Het Volk van Dana na de Milesische Verovering.
De Koningen en helden van het ras der Zonen van Miled vullen nu
den voorgrond van het tooneel in de legendarische geschiedenis van
Ierland. Maar, zooals wij hebben aangetoond, de godheden uit het Volk
van Dana zijn nog volstrekt niet vergeten. Het tooverland, waarin
zij vertoeven is gewoonlijk voor stervelingen niet toegankelijk, maar
toch is het altijd dicht bij de hand; de onzichtbare slagboomen kunnen
door sterfelijke menschen overschreden worden, en dit geschiedt dan
ook dikwijls, terwijl ook het Volk van Dana zelf dikwijls daaruit te
voorschijn treden; stervelingen kunnen zich bruiden uit het Tooverland
winnen, die hen na een tijd geheimzinnig weer verlaten, en vrouwen
brengen roemrijke kinderen ter wereld, verwekt door bovennatuurlijke
vaders. En toch, wat ook het Volk van Dana moge geweest zijn in de
oorspronkelijke vóór-Christelijke opvattingen der Iersche Kelten,
het zou onjuist zijn te meenen, dat zij in de legenden, zooals deze
thans tot ons gekomen zijn, te voorschijn treden in het licht van
goden, zooals wij dien naam opvatten. Voor het meerendeel zijn zij
schitterend schoon, zij zijn (met enkele beperkingen) onsterfelijk, en
zij oefenen geheimzinnige machten van tooverij en bezweringen uit. Maar
geen enkele wijze van zedelijk bestuur der wereld wordt hun zelfs een
enkel oogenblik toegeschreven, en evenmin wordt hun (in de litteratuur
der barden) op eenigerlei wijze godsdienstige vereering gebracht. Zij
sterven nooit een natuurlijken dood, maar zij kunnen door elkander
en ook door stervelingen gedood worden, en over het geheel genomen
is het ras der stervelingen het sterkste. Hun kracht ligt, als zij
(wat dikwijls gebeurt) met menschen in strijd geraken in krijgslisten
en misleiding; als de strijd eerlijk kan worden uitgevochten tusschen
de beide vijandige machten, is het de mensch die overwint. De oude
koningen en helden uit het ras van Miled worden dan ook dikwijls
voorgesteld als zóó zeer begiftigd met bovennatuurlijke macht, dat
het onmogelijk is in dit opzicht een duidelijke scheidingslijn te
trekken tusschen hen en het Volk van Dana. De laatsten, zooals zij
in de bardenlitteratuur naar voren treden, zijn veel edeler en meer
verheven wezens, dan de toovergestalten, waarin zij ten slotte in
de volksverbeelding ontaardden; men kan zeggen, dat zij een plaats
innamen, gelegen tusschen deze en de Grieksche godheden, zooals die in
Homerus geteekend zijn. Maar zoowel in Ierland als daarbuiten schijnen
de Kelten niet die poëtische personificaties hunner idealen van macht
en schoonheid te hebben vereerd, maar veeleer de elementaire krachten,
voorgesteld door werkelijke natuurverschijnselen--rotsen, rivieren, de
zon, den wind, de zee. De krachtigste eed was die, waarbij men zwoer
bij den Wind en de Zon, of een andere natuurkracht inriep; geen naam
eener Dana-godheid komt voor in een Iersche eedsformule. Toen echter in
de latere perioden der bardenlitteratuur, en nog meer in de populaire
voorstellingen, de Dana-godheden waren begonnen af te dalen tot een
soort van tooverwezens vinden wij dat een karaktertrek naar voren kwam,
die waarschijnlijk ouder was dan die, welke hun in de letterkunde wordt
toegekend, en die in zeker opzicht verhevener is. In de letterkunde
waren zij blijkbaar oorspronkelijk vertegenwoordigers van wetenschap
en poëzie--de verstandelijke vermogens van den mensch. Maar in den
geest van het volk vertegenwoordigden zij, waarschijnlijk ten allen
tijde en zeker in latere Christelijke tijden, niet verstandelijke
vermogens, maar die, welke in verband stonden met de vruchtbaarheid der
aarde. Zij waren, zooals een plaats in het Boek van Armagh hen noemt,
_dei terreni_, aardgoden, en werden, en worden nog door de landbouwende
bevolking aangeroepen om vermeerderde opbrengst en vruchtbaarheid
te schenken. De litterarische opvatting omtrent hen is blijkbaar in
oorsprong Druïdisch, terwijl de andere de populaire is; en de populaire
en ongetwijfeld oudere opvatting is de meest duurzame gebleken.
Maar die karaktertrekken der Iersche mythologie zullen beter naar
voren komen in de vertellingen zelf dan in haar critische behandeling;
wij zullen dan ook tot de vertellingen terugkeeren.
De vestiging der Milesiërs in Ierland.
De Milesiërs hadden drie aanvoerders, toen zij optrokken om Ierland
te veroveren--Eber Donn (Bruine Eber), Eber Finn (Blonde Eber), en
Eremon. Den eerstgenoemden van dezen, werd, zooals wij gezien hebben,
niet toegestaan, het land binnen te treden--hij kwam om als straf voor
zijn onbeschaamdheid. Zoodra de overwinning over het Volk van Dana
vaststond, riepen de beide overgebleven broeders de beslissing in van
den Druïde Amergin, in verband met hun wederzijdsche aanspraken op
de oppermacht. Eremon was de oudste van beiden, maar Eber weigerde
zich aan hem te onderwerpen. Zoo begint de Iersche geschiedenis
met tweedracht en afgunst. Amergin besliste, dat het land aan
Eremon zou toebehooren tijdens diens leven, maar na zijn dood op
Eber zou overgaan. Eber weigerde echter zich aan deze beslissing te
onderwerpen, en eischte een onmiddellijke verdeeling van het onlangs
gewonnen gebied. Hierin werd toegestemd, en Eber nam de zuidelijke
helft van Ierland, "van de Boyne tot aan de Golf van Cleena", [115]
terwijl Eremon de noordelijke helft in het bezit kreeg. Maar zelfs
toen konden de broeders niet in vrede leven, en na korten tijd brak de
oorlog tusschen hen uit. Eber sneuvelde, en Eremon werd alleen koning
van Ierland, dat hij bestuurde van Tara uit, den traditioneelen zetel
van dat centrale gezag, dat altijd een droom was van den Ierschen
geest, maar dat nooit in de Iersche geschiedenis werd verwezenlijkt.
Tiernmas en Crom Cruach.
Er is slechts weinig te vermelden omtrent de koningen, die Eremon
opvolgden, en de slagen, die zij leverden, en de bosschen, die zij
velden en de rivieren en meren, die tijdens hun regeering ontstonden,
totdat wij komen aan de regeering van Tiernmas, den vijfden koning na
Eremon. Men zegt, dat hij den eeredienst van Crom Cruach, te Moyslaugt
[de Vlakte der Aanbidding [116]] in Ierland heeft ingevoerd, en dat
hij zelf met drie vierden van zijn volk is omgekomen, terwijl hij dat
beeld den dag vóór de Novembermaand aanbad, op welken dag het rijk
van den winter begon. Crom Cruach was ongetwijfeld een zonnegod,
maar onder de godheden van het Volk van Dana kan er geen enkele
worden vastgesteld, die met hem overeenkomt. Ook zou Tiernmas de
eerste goudmijn in Ierland hebben ontdekt en kleurschakeeringen in
de volkskleeding hebben ingevoerd. Een slaaf mocht slechts één kleur
dragen, een boer twee, een soldaat drie, een rijke grondbezitter
vier, een opperhoofd eener provincie vijf, en een Ollav of koninklijk
persoon, zes. Ollav was een naam, die op een bepaalden Druïdenrang
werd toegepast, het beteekent ongeveer hetzelfde als "doctor", in de
beteekenis van een geleerde. Het is een karakteristieke trek, dat den
Ollav een titel is toegekend, die gelijk staat met dien van een koning.
Ollav Fola.
