen, de Vorst van Ferney, zoo

hulpeloos was als een kind; Celtchar, de ontzaglijke grijze krijgsman,

de zoon van Uthecar Hornskin, en zelfs Conall van de Overwinningen

lagen steunende en zich krommende in hun bed, en in geheel Ulster

was er geen hand, die een speer kon opheffen.

Profetische Stemmen.

Toch ging Maev naar den oppersten van haar Druïden, en vroeg hem wat

haar eigen lot in den oorlog zou zijn. En de Druïde zeide alleen: "Wie

ook veilig terugkomt, of niet terugkeert, gij zelf zult komen." Maar op

haar reis terug zag zij plotseling vóór den disselboom van haar wagen

een jong meisje staan, met vlechten van geel haar, die tot onder haar

knieën afhingen, en die gekleed was in een groenen mantel; en met een

gouden weversspoel weefde zij een werk op een weversstoel. "Wie zijt

gij, meisje?" vroeg Maev, "en wat doet gij?" "Ik ben de profetes,

Fedelma, van de Tooverhoogte van Croghan," zeide het meisje, "en ik

weef de vier provincies van Ierland te zamen voor den strooptocht in

Ulster." "Hoe ziet gij onzen troep?" vroeg Maev. "Ik zie ze allen

roodgekleurd," antwoordde de profetes. "En toch zijn al de helden

van Ulster in doodsangst--er is geen enkele die een speer tegen ons

kan opheffen," zeide Maev. "Ik zie den troep geheel roodgekleurd,"

zeide Fedelma. "Ik zie een man van kleine gestalte, maar het licht van

den held schijnt op zijn voorhoofd, het is een aankomende man, jong en

bescheiden, maar een draak in den strijd, hij gelijkt op Cuchulain van

Murthemney; hij doet met zijn wapenen schitterende krijgsdaden; door

hem zullen slachtoffers in hoopen neerstorten. [143] Daarop verdween

het schijngezicht van het wevende meisje, en Maev vertrok naar huis

naar Rathecrogan, verbaasd over wat zij had gezien en gehoord.

Cuchulain brengt den Troep onder Geise.

Den volgenden morgen ging de troep op weg onder aanvoering van

Fergus mac Roy, en toen zij de grenzen van Ulster naderden, beval

hij hen scherp toe te zien, dat niet Cuchulain van Murthemney,

die de passen van Ulster in het zuiden bewaakte, hen onverwachts

zou overvallen. Cuchulain en zijn vader Sualtam [144] waren aan de

grenzen der provincie, en Cuchulain vermoedde, door een waarschuwing,

die Fergus hem had gezonden, dat een groot leger naderde en verzocht

Sualtam noordelijk naar Emania te trekken en de mannen van Ulster

te waarschuwen. Maar Cuchulain zelf wilde daar niet blijven, want

hij zeide, dat hij een afspraak had met de kamenier van de vrouw van

Laery den _bodach_ (pachter), daarom ging hij het bosch in, en daar

ging hij op één been staan en gebruikte slechts één hand en één oog,

en sneed een eikenplantje af en draaide het in een cirkelvormig

teentje van wilgenhout. Daarop sneed hij in Ogham letters, hoe

het teentje gemaakt was, en hij plaatste het leger van Maev onder

_geise_, dat zij die plaats niet mochten voorbijgaan, voordat één

van hen onder dezelfde voorwaarden een dergelijk teentje had gemaakt;

"en ik zonder mijn vriend Fergus mac Roy" uit, voegde hij er aan toe,

en schreef zijn naam aan het uiteinde. Daarna plaatste hij het teentje

rondom den steenen pilaar van Ardcullin, en ging op weg om aan zijn

afspraak met de kamenier te voldoen. [145]

Toen het leger van Maev te Ardcullin kwam, werd het teentje om de

pilaar gevonden en naar Fergus gezonden om het te ontcijferen. Niemand

van de troep kon Cuchulain zijn handeling nadoen, daarom gingen zij

in het bosch en kampeerden gedurende den nacht. Er had een hevige

sneeuwval plaats, en allen waren in groote moeilijkheden, maar den

volgenden dag verrees de zon schitterend, en over de witte vlakte

trokken zij naar Ulster, in de meening, dat het verbod slechts voor

één nacht gold.

De Wadde van den Vertakten Paal.