De beroemdste Ollav van Ierland was tevens koning, en wel de bekende
Ollav Fola, die, naar verhaald wordt, ook achttiende koning was van
Eremon af gerekend en zou geleefd hebben omstreeks 1000 v.C. Hij was
de Lycurgus of Solon van Ierland, daar hij het land een wetgeving
schonk; tevens verdeelde hij het land onder den Opperkoning te Tara
onder de provinciale hoofden, aan ieder van wie zijn eigen rechten
en verplichtingen werden toegekend. Aan Ollav Fola moet ook de
stichting eener instelling worden toegeschreven, die wat ook haar
oorsprong moge zijn, in Ierland van groot gewicht was--het groote
driejaarlijksche Feest te Tara, waar de onderkoningen en opperhoofden,
geschiedschrijvers, barden en muziekspelers uit alle deelen van Ierland
bijeenkwamen om de geslachtsregisters op te maken van de opperhoofden
der clans, om wetten vast te stellen, rechtsgedingen te behandelen, de
erfopvolging te regelen, en zoo voort; al die politieke en wetgevende
werkzaamheden werden opgeluisterd door gezang en feesten. Het was een
onwrikbare wet, dat in dien tijd alle vijandschappen moesten worden
op zijde gezet; niemand mocht zijn hand tegen een ander opheffen,
of zelfs een rechtsgeding beginnen terwijl de Bijeenkomst te Tara
gehouden werd. Ollav Fola werd beschouwd als de traditioneele stichter
van al die politieke en nationale instellingen, op dezelfde wijze als
Goban de Smid werd beschouwd als de stichter van kunsten en ambachten
en Amergin van de poëzie. Maar het is moeilijk te zeggen, of er aan
het bestaan van den Milesischen koning eenige vastere historische
grondslag verbonden was dan aan de andere blijkbaar meer mythische
personen. Men beweert, dat hij begraven is in den grooten grafheuvel
te Loughcrew, in Westmeath.
Kimbay en de stichting van Emain Macha.
Met Kimbay (_Cimbaoth_) komen wij (omstreeks 300 v.C.) tot een mijlpaal
in de geschiedenis. "Al de geschiedkundige berichten omtrent de Ieren,
die van vóór Kimbay dagteekenen, waren twijfelachtig"--zoo schreef
de geschiedschrijver uit de elfde eeuw, Tierna van Clonmacnois [117],
met voor zijn tijd bewonderenswaardige scherpzinnigheid. Er is heel wat
onzekers in de mededeelingen, die volgen, maar zeker is het, dat wij op
steviger historischen bodem staan. Met de regeering van Kimbay komt één
belangrijk feit aan het licht en wel de stichting van het koninkrijk
Ulster, en daarin Emain Macha, een naam, die bij den Ierschen geleerde
de herinnering opwekt van luister en heldenmoed. Emain Macha wordt nu
vertegenwoordigd door de grasrijke wallen van een groote vesting op een
heuvel, in de onmiddellijke nabijheid van Ard Macha (Armagh). Volgens
één der woordafleidingen die voorkomen in Keatings "Geschiedenis van
Ierland", is _Emain_ afgeleid van _eo_, een pen of els, en _muin_,
van nek, zoodat het woord overeenkomt met "doekspeld", en Emain Macha
zou dan beteekenen de doekspeld van Macha. Een Iersche doekspeld
was een groote cirkelvormige ring van goud en brons, waarover een
lange speld liep, en de groote cirkelvormige wal, die een Keltische
vesting omgaf, kon in de verbeelding wel worden vergeleken met een
doekspeld eener reuzin, die haar mantel, of grondgebied bewaakte
[118]. De legende van Macha vertelt ons, dat zij de Dochter was
van den Rooden Hugh, een vorst uit Ulster, die twee broeders had,
Dithorba en Kimbay. Zij spraken met elkander af, dat zij om de beurt
de regeering over Ierland zouden uitoefenen. Eerst kwam Roode Hugh aan
de beurt, maar bij zijn dood weigerde Macha de regeering af te staan,
en vocht daarover met Dithorba, wien zij overwon en doodde. Daarop
dwong zij even heerschzuchtig Kimbay, haar te huwen en regeerde zij
als koningin over geheel Ierland. Wij geven het overige deel der
vertelling in de woorden van Standish O'Grady weer:
"De vijf zonen van Dithorba, vluchtten, nadat zij uit Ulster verdreven
waren, den Shannon over en spanden in het westen van het koninkrijk
tegen Macha samen. Daarop ging de koningin alleen naar Connacht,
waar zij de broeders in het bosch aantrof. Deze, vermoeid van de
jacht, braadden een wild zwijn, dat zij gedood hadden, en hielden een
drinkgelag voor een vuur, dat zij hadden aangestoken. Zij verscheen
in haar meest barsche gedaante, als de godin van den oorlog, rood
over het geheele gelaat, vreeselijk en afschuwelijk als de oorlog
zelf, maar met heldere en schitterende oogen. De broeders werden één
voor één in vlam gezet door haar onheilspellende schoonheid, en één
voor één overmeesterde en bond zij hen. Daarna tilde zij hen op haar
rug en keerde naar het noorden terug. Met de pen van haar doekspeld
zette zij op de vlakte den omtrek der stad Emain Macha uit, waarvan
de wallen en de grachten werden gemaakt door de gevangen prinsen,
die als slaven onder haar bevelen werkten."
"De diepere beteekenis van al die soorten van legenden", zoo merkt
O'Grady op, "is, als de man niet meester kan zijn over den oorlog,
de oorlog meester over hem zal zijn; en dat zij, die aanspraak hadden
op het Opperkoningschap over geheel Erin, de oorlogsgoden aan hun
zijde moesten hebben" [119].
Macha is een voorbeeld van de vermenging der attributen van het Volk
van Dana met het menschenras, waarover ik reeds heb gesproken.
Laery en Covac.
De volgende koning, die in die legenden op den voorgrond komt te
staan, is Ugainy de Groote, die niet alleen over geheel Ierland moet
hebben geregeerd, maar ook over een groot gedeelte van westelijk
Europa, en gehuwd geweest moet zijn met een Gallische prinses,
Kesair genaamd. Hij had twee zonen, Laery en Covac. De eerste erfde
de regeering, maar Covac ziek en verteerd van nijd, trachtte hem te
dooden, en won den raad in van een Druïde, hoe dit kon geschieden,
daar Laery, terecht achterdochtig, hem nooit zonder een gewapend
geleide wilde bezoeken. De Druïde raadde hem aan, zich voor dood te
doen doorgaan, en aan zijn broeder bericht te doen toekomen, dat hij op
zijn lijkbaar lag, op het punt van te worden begraven. Dit deed Covac,
en toen Laery aankwam en zich over het zoogenaamde lijk heenboog, stak
hij hem zijn wapen in het hart, en doodde tevens één van zijn zoons,
Ailill [120], die hem vergezelde. Daarop besteeg Covac den troon,
en onmiddellijk was zijn ziekte geweken.
Legenden over Maon, den zoon van Ailill.
Hij deed echter een onbeschaamde daad jegens een zoon van Ailill,
Maon genaamd, over wien een aantal legenden bekend zijn. Maon werd als
kind in de tegenwoordigheid van Covac gebracht, en werd daar, zooals
Keating zegt, gedwongen een stuk van het hart van zijn vader en van
zijn grootvader te eten en evenzoo een muis met haar jong. Het kind
verloor de spraak door de walging, die het overviel, en Covac liet hem
vrij, toen hij zag, dat het stom, en dus onschadelijk was. Het werd
toen naar Munster, naar het koninkrijk Feramorc gebracht, waarover
Scoriath koning was, en daar bleef de jongen eenigen tijd, maar ging
later naar Gallië, het land van zijn overgrootmoeder Kesair, waar
zijn lijfwacht den koning vertelde dat hij de erfgenaam was van den
Ierschen troon; daarom werd hij met groote eer behandeld en groeide
tot een edel jongeling op. Maar hij liet in het hart van Moriath, de
dochter van den koning van Feramorc, een hartstocht achter, die niet
tot bedaren kon worden gebracht, en zij besloot, hem naar Ierland
te doen terugkeeren. Daarom begiftigde zij den harpspeler van haar
vader, Craftiny, met een aantal rijke geschenken, en schreef voor hem
een minnedicht, waarin haar hartstocht voor Maon werd blootgelegd,
en waarbij Craftiny een betooverende melodie schreef. Toen Craftiny
in Frankrijk was gekomen, begaf hij zich naar het hof van den koning,
en vond daar gelegenheid zijn lied aan Maon voor te dragen. Deze was
zoozeer onder den indruk van de schoonheid en den hartstocht van het
lied, dat hij zijn spraak terugkreeg en het lied hemelhoog verhief:
na dat oogenblik was hij niet stom meer. De koning van Gallië rustte
toen voor hem een gewapende macht uit en zond hem naar Ierland om
zijn koninkrijk te heroveren. Toen Maon vernam, dat Covac in een
nabijgelegen plaats was, Dinzigh genaamd, deed hij met zijn leger
van Galliërs een plotselingen aanval op hem en doodde hem met al
zijn edelen en zijn lijfwacht. Na de slachting vroeg een Druïde uit
Covacs troepen één der Galliërs, wie hun aanvoerder was. "De Zeeman"
(_Loingseach_), antwoordde de Galliër, daarmede bedoelende den
bevelhebber der vloot, Maon. "Kan hij spreken?" vroeg de Druïde,
die de waarheid begon te vermoeden. "Ja zeker, kan hij spreken"
(_Labraidh_), zeide de man, en van dat oogenblik af had Maon, den zoon
van Ailill, den naam gekregen van "Labra de Zeeman," en was hij onder
geen anderen naam bekend. Daarna zocht hij Moriath op, huwde haar,
en regeerde tien jaar over Ierland.
Volgens de overlevering is de naam der provincie Leinster afgeleid
van dien inval der Galliërs. Zij waren gewapend met speren, die
blauw-groene ijzeren gevesten hadden, _laighne_ genaamd, en daar hun
grondgebied in Leinster was toegewezen, en zij zich daar nederzetten,
werd de provincie in het Iersch naar hen _Laighin_ genoemd--de
Provincie der Speerdragers. [121]
Een eigenaardig verhaal wordt medegedeeld omtrent Labra den Zeeman na
zijn troonsbestijging. Hij liet zich slechts eens in het jaar het haar
knippen, en de man, die dit moest doen, werd door het lot aangewezen
en onmiddellijk daarna ter dood gebracht. De reden daarvan was, dat
hij, evenals koning Midas in de soortgelijke Grieksche mythe, lange
ooren had als die van een paard, en hij dit gebrek niet bekend wilde
hebben. Eens echter geschiedde het, dat de man, die was aangewezen om
zijn haar te knippen, de eenige zoon was van een arme weduwe, door
wier tranen en smeekingen de koning bewogen werd hem het leven te
schenken, op voorwaarde dat hij bij den Wind en de Zon zou zweren,
dat hij niemand zou vertellen wat hij zag. De eed werd afgenomen
en de jonge man keerde naar zijn moeder terug. Maar langzamerhand
knaagde het geheim zóózeer aan zijn geest, dat hij door een ziekte
werd overvallen, en op het punt was te sterven, toen een wijze Druïde
ontboden werd om hem te genezen. "Hij sterft aan een geheim", zeide
de Druïde, "en hij zal niet genezen, voordat hij het openbaart. Laat
hem daarom den straatweg langs gaan, totdat hij komt op een plaats,
waar vier wegen samenkomen. Laat hem dan rechts afslaan, en het geheim
vertellen aan den eersten boom, dien hij op den weg ziet staan, dan
zal hij er van verlost zijn en herstellen." Dit deed de jonge man,
en het bleek, dat de eerste boom een wilg was. Hij hield zijn lip
dicht tegen den bast, fluisterde daar het geheim tegen aan, en ging
toen opgewekt als van ouds naar huis. Doch het ongeluk wilde, dat de
harpspeler Craftiny kort daarna zijn harp brak en een nieuwe noodig
had, en nu wilde het toeval, dat de eerste boom, dien hij vond, en die
voor zijn doel geschikt was, de wilg was, die het geheim van den koning
bezat. Hij hakte dien om, maakte daar zijn harp van en vervulde zijn
taak dien avond als gewoonlijk in de koningszaal; doch tot verbazing
der verzamelde gasten, hoorden zij, zoodra de harpspeler de snaren
aanraakte, dat de harp de woorden deed weerklinken, "Labra de Zeeman
heeft twee paardenooren." Toen de koning bemerkte, dat zijn geheim
bekend was, trok hij zijn kap van het hoofd en vertoonde zich zooals
hij was; en na dien tijd werd niemand meer ter dood gebracht. Wij
hebben vroeger gezien, dat de werking van de muziek van Craftiny de
stomheid van Labra had genezen. Zoo ziet men hoe het denkbeeld van
iets tooverachtigs in de muziek, alsof bovennatuurlijke krachten
daarin spreken, in de Iersche legenden veel voorkomt.
De cyclus van legenden van Conary Mor.
Wij komen thans tot een cyclus van legenden, die zich concentreeren om,
of liever afsluiten met de figuur van den opperkoning Conary Mor--een
cyclus, zóó rijk aan schoonheid, geheimzinnigheid en romantiek, dat
het, als men dien tot zijn recht wilde doen komen, veel meer ruimte
zou kosten, dan daaraan binnen de grenzen van dit werk kan worden
toegekend. [122]
Etain in het tooverland.
De inleidende gebeurtenissen van den cyclus hebben plaats in het
"Land der Jeugd", het mystieke land van het Volk van Dana, nadat
zij door de kinderen van Miled van hun macht zijn beroofd. Midir,
de trotsche zoon van den Dagda, een vorst uit het Volk van Dana, had
een vrouw, Fuamnach genaamd. Na eenigen tijd nam hij een tweede vrouw,
Etain, wier schoonheid en bevalligheid met niets te vergelijken was,
zoodat de uitdrukking "zoo schoon als Etain" een spreekwoordelijke
vergelijking werd voor iedere schoonheid, die iedere andere maat
overtrof. Daarom was dan ook Fuamnach jaloersch op haar mededingster,
en na haar door tooverkunsten in een vlinder te hebben veranderd, wekte
zij een storm op, die haar uit het paleis verdreef en haar gedurende
zeven jaar over de lengte en breedte van Erin heendreef. Ten slotte
echter voerde haar een windvlaag toevallig door een venster van het
tooverpaleis van Angus aan de Boyne. De onsterfelijken kunnen niet
voor elkander verborgen blijven, en Angus wist wie zij was. Daar hij
niet in staat was haar uit de betoovering van Fuamnach te verlossen,
maakte hij een zonnig priëel voor haar, waar omheen hij alle soorten
van prachtige, met honig beladen bloemen plaatste, waar zij op leefde
zoolang zij bij hem was, terwijl hij haar in de verborgenheid van den
nacht haar oude gedaante teruggaf, en van haar liefde genoot. Eindelijk
echter werd haar schuilplaats door Fuamnach ontdekt; weer daalde de
tooverstorm op haar neer en dreef haar weg; en nu overviel haar een
merkwaardig lot. Toen zij in het paleis van een opperhoofd uit Ulster,
Etar, gedreven was, viel zij in den drinkbeker van de vrouw van Etar,
juist op het oogenblik dat deze op het punt was te drinken. Zij werd
met den overigen inhoud van het glas ingeslikt, en werd, daar zij in
den moederschoot van de vrouw van Etar was opgenomen, geboren als een
schijnbaar sterfelijk kind, en groeide tot een bloeiende maagd op,
zonder iets van haar waren aard en haar afstamming te weten.
Eochy en Etain.
Omstreeks dien tijd geschiedde het, dat Eochy [123], de opperkoning
van Ierland, die niet gehuwd was, en bij wien de edelen van zijn land
aandrongen een koningin te kiezen--"want", zoo zeiden zij, "als gij
dat niet doet, zullen wij onze vrouwen niet op de bijeenkomst te Tara
brengen"--boden uitzond, om te zoeken naar een schoone en edele maagd,
die zijn troon zoude deelen. De boden kwamen terug met de tijding,
dat Etain, de dochter van Etar, de schoonste maagd in Ierland was,
en de koning ging op reis, om haar te bezoeken. Er volgt hier een
beschrijving, die één der verhevenste en schitterendste proeven is
van de Keltische, of misschien zelfs van de geheele litteratuur. Eochy
vindt Etain met haar gezellinnen bij een fontein, waarheen zij gegaan
was, om zich het haar te wasschen.