Cuchulain volgde nu onmiddellijk hun spoor, en daarbij schatte hij,

naar de sporen, die zij hadden achtergelaten, het aantal der troepen op

achttien _triucha cét_ (54000 man). Na om den troep heen getrokken te

zijn, ontmoette hij hen nu van voren, en zag hij spoedig twee wagens,

die spionnen bevatten, welke door Maev vooruitgezonden waren. Deze

versloeg hij, iederen man met zijn wagenmenner, en na met één slag

van zijn zwaard een vertakten paal met vier vorken uit het bosch

te hebben gehakt, dreef hij den paal diep in een wadde der rivier,

en plaatste op iedere vork een bloedig hoofd. De plaats waar dit

geschiedde, heette van toen af aan Athgowla [146]. Toen het leger

kwam, waren zij verbaasd en verschrikt over het gezicht, en Fergus

verklaarde, dat zij onder _geise_ stonden, de wadde niet te mogen

overtrekken, voordat één van hen den paal op dezelfde wijze had

uitgetrokken als hij er in was geslagen, met de vingertoppen van één

hand. Daarom reed Fergus het water in, om dien kunstgreep te beproeven,

en zeventien wagens braken onder hem, terwijl hij aan den paal trok,

doch ten slotte trok hij hem uit; en daar het reeds laat was geworden,

kampeerde het leger op die plek. Deze listen van Cuchulain hadden ten

doel, de indringelingen tegen te houden, totdat de mannen van Ulster

zich van hun zwakheid hadden hersteld.

In het epos, zooals het gegeven wordt in het Boek van Leinster, en de

andere oude bronnen, heeft er nu een groot tusschenbedrijf plaats,

waarin Fergus aan Maev uitlegt, wie het is--en wel "mijn kleine

leerling Setanta"--die het leger zoo hindert, en waarin zijn daden

als jongeling, waarvan in dit verhaal reeds sommige zijn verteld,

worden medegedeeld.

De Wagenmenner van Orlam.

Het leger ging den dag daarop verder, en de volgende ontmoeting toont

ons onzen held in een vriendelijker gemoedsstemming. Hij hoort het

geluid van het vellen van hout, en toen hij in het woud gaat, vindt

hij daar een wagenmenner, die behoort tot één der zonen van Ailell

en Maev, die disselboomen van hulst hakken. "Immers," zegt hij, "wij

hebben onze wagens vreeselijk beschadigd bij het jagen op dat bekende

wild, Cuchulain." Cuchulain, die, zooals men zich zal herinneren,

in gewone tijden een nietige en weinig indrukwekkende gestalte had,

hoewel hij in den slag in gestalte uitzette en vreeselijk verwrongen

werd, een symbool van Berserker woede--helpt den wagenmenner bij zijn

werk. "Zal ik," zoo vraagt hij, "de palen hakken of ze voor u glad

maken?" "Maak gij ze glad," zeide de wagenmenner. Cuchulain neemt de

palen bij de punten, en trekt ze tegen de rijen takken tusschen zijn

toonen door en laat ze dan op dezelfde wijze tusschen zijn vingers

heen gaan, en geeft ze hem even glad en gepolijst terug, alsof zij door

een timmerman waren gladgeschaafd. De wagenmenner staart hem verbaasd

aan. "Ik vermoed, dat het werk, dat ik u liet maken, niet uw gewoon

werk is," zegt hij. "Wie zijt gij dan toch?" "Ik ben de Cuchulain,

over wien gij zoo even hebt gesproken." "Dan ben ik zeker een kind

des doods," zeide de wagenmenner. "Neen," antwoordt Cuchulain, "ik

dood geen wagenmenners of boden of ongewapende mannen. Maar loop snel

weg en deel uw meester Orlam mede, dat Cuchulain op het punt is hem

te bezoeken." De wagenmenner holt weg, maar Cuchulain haalt hem in,

ontmoet Orlam het eerst, en slaat hem het hoofd af. Een oogenblik

slechts ziet het leger van Maev hem, terwijl hij die bloedige

tropee vóór hen heen en weer slingert; daarna verdwijnt hij uit

het gezicht--het is de eerste glimp, die zij van hun vervolger te

zien krijgen.

De Strijdwoede van Cuchulain.