"Zij hield een zilveren kam in haar hand, de kam was met goud versierd;
en naast haar stond, om zich te wasschen, een zilveren waschbekken,
waarop vier vogels gedreven waren, en er waren kleine schitterende
karbonkels op den rand van het bekken. Een heldere purperen mantel
golfde om haar heen; en daar onder was een tweede mantel versierd met
zilveren franje; de buitenste mantel was op haar boezem vastgemaakt
met een gouden gesp. Zij droeg een kleed, waaraan een kap bevestigd
was, die haar hoofd kon bedekken; dit kleed was stijf en glimmend
met groene zijde onder rood borduursel, en was over haar borsten
bevestigd met prachtig bewerkte zilveren en gouden gespen, zoodat
men het schitterende goud en de groene zijde tegen de zon kon zien
glinsteren. Op het hoofd had zij twee vlechten van gouden haar,
en iedere vlecht bestond uit vier strengen; aan het uiteinde dier
strengen was een kleine bol van goud. En daar was de maagd bezig het
haar los te maken, om het te wasschen, terwijl haar armen staken door
de armsgaten van haar hemd. Ieder van haar beide armen was even wit als
de sneeuw van één enkelen nacht, en ieder van haar wangen was even rose
gekleurd als het vingerhoedskruid. De tanden in haar mond waren gelijk
en klein, en schitterden als paarlen. Haar oogen waren blauw als een
hyacinth, haar lippen fijn en gekleurd als karmozijn; haar schouders
waren hoog, zacht en wit. Haar polsen waren teeder, glad en wit, haar
vingers lang en blank; haar nagels schoon en rose. Wit als sneeuw,
of als het schuim eener golf was haar nek; lang, slank en zoo zacht
als zijde. Haar dijen waren zacht en wit; haar knieën rond, stevig en
blank; haar enkels zoo recht als de liniaal van een timmerman. Haar
voeten waren smal en wit als het schuim van den oceaan; haar oogen
stonden gelijk in de oogkassen; haar wenkbrauwen waren blauwachtig
zwart, zooals men ziet op het schild van een kever. Nooit was een
maagd schooner dan zij, of meer beminnenswaardig, door menschenoogen
gezien, en het scheen hem toe, dat zij één van diegenen moest zijn,
die van de tooverhoogten gekomen waren". [124]
De koning dong naar haar hand, maakte haar tot zijn vrouw, en bracht
haar mede naar Tara.
De liefdesgeschiedenis van Ailill.
Het geschiedde nu, dat de koning een broeder had, Ailill genaamd,
die, toen hij Etain zag, zóó zeer door haar schoonheid bekoord
werd, dat hij ziek werd van de hevigheid van zijn hartstocht en
bijna wegkwijnde. Terwijl hij in dien toestand was, moest Eochy een
vorstelijke rondreis door Ierland maken. Hij liet zijn broeder--van de
oorzaak van wiens ziekte niemand eenig vermoeden had--in de hoede van
Etain achter, en verzocht haar, voor hem al het mogelijke te doen, en
hem, als hij mocht sterven, met de vereischte plechtigheden te begraven
en een steen met Ogham-letters op zijn graf op te richten [125].
Etain gaat den broeder bezoeken en vraagt naar de oorzaak van zijn
ziekte; hij spreekt tot haar in raadselen, maar ten slotte ten gevolge
van haar teederheid zich niet meer kunnende bedwingen, barst hij los
in een bekentenis van zijn hartstocht. Zijn beschrijving van het
smachtend verlangen eener hopelooze liefde is een lyrisch gedicht
van buitengewone hevigheid. "Zij is meer gesloten dan de huid", roept
hij uit, "zij is als een strijd tegen een spook, zij overstroomt als
een vloed, zij is een wapen onder de zee, zij is een hartstocht voor
een echo". Met "een wapen onder de zee" bedoelt de dichter, dat de
liefde gelijkt op één der geheime schatten van het toovervolk in het
koninkrijk van Mananan--even prachtig en even onbereikbaar.
Etain is nu in groote verlegenheid; maar zij komt tot het besluit, met
een zekere naïeve goedhartigheid, hoewel zij volstrekt niet verliefd
is op Ailill, dat zij iemand niet kan zien sterven van verlangen naar
haar, en zij belooft, de zijne te zullen zijn. Misschien moeten wij
dit zóó opvatten, dat zij door haar feeënaard bewogen werd, niet
wetende wat goed of kwaad was, maar alleen gevoelig voor genot en
lijden. Wij moeten erkennen, dat in de Iersche mythen in het algemeen,
die "feeën" opvatting van zedelijkheid, zooals wij die kunnen noemen,
zoowel onder het volk van Dana als onder de stervelingen in het
algemeen overheerschend is--beiden maken den indruk van zedelijk niet
verantwoordelijk te zijn.
Etain maakt nu een afspraak met Ailill, om hem te ontmoeten in een
huis buiten Tara--want zij wil niet doen, wat zij haar "roemrijke
misdaad" noemt, in het paleis van den koning. Maar den avond vóór
den afgesproken dag valt Ailill in een diepen slaap en verzuimt de
afspraak. Doch een ander, in zijn gedaante gehuld, komt bij Etain,
maar alleen, om koel en medelijdend over zijn ziekte te spreken, en
vertrekt weder. Als de twee elkander weer ontmoeten, is de toestand
geheel gewijzigd. In zijn tooverslaap is de onheilige hartstocht van
Ailill voor de koningin volkomen uitgeroeid. Etain van haar kant,
komt tot de overtuiging, dat er achter de zichtbare gebeurtenissen
mysteriën verborgen zijn, die zij niet begrijpt.
Midir de trotsche.
De verklaring volgt spoedig. Het wezen, dat bij haar gekomen was
in de gedaante van Ailill, was haar vroegere echtgenoot, Midir
de trotsche. Hij komt nu naar haar dingen in zijn ware gedaante,
wonderschoon en schitterend uitgedost, en dringt er bij haar op aan,
met hem te vluchten naar het Land der Jeugd, waar zij van nu af
aan veilig kan zijn, daar haar vijandin, Fuamnach, dood is. Hij was
het geweest, die den tooverslaap had uitgesproken over de oogen van
Ailill. De beschrijving van het tooverland, waarheen hij haar wil
voeren, wordt door hem gegeven in verzen van groote schoonheid.
Het land der jeugd.
"O blondgelokte vrouw, wilt gij met mij mede gaan naar
het wonderland, vol muziek, waar het haar geel is als
sleutelbloemen en het lichaam wit als sneeuw?
Daar spreekt niemand van het "mijne" of het "uwe"--wit zijn
de tanden, en zwart de wenkbrauwen; de oogen glinsteren
met licht van verschillende kleuren, en de tinten van het
vingerhoedskruid zijn op iedere wang.
Heerlijk voor het oog zijn de vlakten van Erin, maar in
vergelijking met de groote vlakten zijn zij een woestijn.
Koppig is het bier van Erin, maar koppiger is het bier der
groote vlakte.
Eén der wonderen van dat land is, dat de jeugd niet in
ouderdom verandert.
Effen en kalm zijn de rivieren, die er doorheen stroomen; meede
en wijnen van iedere soort zijn er in overvloed; daar zijn alle
namen schoon, zonder smet; daar baren de vrouwen zonder zonde.
Wij zien in alle richtingen om ons heen, en niemand ziet ons;
de wolk van Adams zonde houdt ons voor hun blikken verborgen.
O schoone vrouw, als gij naar mijn krachtig volk wilt
medegaan, zal het zuiverste goud op uw hoofd geplaatst zijn,
het vleesch, dat gij eet, zal ongezouten [126] zwijnenvleesch
zijn, versche melk en meede zult gij daar met mij drinken,
o blondgelokte vrouw."
Wij hebben deze merkwaardige lyrische poëzie in haar geheel gegeven,
omdat zij, hoewel daarin duidelijk christelijke en ascetische
denkbeelden te herkennen zijn, over het geheel de heidensche en
mythische opvatting van het Land der Jeugd, het rijk der dooden,
voorstelt.
Etain is echter volstrekt niet bereid met een vreemdeling mede te
gaan en den opperkoning te verlaten voor een man "zonder naam of
stamboom". Midir zegt haar wie hij is, en vertelt haar tevens haar
geheele geschiedenis, waarvan zij in haar tegenwoordige incarnatie
niets weet; en hij voegt daaraan toe, dat zij duizend en twaalf jaar na
haar geboorte in het Land der Jeugd als een sterfelijk kind herboren
is uit de vrouw van Etar. Ten slotte stemt Etain er in toe met Midir
naar haar oude woonplaats terug te keeren, doch alleen op voorwaarde,
dat de koning in hun scheiding zal toestemmen; daarmede moet Midir
zich voorloopig tevreden stellen.
Een partij schaak.
Korten tijd daarna komt hij, zooals reeds vroeger vermeld is, [127]
bij koning Eochy, op den heuvel van Tara. Hij vertelt den koning,
dat hij gekomen is om met hem een partij schaak te spelen, en haalt
een schaakbord van zilver voor den dag, met stukken van goud, bezet
met juweelen. Het was een noodzakelijk iets voor koning en edelen in
Ierland, om een bekwaam schaakspeler te zijn, en Eochy begint met den
grootsten ijver te spelen. Midir laat hem spel na spel winnen, en als
betaling voor zijn verlies volvoert hij door tooverkracht verschillende
opdrachten van Eochy, zooals het verbeteren van landerijen, het vellen
van bosschen en het aanleggen van straatwegen door moerassen--hier
hebben wij een bewijs, hoe het volk van Dana in de volksmeening
als godheden werden beschouwd, die in verband stonden met landbouw
en vruchtbaarheid. Na ten slotte de hebzucht van Eochy te hebben
opgewekt, en dezen te hebben doen gelooven, dat hij de beste der
beide spelers was, stelt hij hem voor, een laatste spel te spelen,
terwijl de prijs door den overwinnaar zou worden vastgesteld nadat
het spel geëindigd was. Nu wordt Eochy verslagen.
"Gij kunt nu uw prijs bepalen", zeide Eochy.
"Als ik het gewild had, zou ik reeds lang den prijs gewonnen hebben".
"Wat wilt gij van mij?", vroeg Eochy.
"Dat ik Etain in mijn armen mag houden en een kus van haar mag
krijgen", zeide Midir.
De koning zweeg een oogenblik, en zeide daarna: "Gij kunt heden over
een maand hier komen, en u zal toegestaan worden, wat gij verlangt".
Midir en Etain.
Eochy was op kwaad bedacht, en toen de vastgestelde dag was
aangebroken, liet hij het paleis van Tara omringen door een grooten
troep gewapende mannen, om Midir buiten te sluiten. Dit was echter
vergeefsch; terwijl de koning aan den feestmaaltijd zat, en Etain
den wijn rondschonk, stond Midir, schitterender dan ooit te voren,
plotseling in hun midden. Terwijl hij zijn speren in de linkerhand
hield, sloeg hij de rechterhand om Etain, en het paar steeg licht
in de lucht en verdween door een dakraam van het paleis. Woedend
en ontsteld renden de koning en zijn krijgslieden buiten de deur,
maar het eenige wat zij konden zien, waren twee witte zwanen,
die in kringen boven het paleis vlogen en die daarna in een lange,
regelmatige vlucht naar den tooverberg, Slievenamon, vlogen. En zoo
keerde koningin Etain naar haar verwanten terug.
Oorlog met het tooverland.
Maar Eochy wilde niet in zijn nederlaag berusten, en daarop volgt
wat naar onze meening, sedert de eerste verdrijving van het volk van
Dana, de oudste oorlog met het tooverland is, waarvan wordt melding
gemaakt. Nadat hij te vergeefs Ierland doorzocht had, om zijn vrouw te
vinden, ontbood hij den Druïde Dalan, om hem te helpen. Dalan trachtte
een jaar lang, op alle mogelijke wijzen, die hij in zijn macht had,
te ontdekken, waar zij was. Ten slotte paste hij een toovermiddel toe,
dat bijzondere kracht moest hebben--"hij maakte drie tooverroeden van
taxishout, en op de roeden schreef hij een ogham; en door de sleutels
der wijsheid, die hij bezat, en door de ogham, werd hem geopenbaard,
dat Etain in den tooverheuvel van Bri-Leith was, en dat Midir haar
daarheen had gebracht".
Daarop verzamelde Eochy zijn troepen om den tooverheuvel, waar het
paleis van Midir gelegen was, te bestormen en te verwoesten. Het
verhaal loopt, dat hij negen jaar lang den éénen heuvel na den
anderen afgroef, terwijl Midir en de zijnen de verwoesting even snel
herstelden als zij was aangericht. Ten slotte verzon Midir, in zijn
laatste vesting teruggedreven, een krijgslist--hij bood aan, Etain
af te staan, en zond haar met vijftig dienstmaagden naar den koning,
maar maakte, dat zij allen zóózeer op elkander geleken, dat Eochy de
ware Etain er niet uit kon ontdekken. Doch, zoo luidt het verhaal,
zij zelf gaf hem een teeken, waaraan hij haar kon herkennen. De inhoud
van het verhaal, waarbij Etain de sterveling boven den God verkiest,
herinnert aan de schoone Hindoe-legende van Damayanti en Nala. Eochy
kreeg zijn koningin terug, die met hem samenleefde tot aan zijn dood,
die tien jaar later plaats greep, en deze schonk hem één dochter,
die naar haar, Etain werd genoemd.
De vertelling van Conary Mor.
Van die laatste Etain stamde de groote koning Conary Mor af, die in
de Iersche legenden schittert als het hoogste type van koninklijke
glans, macht en weldadigheid, en wiens overweldiging en dood door
het volk van Dana werden beraamd als wraakneming voor de verwoesting
hunner heilige verblijfplaatsen door Eochy. De vertelling, waarin de
dood van Conary wordt verhaald, is één der oudste en in opzet meest
barbaarsche van alle Iersche legenden, maar het heeft een schoonheid
en verbeeldingskracht, die door geen andere legende kan worden
geëvenaard. Het verhaal van Etain en Midir kan worden beschouwd als
een inleiding, (door de Ieren _priomscel_ genoemd), voor dit groote
verhaal, welke inleiding den meer verwijderden oorsprong der verhaalde
gebeurtenissen doet zien. De afstamming van Conary Mor zal den lezer
in staat stellen, den samenhang der gebeurtenissen beter te begrijpen.
Eochy = Etain
|
Cormac, koning van Ulster = Etain Oig (Etain de jongere)
|
Eterskil, koning van Erin = Messbuachalla (de pleegdochter van den
| koeherder)
|
Conary Mor.
De wet van de Geis.
Het verhaal van Conary brengt ons voor het eerst in aanraking met
de wet of de instelling van de _geis_, die van nu af aan een zeer
belangrijke rol speelt in de Iersche legenden, waar het schenden of het
inachtnemen van een _geis_ dikwijls een keerpunt is in een tragisch
verhaal. Wij moeten dus een oogenblik hierbij stilstaan en trachten
den lezer nauwkeurig te verklaren, wat die eigenaardige instelling was.
In het "Iersche Woordenboek" van Dineen wordt als beteekenis van het
woord _geis_ [128] gegeven een verplichting, een tooverbezwering,
een verbod, een taboo, een magisch bevel, waarvan de schending tot
ramp en dood leidde. In het woordenboek vindt men die beteekenissen
onder het woord _geas_ opgegeven. Ieder Iersch opperhoofd of man van
gezag had enkele _geise_, die hem eigen waren en die hij niet mocht
overtreden. Die _geise_ hadden dikwijls betrekking op een verzameling
van voorschriften voor ridderlijk gedrag--zoo staat Dermot van de
liefdeplek, als Grania zich op hem beroept om haar van Finn weg te
voeren, onder _geise_, om een vrouw geen bescherming te weigeren. Zij
kunnen ook uitsluitend op bijgeloof of een hersenschim--zoo is
het één der _geise_ van Conary, dat het hem niet vrij staat drie
roode ruiters op een weg te volgen, of om vogels te dooden (de
reden hiervan is, dat, zooals wij zullen zien, zijn totem een vogel
was). Voor den kampioen uit Ulster, Fergus mac Roy, is het een _geis_,
dat hij geen uitnoodiging tot een feest mag afslaan; daarop grondt
zich de Tragedie van de Zonen van Usnach. Het is volstrekt niet
duidelijk, wie die _geise_ oplegde, of hoe iemand ontdekte, wat zijn
persoonlijke _geise_, waren--dit was zonder twijfel een zaak, die de
Druïden moesten weten. Maar zij werden als heilige verplichtingen
beschouwd, en het verbreken dier _geise_ deed de ergste ongelukken
vreezen. Oorspronkelijk werden zij zeker beschouwd als een middel,
om de goede verhouding tot de andere wereld in acht te nemen--de
Tooverwereld--en waren zij verwant met het welbekende gebruik der
Polynesiërs ten opzichte van de "tabu." Wij zullen echter de Iersche
uitdrukking behouden, daar alleen deze op de Iersche gebruiken past.
De pleegdochter van den Koeherder.