Nu volgen een aantal op zich zelf staande gebeurtenissen. Het

leger van Maev verspreidt zich en verwoest het grondgebied van

Bregia en van Murthemney, maar zij kunnen niet verder in Ulster

doordringen. Cuchulain is voortdurend om hen heen, en verslaat hen

bij twee of drie te gelijk, en niemand weet, waar hij een volgenden

keer zal nederschieten. Maev zelf is bang, als door de worpen van een

onzichtbaren slingeraar een eekhoorntje en een lievelingsvogel gedood

worden, terwijl zij op haar schouders gezeten zijn. Later, als de woede

van Cuchulain heftiger wordt, daalt hij met bovennatuurlijke kracht

neer op heele troepen van het leger van Connacht, en honderden vallen

onder zijn aanval. Er volgt een beschrijving van de karakteristieke

vervorming of _riastradh_, die hem in zijn strijdwoede overviel. Hij

werd een ontzagwekkend en veelvormig schepsel, zooals nooit te voren

gezien was. Ieder deeltje van zijn lichaam beefde als een waterriet

in stroomend water. Zijn kuiten en hielen en dijen kwamen aan zijn

voorzijde, en zijn voeten en knieën van achteren, en de spieren in

zijn nek stonden rechtuit als het hoofd van een jong kind. Zijn ééne

oog zat diep in zijn hoofd, terwijl het andere naar buiten uitstak,

zijn mond bereikte zijn ooren, het schuim stroomde uit zijn kaken

als de wol van een hamel van drie jaar. Zijn hartslagen klonken als

het gebrul van een leeuw, die zich op zijn prooi stort. Een licht

scheen boven zijn hoofd, en zijn haar werd verward als ware het de

takken van een rooden doornstruik, die in de opening van een haag was

gestopt. Grooter, dikker, harder, langer dan de mast van een groot

schip was de loodrechte straal van donker bloed, die uit het midden van

zijn schedel opspoot en zich verspreidde in de vier hoofdrichtingen,

waarbij een magische nevel van duisternis gevormd werd, die geleek op

het berookte kleed, dat een koninklijk paleis omhult, als een koning

tegen het vallen van den avond na een winterdag daar nadert. [147]

Dit was het beeld, waarin Galische schrijvers de voorstelling van

bovenmenschelijke woede hulden. Men verhaalt dat eens, bij het gezicht

van Cuchulain in zijn woede, honderd der krijgslieden van Maev dood

van afgrijzen neervielen.

De Overeenkomst aan de Wadde.

Maev trachtte hem toen door groote geschenken over te halen, de

zaak van Ulster in den steek te laten en had een onderhoud met hem,

waarbij beiden aan de overzijde van een bergpas stonden, waarover

zij met elkander de zaak bespraken. Zij bekeek hem zorgvuldig en

werd getroffen door zijn nietig en jongensachtig uiterlijk. Zij

kon hem niet van zijn trouw jegens Ulster afbrengen, en meer dan

ooit daalt de dood neder op de troepen van Connacht; de mannen zijn

bevreesd met minder dan twintig of dertig op strooptochten uit te

gaan, en 's nachts fluiten door het kamp de steenen uit den slinger

van Cuchulain voortdurend, die de hersens verbrijzelen of de mannen

verminken. Eindelijk kwam men door bemiddeling van Fergus tot een

overeenkomst. Cuchulain verbond zich de troepen niet te hinderen,

als zij slechts één kampioen tegelijk zonden, met wien Cuchulain

slag zou leveren bij de wadde der Dee, welke wadde thans die van

Ferdia heet. [148] Zoolang het gevecht duurde, mocht het leger verder

trekken, maar als het geëindigd was, moesten zij tot den volgenden

morgen kampeeren. "Het is beter, dagelijks één man te verliezen dan

honderd," zeide Maev, en de overeenkomst werd gesloten.

Fergus en Cuchulain.

Er worden dan verschillende tweegevechten vermeld, waarin Cuchulain

steeds de overwinnaar is. Maev overreedt Fergus zelfs tegen hem in

het strijdperk te treden, maar Fergus en Cuchulain willen onder geen

voorwaarde tegen elkander vechten, en Cuchulain doet het voorkomen

alsof hij voor hem vlucht onder belofte van Fergus, dat hij, als het

noodig is, hetzelfde voor Cuchulain zal doen. Hoe die belofte gehouden

werd zullen wij later zien.

Het rooven van den bruinen stier.