Wij zullen thans tot ons onderwerp terugkeeren en de lotgevallen van
Conary, den achterkleinzoon van Etain volgen. Haar dochter, Etain
Oig, huwde, zooals wij uit de genealogische tabel gezien hebben,
met Cormac, den koning van Ulster. Zij baarde haar echtgenoot geen
andere kinderen dan één meisje. Verbitterd door haar onvruchtbaarheid
en door het feit, dat hem geen erfgenaam werd geboren, verstootte de
koning Etain, en beval hij, dat haar dochter zou worden weggenomen
en in een kuil zou worden geworpen. "Daarop brengen zijn twee slaven
haar naar een kuil, en toen zij haar daarin legden, lachte zij hen
vriendelijk toe" [129]. Daarna kunnen zij haar niet aan den dood
prijs geven, maar brengen haar naar een koeherder van Eterskel,
den koning van Tara, door wien zij wordt verpleegd en onderwezen
"totdat zij een uitnemende borduurster was geworden, en er was in
geheel Ierland geen koningsdochter, liever dan zij." Vandaar dat zij
den naam droeg van Messbuachalla, ("Messboo'hala"), wat beteekent
"de pleegdochter van den koeherder."
Uit vrees, dat men haar zal ontdekken, houden de koeherders het meisje
in een huis van vlechtwerk, waarin slechts één opening in het dak
is. Maar één van de onderdanen van Eterskel klimt uit nieuwsgierigheid
op het dak, kijkt naar binnen en ziet daar het schoonste meisje uit
Ierland. Hij bericht dit den koning, die beveelt, dat een opening in
den muur moet worden gemaakt, en het meisje moet worden weggehaald,
daar de koning kinderloos was, en hen door zijn Druïden was voorspeld,
dat een vrouw van een onbekend ras hem een zoon zou schenken. Daarop
zeide de koning: "Dit is de vrouw, die mij voorspeld is."
Afstamming en geboorte van Conary.
Voordat zij echter bevrijd was, wordt zij bezocht door een bewoner
van het Land der Jeugd. Een groote vogel komt daar het dakvenster
binnen. Op den vloer der hut vallen zijn vogelveeren af en doet hij
zich kennen als een prachtigen jongeling. Evenals Danaë, evenals
Leda, evenals Ethlinn, de dochter van Balor, schenkt zij den god
haar liefde. Voordat zij scheiden, vertelt hij haar, dat zij naar
den koning zal worden gebracht, maar dat zij haar minnaar uit het
Land van Dana een zoon zal schenken, die Conary zal heeten, en wien
het verboden zal zijn op de vogels jacht te maken.
Zoo werd Conary geboren, die opgroeide tot een verstandigen en
edele jongeling, en opgevoed werd ten huize van een aanzienlijk man,
Desa, wiens drie achterkleinzoons te gelijk met hem van kindsbeen
af werden groot gebracht. Zij heetten Ferlee, Fergar en Ferrogan;
en Conary, hield, zooals verhaald wordt, veel van hen, en leerde hun
zijn wijsheid.
Conary de Opperkoning.
Toen stierf koning Eterskel en moest een opvolger aangesteld
worden. In Ierland had de oudste zoon geen recht op den troon of op
het hoofdschap, maar de bekwaamste en de beste der familie werd door
de clan op eigenaardige wijze gekozen. In deze geschiedenis hebben
wij een merkwaardig verhaal, hoe die verkiezing door waarzeggerij
plaats vindt. Een "stierenfeest" werd gevierd--dat wil zeggen, een
stier werd geslacht, en de waarzegger moest "zich zat eten en drinken";
daarna ging hij naar bed, waar een betoovering over hem werd gezongen,
die hem dwong de waarheid te zeggen. Wien hij in zijn droom zag, zou
koning worden. Zoo dronk te Aegira, in Achaea, zooals Whitley Stokes
opmerkt, de Aardpriesteres het versche bloed van een stier voordat zij
in het hol afdaalde om te profeteeren. De droomer riep in zijn slaap,
dat hij iemand naakt naar Tara zag gaan met een steen in zijn slinger.
Het stierenfeest werd te Tara gevierd, maar Conary speelde in dien
tijd met zijn pleegbroeders op de Vlakten van Liffey. Zij gingen uit
elkander, terwijl Conary naar Dublin ging, waar hij een zwerm groote
vogels vóór zich zag, schitterend van kleur en schoonheid. Hij joeg ze
in zijn wagen achterna, maar de vogels gingen steeds een speerworp voor
hem uit, daalden neder en vlogen verder, zoodat hij ze, voordat zij de
zeekust bereikten, niet kon inhalen. Daarna steeg hij uit zijn wagen
en nam zijn slinger om ze te treffen, doch plotseling veranderden zij
in gewapende mannen, en gingen met speren en zwaarden op hem af. Doch
één van hen beschermde hem, en zeide: "Ik ben Nemglan, de koning
der vogels van uw vader; en u is verboden naar de vogels te werpen,
want er is geen enkele onder, die u niet verwant is." "Tot heden,"
zeide Conary, "wist ik daar niets van."
"Ga vannacht naar Tara," zeide Nemglan; het stierenfeest wordt daar
gevierd, en daardoor zult gij koning worden. Een spiernaakt man, die
tegen het einde van den nacht langs één der wegen naar Tara zal gaan,
die een steen en een slinger heeft,--die zal koning worden.
Daarom trok Conary zijn kleeren uit, en ging des nachts naakt naar
Tara, waar alle wegen bewaakt werden door hoofden, die koninklijke
kleeren bij zich hadden, om hem te kleeden, die in overeenstemming
met de voorspelling zou komen. Zoodra Conary hen bereikte, kleedden
zij hem en brachten hem naar binnen, waarna hij tot koning van Erin
wordt uitgeroepen.
De geise van Conary.
Hier volgt een lange lijst van zijn _geise_, welke hem zoo luidt het
verhaal, door Nemglan zijn gegeven. "De regeering der vogels zal edel
zijn," zoo sprak hij, "en dit zullen uw _geise_ zijn:
Gij zult niet rechtsom Tara omloopen, noch linksom Bregia,
[130]
Gij zult op de booze dieren van Cerna niet jagen,
Gij zult om de negen nachten niet verder gaan dan Tara.
Gij zult niet slapen in een huis, waar na zonsondergang nog
vuur brandt, of waarin van buiten licht gezien wordt.
Geen drie Rooden zullen vóór u gaan naar het huis van den
Roode.
In uw rijk zal geen rooverij geschieden.
Na zonsondergang zal geen vrouw alleen of man alleen het huis
binnenkomen, waarin gij vertoeft,
Gij zult niet tusschen beiden komen in een twist tusschen
twee van uw dienaren.
Daarna aanvaardde Conary de regeering, die zich kenmerkte door de
schoone jaargetijden en de rijke oogsten, die altijd in den geest
der Ieren samenvielen met de regeering van een goeden koning. Vreemde
schepen kwamen in de havens, Iederen herfst was er overvloed van eikels
tot voeding der varkens; de rivieren wemelden van visch. "Tijdens
zijn regeering doodde niemand een ander in Erin en voor iedereen in
Erin scheen de stem van zijn makker even liefelijk als de snaren van
luiten. Van het midden van de lente tot het midden van den herfst
bewoog geen windje den staart van een koe.
Begin der wraak.
Doch er kwam stoornis uit een andere bron. Conary had alle plundering
en roof onderdrukt, en zijn drie pleegbroeders, die geboren roovers
waren, namen hem dat kwalijk. Vol trots en eigenzinnigheid zetten zij
hun slechte gewoonten voort, en werden ten slotte gevangen genomen,
terwijl hun handen rood van bloed waren. Conary wilde hen niet ter
dood veroordeelen, zooals het volk hem verzocht, maar spaarde hen ter
wille van hun pleegbroederschap. Zij werden echter uit Erin verbannen,
en hun werd gezegd, dat, als zij dan toch wilden rooven, zij het dan
maar over zee moesten doen. Op zee ontmoetten zij een ander verbannen
hoofd, Ingcel den Eenoogige, den zoon van den koning van Brittannië,
en terwijl zij zich met dezen vereenigden, vielen zij de vesting aan,
waarin de vader, de moeder en de broeders van Ingcel toen juist als
gasten aanwezig waren, en allen werden in één nacht gedood. Toen was
het de beurt van Ingcel om hun hulp in te roepen, ten einde het land
van Erin te plunderen, en na een troep van andere vogelvrij verklaarden
bijeengebracht te hebben, waartoe de zeven Manes, de zonen van Ailell
en Maev van Connacht behoorden, behalve Ferlee, Fergar en Ferrogan,
deden zij een inval in Ierland, waarbij zij aan land stegen aan de
kust van Dublin, bij Howth.
Intusschen was Conary door de listen van het Volk van Dana verlokt,
om één voor één al zijn _geise_ te breken. Hij legt een twist bij
tusschen twee van zijn ondergeschikten in Munster, en toen zij
terugreisden naar Tara, zien zij, dat het land rondom verlicht is
door de flikkering van vuur en in wolken van rook gehuld. Zooals zij
meenden, plunderde een troep uit het noorden het land, en om daaraan
te ontkomen, moet de troep van Conary rechts om Tara en links om
de vlakte van Bregia heen draaien. Maar de rook en de vlammen waren
een zinsbedrog, door het Toovervolk veroorzaakt, dat nu de strikken
steviger om den veroordeelden koning heenhaalt. Op zijn tocht voorbij
Bregia maakt hij jacht op de "booze dieren van Cerna"--wie zij ook
waren--"maar hij merkte het niet, voordat de jacht geëindigd was."
De pleisterplaats van Da Derga en de Drie Rooden.
Conary moest nu een rustplaats voor den nacht vinden, en hij herinnert
zich, dat hij niet ver af is van de pleisterplaats van den Heer van
Leinster, Da Derga, naar wien dit bardengedicht genoemd is. [131]
Conary was edelmoedig jegens hem geweest toen Da Derga op bezoek
gekomen was te Tara, en hij besloot daarom zijn gastvrijheid voor dien
nacht in te roepen. Da Derga woonde in een groot paleis met zeven
deuren, bij het tegenwoordige Dublin, waarschijnlijk te Donnybrook
aan den straatweg naar het Zuiden. Toen de stoet daarheen reisde,
had er een onheilspellende gebeurtenis plaats--Conary zag vóór zich
op den weg drie ruiters geheel in het rood gekleed, die op roode
paarden reden. Hij herinnert zich zijn _geis_ ten opzichte van de
"drie Rooden", en zendt een bode naar voren, om hen te verzoeken
dat zij achter zullen blijven. Maar hoewel de bode zijn paard
opzweept, kan hij de drie Roode Ruiters niet dichter naderen dan
tot op een speerworp. Hij roept hen toe om te keeren en achter
den koning aan te rijden, maar één van hen, vraagt hem ironisch
terwijl hij omkijkt, "uit te zien naar belangrijk nieuws uit een
pleisterplaats." Herhaaldelijk wordt de bode naar hen toegezonden
met beloften van een ruime belooning, als zij in plaats van Conary
voor te gaan, achter hem willen rijden. Eindelijk zingt één van hen
een mystiek, een vreeseliik lied. "Zie mijn zoon, belangrijk is het
nieuws. Vermoeid zijn de paarden die wij berijden--de paarden van de
tooverheuvelen. Hoewel wij leven, zijn wij dood. Groot zijn de ketenen:
verwoesting van het leven; verzadiging van raven; voeding van kraaien;
wedijver in het dooden; het wetten van het zwaard; schilden met
gebroken knoppen na zonsondergang. Zie, mijn zoon!" Daarop rijden
zij voort, en na van hun roode paarden te zijn afgestegen, maken
zij die vast aan het portaal van de pleisterplaats van Da Derga,
en gaan binnen zitten. "Ter verklaring voegen wij hieraan toe, dat
"Derga" "rood" beteekent. Zoo was dus Conary door drie roode ruiters
voorgegaan naar Het Huis van de Roode. En vol voorgevoelen zegt hij:
"Al mijn _geise_ hebben mij van nacht gegrepen."
Verzameling der gasten.
Van nu af aan neemt het verhaal van Conary Mor het karakter aan van
bovennatuurlijke ontzaglijkheid en geheimzinnigheid, waarbij als het
ware de verbeelding van den bard toeneemt naarmate de crisis nadert. De
nacht is gevallen en de rooverbende van Ingcel is gekampeerd op de
oevers der Baai van Dublin. Zij hooren het geraas van den koninklijken
stoet, en een bode met een bijzonder goed gezicht wordt uitgezonden,
om te onderzoeken wat dat beteekent. Hij brengt tot antwoord de
mededeeling, dat een schitterende en talrijke menigte Conary naar
de pleisterplaats heeft gevolgd. Men hoort een eigenaardig krakend
geluid. Ingcel vraagt Ferrogan wat dit kan zijn--het blijkt veroorzaakt
te zijn door een reuzenkrijgsman mac Cecht, die met een vuursteen
op staal slaat, om voor het feest van den koning vuur te maken. "God
geve, dat Conary daar van nacht niet is", roepen de zonen van Desa;
"Wee hem, als hij in de macht van zijn vijanden is gevallen." Maar
Ingcel herinnert hen aan hun overeenkomst--hij had hen zijn eigen
vader en broeders ter plundering overgegeven; zij kunnen dus niet
weigeren, hem te helpen bij den aanval, dien hij tegen Conary in de
woning van Da Derga beraamt. Een flikkering van het vuur, door Mac
Cecht ontstoken wordt nu door den troep roovers gezien, terwijl het
schijnt tusschen de wielen der wagens, die geplaatst zijn langs de
open deuren der woning. Weer was één der _geise_ van Conary gebroken.
Ingcel en zijn bende richten nu een grooten steenhoop op, waarbij
ieder één steen aandraagt, opdat er een herinnering aan het gevecht
overblijve, en tevens een middel om te weten, hoeveel van hen
sneuvelen, daar ieder overlevende zijn eigen steen weer weghaalt.
De Morrigan.
Het tooneel verplaatst zich nu naar de pleisterplaats van Da Derga,
waar de vrienden van den koning gekomen zijn en zich voor den nacht
gereed maken. Een eenzame vrouw komt aan de deur en verzoekt te worden
toegelaten. "Ieder van haar scheenen waren zoo lang als een weversboom,
en zij waren zoo donker als de rug van een vliegend hert. Zij droeg een
grijsachtigen wollen mantel. Het haar reikte haar tot de knieën. Haar
mond was verdraaid naar één kant van haar hoofd." Zij was de Morrigan,
bij het Volk van Dana de godin van Dood en Vernietiging. Zij leunde
tegen den deurpost van het huis en zag boosaardig op den koning en
zijn gezellen neer. Conary zeide, "vrouw, als gij een tooverheks zijt,
wat ziet gij dan voor ons?" "Ik zie voor u" antwoordde zij, "dat noch
vel, noch vleesch van u zal ontkomen uit de plaats, waarin gij gekomen
zijt, behalve wat vogels in hun klauwen zullen wegdragen." Zij vraagt
toegelaten te worden. Conary zegt, dat zijn _geis_ hem verbiedt,
een eenzamen man of een eenzame vrouw na zonsondergang binnen te
laten. "Indien de koning inderdaad geen plaats heeft in zijn huis,
om een eenzame vrouw een maaltijd of een te bed te geven, zal zij dit
wel zonder hem krijgen van iemand, die edelmoediger is." "Laat haar
dan maar binnen komen," zegt Conary, hoewel het een _geis_ van mij is.
Conary en zijn gevolg.