Gedurende één van de tweegevechten van Cuchulain met een beroemden

kampioen, Natchrantal, doet Maev met een derde deel van haar leger

plotseling een strooptocht in Ulster en dringt zelfs tot Dunseverick,

op de noordkust, door, op hun tocht plunderend en verwoestend. De

bruine stier, die oorspronkelijk te Quelgny (Graafschap Down) was,

was reeds vroeger door de Morrigan [149] gewaarschuwd, zich terug te

trekken, en hij had daarom met zijn kudde koeien een toevlucht gezocht

in een bergpas van Slievegallion, in de Graafschap Armagh. Daar

wordt hij gevonden door de plunderaars van Maev en met de kudde

in triomf weggevoerd, waarbij zij op den terugtocht Cuchulain

tegenkomen. Cuchulain doodt den aanvoerder van het geleide--Buic,

den zoon van Banblai--maar hij kan den stier niet bevrijden, en "dit

was," zoo wordt verhaald, "de grootste beleediging, die Cuchulain

kon worden aangedaan gedurende den geheelen strooptocht."

De Morrigan.

De strooptocht had nu moeten ophouden, want het doel daarvan was

bereikt, maar in dien tijd waren de troepen der vier zuidelijke

provincies [150] bijeengebracht onder Maev teneinde Ulster te

plunderen, en Cuchulain bleef nog steeds de eenzame bewaker der

moerassen. Ook hield Maev zich niet aan de afspraak, immers troepen van

twintig krijgslieden tegelijk werden op hem losgelaten, en het kostte

hem groote moeite zich te verdedigen. Nu geschiedt de merkwaardige

episode van zijn strijd tegen de Morrigan. Een jonge vrouw, in een

veelkleurigen mantel gekleed, verschijnt voor Cuchulain, en zegt hem,

dat zij de dochter van een koning is, en dat zij aangetrokken is door

de verhalen van zijn groote krijgsdaden en gekomen om hem haar liefde

aan te bieden. Cuchulain vertelt haar op ruwe toon, dat hij vermoeid

en uitgeput is door den oorlog en er geen lust in heeft zich met

vrouwen af te geven. "Het zal u slecht gaan," zeide daarop de maagd,

"als gij met mannen zult te doen hebben, en ik zal mij als een aal aan

uw voeten vasthechten, op den bodem der wadde." Daarna verdween zij met

haar wagen uit het gezicht en hij zag niets dan een kraai op den tak

van een boom zitten, en wist, dat hij met de Morrigan had gesproken.

Het gevecht met Loch.

De volgende kampioen, die door Maev tegen hem werd uitgezonden, was

Loch, de zoon van Mofebis. Om met dien held te kunnen strijden moest

Cuchulain volgens het verhaal zijn kin met braambessensap insmeren, ten

einde het te doen voorkomen, alsof hij een baard had, daar anders Loch

zich niet zou verwaardigen met een knaap te strijden. Zoo streden zij

dan in de wadde, en Morrigan kwam tegen hem in strijd in de gedaante

van een witte vaars met roode ooren, maar Cuchulain verbrijzelde haar

oog met een worp van zijn speer. Daarna kwam zij de rivier op zwemmen

als een zwarte aal, en hechtte zich vast aan zijn beenen, en voordat

hij zich van haar kon losmaken, werd hij door Loch gewond. Daarna

viel zij hem aan als een grijze wolf, en weer werd hij, voordat hij

haar kon ten onder brengen, door Loch gewond. Daarop maakte zijn

strijdwoede zich van hem meester en stootte hij de Gae Bolg tegen

Loch, waarbij hij zijn hart in tweeën spleet. "Laat mij opstaan,"

zeide Loch, "opdat ik op mijn gelaat moge vallen aan uw zijde van de

wadde, en niet op den rug naar de mannen van Erin gekeerd." "Het is

het geschenk van den krijgsman, dat gij vraagt," zeide Cuchulain,

"en het is toegestaan." Zoo stierf Loch; en, zoo verhaalt men, een

groote moedeloosheid overviel Cuchulain, want hij was uitgeput door

voortdurenden strijd en zwaar gewond. Hij had sedert het begin van

den strooptocht nooit anders geslapen dan op zijn speer geleund;

en hij zond zijn wagenmenner Laeg, om te zien of hij de mannen van

Ulster niet eindelijk kon opwekken om hem te hulp te komen.

Lugh de beschermer.

Keltische Mythen en Legenden · 第 14 / 29 题