Nu volgt een langen en schitterende beschrijving, hoe Ingcel den
stand van zaken in de woning gaat bespieden. Terwijl hij door de
wielen der wagens kijkt, let hij op alles wat hij ziet en geeft aan
de zonen van Desa een beschrijving van het uiterlijk en de uitrusting
van iederen vorst en iederen aanzienlijke in het gevolg van Conary,
terwijl Ferrogan en zijn broeder dan vertellen wie het is, en hoe hij
in het aanstaande gevecht verderf zal aanbrengen. Daar is Cormac, de
zoon van Comor, de koning van Ulster, de schoone en goede; daar zijn
drie ontzaglijke, zwarte en in het zwart gekleede krijgslieden der
Picten; daar is de rentmeester van Conary, met overeind staand haar,
die iederen twist beslecht--men kan een speld hooren vallen als hij
zijn stem verheft om te spreken, en de dienststaf, dien hij draagt,
heeft de groote van een molenwiek; daar is de krijgsman mac Cecht,
die op zijn rug ligt met opgetrokken knieën--deze gelijken op twee
kale heuvels, zijn oogen zijn als meren, zijn neus een bergtop,
zijn zwaard schittert als een rivier in de zon. Daar zijn ook de
drie zonen van Conary, goudgelokt, met zijden kleeren, door het
geheele dienstpersoneel bemind, met "manieren als volwassen meisjes,
met harten als broeders, met den moed van beren". Als Ferrogan over
hen hoort spreken, weent hij en kan hij niet verder gaan voordat
verscheidene nachtelijke uren voorbij zijn. Drie gijzelaars der
Fomoriërs met een afschuwelijk uiterlijk zijn daar ook; en Conall
van de Overwinningen met zijn bloedrood schild; en Duftach van
Ulster met zijn tooverspeer, die zoodra er een strijd aanstaande is,
in een brouwsel van slaapverwekkende kruiden moet gehouden worden,
daar zij anders aan haar greep gaat vlammen en wegvliegt, overal moord
verspreidend; en drie reuzen van het Eiland Man met paardenmanen, die
tot aan hun hielen reiken. Er wordt nog een vreemde en bovenaardsche
eigenaardigheid aan toegevoegd door de beschrijving van drie naakte
en bloedende gedaanten, die aan touwen van de zoldering afhangen--het
zijn de dochters van de Bav, een andere naam voor de Morrigan, of godin
van den oorlog, "drie, die ijzingwekkende voorgevoelens opwekken,"
zegt het verhaal raadselachtig, "het zijn de drie, die op ieder
oogenblik gedood worden." Wij moeten ze waarschijnlijk beschouwen
als onlichamelijke wezens, die oorlog en dood voorspellen en alleen
voor Ingcel zichtbaar zijn. De voorzaal met haar verschillende kamers
is vol krijgslieden, schenkers, spelende muzikanten en goochelaars,
die wonderbaarlijke kunsten verrichten, terwijl Da Derga met zijn
dienaren spijze en drank uitdeelen. Conary zelf wordt als een jong man
beschreven; "hij heeft de vurigheid en de geestdrift van een koning
en het beleid van een wijze; de mantel, dien ik om hem heen zag is zoo
effen als de nevel van een dag in Mei--in iedere tint liefelijker dan
deze." Zijn zwaard met gouden gevest ligt naast hem--te armslengte is
het uit de scheede vrijgekomen en schittert als een lichtstraal. Hij
is de zachtzinnigste en vriendelijkste en meest volmaakte koning,
die ooit ter wereld is gekomen, zelfs Conary, de zoon van Eterskil
.... groot is de teederheid van den slaperigen, eenvoudigen man, totdat
hij een daad van dapperheid heeft te verrichten. Maar als zijn woede
en zijn moed zijn opgewekt, als de kampioenen van Erin en Alba bij
hem in huis zijn, zal de verwoesting niet plaats hebben zoolang hij
binnen is--het ten onderbrengen van die regeering zou droevig zijn."
Kampioenen in het huis.
Daarop trokken Ingcel en de zonen van Desa op ten aanval en omsingelden
de pleisterplaats.
"Een oogenblik stilte!" zegt Conary, "wat is dit?"
"Kampioenen in het huis", zegt Conall van de Overwinningen.
"Er zijn voor hen krijgslieden hier," antwoordt Conary.
"Zij zullen van nacht noodig zijn," hervat Conall.
Eén der zonen van Desa stormt het eerst het huis binnen. Zijn
hoofd wordt afgeslagen en weer naar buiten geworpen. Daarop begint
de groote strijd. Het huis wordt in brand gestoken, maar het vuur
wordt gebluscht met wijn en alle mogelijke vloeistoffen, die binnen
zijn. Conary en zijn volk springen te voorschijn--honderden worden
verslagen en de roovers worden voorloopig op de vlucht gejaagd. Evenwel
Conary, die wonderen van dapperheid bij den strijd heeft verricht,
versmacht van dorst en kan niets meer uitrichten, voordat hij water
heeft gedronken. Maar de roovers hebben op raad van hun toovernaars
de rivier de Dodder, die door het terrein van het huis stroomde,
afgeleid, en alle vloeistoffen in het huis waren verbruikt voor het
blusschen van den brand.
De dood van Conary.
De koning, die van dorst versmacht, vraagt mac Cecht hem water te
verschaffen, en mac Cecht wendt zich tot Conall met de vraag, of
hij voor den koning water wil halen of wil achterblijven om hem te
beschermen, terwijl mac Cecht water haalt. "Laat de verdediging van
den koning aan ons over," zegt Conall, "en ga gij het water halen,
want het is u verzocht." Nu holt mac Cecht met den gouden beker
van Conary weg, zich een weg banend door de omsingelende troepen,
en gaat naar water zoeken. Daarop komen Conall en Cormac van Ulster
en de andere kampioenen op hun beurt naar voren en dooden een groot
aantal vijanden, sommigen keeren gewond en vermoeid terug naar
den kleinen troep in huis, terwijl anderen zich door den kring van
vijanden heenslaan. Conall, Sencha en Duflach houden tot het laatst
toe bij Conary stand; maar het duurt lang eer mac Cecht terugkeert,
Conary komt van dorst om en daarop slaan de drie helden er zich door
heen en ontsnappen, gewond, gebroken en verminkt."
Intusschen was mac Cecht over Ierland voortgehold, terwijl hij als
een razende naar water zocht. Maar het Toovervolk, waarmede hier
blijkbaar de elementaire machten bedoeld worden, die de natuurkrachten
beheerschen, hebben alle bronnen tegen hem verzegeld. Tevergeefs
gaat hij naar de Bron van Kesaiz in Wicklow; hij gaat naar de groote
rivieren, Shannon en Slayney, Bann en Borrow--alle verbergen zich
als hij nadert, ook de meren laten hem in den steek; eindelijk vindt
hij een meer, Loch Gara in Roscommon, dat verzuimde zich in tijds te
verbergen, en daar vult hij zijn beker. Des morgens keerde hij terug
met het kostbare en met moeite veroverde vocht, maar vond, dat alle
verdedigers gesneuveld of gevlucht waren, terwijl twee der roovers
juist bezig waren het hoofd van Conary af te slaan. Mac Cecht sloeg
er één het hoofd af, en wierp een ontzaglijken steenen pilaar den
tweeden achterna, die juist met het hoofd van Conary ontsnapte. De
roover viel op de plaats dood, en mac Cecht nam het hoofd van zijn
meester op, en goot het water in zijn mond. Daarop sprak het hoofd,
en prees en bedankte hem voor zijn daad.
De wond van mac Cecht.
Een vrouw kwam naderbij en zag mac Cecht uitgeput en gewond op het
slagveld liggen.
"Kom hier, vrouw," zeide mac Cecht.
"Ik durf niet naderbij te komen," zeide de vrouw, "uit afgrijzen en
vrees voor u."
Maar hij overreedt haar te komen, en zegt: "Ik weet niet, of het een
vlieg of een mug of een mier is, die in mijn wond steekt."
De vrouw keek er naar en zag dat een harige wolf met de twee schouders
in de wond begraven was. Zij pakte het dier bij den staart en trok
het uit de wond, maar het dier trok van hem zooveel af, "als zijn
kaken konden bevatten."
"Ja," zeide de vrouw, "dit is een mier van het Oude Land."
En mac Cecht nam het bij den strot en sloeg het voor op het hoofd,
zoodat het dood viel.
"Leeft uw Heer nog?"
Het verhaal eindigt in een werkelijk heldhaftigen toon. Conall van
de Overwinningen had, zooals wij gezien hebben, zich na den dood van
den koning door de vijanden heengeslagen en was naar Teltin getrokken,
waar hij zijn vader Amorgin in den tuin vóór zijn deur vond. De arm van
Conall, die het schild droeg was door driemaal vijftig speren gewond,
en hij bereikte nu Teltin met een half schild, en zijn zwaard en de
overblijfselen van zijn twee speren.
"Vlug zijn de wolven, die u hebben achterna gezeten, mijn zoon,"
zoo sprak zijn vader.
"Het is een heftige strijd met krijgslieden, waarin wij gewond zijn,
o oude held," antwoordde Conall.
"Is uw heer nog in leven?" vroeg Amorgin.
"Hij leeft _niet meer_," zegt Conall.
"Ik zweer bij God, wat de groote stammen van Ulster zweren; hij die
levend den strijd verlaat, na zijn heer bij zijn vijanden in den dood
te hebben achtergelaten, is een lafaard."
"Mijn wonden zijn niet wit, oude held," zegt Conall. Hij liet hem
zijn arm zien, waaraan hij zijn speer had gedragen, en waarop driemaal
vijftig speerwonden waren. De arm, waarmede hij zijn zwaard hanteerde,
en die niet door zijn schild beschermd was, verminkt en verbrijzeld
en gewond en doorboord, zoodat hij alleen nog maar door enkele pezen
aan het lichaam vastzat.
"Die arm heeft van nacht gevochten, mijn zoon," zegt nu Amorgin.
"Dat is waar, oude held," zegt Conall van de Overwinningen. "Velen
zijn het, die door dien arm van nacht tegenover de pleisterplaats in
den dood zijn gevoerd."
Zoo eindigt de vertelling van Etain en van den overval van het
Tooverland, en van de wraak der toovermannen op den achterkleinzoon
van Eochy den Opperkoning.